-A +A

Dading vereist wederzijdse toegeving

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Mechelen
Datum van de uitspraak: 
vri, 09/01/2015

W.V. t/ G.G. en W.H.

...

Voorwerp van de vordering

W.V. vordert bij inleidende dagvaarding in verzet en erna volgende conclusies:

– voor recht te horen zeggen dat W.H. en G.G. niet gerechtigd zijn tot de tenuitvoerlegging van de beschikking in kort geding van 17 juli 2014; hen af te wijzen van verdere tenuitvoerlegging op basis van het bevel tot betaling;

– voor recht te horen zeggen dat de tenuitvoerlegging door W.H. en G.G. een onrechtmatig karakter heeft;

...

W.H. en G.G. besluiten tot de ongegrondheid van het verzet.

Beoordeling

...

Beoordeling ten gronde

1. Exceptie van dading

W.V. verwijst naar de dading gesloten op 20 juni 2014 om aan te voeren dat G.G. en W.H. niet mochten overgaan tot uitvoering. W.V. verwijst naar het onderzoek naar de actualiteit van de titel.

G.G. en W.H. werpen op dat de beslagrechter onbevoegd is en niet mag ingrijpen in de materieelrechtelijke verhouding tussen de procespartijen; hij mag geen afbreuk doen aan wat reeds door de bodemrechter, hier de kortgedingrechter, zou zijn beslist. De dading dateert van vóór de uitvoerbare titel van de kortgedingrechter.

De beslagrechter oordeelt dat de dading als rechtsfiguur een consensueel en wederkerig contract is, dat door partijen onder bezwarende titel gesloten wordt. Algemeen wordt thans aangenomen dat de drie volgende bestanddelen aan de dading eigen zijn: 1) een bestaand of toekomstig geschil; 2) de bedoeling er een einde aan te maken, en 3) dit laatste door middel van wederzijdse toegevingen. Hoewel laatstgenoemd wezenselement van de dading niet in art. 2044 BW is opgesomd, blijft de rechtspraak het vereiste van de wederzijdse opofferingen stellen (Vred. Ath 13 mei 1960, JT 1961, 470; Rb. Brussel 28 maart 1963, JT 1963, 493; Rb. Brussel 19 februari 1965, Pas. 1966, III, 22; Rb. Brussel 2 maart 1965, Bull.Ass., 1966, 342, noot R.P.; Brussel 15 april 1959, Pas. 1960, II, 65; Brussel 24 mei 1960, Ann. Not. Enreg. 1960, 209; Luik 29 maart 1962, JL 1962-63, 113; Luik 20 maart 1964, JL 1964-65, 73, Bull.Ass. 1966, 320; Luik 24 december 1964, JL 1964-65, 154).

De rechter is niet gebonden door de benaming die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven. Het is pas door de gemeenschappelijke bedoeling van partijen na te gaan, dat de rechter kan oordelen of de voor de dading vereiste essentiële elementen aanwezig zijn. Het hoort de rechter ten gronde toe die feitelijke kwestie, alsook de uitvoering ervan, op onaantastbare wijze te appreciëren. Het is niet aan de beslagrechter om de dading ter zake te beoordelen. De dading kan niet gelijkgesteld worden met een louter feitelijke omstandigheid van voordien (vóór de uitspraak, vóór 17 juli 2014) zoals een betaling (cf. voorbeeld gegeven door E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 562, nr. 535), zoals W.V. ten onrechte meent.

Er ligt een uitvoerbare titel voor daterend van 17 juli 2014 (kortgedingbeschikking), waarbij partijen de kans hebben gehad om de door hen voorgebrachte overeenkomst, “dading” genoemd, daterend van 20 juni 2014, naar voor te brengen, zelfs tijdens het beraad, wat zij niet gedaan hebben blijkens de uitvoerbare titel: “Deze dading wordt niet meegedeeld, zodat de rechtbank er geen rekening mee kan houden”.

Er werd geen hoger beroep aangetekend noch enige andere rechtshandeling gesteld teneinde de dading in het geding in te brengen. De voorliggende uitvoerbare titel is een actuele titel. Er worden geen later ingetreden omstandigheden voorgebracht waaruit blijkt dat de titel niet meer de juiste materieelrechtelijke verhoudingen zou weergeven.

De exceptie van dading is dan ook ongegrond.

...

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015/15
Pagina: 
797
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

W.V. t/ G.G. en W.H.

...

Voorwerp van de vordering

W.V. vordert bij inleidende dagvaarding in verzet en erna volgende conclusies:

– voor recht te horen zeggen dat W.H. en G.G. niet gerechtigd zijn tot de tenuitvoerlegging van de beschikking in kort geding van 17 juli 2014; hen af te wijzen van verdere tenuitvoerlegging op basis van het bevel tot betaling;

– voor recht te horen zeggen dat de tenuitvoerlegging door W.H. en G.G. een onrechtmatig karakter heeft;

...

W.H. en G.G. besluiten tot de ongegrondheid van het verzet.

Beoordeling

...

Beoordeling ten gronde

1. Exceptie van dading

W.V. verwijst naar de dading gesloten op 20 juni 2014 om aan te voeren dat G.G. en W.H. niet mochten overgaan tot uitvoering. W.V. verwijst naar het onderzoek naar de actualiteit van de titel.

G.G. en W.H. werpen op dat de beslagrechter onbevoegd is en niet mag ingrijpen in de materieelrechtelijke verhouding tussen de procespartijen; hij mag geen afbreuk doen aan wat reeds door de bodemrechter, hier de kortgedingrechter, zou zijn beslist. De dading dateert van vóór de uitvoerbare titel van de kortgedingrechter.

De beslagrechter oordeelt dat de dading als rechtsfiguur een consensueel en wederkerig contract is, dat door partijen onder bezwarende titel gesloten wordt. Algemeen wordt thans aangenomen dat de drie volgende bestanddelen aan de dading eigen zijn: 1) een bestaand of toekomstig geschil; 2) de bedoeling er een einde aan te maken, en 3) dit laatste door middel van wederzijdse toegevingen. Hoewel laatstgenoemd wezenselement van de dading niet in art. 2044 BW is opgesomd, blijft de rechtspraak het vereiste van de wederzijdse opofferingen stellen (Vred. Ath 13 mei 1960, JT 1961, 470; Rb. Brussel 28 maart 1963, JT 1963, 493; Rb. Brussel 19 februari 1965, Pas. 1966, III, 22; Rb. Brussel 2 maart 1965, Bull.Ass., 1966, 342, noot R.P.; Brussel 15 april 1959, Pas. 1960, II, 65; Brussel 24 mei 1960, Ann. Not. Enreg. 1960, 209; Luik 29 maart 1962, JL 1962-63, 113; Luik 20 maart 1964, JL 1964-65, 73, Bull.Ass. 1966, 320; Luik 24 december 1964, JL 1964-65, 154).

De rechter is niet gebonden door de benaming die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven. Het is pas door de gemeenschappelijke bedoeling van partijen na te gaan, dat de rechter kan oordelen of de voor de dading vereiste essentiële elementen aanwezig zijn. Het hoort de rechter ten gronde toe die feitelijke kwestie, alsook de uitvoering ervan, op onaantastbare wijze te appreciëren. Het is niet aan de beslagrechter om de dading ter zake te beoordelen. De dading kan niet gelijkgesteld worden met een louter feitelijke omstandigheid van voordien (vóór de uitspraak, vóór 17 juli 2014) zoals een betaling (cf. voorbeeld gegeven door E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 562, nr. 535), zoals W.V. ten onrechte meent.

Er ligt een uitvoerbare titel voor daterend van 17 juli 2014 (kortgedingbeschikking), waarbij partijen de kans hebben gehad om de door hen voorgebrachte overeenkomst, “dading” genoemd, daterend van 20 juni 2014, naar voor te brengen, zelfs tijdens het beraad, wat zij niet gedaan hebben blijkens de uitvoerbare titel: “Deze dading wordt niet meegedeeld, zodat de rechtbank er geen rekening mee kan houden”.

Er werd geen hoger beroep aangetekend noch enige andere rechtshandeling gesteld teneinde de dading in het geding in te brengen. De voorliggende uitvoerbare titel is een actuele titel. Er worden geen later ingetreden omstandigheden voorgebracht waaruit blijkt dat de titel niet meer de juiste materieelrechtelijke verhoudingen zou weergeven.

De exceptie van dading is dan ook ongegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 12/01/2016 - 10:34
Laatst aangepast op: di, 12/01/2016 - 10:34

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.