-A +A

Dading na vonnis over ontslag opvolgend beroep mogelijk gevolgen RSZ

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 11/05/2009

Werknemer en werkgever sluiten een dading af waarbij de werknemer afziet van een deel van de hem bij vonnnis verleende opzegvergoeding.

In dit geval heeft de werkgever een rechtmatig belang bij het instellen van hoger beroep om het arbeidshof te laten kennisnemen van deze overeenkomst.

Een lagere opzeggingsvergoeding belet niet dat de werkgever toch de socialezekerheidsbijdragen verschuldigd is op het door de rechter toegekende bedrag.

Deze stelling weerhouden door het arbeidshof te Gent, werd evenwel niet gevolgd door het Hof van Cassatie in haar arrest van 18/01/2016 AR S.15.0040.F
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
658
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Ten onrechte betwisten de heer T. en de RSZ de ontvankelijkheid van dit hoger beroep.

Het arbeidshof kan zich geheel aansluiten bij de volgende overwegingen van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie die hierna mutatis mutandis worden overgenomen.

De heer T. werpt de onontvankelijkheid op van het hoger beroep, in zoverre het zou gericht zijn op de ontbinding van de dading of op de ongegrondverklaring van het «tussengekomen vonnis» (waarmee hij zijn eigen oorspronkelijke vordering bedoelt). Ook de RSZ werpt de onontvankelijkheid van dit hoger beroep op, omdat de rechtsmacht van de rechter door de dading werd uitgeput en de appellante geen belang meer heeft bij haar rechtsmiddel.

Het wordt niet betwist dat de appellante en de heer T. na het bestreden vonnis een overeenkomst hebben gesloten en daardoor het geschil hebben beëindigd. Het blijkt ook dat er wederzijdse toegevingen zijn gedaan: de heer T. heeft de helft van zijn aanspraken laten vallen en de appellante heeft impliciet maar zeker afstand gedaan van de mogelijkheid om in hoger beroep de volledige afwijzing van de aanspraken van de heer T. te verkrijgen. Aldus is er inhoudelijk zeker sprake van een dading in de zin van art. 2044, eerste lid, BW (zie: B. Tilleman, I. Claeys, C. Coudron en K. Loontjens, Dading in APR, Antwerpen, Kluwer, 2000, nrs. 2-3). Volgens het tweede lid van deze bepaling moet een dading evenwel schriftelijk vastgesteld worden. Welnu, deze regel geldt enkel tussen de partijen met het oog op het bewijs (ibid., nr. 777).

De heer T. erkent uitdrukkelijk het bestaan en de inhoud van de overeenkomst, die trouwens uitgevoerd werd, inclusief de regeling van de door hem gemaakte kosten van dagvaarding. Het wordt niet betwist dat zijn vakbondsafgevaardigde hiervoor een mandaat had, wat overigens blijkt uit de volmachten die zowel voor de arbeidsrechtbank als voor het arbeidshof werden neergelegd.

Vermits de overeenkomst werd gesloten na het einde van de arbeidsovereenkomst, kon de heer T. rechtsgeldig afstand doen van zijn recht op een opzeggingsvergoeding en een eindejaarspremie.

De dading heeft tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg (art. 2052 BW). Het geschil tussen de appellante en de heer T. is definitief beëindigd.

De appellante betwist voor het arbeidshof echter niet wat werd overeengekomen. Zij beoogt enkel de overeenkomst te «officialiseren» en – in de door haar gebruikte bewoordingen – aan de partijen «akte te verlenen van de tussen hen gesloten overeenkomst en eveneens akte te verlenen van het feit dat het vonnis van de arbeidsrechtbank van 20 mei 2005 niet meer geldt». De heer T. verzet zich hier niet tegen.

Het komt er in wezen op neer dat de partijen, zonder er uitdrukkelijk naar te verwijzen, om de toepassing vragen van art. 1043 Ger.W., volgens welk de partijen de rechter kunnen verzoeken akte te nemen van de overeenkomst die zij gesloten hebben ter oplossing van het geschil dat bij hem regelmatig aanhangig is gemaakt. Deze mogelijkheid om een overeenkomst (dus ook een dading) in de vorm van een vonnis of arrest te gieten, is beperkt tot de gevallen waarin er nog geen overeenkomst bestond op het ogenblik van het inleiden van het geding. Hoewel op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep de overeenkomst waarvoor een titel wordt gevraagd, reeds bestond en er dus strikt genomen geen geschil meer aanhangig kon worden gemaakt bij de appelrechter, moet toch worden aanvaard dat de procedure in hoger beroep de voortzetting is van de procedure in eerste aanleg die wél regelmatig aanhangig was gemaakt (cf. B. Lambrecht, «Ger.W. Art. 1043» in Commentaar gerechtelijk recht, Antwerpen, Kluwer, 2002, nr. 1). Het akkoordvonnis kon immers niet meer aan de eerste rechter worden gevraagd.

De appellante heeft ongetwijfeld een belang om zo’n titel te verkrijgen.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

...

7.4. De gegrondheid van de hogere beroepen

7.4.1. En ook hier kan het arbeidshof zich geheel aansluiten bij de volgende overwegingen van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie die hierna mutatis mutandis worden overgenomen.

7.4.2. De appellante merkt – zij het enkel in haar akte van hoger beroep – allereerst op dat het vonnis van de arbeidsrechtbank van 19 februari 2007 voorbijgaat aan het feit dat de vordering van de heer T. geen vordering tot betaling van loon was, maar wel een vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding. Deze opmerking snijdt natuurlijk geen hout.

Art. 14 van de RSZ-wet bepaalt dat de bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het loon van de werknemer en dat het begrip loon bepaald wordt volgens art. 2 van de Loonbeschermingswet, met dien verstande dat de Koning het aldus bepaalde begrip kan verruimen of beperken. Het begrip loon in deze wet moet ruim worden opgevat. Het omvat alle geldelijke en in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van zijn werkgever, en is dus niet beperkt tot het loon als tegenprestatie voor verrichte arbeid. Ook de opzeggingsvergoeding valt onder dit ruime begrip (Cass. 9 oktober 1978, Arr.Cass. 1978-79, 156). De Koning heeft het loonbegrip immers niet beperkt wat betreft de opzeggingsvergoeding, maar er zelfs uitdrukkelijk naar verwezen in art. 19, § 2, 2o, van het KB van 28 november 1969: de aan de werknemers verschuldigde vergoedingen wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt, worden niet als loon aangemerkt, met uitzondering van de vergoedingen verschuldigd naar aanleiding van (o.a.) de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Art. 35bis van dit uitvoeringsbesluit bevat afwijkende termijnen inzake de aangifteverplichting: de als loon beschouwde opzeggingsvergoeding moet ten laatste aangegeven en betaald worden in de maand die volgt op de maand gedurende welke het recht van de werknemer op deze vergoeding werd erkend door de werkgever of door een in kracht van gewijsde gegane beslissing (met dien verstande dat de erkende sociale secretariaten hiervoor over een extra termijn beschikken). Een eindejaarspremie is ten slotte zonder enige twijfel eveneens «loon» in de voornoemde zin.

7.4.3. De werknemer die, zoals de heer T., werd ontslagen om een dringende reden, heeft geen recht op een opzeggingsvergoeding (en in casu evenmin op een eindejaarspremie pro rata temporis). Het is pas wanneer achteraf blijkt dat het ontslag ten onrechte om een dringende reden werd gegeven, dat de opzeggingsvergoeding bedoeld in art. 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet (en in casu, gelet op de bepalingen van de toepasselijke sectorale cao, ook een eindejaarspremie pro rata temporis) verschuldigd wordt en er dus sprake is van een recht op loon, wat volstaat om onderworpen te zijn aan socialezekerheidsbijdragen, los van de al dan niet effectieve betaling.

Het is immers zo dat de bijdrageregeling, inclusief de bijdragegrondslag, de openbare orde raakt. Het verschuldigd zijn van de socialezekerheidsbijdragen is in de regel niet afhankelijk gesteld van de uitbetaling van het loon waarop de werknemer aanspraak heeft, maar wel van het verschuldigd zijn van dit loon. Het feit dat een werknemer, nadat het loon effectief verschuldigd is geworden, niet verder aanspraak maakt op dat loon of met de werkgever overeenkomt dat dit loon verminderd wordt of niet betaald wordt, verhindert niet dat socialezekerheidsbijdragen op dat loon verschuldigd zijn (Cass. 16 september 1985, Arr.Cass. 1985-86, 53, JTT 1986, 242, RW 1985-86, 1783, m.b.t. een opzeggingsvergoeding; Cass. 18 november 2002, RW 2003-04, 98, Soc.Kron. 2003, 66, en Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 8 juni 2001, JTT 2002, 375, beide betrekking hebbend op eindejaarspremies; Arbh. Gent, afd. Brugge, 22 juni 2000, JTT 2000, 30, m.b.t. loon). Een eventuele afstand door de werknemer van zijn recht op loon is voor de RSZ een res inter alios acta en is hem niet tegenwerpelijk op grond van art. 1165 BW.

In casu blijft het de vraag of het recht op een opzeggingsvergoeding (en eindejaarspremie) vaststaat.

In het vonnis van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Gent van 20 mei 2005 werd geoordeeld dat het ontslag om een dringende reden onregelmatig was. De appellante heeft zich hierbij echter niet neergelegd. De aanvankelijke aangifte door haar sociaal secretariaat van de integrale bedragen tot de betaling waarvan zij werd veroordeeld, was een misverstand. Zij heeft daarentegen aan haar raadsman instructies gegeven om hoger beroep aan te tekenen. Haar raadsman heeft evenwel kort na het vonnis op eigen initiatief een voorstel tot minnelijke regeling voorgesteld, dat door de beide partijen werd aanvaard. De overeenkomst hield in dat de appellante afstand deed van haar recht om hoger beroep in te stellen en dat de heer T. akkoord ging met de uitbetaling van de helft van het toegekende bedrag. De gebruikte termen zijn duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar: door in te gaan op het voorstel heeft de heer T. enkel afstand gedaan van de betaling van een deel van het toegekende «loon» (in de zin van de RSZ-wet). Hij heeft niet erkend dat de werkgever terecht tot ontslag om een dringende reden was overgegaan (zoals ook de appellante niet heeft erkend dat er sprake was van een onregelmatig ontslag).

Zoals gezegd, is het verschuldigd zijn van de socialezekerheidsbijdragen niet afhankelijk van het uitbetalen van de opzeggingsvergoeding (en eindejaarspremie) waarop de werknemer recht heeft. Het recht op een opzeggingsvergoeding (en eindejaarspremie) volgt uit het bestreden vonnis van 20 mei 2005 dat het ontslag onregelmatig acht. Een bekrachtiging in hoger beroep van het nadien gesloten akkoord – uitsluitend m.b.t. de bedragen – verandert op zichzelf niets aan het feit dat er bij rechterlijke uitspraak geoordeeld werd dat de arbeidsovereenkomst door de werkgever werd beëindigd zonder inachtneming van de opzeggingstermijn of zonder dringende reden. Het arbeidshof stelt immers geen ander oordeel in de plaats, maar neemt enkel akte van (en verleent hierdoor een authentieke titel aan) de overeenkomst tot betaling door de appellante aan de heer T. Er wordt aan het arbeidshof niet gevraagd om akte te verlenen aan een (overigens niet bestaand) akkoord tussen partijen dat er geen onregelmatig ontslag heeft plaatsgevonden.

7.4.4. Het akkoord, en het te verlenen akkoordarrest, doen geen afbreuk aan het verschuldigd zijn van de socialezekerheidsbijdragen op de integrale opzeggingsvergoeding en eindejaarspremie waarop de heer T. recht had.

De appellante heeft ten slotte het verschuldigd zijn van het voor het eerste kwartaal van 2003 gevorderde (miniem) saldo nooit betwist.

...
 

Noot: 

Cassatie 18/01/2016, RW 2017-2018, 786

samenvatting

Wanneer ingevolge een dading een werkgever aan een werknemer een lagere opzegvergoeding toekent dan deze die uitgesproken werd door de arbeidsrechtbank in een vonnis dat nog vatbaar is voor hoger beroep en gegeven de mogelijkheid tot herziening van dit vonnis in graad van beroep en de werkgever afstand doet van zijn recht op hoger beroep, kan deze dading aan de RSZ als derde worden tegengeworpen omdat de derden de uitwerking van de dading tussen de contracterende partijen moeten erkennen. Dat het recht op socialezekerheidsbijdragen de openbare orde raakt, doet hieraan niet af.

tekst arrest

AR nr. S.15.0040.F

RSZ t/ BVBA B.F.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Arbeidshof te Luik van 12 december 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Als een eindbeslissing over een geschil gewezen werd die alsnog vatbaar is voor hoger beroep en de procespartijen vervolgens een overeenkomst sluiten om dat geschil te beëindigen waarbij de ene partij afziet van de rechten die ze door die beslissing verkrijgt en de andere van het instellen van hoger beroep, geldt hun dading ten aanzien van derden die de uitwerking ervan tussen de contracterende partijen moeten erkennen.

Daaruit volgt dat, wanneer de dading, krachtens art. 2051 BW, enkel voor de partijen het recht doet ontstaan de herhaling van het geschil te beletten, derden niet meer kunnen aanvoeren dat de rechten van die partijen of van een van hen bepaald worden door het vonnis waarover de dading is gesloten.

Aangezien het voorwerp van die dading niet buiten de zaken valt waarover men kan beschikken, tast de omstandigheid dat de rechten waarop derden aanspraak maken de openbare orde raken, hun verplichting niet aan de externe uitwerking van de dading te eerbiedigen.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht

S.15.0040.F
Conclusions de M. l'avocat général J.M. Genicot.

Sur le moyen unique de cassation.

Bref rappel et objet du litige.

Après un jugement non signifié du tribunal du travail de Gand du 1er décembre 2008 condamnant la défenderesse à payer à l'un de ses travailleurs une indemnité compensatoire de préavis correspondant à 9 mois de rémunérations - et sur le montant de laquelle le demandeur entend calculer les cotisations sociales dues par le défendeur - , la défenderesse et son travailleur décident de mettre fin à leur litige par une convention de transaction du 2 avril 2009 réduisant à 6 mois le montant de l'indemnité de préavis.

Les parties s'opposent sur l'appréciation de l'assiette du calcul des cotisations dues: montant de l'indemnité compensatoire correspondant à 9 mois de rémunérations sur la base du jugement, selon le demandeur ou à 6 mois sur la base de la transaction, selon la défenderesse.

Discussion.

Selon l'article 2044, du Code civil, "La transaction est un contrat par lequel les parties terminent une contestation née, ou préviennent une contestation à naître" et se font à cette fin mutuellement des concessions(1).

Dès lors que, suivant l'article 2056, du Code civil elle est nulle si elle est faite "sur un procès terminé par un jugement passé en force de chose jugée, dont les parties ou l'une d'elles n'avaient point connaissance", rien ne paraît pouvoir exclure sa conclusion dans une procédure non encore clôturée par un tel jugement. Elle est donc possible après un jugement revêtu de l'autorité de chose jugée mais susceptible d'appel, pour éviter, par l'échange éventuel de concessions réciproques à ce stade les aléas et le coût d'une procédure en degré d'appel.

Ainsi, conclue en cours de procédure même après un premier jugement susceptible d'appel, elle aura pour effet de dessaisir de plein droit le juge saisi (2) et d'empêcher toute réitération de la demande.

L'article 2051 dispose quant à lui que "La transaction faite par l'un des intéressés ne lie point les autres intéressés, et ne peut être opposée par eux". Cet article nous renvoie à l'article 1165 du même Code suivant lequel "Les conventions n'ont d'effet qu'entre les parties contractantes; elles ne nuisent point aux tiers, et elles ne lui profitent que dans les cas prévus par l'article 1121."(3)

Elle constitue une res inter alios acta dont les tiers - s'ils ne peuvent y voir le fondement d'un engagement de leur part - doivent cependant en reconnaître l'existence qui s'impose à eux comme un ensemble englobant les obligations respectives des parties elles-mêmes.

Dès lors que la défenderesse et son travailleur ont par leur transaction légalement dessaisi le juge de la contestation portée devant lui et réglé ainsi le sort de l'objet d'un litige dont ils pouvaient disposer, en l'espèce le montant d'une indemnité compensatoire de préavis après licenciement(4) (5), le demandeur qui en tant que tiers ne pouvait ignorer ni son existence ni dès lors sa portée, n'a, pas plus que ces parties elles-mêmes, le droit de se prévaloir d'un jugement alors susceptible d'appel et rendu dans le cours d'une procédure à laquelle il a été transactionnellement mis fin.

Le moyen qui soutient le contraire m'apparaît manquer en droit.
_____________________
(1) Cass. 31 octobre 2005, S.05.0007.F, Pas. 2005, n° 554; Cass. 26 septembre 1974, Bull. et Pas. 1975, I, 111.
(2) Cass. 21 mars 1990, Bull., 1990, III, n° 82; Cass. 1er octobre 1980, Bull., 1980, I, n° 236.
(3) P.A. FORIERS, "Aspects du contrat de transaction et du règlement transactionnel", in Les contrats spéciaux, Formation permanente de la C.U.P., vol. XXXIX, 1999, p. 26, n° 149.
(4) Cass. 14 décembre 1992, RG 8077, Pas. 1992, I, n° 792; Cass. 11 décembre 1980, Bull. et Pas. 1980, I, 672.
(5) Sur la possibilité de renoncer à la protection de l'article 82, de loi du 3 juillet 1978, tel qu'applicable à l'époque, après que le préavis ait été notifié: Cass. 13 octobre 1997, RG S.96.0176.F, Pas. 1997, n° 402.

zie ook:

Cass. 18 november 2002, RW 2003 – 04, 98;

Rechtsleer:

D. Aguilar y Cruz, «Rémunération impayée et redevabilité des cotisations sociales» JTT 2016, 215-220.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/11/2011 - 19:24
Laatst aangepast op: zo, 07/01/2018 - 10:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.