-A +A

Dading die een overeenkomst van onbepaalde duur in het leven roept ken niet eenzijdig worden herroepen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 10/11/2016
A.R.: 
C.16.0142.F

Overeenkomsten van onbepaalde duur kunnen principieel door één van de partijen worden opgezegd. Deze opzegbaarheid geldt overigens als algemeen rechtsbeginsel. Doch overeenkomsten van onbepaalde duur die middels een dading zijn tot stand gekomen, bij wijze van wederzijdse toegevingen kunnen niet eenzijdig worden herroepen.

Anders gesteld:

Het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk overeenkomsten van onbepaalde duur op elk ogenblik en door elk van de partijen kunnen worden beëindigd, machtigt een partij bij een dading niet om een verbintenis die zij daarin bij wijze van toegeving heeft aangegaan, eenzijdig te herroepen, zelfs al werd die verbintenis voor onbepaalde duur aangegaan.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1051
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.16.0142.F
W. D.,
tegen
1. I. H.,
2. F. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Henegouwen van 15 september 2015, die uitspraak doet als gerecht op verwijzing na het arrest van het Hof van 10 september 2012.II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk elke overeenkomst van onbepaalde duur eenzijdig kan worden beëindigd;
- artikel 1875 van het Burgerlijk Wetboek

Aangevochten beslissingen

1. Het bestreden vonnis :

"bevestigt het beroepen vonnis,
verwerpt de nieuwe vordering van [de eiser],
(...)
veroordeelt [de eiser] tot de kosten van het geding voor de kantonmagistraat, alsook van de aanleggen voor de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep en van het geding voor het Hof van Cassatie,
stelt de kosten van eerste aanleg en hoger beroep van [de verweerster] vast op 11.000 euro (5.500 euro x 2), met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen".

2. Het bestreden vonnis grondt die beslissing op de volgende redenen:

"De bewoning van het goed

[De verweerster] beroept zich terecht op de titel die bestaat in de dading die [de eiser] en [de verweerster] zijn aangegaan op 28 november 2005;

Met die verrichting hebben de partijen een einde gemaakt aan de betwistingen die tussen hen waren ontstaan of hebben zij de betwistingen voorkomen die in geval van huidige of toekomstige tweedracht nog konden ontstaan, en die betrekking hebben, enerzijds, op de uitgaven die [de verweerster], gewone blote eigenaar, heeft gedaan voor rekening [van de eiser], vruchtgebruiker, en, anderzijds, op de blijvende aanwezigheid van [de verweerster] in de lokalen;

Wat betreft de bewoning van het goed, hebben de partijen de geldigheid van die dading niet afhankelijk gesteld van een gezamenlijke bewoning van het goed - [de eiser] heeft zelf de lokalen verlaten ;

De partijen, en in het bijzonder [de eiser], hebben ernaar gestreefd de ex-partner [van de eiser], via een dading en op onherroepelijke wijze, een recht van bewoning van het pand toe te kennen;

Dat recht van bewoning werd bovendien ‘ten kosteloze titel en voor onbepaalde duur toegekend', waarbij de toekennende partij zichzelf verbood dat recht door opzegging te beëindigen en van elke vergoeding afzag".

3. Het bestreden vonnis leidt hieruit af "dat het dus noch een voorlopige bewoning noch een bruiklening betreft".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Hoewel de mogelijkheid voor de partijen om een overeenkomst eenzijdig te beëindigen wanneer die voor onbepaalde duur werd gesloten, slechts in op zichzelf staande en bijzondere teksten is bepaald, heeft het Hof die mogelijkheid bekrachtigd.

Die bepalingen druisen weliswaar rechtstreeks in tegen artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek. Toch werden zij als "systeemnormen" aangemerkt, aangezien het hier een uiting betreft van het beginsel van de menselijke vrijheid, dat zich tegen de eeuwigdurende verbintenis verzet.

Het Hof heeft zodoende kunnen beslissen dat het recht van eenzijdige opzegging een natuurlijk kenmerk is van elke overeenkomst van onbepaalde duur, zonder dat het naar de concepten van billijkheid en goede trouw hoefde te verwijzen.

Het gaat om een algemeen rechtsbeginsel van openbare orde.

2. Om de in dit middel vermelde redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, stelt het bestreden vonnis te dezen vast dat "de partijen, en in het bijzonder [de eiser], ernaar hebben gestreefd de ex-partner [van de eiser], via een dading en op onherroepelijke wijze, een recht van bewoning van het pand toe te kennen" en dat voornoemd "recht van bewoning bovendien ‘ten kosteloze titel en voor onbepaalde duur werd toegekend'".

Het bestreden vonnis leidt hieruit af dat "de toekennende partij zichzelf verb[iedt] dat recht door opzegging te beëindigen en van elke vergoeding af[ziet]".

Het bestreden vonnis mocht echter niet beslissen dat de eiser zichzelf bij overeenkomst had verboden het aan de verweerster overgedragen recht van bewoning te beëindigen, aangezien hij op die manier niet wettig over dat recht kan beschikken zonder de openbare orde te miskennen.

De eiser moet immers de mogelijkheid behouden om een einde te maken aan die "toekenning" en dus aan de bewoning of aan het kosteloze karakter ervan, mits hij daartoe een redelijke opzeggingstermijn opgeeft.

3. Het bestreden vonnis miskent bijgevolg het in het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk elke overeenkomst van onbepaalde duur eenzijdig kan worden beëindigd.

Tweede onderdeel

1. Volgens artikel 1875 van het Burgerlijk Wetboek is bruiklening of commodaat een contract waarbij de ene partij aan de andere een zaak afgeeft om daarvan gebruik te maken, onder verplichting voor degene die de zaak ontvangt, die terug te geven na daarvan gebruik te hebben gemaakt.

Het enkele feit dat het contract, krachtens hetwelk een van de partijen een zaak aan de andere afgeeft om er gebruik van te maken, geen termijn bepaalt en binnen het kader van een dading past, belet niet dat de ontvanger gehouden is die zaak op een dag terug te geven en dat het contract dus als een bruiklening moet worden beschouwd.

2. In voorliggend geval stelt het bestreden vonnis, om de in dit middel vermelde redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, vast dat "wat de bewoning van het goed betreft (...), de partijen, en in het bijzonder [de eiser], ernaar hebben gestreefd de ex-partner [van de eiser], via een dading en op onherroepelijke wijze, een recht van bewoning van het pand toe te kennen" en dat voornoemd "recht van bewoning bovendien ‘ten kosteloze titel en voor onbepaalde duur werd toegekend'". Het vonnis beslist, uitsluitend op grond van de voorgaande overwegingen, dat "het litigieuze goed geen ‘geleende zaak' is".

Het bestreden vonnis, dat op verwijzing uitspraak doet, maakt al evenmin als het bij arrest van 10 september 2012 vernietigde vonnis, een juiste toepassing van het wettelijk begrip ‘bruiklening'.

3. Het bestreden vonnis is bijgevolg niet naar recht verantwoord in het licht van artikel 1875 van het Burgerlijk Wetboek.
(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het door het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 1097 Gerechtelijk Wetboek tegen het cassatieberoep ambtshalve opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, in zoverre het gericht is tegen de verweerder: laatstge-noemde is geen partij in de door het cassatieberoep bekritiseerde beschikkingen

Het cassatieberoep komt op tegen de beslissing van het bestreden vonnis die, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de vorderingen van de eiser tot uitzetting van de verweerster uit de litigieuze plaatsen en tot veroordeling van de verweerster tot de gebruiksvergoedingen niet-gegrond verklaart, de verweerster toestaat de plaatsen ten kosteloze titel en voor onbepaalde duur te bewonen en de eiser beveelt ze te ontruimen, en tegen de beslissing die de vordering van de eiser ertoe strekt de verweerster te doen veroordelen om hem de door het geleende goed opgebrachte vruchten terug te geven.

De verweerder is geen partij in die beslissingen.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

De eiser heeft er evenmin belang bij die verweerder in de zaak op te roepen tot bindendverklaring van het arrest.

Eerste middel

Tweede onderdeel

Luidens artikel 1875 Burgerlijk Wetboek is bruiklening of commodaat een con-tract waarbij de ene partij aan de andere een zaak afgeeft om daarvan gebruik te maken, onder verplichting voor degene die de zaak ontvangt, die terug te geven na daarvan gebruik te hebben gemaakt.

Het bestreden vonnis stelt vast dat

"[de eiser] en [de verweerster], die een intieme relatie hadden, op 14 januari 2004 boerderijgebouwen en weiden hebben gekocht, waarbij [de eiser] het volledige vruchtgebruik ervan verkreeg en [de verweerster] de volledige naakte eigendom" dat "[de eiser] en [de verweerster], met het oog op hun, huidige of toekomstige, tweedracht en, meer bepaald, met het oog op de bescherming van [de verweerster], die over geen enkel recht van genot op het litigieuze goed beschikte, op 28 november 2005 een ‘dading' zijn aangegaan, luidens welke [de eiser], in zijn hoedanigheid van vruchtgebruiker, onherroepelijk beslist heeft dat [de verweerster] in de toekomst dat pand mocht en zou mogen betrekken en er om het even welke andere persoon naar wens mocht toelaten en dit ten kosteloze titel en voor onbepaalde duur'" en dat "[de eiser] bovendien erkent dat hij [de verweerster] een bedrag van 100.485 euro verschuldigd is voor de kos-ten aan het pand die zij, gewone blote eigenaar, voor haar rekening heeft ge-maakt".

Het arrest overweegt dat "[de verweerster] zich terecht beroept op de titel die be-staat in de dading die [de eiser] en [de verweerster] zijn aangegaan op 28 no-vember 2005", dat

"de partijen met die verrichting een einde hebben gemaakt aan de betwistingen die tussen hen waren ontstaan of de betwistingen hebben voorkomen die in geval van huidige of toekomstige tweedracht nog konden ont-staan, en die betrekking hebben, enerzijds, op de uitgaven die [de verweerster], gewone blote eigenaar, heeft gedaan voor rekening [van de eiser], vruchtgebrui-ker, en, anderzijds, op de blijvende aanwezigheid van [de verweerster] in de loka-len", dat "wat betreft de bewoning van het goed, de partijen de geldigheid van die dading niet afhankelijk hebben gesteld van een gezamenlijke bewoning van het goed - [de eiser] heeft zelf de lokalen verlaten" en dat "de partijen, en in het bij-zonder [de eiser], ernaar hebben gestreefd de ex-partner [van de eiser], via een dading en op onherroepelijke wijze, een recht van bewoning van het pand toe te kennen".

Het bestreden vonnis dat aldus, door een feitelijke uitlegging van de wil van de partijen, overweegt dat zij geen bruiklening hebben willen sluiten maar het recht van de eiseres op de betrekking van de litigieuze lokalen hebben willen toevoegen aan hun wederzijdse, in de dading vastgelegde toegevingen, schendt voornoemd artikel 1875 niet.

Eerste onderdeel

Dading is een wederkerige overeenkomst tussen partijen die elkaar wederzijdse toegevingen doen om een geschil te beëindigen of te voorkomen, zonder dat een van de partijen de gegrondheid van de aanspraken van de andere partij daarom er-kent.

Krachtens artikel 2052 Burgerlijk Wetboek hebben dadingen tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg.

Het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk overeenkomsten van onbepaalde duur op elk ogenblik en door elk van de partijen kunnen worden beëindigd, mach-tigt een partij bij een dading niet om een verbintenis die zij daarin bij wijze van toekenning heeft aangegaan, eenzijdig te herroepen, ook al werd die verbintenis voor onbepaalde duur aangegaan.

Het bestreden vonnis overweegt, om de in het tweede onderdeel tevergeefs bekri-tiseerde redenen, dat het recht van de verweerster op bewoning van de litigieuze plaatsen een toekenning is die de eiser in de door de partijen aangegane dading heeft gedaan.

Het bestreden vonnis, dat overweegt dat "dit recht van bewoning werd [...] toe-gekend ‘[...] voor onbepaalde duur', waarbij de toekennende partij zichzelf ver-bood dat recht door opzegging te beëindigen" en dus onherroepelijk is toegekend, miskent voornoemd algemeen rechtsbeginsel niet.

Geen van de onderdelen kan worden aangenomen.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel,  en in openbare terechtzitting van 10 novem-ber 2016 uitgesproken

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 24/02/2018 - 14:59
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.