-A +A

Cumulatie administratieve sanctie en strafsanctie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 19/12/2013
A.R.: 
181/2013

Het beginsel non bis in idem verbiedt een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede “misdrijf” voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, eraan ten grondslag liggen. De omstandigheid dat art. 233 van het Sociaal Strafwetboek vereist dat de beklaagde het misdrijf wetens en willens heeft gepleegd, terwijl de administratieve sancties van repressieve aard in de regel dat bijzondere morele bestanddeel niet vereisen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat hetzelfde gedrag met twee sancties van repressieve aard kan worden bestraft.

In het geval waarin de beklaagden de in het geding zijnde bepaling toegepast zouden zien nadat zij een administratieve sanctie hebben ondergaan, zou hetzelfde gedrag bijgevolg tweemaal worden bestraft, wat in strijd zou zijn met het beginsel non bis in idem zoals hierboven gedefinieerd. 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
1339
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 14 februari 2013 heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt art. 233 van het Sociaal Strafwetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het personen zou kunnen bestraffen die reeds zijn bestraft met administratieve sancties van repressieve aard wegens feiten die in wezen dezelfde zijn, art. 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen of in samenhang met art. 6 van het EVRM, art. 4 van het Aanvullend Protocol nr. 7 bij het EVRM, art. 14, zevende lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, waarbij wordt vastgesteld dat in andere domeinen van het recht waarin het mogelijk is administratieve sancties van repressieve aard op te leggen wegens feiten die in wezen dezelfde zijn, de cumulatie van dergelijke sancties en strafsancties verboden is?”.

...

In rechte

...

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op art. 233 van het Sociaal Strafwetboek, dat bepaalt:

“Onjuiste of onvolledige verklaringen betreffende de sociale voordelen

Ҥ 1. Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, eenieder die wetens en willens:

1o een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;

2o heeft nagelaten of geweigerd om een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken om ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te behouden of te doen behouden;

3o een sociaal voordeel heeft bekomen waarop hij geen of slechts gedeeltelijk recht heeft ingevolge een verklaring bedoeld bij het eerste lid, 1o, het nalaten of het weigeren van het afleggen van een verklaring of van het verstrekken van inlichtingen bedoeld bij het eerste lid, 2o, of met een akte bedoeld bij de artikelen 232 en 235.

“Wanneer de inbreuken bedoeld in het eerste lid begaan zijn door de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber om een sociaal voordeel waarop de werknemer geen recht heeft te doen bekomen of te doen behouden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.

“§ 2. Met een sanctie van niveau 3 wordt bestraft eenieder die wetens en willens nagelaten heeft te verklaren dat hij niet langer recht heeft op een sociaal voordeel, zelfs indien dit slechts gedeeltelijk is, om ten onrechte een sociaal voordeel te behouden”.

B.2. Het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof die bepaling te onderzoeken in de interpretatie volgens welke zij de rechter ertoe zou brengen personen te bestraffen die reeds zijn bestraft met administratieve sancties van repressieve aard wegens feiten die in wezen dezelfde zijn.

B.3.1. Op grond van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, dat ook is gewaarborgd door art. 14, zevende lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds “overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land” bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Dat beginsel is eveneens opgenomen in art. 4 van het ten opzichte van België op 1 juli 2012 in werking getreden Zevende Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

B.3.2. Het beginsel non bis in idem verbiedt “een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede “misdrijf” voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, eraan ten grondslag liggen” (EHRM, Grote Kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t/ Rusland, § 82).

B.4. Uit het rechtsplegingsdossier dat door het verwijzende rechtscollege aan het Hof is overgezonden, blijkt dat aan de beklaagden in de voor het verwijzende rechtscollege hangende zaak de in de art. 153, 154 en 155 van het KB van 25 november 1991 “houdende de werkloosheidsreglementering” bedoelde administratieve sancties of de administratieve sancties waarin is voorzien in het KB van 10 januari 1969 “tot vaststelling van de administratieve sancties die toepasselijk zijn op de rechthebbenden van de regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen” zijn opgelegd.

B.5. Het verwijzende rechtscollege heeft geoordeeld dat die sancties “een overwegend repressief karakter hebben aangezien zij ertoe strekken te bestraffen, door aan de uitkeringsgerechtigden gedurende een bepaalde tijd vervangingsinkomsten te ontzeggen”.

Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag door met die beoordeling van de verwijzende rechter rekening te houden.

B.6.1. De omstandigheid dat de in het geding zijnde bepaling vereist dat de beklaagde het misdrijf wetens en willens heeft gepleegd, terwijl de voormelde administratieve sancties van repressieve aard in de regel dat bijzondere morele bestanddeel niet vereisen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat hetzelfde gedrag met twee sancties van repressieve aard kan worden bestraft. In het geval waarin de beklaagden de in het geding zijnde bepaling toegepast zouden zien nadat zij de in overweging B.4 bedoelde sancties hebben ondergaan, zou hetzelfde gedrag bijgevolg tweemaal worden bestraft, wat in strijd zou zijn met het beginsel non bis in idem zoals het in overweging B.3.2 wordt gedefinieerd.

B.6.2. In die zin geïnterpreteerd dat zij aan de strafrechter de verplichting oplegt om de sanctie waarin zij voorziet, uit te spreken tegen beklaagden die reeds een administratieve sanctie met een overwegend repressief karakter hebben ondergaan wegens feiten die identiek zijn aan of die in wezen dezelfde zijn als die welke aan de oorsprong van de vervolging liggen, is de in het geding zijnde bepaling niet verenigbaar met het beginsel non bis in idem.

In die interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.7. Aan art. 233 van het Sociaal Strafwetboek kan evenwel een andere interpretatie worden gegeven, volgens welke het aan de strafrechter bij wie een vervolging is ingesteld tegen een beklaagde ten aanzien van wie reeds administratieve sancties met een overwegend repressief karakter werden opgelegd, niet de verplichting oplegt hem een tweede maal voor hetzelfde gedrag te veroordelen. In die interpretatie komt het de rechter toe de gevolgen te trekken uit de toepassing van het beginsel non bis in idem, zoals het in overweging B.3.2 wordt gedefinieerd, op de zaak die bij hem aanhangig is gemaakt.

In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.
 

Noot: 

Noot onder dit arrest in het RW: J. Theunis, Het beginsel non bis in idem is een algemeen rechtsbeginsel dat ook is gewaarborgd door art. 14, zevende lid IVBPR, art. 4 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM en art. 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Rechtspraak:

• Cass. 25 mei 2012, RW 2011-12, noot L. Vermeulen en Cass. 27 maart 2013, P.12.1945.F (afwijkend van de rechtspraak van het grondwettelijk Hof.

• EHRM, Grote Kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t/ Rusland

• EHRM 16 juni 2009, Ruotsalainen t/ Finland,

• HvJ, Grote Kamer, 26 februari 2013, C-617/10, Ã…kerberg Fransson,

• EHRM 12 december 2013, Khmel t/ Rusland,

Rechtsleer:

• J. Put, “Bis, sed non idem: een denkoefening over de toepassing van het non bis in idem-beginsel op de cumulatie van administratieve en strafsancties”, RW 2001-02, 937-949

• J. Put “Non bis in idem in het sociaal recht: een tussenstand van zaken” in E. Boyens, en R. De Baerdemaeker (eds.), Justitie: vraagstukken en perspectieven voor morgen, Brugge, die Keure, 2013, 231-252.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 28/04/2014 - 16:22
Laatst aangepast op: di, 29/04/2014 - 15:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.