-A +A

Cumul tussen plaatsvervangende rechters en advocaten dient vermeden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 11/05/2017
A.R.: 
53/2017

Het is van fundamenteel belang in een democratische rechtsstaat dat de hoven en rechtbanken het vertrouwen genieten van het publiek en van de procespartijen 

Daartoe vereisen de artikelen 5.4 en 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat de rechtscolleges waarop die bepalingen van toepassing zijn, onpartijdig zijn.

Die onpartijdigheid dient op twee manieren te worden onderzocht.

1. De subjectieve onpartijdigheid, die wordt vermoed tot het bewijs van het tegendeel, vereist dat de rechter in een zaak waarover hij dient te oordelen, niet vooringenomen is, noch vooroordelen heeft, en dat hij geen belang heeft bij de uitkomst ervan.

2. De objectieve onpartijdigheid vereist dat er voldoende waarborgen zijn om ook een gerechtvaardigde vrees op die punten uit te sluiten.

Wat de objectieve onpartijdigheid betreft, moet worden nagegaan of er, los van het gedrag van de rechters, aantoonbare feiten bestaan die twijfel doen ontstaan omtrent die onpartijdigheid. In dat opzicht kan zelfs een gewekte schijn van partijdigheid belangrijk zijn.

Indien dient te worden onderzocht of een rechter in een concreet geval aanleiding heeft gegeven tot een dergelijke vrees, wordt het standpunt van de rechtzoekende in aanmerking genomen, maar speelt het geen doorslaggevende rol. Wat wel doorslaggevend is, is of de vrees van de betrokkene als objectief verantwoord kan worden beschouwd.

Een cumulatie, zelfs occasioneel, van een rechterlijk ambt met het beroep van advocaat dient zo veel als mogelijk te worden vermeden.

Het is immers niet denkbeeldig dat de aanwezigheid van advocaten in rechterlijke organen zou kunnen leiden tot een functieverwarring tussen de rechter en de advocaat en tot belangenverstrengeling, wat twijfels zou kunnen oproepen omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het rechtscollege, alhoewel laatstgenoemd risico aanzienlijk is getemperd door het toezicht uitgeoefend door het Hof van Cassatie op de rechtspraak.

Bovendien moet zo veel als mogelijk worden vermeden dat advocaten die in het ene dossier elkaars tegenstrever zijn, elkaar in het andere dossier ontmoeten als advocaat en rechter.

De objectieve onpartijdigheid komt evenwel niet in het gedrang door het loutere feit dat een advocaat deel uitmaakt van een rechterlijke instantie. De vraag of er bij een van de procespartijen een gerechtvaardigde vrees van partijdigheid bestaat, dient immers steeds in concreto te worden beoordeeld, rekening houdend met alle elementen eigen aan het dossier en met de overige procedurele waarborgen.

Krachtens artikel 437, eerste lid, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek is het beroep van advocaat onverenigbaar met dat van werkend magistraat. Omgekeerd zijn, krachtens artikel 293 van het Gerechtelijk Wetboek, de ambten van de rechterlijke orde onverenigbaar met het beroep van advocaat.

Uitzonderlijk maakt de wetgever niettemin een occasionele cumulatie van een rechterlijk ambt en het beroep van advocaat mogelijk. Zo bepaalt artikel 207bis van het Gerechtelijk Wetboek dat een doctor of licentiaat in de rechten die ten minste twintig jaar werkzaam is geweest aan de balie, tot plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep kan worden benoemd.

Bij zijn arrest nr. 29/99 van 3 maart 1999 heeft het Hof een beroep tot vernietiging van die bepaling verworpen, omdat het ging om een uitzonderlijke maatregel teneinde de gerechtelijke achterstand bij de hoven van beroep weg te werken en aangezien de wetgever de samenstelling van de aanvullende kamers bij de hoven van beroep met voldoende procedurele waarborgen had omringd.

Daarnaast bepaalt artikel 322, eerste tot derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de voorwaarden waaronder een advocaat kan worden aangewezen om een verhinderde rechter te vervangen :

« In de rechtbanken van eerste aanleg kan de verhinderde rechter vervangen worden door een andere rechter of door een plaatsvervangend rechter. Zijn er niet genoeg plaatsvervangende rechters, dan kan de voorzitter van de kamer, om de rechtbank voltallig te maken, een of twee, op het tableau van de Orde ingeschreven advocaten die ten minste dertig jaar oud zijn, oproepen om zitting te nemen.

In de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel wordt de kamervoorzitter vervangen door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die hij aanwijst, of een plaatsvervangend rechter.

De verhinderde rechter in sociale zaken of in handelszaken wordt vervangen door een plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken. Bij onvoorziene afwezigheid kan de voorzitter van de arbeidsrechtbank een andere rechter in sociale zaken, naar gelang van het geval, werkgever, arbeider, bediende of zelfstandige, een rechter of een plaatsvervangend rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om degene die verhinderd is te vervangen; in hetzelfde geval kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel een andere werkende of plaatsvervangend rechter in handelszaken, een rechter of een plaatsvervangende rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen ».

Een plaatsvervangend advocaat kan evenwel bijdragen tot een  fundamenteel aspect van het recht op een eerlijk proces, namelijk het recht op een einduitspraak binnen een redelijke termijn.

Op de Staat rust, mede op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de verplichting om de rechterlijke organisatie in te richten op een wijze die de rechter in staat stelt om een procedure binnen een redelijke termijn af te ronden.

De aanwijzing van een advocaat om een onvoorzien afwezige assessor of magistraat te vervangen wanneer de zaak niet kan worden uitgesteld, draagt bij tot de eerbiediging termijnen in het recht en een senelle rechtsbedeling.

Gelet op het belang van een snelle uitspraak vanwege de (strafuitvoerings)rechtbank waarborgt de mogelijkheid om als ultimum remedium een advocaat aan te wijzen om een onvoorzien verhinderde assessor/magistraat te vervangen wanneer de behandeling van de zaak niet kan worden uitgesteld, bijgevolg een billijk evenwicht tussen het recht op een einduitspraak binnen een redelijke termijn en de beginselen van rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

De artikelen 828 tot 842 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende wraking en verschoning laten verder toe dat procespartijen die vrezen dat de advocaat die is aangewezen om een onvoorzien afwezige assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen, niet aan de vereisten van subjectieve of objectieve onpartijdigheid voldoet, kunnen overgaan tot zijn wraking vorderen met toepassing van die bepalingen.

De aangewezen advocaat die weet dat er tegen hem een reden van wraking bestaat, dient zich krachtens artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek van de zaak te onthouden. Artikel 442 van het Gerechtelijk Wetboek, dat advocaten verplicht om rechters te vervangen indien zij daartoe worden geroepen in de gevallen bij wet bepaald, laat die advocaten overigens toe om te weigeren indien een reden van verschoning of van verhindering bestaat. Dit is steeds het geval wanneer zich belangenverstrengeling voordoet.

lees het integrale arrest via deze link

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Juridat

B.8. In hun enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 12, 13, 23 en 30 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 40, 144, 145, 151 en 157 van de Grondwet, met de artikelen 4, 5, 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 9 en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met het recht op toegang tot een rechter en met de beginselen van de rechterlijke onpartijdigheid en onafhankelijkheid.

Zij voeren aan dat de aanwijzing van advocaten als assessor in de strafuitvoeringsrechtbank een schending van het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter uitmaakt.

Aangezien de aangewezen advocaat bovendien niet noodzakelijk de opleidingen heeft gevolgd die van de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank worden vereist, niet noodzakelijk de vijf jaar nuttige beroepservaring heeft die van de assessoren wordt vereist en niet het bewijs dient te leveren van enige kennis in de materie van de assessor die hij vervangt en die gespecialiseerd is in hetzij penitentiaire zaken, hetzij sociale re-integratie, hetzij klinische psychologie, zou dat aspect afwezig zijn in de beraadslaging van de strafuitvoeringskamer of van de kamer voor de bescherming van de maatschappij en zou één van de leden bijgevolg de facto geen rol spelen in de collegiale beraadslaging.

Bovendien zou een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die wordt aangewezen om een onvoorzien verhinderde assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen, niet noodzakelijk de Belgische nationaliteit hebben en zou hij niet noodzakelijk over een diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten in de taal van het proces, of zelfs over enige kennis van de procestaal beschikken. De verplichting voor de advocaat om gehoor te geven aan de aanwijzing, zou tot slot niet bestaanbaar zijn met het recht op vrije keuze van arbeid.

B.9.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.9.2. Artikel 12 van de Grondwet bepaalt :

« De vrijheid van de persoon is gewaarborgd.

Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren ».

Die grondwetsbepaling dient in samenhang te worden gelezen met de eveneens aangevoerde artikelen 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die analoge rechten en vrijheden waarborgen.

B.9.3. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ».

Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken.

Luidens artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft « eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, [...] recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie [...] ».

B.9.4. Artikel 151, § 1, eerste lid, van de Grondwet bepaalt :
« De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden. [...] ».
De beginselen van rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn ook gewaarborgd bij de eveneens aangevoerde artikelen 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

B.9.5. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid :

1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;
[...] ».

Artikel 4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.

2. Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.

3. Niet als ' dwangarbeid of verplichte arbeid ' in de zin van dit artikel worden beschouwd :

a) werk hetwelk gewoonlijk wordt verlangd van iemand die wordt gevangen gehouden overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van dit Verdrag of gedurende zijn voorwaardelijke invrijheidstelling;

b) elke dienst van militaire aard, of, in het geval van hen die daartegen gewetensbezwaar hebben in landen waar dit gewetensbezwaar overeenkomstig de wet wordt erkend, die diensten, welke gevorderd worden in plaats van de verplichte krijgsdienst;

c) elke dienst, welke wordt gevorderd in het geval van een noodtoestand of ramp welke het leven of het welzijn van de gemeenschap bedreigt;
d) elk werk of elke dienst die deel uitmaakt van normale burgerplichten ».

B.9.6. Artikel 30 van de Grondwet bepaalt :

« Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken ».

B.9.7. Artikel 40 van de Grondwet bepaalt :

« De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de hoven en rechtbanken.

De arresten en vonnissen worden in naam des Konings ten uitvoer gelegd ».

Artikel 144 van de Grondwet bepaalt :

« Geschillen over burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken.

De wet kan echter, volgens de door haar bepaalde nadere regels, de Raad van State of de federale administratieve rechtscolleges machtigen om te beslissen over de burgerrechtelijke gevolgen van hun beslissingen ».

Artikel 145 van de Grondwet bepaalt :

« Geschillen over politieke rechten behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ».

Artikel 157, laatste lid, van de Grondwet bepaalt :

« Er zijn strafuitvoeringsrechtbanken in de plaatsen die de wet aanwijst. Zij regelt hun organisatie, hun bevoegdheid, alsmede de wijze van benoeming en de duur van het ambt van hun leden ».

B.10.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden geschonden zijn, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

De verzoekende partijen zetten niet uiteen op welke manier de bestreden bepaling de artikelen 12, 40, 144, 145 en 157 van de Grondwet, de artikelen 5 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens of artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten zou schenden.

In de mate waarin het middel is afgeleid uit een schending van die bepalingen, is het onontvankelijk.

B.10.2. Artikel 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt :

« 1. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.

2. Dit Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken ».

Aangezien de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie aantonen, zijn de middelen niet ontvankelijk in zoverre ze zijn afgeleid uit de schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Ten aanzien van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter

B.11.1. Het is van fundamenteel belang in een democratische rechtsstaat dat de hoven en rechtbanken het vertrouwen genieten van het publiek en van de procespartijen (EHRM, 26 februari 1993, Padovani t. Italië, § 27). Daartoe vereisen de artikelen 5.4 en 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat de rechtscolleges waarop die bepalingen van toepassing zijn, onpartijdig zijn (EHRM, grote kamer, 29 maart 2001, D.N. t. Zwitserland, § 42).

Die onpartijdigheid dient op twee manieren te worden onderzocht. De subjectieve onpartijdigheid, die wordt vermoed tot het bewijs van het tegendeel, vereist dat de rechter in een zaak waarover hij dient te oordelen, niet vooringenomen is, noch vooroordelen heeft, en dat hij geen belang heeft bij de uitkomst ervan. De objectieve onpartijdigheid vereist dat er voldoende waarborgen zijn om ook een gerechtvaardigde vrees op die punten uit te sluiten (EHRM, 1 oktober 1982, Piersack t. België, § 30; 16 december 2003, Grieves t. Verenigd Koninkrijk, § 69).

B.11.2. Wat de objectieve onpartijdigheid betreft, moet worden nagegaan of er, los van het gedrag van de rechters, aantoonbare feiten bestaan die twijfel doen ontstaan omtrent die onpartijdigheid. In dat opzicht kan zelfs een gewekte schijn van partijdigheid belangrijk zijn (EHRM, 6 juni 2000, Morel t. Frankrijk, § 42).
Indien dient te worden onderzocht of een rechter in een concreet geval aanleiding heeft gegeven tot een dergelijke vrees, wordt het standpunt van de rechtzoekende in aanmerking genomen, maar speelt het geen doorslaggevende rol. Wat wel doorslaggevend is, is of de vrees van de betrokkene als objectief verantwoord kan worden beschouwd (EHRM, 21 december 2000, Wettstein t. Zwitserland, § 44).

Een cumulatie, zelfs occasioneel, van een rechterlijk ambt met het beroep van advocaat dient zo veel als mogelijk te worden vermeden.

Het is immers niet denkbeeldig dat de aanwezigheid van advocaten in rechterlijke organen zou kunnen leiden tot een functieverwarring tussen de rechter en de advocaat en tot belangenverstrengeling, wat twijfels zou kunnen oproepen omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het rechtscollege, alhoewel laatstgenoemd risico aanzienlijk is getemperd door het toezicht uitgeoefend door het Hof van Cassatie op de rechtspraak.

Bovendien moet zo veel als mogelijk worden vermeden dat advocaten die in het ene dossier elkaars tegenstrever zijn, elkaar in het andere dossier ontmoeten als advocaat en rechter.

B.11.4. De objectieve onpartijdigheid komt evenwel niet in het gedrang door het loutere feit dat een advocaat deel uitmaakt van een rechterlijke instantie. De vraag of er bij een van de procespartijen een gerechtvaardigde vrees van partijdigheid bestaat, dient immers steeds in concreto te worden beoordeeld, rekening houdend met alle elementen eigen aan het dossier en met de overige procedurele waarborgen.

B.12.1. Krachtens artikel 437, eerste lid, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek is het beroep van advocaat onverenigbaar met dat van werkend magistraat. Omgekeerd zijn, krachtens artikel 293 van het Gerechtelijk Wetboek, de ambten van de rechterlijke orde onverenigbaar met het beroep van advocaat.
Uitzonderlijk maakt de wetgever niettemin een occasionele cumulatie van een rechterlijk ambt en het beroep van advocaat mogelijk. Zo bepaalt artikel 207bis van het Gerechtelijk Wetboek dat een doctor of licentiaat in de rechten die ten minste twintig jaar werkzaam is geweest aan de balie, tot plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep kan worden benoemd. Bij zijn arrest nr. 29/99 van 3 maart 1999 heeft het Hof een beroep tot vernietiging van die bepaling verworpen, omdat het ging om een uitzonderlijke maatregel teneinde de gerechtelijke achterstand bij de hoven van beroep weg te werken en aangezien de wetgever de samenstelling van de aanvullende kamers bij de hoven van beroep met voldoende procedurele waarborgen had omringd.

Daarnaast bepaalt artikel 322, eerste tot derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de voorwaarden waaronder een advocaat kan worden aangewezen om een verhinderde rechter te vervangen :

« In de rechtbanken van eerste aanleg kan de verhinderde rechter vervangen worden door een andere rechter of door een plaatsvervangend rechter. Zijn er niet genoeg plaatsvervangende rechters, dan kan de voorzitter van de kamer, om de rechtbank voltallig te maken, een of twee, op het tableau van de Orde ingeschreven advocaten die ten minste dertig jaar oud zijn, oproepen om zitting te nemen.

In de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel wordt de kamervoorzitter vervangen door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die hij aanwijst, of een plaatsvervangend rechter.

De verhinderde rechter in sociale zaken of in handelszaken wordt vervangen door een plaatsvervangend rechter in sociale zaken of in handelszaken. Bij onvoorziene afwezigheid kan de voorzitter van de arbeidsrechtbank een andere rechter in sociale zaken, naar gelang van het geval, werkgever, arbeider, bediende of zelfstandige, een rechter of een plaatsvervangend rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om degene die verhinderd is te vervangen; in hetzelfde geval kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel een andere werkende of plaatsvervangend rechter in handelszaken, een rechter of een plaatsvervangende rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen ».

B.12.2. De bestreden bepaling maakt eveneens een occasionele cumulatie van het beroep van advocaat met een rechtsprekende functie mogelijk. Zij onderwerpt de mogelijkheid om een advocaat aan te wijzen ter vervanging van een assessor in de strafuitvoeringsrechtbank niettemin aan drie voorwaarden.

Allereerst moet de verhinderde assessor slechts bij een onvoorziene afwezigheid worden vervangen. Vervolgens mag slechts een beroep worden gedaan op een advocaat wanneer de behandeling van de zaak niet kan worden uitgesteld. Ten slotte voert de bestreden bepaling een cascadesysteem in, waarbij een advocaat pas in vijfde en laatste instantie kan worden aangewezen om in de strafuitvoeringsrechtbank zitting te nemen, na de andere assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank van dezelfde categorie, de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank van een andere categorie, de rechters en de plaatsvervangende rechters.

Het bij artikel 48 van de wet van 4 mei 2016 ingevoegde en in B.3.5 vermelde artikel 196quinquies van het Gerechtelijk Wetboek verkleint nog verder de kans dat een advocaat wordt aangewezen om een onvoorzien afwezige assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen. In de parlementaire voorbereiding werd daarover het volgende vermeld :

« Als geen in het rechtsgebied benoemde werkende of plaatsvervangende assessor van dezelfde categorie kan worden aangewezen voor de vervanging van de verhinderde werkende assessor, worden thans de andere vervangingsmogelijkheden toegepast waarin is voorzien in artikel 322 van het Gerechtelijk Wetboek.

De aanwijzing van een assessor van dezelfde categorie moet evenwel steeds voorrang krijgen op de aanwijzing van een assessor van een andere categorie, op de aanwijzing van een werkende of plaatsvervangende rechter of op de aanwijzing van een advocaat. In de wetenschap dat in elke strafuitvoeringsrechtbank slechts één assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie werd benoemd en dat niet in alle rechtsgebieden een plaatsvervangend assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie kon worden benoemd, wordt de mogelijkheid gecreëerd om de werkende of plaatsvervangende assessoren die daarmee instemmen opdracht te geven om bijkomend te zetelen in een andere strafuitvoeringsrechtbank » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1590/004, pp. 8-9).

B.12.3. Uit de in B.4.3 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever rekening hield met de objectieve onpartijdigheid door erin te voorzien dat enkel wanneer de zaak niet kan worden uitgesteld, kan worden overgegaan tot de onmiddellijke vervanging van een verhinderde assessor in de strafuitvoeringsrechtbank door een advocaat.

Aldus waarborgt de bestreden bepaling een ander fundamenteel aspect van het recht op een eerlijk proces, namelijk het recht op een einduitspraak binnen een redelijke termijn. Op de Staat rust, mede op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de verplichting om de rechterlijke organisatie in te richten op een wijze die de rechter in staat stelt om een procedure binnen een redelijke termijn af te ronden.

Een uitspraak binnen een korte termijn is des te belangrijker in zaken betreffende gevangenen of geïnterneerden.

Om die reden leggen de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering strikte termijnen op aan de strafuitvoeringskamers. De aanwijzing van een advocaat om een onvoorzien afwezige assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen wanneer de zaak niet kan worden uitgesteld, draagt bij tot de eerbiediging van die termijnen.

B.12.4. Gelet op het belang van een snelle uitspraak vanwege de strafuitvoeringsrechtbank waarborgt de mogelijkheid om als ultimum remedium een advocaat aan te wijzen om een onvoorzien verhinderde assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen wanneer de behandeling van de zaak niet kan worden uitgesteld, bijgevolg een billijk evenwicht tussen het recht op een einduitspraak binnen een redelijke termijn en de beginselen van rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

B.13.1. Het Hof dient nog te onderzoeken of de overige procedurele waarborgen volstaan om elke gerechtvaardigde vrees van partijdigheid weg te nemen.

B.13.2. Gelet op het in B.3.1 vermelde artikel 78, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek beraadslagen de strafuitvoeringskamers en de kamers voor de bescherming van de maatschappij collegiaal telkens wanneer assessoren deelnemen aan de beraadslaging. In dat geval bestaan de kamers uit minstens drie leden.

Zij worden aangevuld met twee rechters in de correctionele rechtbank in de zaken betreffende een veroordeling tot een vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (artikel 92bis van het Gerechtelijk Wetboek). Die magistraten en de andere zetelende assessor zijn voltijds aan de rechtbank verbonden (artikel 196ter, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek). De evaluatie van de werkende en de plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank geschiedt, na advies van de voorzitter van de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank waarin de assessor zitting heeft, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waarin de assessor zijn ambt uitoefent (artikel 196quater, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek).

Het voorzitterschap van de kamers wordt steeds waargenomen door de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank (artikel 78, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

Ook de alleenrechtsprekende rechter bedoeld in artikel 91, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is steeds de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank. Hij kan nooit door een advocaat worden vervangen.

B.13.3. De artikelen 828 tot 842 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende wraking en verschoning zijn eveneens van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbank. Procespartijen die vrezen dat de advocaat die is aangewezen om een onvoorzien afwezige assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen, niet aan de vereisten van subjectieve of objectieve onpartijdigheid voldoet, kunnen zijn wraking vorderen met toepassing van die bepalingen.

De aangewezen advocaat die weet dat er tegen hem een reden van wraking bestaat, dient zich krachtens artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek van de zaak te onthouden. Artikel 442 van het Gerechtelijk Wetboek, dat advocaten verplicht om rechters te vervangen indien zij daartoe worden geroepen in de gevallen bij wet bepaald, laat die advocaten overigens toe om te weigeren indien een reden van verschoning of van verhindering bestaat. Dit is steeds het geval wanneer zich belangenverstrengeling voordoet.

B.13.4. Krachtens artikel 96 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten staat zowel voor het openbaar ministerie als voor de veroordeelde een cassatieberoep open tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter en van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de toekenning, de afwijzing, de herziening of de herroeping van de in titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten, alsmede de overeenkomstig titel XI van dezelfde wet genomen beslissingen. Krachtens artikel 98 van dezelfde wet doet, na een cassatiearrest met verwijzing, een andere strafuitvoeringsrechter of een anders samengestelde strafuitvoeringsrechtbank uitspraak.

Krachtens artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering staat tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering en tot de herziening van de aan genoemde modaliteiten gekoppelde bijzondere voorwaarden, met betrekking tot de definitieve invrijheidstelling, alsmede tegen de beslissing tot internering van een veroordeelde overeenkomstig artikel 77/5 van die wet, een cassatieberoep open voor het openbaar ministerie en de advocaat van de geïnterneerde persoon. Krachtens artikel 80 van dezelfde wet doet, na een cassatiearrest met verwijzing, een anders samengestelde kamer voor de bescherming van de maatschappij uitspraak.

B.13.5. Overigens zijn de beginselen van de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid als algemene rechtsbeginselen ook van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbanken.

Bijgevolg zal de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, wanneer hij zich genoodzaakt ziet om een advocaat aan te wijzen om een onvoorzien afwezige assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen, erover waken dat hij een advocaat aanwijst die voor de partijen geen aanleiding geeft tot een gerechtvaardigde vrees van partijdigheid.

B.14. Gelet op het voorgaande wordt de occasionele cumulatie van het beroep van advocaat met een rechtsprekende functie waartoe de bestreden bepaling aanleiding geeft, verantwoord door motieven van behoorlijke rechtsbedeling en wordt zij omgeven met voldoende procedurele waarborgen die elke gerechtvaardigde vrees van partijdigheid uitsluiten.

In zoverre het is afgeleid uit een schending van het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, is het middel niet gegrond.
Ten aanzien van de vereiste beroepsbekwaamheid

B.15.1. Om tot assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te worden benoemd, dient de kandidaat geslaagd te zijn voor het examen bedoeld in het in B.3.3 vermelde artikel 196bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Hij dient tevens vijf jaar nuttige beroepservaring aan te tonen die blijk geeft van praktische kennis van aangelegenheden inzake hetzij penitentiaire zaken, hetzij sociale re-integratie, hetzij klinische psychologie. De assessor gespecialiseerd in klinische psychologie dient bovendien houder te zijn van een diploma van master in de psychologische wetenschappen (artikel 196ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, eveneens vermeld in B.3.3).

Die vereisten worden niet gesteld aan doctors, licentiaten of masters in de rechten die als advocaat op het tableau van de Orde wensen te worden ingeschreven.

B.15.2. Uit het feit dat voor de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank en voor de advocaten die kunnen worden aangesteld om hen te vervangen, verschillende benoemingsvereisten worden gesteld, kan op zich geen discriminatie ten aanzien van de rechtsonderhorigen worden afgeleid.

B.15.3. Terwijl de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank hun ambt voltijds uitoefenen, oefenen de advocaten die worden aangewezen om een onvoorzien afwezige assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen, die taak in beginsel eenmalig uit, vanuit de doelstelling om een overschrijding van een wettelijke termijn of een schending van het recht op een einduitspraak binnen een redelijke termijn te vermijden. Gelet op die beperkte opdracht vermocht de wetgever te oordelen dat die advocaten niet aan dezelfde voorwaarden dienen te voldoen als de voltijdse assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank.

B.16. In zoverre het uitgaat van een verschil in behandeling inzake opleidings- en bekwaamheidsvereisten tussen de voltijdse assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank en de advocaten die worden aangewezen om hen in geval van onvoorziene afwezigheid en voor zover de zaak niet kan worden uitgesteld, te vervangen, is het middel niet gegrond.

Ten aanzien van de Belgische nationaliteit

B.17.1. Krachtens artikel 10, tweede lid, van de Grondwet zijn alleen Belgen tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld.

Krachtens artikel 45, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie niet van toepassing op « de betrekkingen in overheidsdienst ». Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat die uitzondering enkel betrekking heeft op « betrekkingen die, al dan niet rechtstreeks, deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere openbare lichamen » (HvJ, 17 december 1980, Commissie t. België, 149/79, punt 10).

Dergelijke betrekkingen « onderstellen immers bij de functionaris een bijzondere band van solidariteit ten opzichte van de staat en een wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding » (ibid.).

B.17.2. Aangezien de strafuitvoeringskamers en de kamers voor de bescherming van de maatschappij rechterlijke instanties zijn, en hun uitspraken bovendien directe gevolgen hebben voor de vrijheid of opsluiting van gevangenen en geïnterneerden, houdt de functie van assessor in de strafuitvoeringsrechtbank een « deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag » in. Bijgevolg dienen dergelijke functies, behoudens wettelijke uitzondering, aan Belgen te worden voorbehouden.

Om die reden vereist artikel 196ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek dat de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank de Belgische nationaliteit bezitten.

B.17.3. Krachtens artikel 428 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen zowel Belgen als andere onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie in België de titel van advocaat voeren, voor zover zij voldoen aan de overige daartoe in het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarden.

De bestreden bepaling sluit niet uitdrukkelijk uit dat de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank een advocaat die niet de Belgische nationaliteit heeft, aanwijst om een onvoorzien afwezige assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen.

B.17.4. De rechter in de strafuitvoeringsrechtbank die zich genoodzaakt ziet om in die omstandigheden een advocaat aan te wijzen, dient evenwel artikel 10, tweede lid, van de Grondwet, zoals geïnterpreteerd in B.17.1 en B.17.2, in acht te nemen. Hij dient er aldus over te waken dat hij een advocaat aanwijst die de Belgische nationaliteit bezit.

B.18. In zoverre het is afgeleid van een schending van artikel 10, tweede lid, van de Grondwet, is het middel niet gegrond, onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.17.4.

Ten aanzien van het taalgebruik in gerechtszaken

B.19.1. Wanneer de eerste voorzitter van het hof van beroep met toepassing van het in B.3.5 vermelde artikel 196quinquies van het Gerechtelijk Wetboek een werkend of plaatsvervangend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank die daarmee instemt opdracht geeft om zijn ambt bijkomend uit te oefenen in een andere strafuitvoeringsrechtbank, dient hij de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht te nemen.

B.19.2. Hoewel de bestreden bepaling zelf geen melding maakt van de wet van 15 juni 1935, is die wet onverkort van toepassing op de vervanging van verhinderde assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank.

Bijgevolg zal de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, wanneer hij zich genoodzaakt ziet om een advocaat aan te wijzen om een onvoorzien afwezige assessor in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen, erover waken dat hij daarbij alle verplichtingen die uit die wet voortvloeien, in acht neemt.

B.20. In zoverre het is afgeleid van artikel 30 van de Grondwet en in zoverre het uitgaat van een verschil in behandeling tussen, enerzijds, assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank die andere assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank vervangen, en, anderzijds, advocaten die assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank vervangen, is het middel niet gegrond.

Ten aanzien van de verplichting om gevolg te geven aan de aanwijzing

B.21.1. Artikel 442 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« In de gevallen bij de wet bepaald, worden zij geroepen om rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie te vervangen; zij mogen niet weigeren zonder reden van verschoning of van verhindering ».

B.21.2. Eenieder die aan de door het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarden voldoet, kiest er vrij voor al dan niet het beroep van advocaat uit te oefenen. Wie voor dat beroep kiest, wordt geacht op de hoogte te zijn van de verplichtingen die de wet aan die beroepsgroep oplegt en deze te aanvaarden, wetende dat de wetgever met toepassing van artikel 442 van het Gerechtelijk Wetboek nieuwe verplichtingen om in rechterlijke organen zitting te nemen, in het leven kan roepen, zoals hij dat bij de bestreden bepaling heeft gedaan.

B.21.3. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens staat het verbod op dwangarbeid of verplichte arbeid, bedoeld in artikel 4.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, er niet aan in de weg dat de wet aan advocaten redelijke verplichtingen oplegt, zoals de pro-Deoverplichtingen tijdens de stage (EHRM, 23 november 1983, Van Der Mussele t. België, §§ 39-41) of het optreden als wettelijke voogd van een onbekwaamverklaarde (EHRM, 6 december 2012, Graziani-Weiss t. Oostenrijk, §§ 38-43). Het moet niettemin gaan om verplichtingen die binnen de normale uitoefening van het beroep van advocaat vallen.

De verplichting moet bovendien haar grondslag vinden in een opvatting van sociale solidariteit en tot slot mag de opgelegde taak voor de advocaat geen onevenredige last uitmaken.

B.21.4. De verplichtingen die de wet aan advocaten oplegt, staan tegenover bepaalde privileges die deze beroepsgroep geniet, zoals het pleitmonopolie (EHRM, 6 december 2012, Graziani-Weiss t. Oostenrijk, § 41).

Het zitting nemen in een rechterlijke instantie behoort niet tot de kerntaken van de advocaat, aangezien de taak van de advocaat bestaat in het adviseren en verdedigen van zijn cliënt, terwijl de taak van de rechter erin bestaat geschillen te beslechten. De advocaat speelt evenwel een cruciale rol in de rechtsstaat en draagt wezenlijk bij tot de goede rechtsbedeling. In het licht van die fundamentele opdracht kan het eventuele vervangen van een onvoorzien verhinderde assessor in de strafuitvoeringsrechtbank worden beschouwd als een opdracht die past in het kader van de normale beroepsuitoefening van advocaten, voor zover die aanwijzing geschiedt om wettelijke termijnen in acht te nemen of om een overschrijding van de redelijke termijn te vermijden. Die doelstelling houdt overigens verband met een opvatting van sociale solidariteit.

De verplichting om assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank te vervangen door advocaten, zal zich, gelet op de gestelde voorwaarden en op de door de bestreden bepaling ingestelde cascade, slechts zelden voordoen. Bovendien wordt zij gespreid over een wezenlijk deel van een omvangrijke beroepsgroep. De vervanging kan tot slot niet als bijzonder complex of tijdrovend worden beschouwd. Zij vormt derhalve geen onevenredige last voor de aangewezen advocaat.

B.22. In zoverre het is afgeleid van een schending van het recht op vrije keuze van beroepsarbeid, gewaarborgd bij artikel 23, tweede lid, 1°, van de Grondwet, en van het verbod op dwangarbeid of verplichte arbeid, gewaarborgd bij artikel 4.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is het middel niet gegrond.

Om die redenen,
het Hof
verwerpt het beroep, onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.17.4.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 mei 2017.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 01/01/2018 - 13:41
Laatst aangepast op: ma, 01/01/2018 - 13:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.