-A +A

Criteria ter beoordeling afwezigheid van de waarborgen op de eerlijkheid van het proces

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 31/10/2017
A.R.: 
P.17.0255.N

Het Hof somt een niet-limitatieve lijst op van factoren waarmee rekening dient te worden gehouden om de impact van de afwezigheid van de waarborgen op de eerlijkheid van het proces in zijn geheel te beoordelen,

(a) de vraag of de verdachte zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond, bij voorbeeld ingevolge zijn leeftijd of geestelijke vermogens;
(b) het wettelijk kader dat van toepassing is op het vooronderzoek en op de toe laatbaarheid van het bewijs tijdens de procedure voor de vonnisrechter, en of dit wettelijk kader werd nageleefd;
(c) de vraag of de verdachte de mogelijkheid had verweer te voeren over de authenticiteit van het bewijs en zich tegen het gebruik ervan kon verzetten;
(d) de vraag of de kwaliteit van het bewijs en de omstandigheden waarin het werd verkregen een invloed hebben op de betrouwbaarheid of de accuraatheid ervan, rekening houdende met de omvang en aard van enige vorm van druk;
(e) indien het bewijs onwettig werd verkregen, de aard van de onwettigheid in kwestie en, wanneer het de schending van een ander artikel dan artikel 6 van het EVRM betreft, de aard van de vastgestelde schending;
(f) indien het een verklaring betreft, de aard van de verklaring en of deze onmiddellijk werd ingetrokken of gewijzigd;
(g) het gebruik dat van het bewijs is gemaakt, en in het bijzonder of het bewijs het enige of een aanzienlijk deel van het bewijs uitmaakt waarop de veroordeling is gegrond, alsook de sterkte van ander bewijs in de zaak;
(h) de vraag of de beoordeling van de schuldvraag door een professionele rechter of door een jury gebeurde, en in het laatste geval de inhoud van de richtlijnen ten aanzien van de juryleden;
(i) het algemeen belang bij het onderzoek en de bestraffing van het specifieke misdrijf;
(j) andere relevante procedurele waarborgen die werden geboden door het interne recht en door de rechtspraak.

Het arrest geeft meteen een aantal redenen op waarom het arrest van het Hof van Berop te Gent in detail heeft opgegeven waarom het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen.

 

 

 

 

 

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.17.0255.N
I
P P R V K,
beklaagde,
eiser,

II
ADVICE & ADMINISTRATION SERVICES bvba, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Zamanstraat 21 bus 2, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc Sammy BOUZOUMITA, met kantoor te 9000 Gent, Sleepstraat 172,
beklaagde,
eiseres,

III

K B,
beklaagde,
eiser,

IV
M G J S,
beklaagde,
eiser,

V
G D S R,
beklaagde,
eiser,

VI
B P M G L,
beklaagde,
eiser,

alle cassatieberoepen tegen
NMBS nv van publiek recht, met zetel te 1060 Brussel (Sint-Gillis), Frankrijk-straat 56,
burgerlijke partij,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 januari 2017.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Artikel 423 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, behoudens wanneer de wet een andere termijn bepaalt, de verklaring van cassatieberoep moet worden ge-daan binnen vijftien dagen na de uitspraak van de bestreden beslissing.

2. Het cassatieberoep van de eiser VI werd ingesteld op 13 maart 2017, dit is buiten de vermelde termijn.

3. De eiser VI voert onder de hoofding "Eerste middel tot cassatie" aan dat de laattijdigheid van zijn cassatieberoep te wijten is aan overmacht. Hij leidt dat af uit het feit dat de griffie van het hof van beroep, kort vóór de datum van de uit-spraak van het arrest op 10 januari 2017, zijn voormalige raadsman in kennis heeft gesteld van het feit dat op die dag geen arrest zou worden uitgesproken, zonder daarvoor evenwel een reden op te geven of een nieuwe datum voor uitspraak mee te delen.

Hierdoor had eisers voormalige raadsman geen kennis van de datum van de uitspraak op 30 januari 2017 en verkreeg hij die kennis pas op 8 maart 2017, datum van het aan de eiser meegedeelde gevangenisbriefje.

4. Overmacht waardoor een na het verstrijken van de wettelijke termijn inge-steld cassatieberoep ontvankelijk is, kan enkel voorvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de eiser, die deze omstandigheid niet heeft kunnen voorzien noch voorkomen en waardoor het hem onmogelijk was tijdig zijn rechtsmiddel aan te wenden.

5. Het staat aan de eiser in cassatie of zijn raadsman, die ervan wordt verwit-tigd dat op de daartoe vastgestelde datum geen arrest zal worden uitgesproken en die in voorkomend geval geen nieuwe datum voor de uitspraak ontvangt, zich re-gelmatig te informeren over die nieuwe datum zonder daarbij periodes te laten voorbijgaan die hem zouden beletten tijdig cassatieberoep in te stellen.

6. Noch tijdens de periode tussen 10 en 30 januari 2017, noch gedurende de op die laatste datum volgende termijn om cassatieberoep in te stellen, heeft de eiser of zijn raadsman blijkbaar geïnformeerd naar de nieuwe datum van de uitspraak. Nochtans was het niet onvoorzienbaar dat in die periode arrest zou worden uitge-sproken. Aldus is de laattijdigheid van het cassatieberoep van de eiser VI niet te wijten aan overmacht.

7. Het cassatieberoep van die eiser is niet ontvankelijk.

8. Volgens artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering moet de partij die cassatieberoep instelt, dit beroep laten betekenen aan de partij tegen wie het is gericht. De vervolgde partij is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep is gericht tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burger-lijke rechtsvordering.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers III en V hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweerster.
In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, zijn de cassatieberoepen van die eisers niet ontvankelijk.

10. Het arrest:

- spreekt de eiser I vrij van de telastleggingen K.3 en L.3;
- spreekt de eiseres II vrij van de telastleggingen K.3 en L.3;
- spreekt de eiser V vrij van de telastlegging C;
- verklaart de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerster tegen de eisers I en II niet gegrond in zoverre zij gesteund zijn op de telastleggingen Cbis, K.3 en L.3.

In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen van die ei-sers bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middelen van de eiser VI

11. De middelen die voor het overige geen betrekking hebben op de ontvanke-lijkheid van het cassatieberoep, behoeven geen antwoord.

Eerste middel van de eiser I

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR en artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiser zich op het ogenblik van zijn eerste verhoor door de politie op 20 december 2010 en tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter, ondanks zijn vrijheidsberoving, niet in een kwetsbare positie bevond; het oordeelt vervolgens dat er geen reden is om zijn zelf-incriminerende verklaringen als bewijs uit te sluiten en veroordeelt de eiser mede op grond van deze verklaringen.

13. Artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering, in werking getreden op 27 november 2016, is niet van toepassing op verhoren die daarvoor plaatsvonden.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

14. Het arrest steunt het oordeel dat er geen reden is om eisers zelf-incriminerende verklaringen als bewijs uit te sluiten, niet enkel op de reden dat hij zich bij zijn verhoor of tijdens het onderzoek niet in een kwetsbare positie bevond, maar ook op een geheel van zelfstandige redenen die de beslissing schragen en die het onderdeel niet aanvecht.

In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ont-vankelijk.

Tweede onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, zoals uit-gelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, alsmede miskenning van het recht op bijstand door een advocaat en het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt dat de afwezigheid van bijstand door een raadsman bij het verhoor door de politie het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser niet onherstelbaar heeft aangetast omdat de strafprocedure in zijn geheel eer-lijk is verlopen; het baseert zich daarbij op een aantal vaststellingen, maar negeert ten onrechte het gegeven dat de eiser zich tijdens deze verhoren in een bijzonder kwetsbare positie bevond ingevolge zijn vrijheidsberoving; aldus verantwoordt het niet naar recht de specifieke omstandigheden, eigen aan de zaak, waardoor het recht op een eerlijk proces niet onherroepelijk is miskend, terwijl het de schuld van de eiser mede steunt op verklaringen afgelegd zonder bijstand door een raadsman en dit in afwezigheid van dwingende redenen; krachtens artikel 6.1 en 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, kan de toegang van de verdachte tot een raadsman vanaf het eerste verhoor uitzonderlijk worden uitgesteld omwille van dwingende redenen; in een eerste stap moet nagegaan worden of er dergelijke redenen waren om dat uitstel te rechtvaardigen; pas in een tweede stap gaat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens na in hoeverre het gebrek aan bijstand tijdens het verhoor een impact heeft op het eerlijk karakter van de strafprocedure in zijn geheel beschouwd, waarbij rekening moet worden gehouden met een aantal factoren; aangezien er geen dwingende redenen waren om de toegang tot bijstand door een raadsman te beperken, diende het arrest zeer nauwgezet het eerlijk karakter van de procedure in zijn geheel te onderzoeken en daarbij rekening te houden met het gegeven dat de eiser zich tijdens de verhoren in een bijzonder kwetsbare positie bevond, wat niet is gebeurd.

16. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn in de regel geschaad wanneer een verdachte die zich ingevolge zijn vrijheidsberoving in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, incriminerende verklaringen aflegt tijdens een politieverhoor zonder mogelijkheid van bijstand door een advocaat.

Deze omstandigheid heeft nochtans niet automatisch voor gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van die verdachte en vervolgens beklaagde of beschuldigde op eerlijke wijze te behandelen. De rechter kan immers op grond van andere factoren oordelen dat het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen. Het feit dat het gebrek aan bijstand door een raadsman niet steunt op een dwingende reden zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, doet daaraan geen afbreuk, maar heeft enkel tot gevolg dat de rechter des te nauwkeuriger moet onderzoeken of het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

17. Voor de rechter kan de beklaagde met de bijstand door een advocaat alle verklaringen die hij nodig acht, afleggen en zijn eerder afgelegde verklaringen verduidelijken, vervolledigen of intrekken. Het staat aan de rechter om, na op nauwkeurige wijze te hebben onderzocht of het proces in zijn geheel eerlijk is ver-lopen, na te gaan of de bewijswaarde van alle hem voorgelegde gegevens aange-tast is door het enkele feit dat bepaalde verklaringen tijdens het onderzoek zijn af-gelegd zonder naleving van de cautieplicht of zonder bijstand door een advocaat en, in voorkomend geval, te beslissen tot de uitsluiting van deze bewijsmiddelen.

Daarbij dient de rechter in het bijzonder na te gaan of de afwezigheid van die waarborgen ertoe heeft geleid dat het zwijgrecht van de verdachte werd miskend of dat hij verklaringen onder dwang of ongeoorloofde druk heeft afgelegd. Om de impact van de afwezigheid van die waarborgen op de eerlijkheid van het proces in zijn geheel te beoordelen, dient de rechter rekening te houden met een niet-limitatieve lijst van factoren, zoals:

(a) de vraag of de verdachte zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond, bij-voorbeeld ingevolge zijn leeftijd of geestelijke vermogens;

(b) het wettelijk kader dat van toepassing is op het vooronderzoek en op de toe-laatbaarheid van het bewijs tijdens de procedure voor de vonnisrechter, en of dit wettelijk kader werd nageleefd;

(c) de vraag of de verdachte de mogelijkheid had verweer te voeren over de au-thenticiteit van het bewijs en zich tegen het gebruik ervan kon verzetten;

(d) de vraag of de kwaliteit van het bewijs en de omstandigheden waarin het werd verkregen een invloed hebben op de betrouwbaarheid of de accuraatheid ervan, rekening houdende met de omvang en aard van enige vorm van druk;

(e) indien het bewijs onwettig werd verkregen, de aard van de onwettigheid in kwestie en, wanneer het de schending van een ander artikel dan artikel 6 van het EVRM betreft, de aard van de vastgestelde schending;

(f) indien het een verklaring betreft, de aard van de verklaring en of deze onmid-dellijk werd ingetrokken of gewijzigd;

(g) het gebruik dat van het bewijs is gemaakt, en in het bijzonder of het bewijs het enige of een aanzienlijk deel van het bewijs uitmaakt waarop de veroordeling is gegrond, alsook de sterkte van ander bewijs in de zaak;

(h) de vraag of de beoordeling van de schuldvraag door een professionele rechter of door een jury gebeurde, en in het laatste geval de inhoud van de richtlijnen ten aanzien van de juryleden;

(i) het algemeen belang bij het onderzoek en de bestraffing van het specifieke misdrijf;

(j) andere relevante procedurele waarborgen die werden geboden door het interne recht en door de rechtspraak.

18. Het arrest oordeelt in essentie dat:

- geen van de eisers betwist dat de cautieplicht werd nageleefd en zij door zowel de politie als de onderzoeksrechter werden geïnformeerd dat zij het recht had-den niet te antwoorden op de hen gestelde vragen en dat hun verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;

- ondanks het naleven van de cautieplicht, de eisers verklaringen wensten af te leggen, wat zij perfect hadden kunnen weigeren of afhankelijk stellen van de aanwezigheid van een raadsman of voorafgaand overleg met een raadsman;

- uit de concrete omstandigheden van de verhoren door de politie en de onder-zoeksrechter zoals in het arrest vastgesteld, blijkt dat er manifest geen misbruik bij de verhoren is geweest;

- uit niets blijkt dat er bij het verhoor van ook maar één van de beklaagden mis-bruik zou zijn gemaakt van macht, dwang zou zijn aangewend of enig fysiek of psychisch geweld zou zijn gebruikt om bekentenissen af te dwingen;

- geen van de beklaagden ooit heeft beweerd of zelfs gesuggereerd onder druk te zijn gezet of dwang of geweld te hebben ondergaan tijdens enig verhoor, maar integendeel elkeen na lezing van zijn verklaringen, deze steeds zonder het minste voorbehoud heeft ondertekend en met de vermelding hierop geen opmerkingen, laat staan klachten te hebben;

- de eiser niet onder aanhoudingsmandaat is geplaatst en hem een kopie van zijn verhoor werd overhandigd, zodat hij reeds onmiddellijk na zijn verhoor juri-disch advies kon inwinnen en desgevallend reeds om een nieuw, eventueel ver-beterd verhoor kon vragen en zelfs zijn verklaringen kon intrekken;

- de eiser gedurende het ganse vooronderzoek de mogelijkheid tot vrij verkeer had met zijn raadsman, zoals dat ook het geval was voor alle aangehoudenen;

- de eisers verscheidene verklaringen hebben afgelegd gedurende het onderzoek, waartussen telkens ruim de gelegenheid bestond om een advocaat te raadple-gen, hun rechtspositie te bepalen en een volgend verhoor voor te bereiden;

- de eiser ook na overleg met zijn raadsman zijn verklaringen niet heeft inge-trokken of gewijzigd;

- het feit dat de Belgische wetgeving op het ogenblik dat de eiser zijn verklarin-gen aflegde niet voorzag in de bijstand door een advocaat tijdens het verhoor door de politie of de onderzoeksrechter, dient te worden beoordeeld in het licht van het geheel der wettelijke waarborgen die diezelfde wetgeving de beklaagden op dat ogenblik bood ter vrijwaring van hun recht van verdediging en hun recht op een eerlijk proces;

- de feiten reeds van bij de aanvang van het onderzoek gedetailleerd en stevig gedocumenteerd door de aangever ter kennis van de onderzoekers waren ge-bracht, zodat het voor de onderzoekers reeds volstond om de realiteit en de be-trouwbaarheid van de door die derde aangebrachte informatie te verifiëren;

- de beklaagden werden geconfronteerd met vaststaande materiële en objectieve elementen, onder meer uit de telefoontaps en het in beslag genomen materiaal tijdens de talrijke uitgevoerde huiszoekingen die de verhoren zijn voorafge-gaan;

- die elementen onbetwistbaar bezwarend materiaal opleveren waarvan de be-klaagden de realiteit bezwaarlijk kunnen negeren en die, samen met het door de aangever aangebrachte materiaal, als dusdanig reeds kunnen volstaan als bewijs van het gros en de essentie van de hen ten laste gelegde feiten, waardoor hun eigen verklaringen niet eens nodig zijn om de schuldvraag te beoordelen, maar wel nuttig en noodzakelijk zijn om hen in de gelegenheid te stellen deze mate-riële en objectieve elementen toe te lichten, te nuanceren of te weerleggen;

- waar de beklaagden dus ook van uit het oogpunt van tegenspraak en verweer evident met dit objectief bewijsmateriaal dienden te worden geconfronteerd, wat in de eerste plaats hun recht van verdediging zelf dient, en één van de be-klaagden, geconfronteerd met onweerlegbare evidentie, daarop uit eigen bewe-ging overgaat tot het afleggen van bekentenissen, er hoegenaamd geen sprake is van bekentenissen die onder druk of onder dwang zijn afgelegd, terwijl het eenieder bovendien nog steeds vrij staat zijn bekentenissen te herroepen;

- de eisers I, III en IV weliswaar argumenteren dat met hun zonder bijstand door een advocaat afgelegde verklaringen geen rekening mag worden gehouden, maar zij noch in besluiten noch ter rechtszitting van het hof van beroep, in het bijzijn van hun advocaat, te kennen hebben gegeven hun verklaringen te willen wijzigen of eventuele bekentenissen in te trekken;

- het hof van beroep, en dit voor elk van de eisers, een oordeel over de schuld niet louter steunt op eigen verklaringen, afgelegd zonder bijstand door een advocaat, wanneer die schuld ook niet minstens voldoende uit ander doorslagge-vend bewijsmateriaal blijkt;

- elk van de beklaagden uitvoerig zijn verweer heeft kunnen voeren voor de eer-ste rechter en thans voor het hof van beroep, elk van de beklaagden met de bijstand van zijn advocaat alle verklaringen die hij nodig acht heeft kunnen afleg-gen of zijn eerder afgelegde verklaringen kunnen verduidelijken, vervolledigen, wijzigen of intrekken en elk van de huidige beklaagden met de bijstand van zijn advocaat tegenspraak heeft kunnen voeren tegen alles wat tegen hen is aangevoerd, zodat er geen sprake kan zijn van een oneerlijk proces.

19. Met die redenen onderzoekt het arrest nauwkeurig welke impact het gebrek aan bijstand door een raadsman bij eisers verhoor door de politie en zijn navolgend verhoor door de onderzoeksrechter heeft gehad op de eerlijkheid van het proces in zijn geheel en op eisers zwijgrecht en recht om niet gedwongen te worden verklaringen af te leggen in het bijzonder, om te oordelen dat het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen. Die beslissing is naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, zoals uit-gelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op bijstand door een advocaat en het recht op een eerlijk proces: eensdeels steunt het arrest eisers schuldigverklaring mede op een verklaring die hij heeft afgelegd in strijd met het recht op bijstand door een raadsman; anderdeels oordeelt het arrest dat er geen aanleiding is om eisers zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen te weren omdat zij slechts bevestigen wat reeds was gebleken uit de zeer concrete en gedetailleerde informatie verstrekt door de aangever, bevestigd door het daarop volgende onderzoek en dat uit de aard van de vragen van de onderzoekers afdoende het bestaan blijkt van deze reeds vooraf gekende informatie; aldus voegt het arrest aan artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering een voorwaarde toe die de wet niet bevat; het arrest vereist immers dat de verklaringen, opdat ze geen grond voor een veroordeling kunnen vormen, verder moeten gaan dan een bevraging over zogenaamd reeds gekende informatie.

21. Artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering, in werking getreden op 27 november 2016, is niet van toepassing op verhoren die daarvoor plaatsvonden.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

22. Met de bekritiseerde reden onderzoekt het arrest het gebruik dat is gemaakt van de aanvankelijke verklaringen die de eiser zonder bijstand van een raadsman heeft afgelegd in verhouding tot de sterkte van het andere bewijs in de zaak. Het oordeelt dat dit andere bewijs dermate overtuigend is met betrekking tot eisers schuld, dat het belang ervan veel groter is dan zijn voormelde verklaringen die slechts de bevestiging ervan zijn. Vervolgens gebruikt het dat oordeel als één van de factoren op grond waarvan het besluit dat, ondanks het gebrek aan bijstand, het recht op een eerlijk proces in zijn geheel is gevrijwaard. Aldus schendt noch miskent het arrest de in het middel aangevoerde verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen, maar verantwoordt het de beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering: het arrest gaat ten onrechte ervan uit dat indien een zonder bij-stand van een raadsman afgelegde verklaring het recht op een eerlijk proces mis-kent, de sanctie erin bestaat dat de rechter zich bij zijn oordeel "niet louter" mag steunen op deze verklaringen.

24. Artikel 47bis, § 6, 9), Wetboek van Strafvordering, in werking getreden op 27 november 2016, is niet van toepassing op verhoren die daarvoor plaatsvonden.
In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

25. Voor het overige oordeelt het arrest niet zoals het onderdeel aangeeft, maar oordeelt het integendeel dat het recht op een eerlijk proces niet is miskend.
In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, zoals uit-gelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, alsmede miskenning van het recht op bijstand door een advocaat en het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt "Opmerkelijk is dat de beklaagden die zich thans op de Salduz rechtspraak van het EHRM beroepen - na eerst van de politie en thans van de on-derzoeksrechter zelf vernomen te hebben dat zij niet verplicht zijn een verklaring af te leggen en het recht hebben om te zwijgen - aan de politie een verklaring hebben afgelegd en ook op de eerste vraag van de onderzoeksrechter antwoorden "Ik wens een verklaring af te leggen"; die gevolgtrekking is manifest onverenigbaar met de geest van artikel 6 EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaruit volgt dat de vaststelling dat men, na eraan te zijn herinnerd dat men het recht heeft om te zwijgen, toch een verklaring aflegt, niet inhoudt dat men al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van het recht op bijstand door een raadsman tijdens het verhoor; het arrest diende na te gaan of de afstand van de eiser ondubbelzinnig was en omringd door voldoende waarborgen in verhouding tot het belang ervan; uit het proces-verbaal van eisers verhoor door de onderzoeksrechter blijkt dat eisers afstand geenszins ondubbelzinnig was; het arrest dat anders suggereert, is niet naar recht verantwoord.

27. Met de in het onderdeel vermelde reden oordeelt noch suggereert het arrest dat de eiser bij zijn verhoor door de onderzoeksrechter afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand door een raadsman, maar beoordeelt het enkel eisers houding bij dat verhoor als onderdeel van een geheel van factoren op grond waarvan het oordeelt dat het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel van de eiser I

28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: enerzijds oordeelt het arrest dat een verdachte zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt wanneer hij bij zijn verhoor door de poli-tiediensten van zijn vrijheid is beroofd en het stelt vast dat dit het geval was voor wat betreft de eiser; anderzijds oordeelt het dat uit niets blijkt dat de eiser zich bij zijn verhoor of tijdens het onderzoek in een kwetsbare positie bevond; die redenen zijn tegenstrijdig.

29. Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is van toepassing ingeval van tegen-strijdige beschikkingen in het dictum van een rechterlijke beslissing en niet ingeval van tegenstrijdigheid tussen de redenen van die beslissing onderling of tussen die redenen en het dictum.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

30. Uit het geheel van de redenen op grond waarvan het oordeelt dat het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen, blijkt dat het arrest het oordeel dat uit niets blijkt dat de eiser zich bij zijn verhoor of tijdens het onderzoek in een kwetsbare positie bevond, niet in verband brengt met het specifieke feit dat de eiser bij zijn aanvankelijk politieverhoor geen bijstand van een raadsman had terwijl hij van zijn vrij-heid was beroofd, maar wel met de in het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel vermelde factoren zoals zijn mentale toestand en met de in dat antwoord vermelde omstandigheden waarin zijn verhoren zijn afgenomen en waarin het strafonderzoek in zijn geheel is verlopen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel van de eiser I

31. Het middel voert in zijn beide onderdelen miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht der akten.

32. Er bestaat geen dergelijk algemeen rechtsbeginsel.

In zoverre faalt het middel in zijn beide onderdelen naar recht.

Eerste onderdeel

33. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eiser, ook al was hij door de politie en de onderzoeksrechter eerst op zijn zwijgrecht gewezen, niettemin een verkla-ring heeft afgelegd, wat hij nochtans perfect had kunnen weigeren of afhankelijk stellen van de bijstand van een advocaat bij zijn verhoor of van een voorafgaande-lijk overleg met zijn advocaat; de aan het verhoor voorafgaande mededelingen vermeld in het proces-verbaal 11382/2010 van 20 december 2010 laten die con-clusie echter niet toe; aldus geeft het arrest van dit proces-verbaal een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is.

34. Het onderdeel verwijt de appelrechters niet dat zij in het bedoelde proces-verbaal iets lezen dat er niet in staat of iets niet in lezen dat er wel in staat, maar wel dat zij een onjuist gevolg eruit afleiden. Een dergelijke grief houdt geen mis-kenning van de bewijskracht van een akte in.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

35. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eiser een verklaring heeft afgelegd, wat hij nochtans perfect had kunnen weigeren of afhankelijk stellen van de bij-stand van een advocaat bij zijn verhoor of van een voorafgaandelijk overleg met zijn advocaat; uit het proces-verbaal van het verhoor van de eiser door de onder-zoeksrechter blijkt dat de onderzoeksrechter aan de eiser heeft gevraagd: "Wenst U bijstand van een advocaat en, zo ja, van wie?" en dat de eiser heeft geantwoord: "Mr. Michel Du Tré"; daarmee gaf de eiser te kennen dat hij op dat ogenblik bijstand wenste door een raadsman, waarop de onderzoeksrechter echter niet is ingegaan; aldus miskent het arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal.

36. Het enkele feit dat de eiser bij zijn verhoor door de onderzoeksrechter de bijstand van een advocaat wenste en de onderzoeksrechter daarop niet is ingegaan, belet niet dat hij kon weigeren een verklaring af te leggen of het afleggen van een verklaring afhankelijk kon stellen van de bijstand van een advocaat of van een voorafgaandelijk overleg met zijn advocaat. Aldus geeft het arrest van het bedoelde proces-verbaal een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Eerste middel van de eiseres II

Eerste onderdeel

37. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat dwingende redenen ertoe kunnen leiden dat het recht op bijstand van een raadsman bij het verhoor wordt beperkt, maar gaat niet in op de mogelijke dwingende redenen die in casu ertoe hebben geleid dat aan de zaakvoerder van de eiseres het recht op bijstand van een raadsman werd ontzegd; aldus kan het Hof zijn wettigheidscontrole niet uitoefenen.

38. Het arrest oordeelt dat ook bij afwezigheid van een dwingende reden voor het beperken van de bijstand van een raadsman bij het verhoor van een verdachte, de rechter kan oordelen dat het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen, mits dat nauwkeurig te onderzoeken. Vervolgens doet het arrest dat onderzoek en besluit het op grond van de feiten die het vaststelt, dat de eerlijkheid van het proces in zijn geheel is gevrijwaard. Aldus wordt de wettigheidscontrole van het Hof niet belet door het feit dat het arrest geen dwingende reden opgeeft voor de beperking van de bedoelde bijstand bij het verhoor van de zaakvoerder van de eiseres.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

39. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat het hoe dan ook een oordeel over de schuld niet louter zal steunen op eigen verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advo-caat wanneer die schuld ook niet voldoende uit ander doorslaggevend materiaal blijkt; aldus geeft het arrest aan dat het mede rekening houdt met de verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat; het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vereist echter niet dat de verklaring een doorslaggevende rol heeft gespeeld in de bewijsverkrijging.

40. Een onjuiste toepassing van de wet levert geen motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet op, maar enkel een schending van die wet.
In zoverre het onderdeel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het naar recht.

41. Artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, laat de rechter toe het belang van de verklaringen die een beklaagde tijdens het vooronderzoek heeft afgelegd zonder bijstand van een raadsman, af te wegen tegen het belang van het overige bewijs waaruit de schuld van die beklaagde blijkt. De rechter kan daarbij oordelen dat het vóór het verhoor van de be-klaagde verzamelde bewijs reeds dermate overtuigend is met betrekking tot zijn schuld, dat het belang ervan veel groter is dan de voormelde verklaringen die slechts de bevestiging ervan zijn. In dat geval belet niets dat de rechter melding maakt van die verklaringen als onderdeel van de gehele motivering met betrekking tot de schuldigverklaring.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede middel van de eiseres II

42. Het middel voert schending aan van artikel 505 Strafwetboek en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiseres op grond van de lastens haar bewezen verklaarde witwasmisdrijven tot schadevergoeding aan de ver-weerster omdat de fouten van de eiseres eveneens ertoe hebben geleid dat de ont-futselde bedragen buiten het bereik van de verweerster werden gehouden; de schade van de verweerster was echter al vóór die witwasmisdrijven geleden inge-volge de oplichting gepleegd door medebeklaagden; de witwasmisdrijven hebben enkel tot gevolg dat de schade misschien moeilijker te recupereren was door de verweerster; aldus stelt het arrest niet vast dat er een zeker causaal verband bestaat tussen de schade van de verweerster en de fout van de eiseres.

43. Het bestaan van een oorzakelijk verband tussen fout en schade vereist dat met zekerheid vaststaat dat de schade zich zonder de fout niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich concreet heeft voorgedaan.

44. Het arrest oordeelt dat:

- een aantal beklaagden in het kader van een criminele organisatie de verweerster hebben opgelicht door via een systeem van prijsafspraken, omkoping en valsheden een overdreven prijs te hebben bedongen voor werken waarvoor de verweerster een aanbesteding had uitgeschreven;

- de eiseres onder meer schuldig is aan het plegen van witwasmisdrijven (telast-leggingen E.11 en F.11) en het plegen van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken (telastleggingen K.2 en L.2);

- de witwashandelingen omschreven in de telastleggingen E, voor wat de recht-streeks van de verweerster ontvangen bedragen betreft, telkens gelijktijdig met de oplichtingen gebeurden en samen met de witwasmisdrijven omschreven in de telastleggingen F bedoeld waren om het "complot" en met name de oplich-ting verborgen te houden, zodat ook deze misdrijven een fout uitmaken in oor-zakelijk verband met de schade geleden door de verweerster;

- de fouten van de eiseres, bestaande in het plegen van de telastleggingen E.11 en F.11, wel degelijk schade hebben berokkend aan de verweerster, maar be-perkt tot het bedrag dat zij mee heeft helpen witwassen, vermits deze fouten eveneens ertoe hebben geleid dat de ontfutselde bedragen buiten het bereik van de verweerster werden gehouden.

Aldus stelt het arrest met zekerheid het oorzakelijk verband vast tussen de fouten van de eiseres die bestaan in de door haar gepleegde witwasmisdrijven en de schade van de verweerster en is de beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Middel van de eiser IV

Eerste onderdeel

45. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser zijn verhoor afhankelijk had kunnen stellen van de aanwezigheid van zijn advocaat, wat hij niet heeft gedaan, miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal nr. 8427/2011 van 16 september 2016; dat proces-verbaal vermeldt immers: "Vooraf vraag ik of mijn advocaat mij kan bijstaan bij dit verhoor. Ik neem er akte van dat dit niet voorzien is en bijgevolg niet wordt toegestaan"; aldus heeft de eiser uitdrukkelijk om bij-stand van zijn advocaat verzocht.

46. Het feit dat de eiser voorafgaand aan zijn verhoor uitdrukkelijk om de bij-stand van een advocaat heeft gevraagd en dit niet is toegestaan, neemt niet weg dat hij zonder die bijstand had kunnen weigeren een verklaring af te leggen. Al-dus geeft het arrest aan het proces-verbaal nr. 8427/2011 van 16 september 2016 een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

47. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest stelt vast dat de eiser door de politie werd verhoord zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat en dat hij zich tij-dens het gerechtelijk onderzoek in voorhechtenis bevond; het oordeelt ten onrech-te dat het verhoren zonder bijstand van een advocaat niet de ontoelaatbaarheid van de strafvordering tot gevolg heeft en niet leidt tot de bewijsuitsluiting van deze verklaringen.

48. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een ver-dachte van verklaringen zonder bijstand van een advocaat of met miskenning van zijn zwijgrecht, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting van dit bewijs.

Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

49. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het tweede on-derdeel van het eerste middel van de eiser I en is het om dezelfde redenen te ver-werpen.

Derde onderdeel

50. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest stelt vast dat medebeklaagden voor de eiser belastende verklaringen hebben afgelegd aan de politie zonder bijstand van een raadsman; het verklaart echter de strafvordering niet ontoelaatbaar en weigert die verklaringen uit het debat te weren.

51. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest de strafvordering ontoelaat-baar had moeten verklaren, heeft het dezelfde strekking als het tweede onderdeel van dit middel en faalt het om dezelfde reden naar recht.

52. De rechter schendt artikel 6 EVRM zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet wanneer hij de beoordeling van de schuld van een beklaagde steunt op belastende verklaringen die een derde met miskenning van het recht op bijstand van een advocaat lastens hem heeft afgelegd, wanneer hij de schuld van de beklaagde niet enkel afleidt uit die verklaring.

53. Het arrest steunt eisers schuldigverklaring niet enkel op belastende verkla-ringen die medebeklaagden te zijnen laste hebben afgelegd, maar ook op een ge-heel van andere bewijselementen, zoals de gegevens bijgebracht door de aangever van de feiten en de resultaten van onderzoekshandelingen waaronder een bankonderzoek, huiszoekingen, onderzoek van in beslag genomen stukken en afluister-maatregelen. In die omstandigheden kan het arrest de beoordeling van eisers schuld mede steunen op de verklaringen van die medebeklaagden. Aldus is de be-slissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek

54. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 979,59 euro waarvan de eisers I en III elk 162,71 euro verschuldigd zijn, de eiseres II 166,01 euro verschuldigd is en de ei-sers IV, V en VI elk 162,72 euro verschuldigd zijn.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie,  en op de openbare rechtszitting van 31 oktober 2017 uitgesproken 

Noot: 

Rechtspraak

• Cass. 8 mei 2012, Arr.Cass. 2012, 1205;

• Cass. 13 november 2012, Arr.Cass. 2012, 2507, conclusie advocaat-generaal P. Duinslaeger

Rechtsleer

• Bart De Smet, Recht op bijstand van een advocaat voor de onderzoeksrechter tijdens een verhoor voorafgaand aan het bevel tot aanhouding, RW 2013-2014, 861

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 05/01/2018 - 10:10
Laatst aangepast op: vr, 05/01/2018 - 10:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.