-A +A

Criteria persoonlijk onderhoudsgeld en aanzienlijke economische terugval

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 23/12/2014

Overeenkomstig artikel 301, § 3 BW legt de rechter het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet dekken.

Vermits - zoals blijkt uit de echtscheidingshervorming- het actuele huwelijksconcept niet langer uitgaat van een levenslange verbintenis, kan ook niet langer worden uitgegaan van het levenslange genot van de huwelijkse levensstandaard na beëindiging van het huwelijk.

Tijdens het huwelijk geniet de economisch zwakkere echtgenoot weliswaar mee van de hogere welvaart van de economische sterkere echtgenoot, maar bij beëindiging van het huwelijk moet deze terug in zijn eigen levensonderhoud voorzien, overeenkomstig diens eigen financiële draagkracht.

De economische zelfredzaamheid van de gewezen echtgenoten is sinds de wet van 27 april 2007 dan ook het uitgangspunt en tevens de minimumnorm.

Het betreft een verwijzing in abstracto naar de normale of gemiddelde levensstandaard van om het even welke uitkeringsgerechtigde in een soortgelijke situatie (met die welbepaalde opvoeding, sociale status, opleiding, leeftijd en gezondheidstoestand) en niet naar de levensstijl in concreto van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot. Zo niet, wordt de notie 'staat van behoefte' uitgehold en geassimileerd met de huwelijkse levensstandaard van de uitkeringsgerechtigde.

De formulering in artikel 301, § 3, 1ste lid BW dat de uitkering ten minste de staat van behoefte moet dekken, verliest bovendien elke zin van betekenis wanneer deze enkel zou worden gedetermineerd door de (vroegere) levensstandaard.

Artikel 301 BW voorziet in een basissolidariteit na het huwelijk via de alimentaire functie van de uitkering na echtscheiding, waarbij de mogelijkheid tot uitgebreide(re) solidariteit slechts aan de orde is bij zgn. economische terugval, die bovendien aanzienlijk moet zijn en geheel of gedeeltelijk kan worden gecompenseerd wanneer hiertoe bijzondere redenen voorhanden zijn. De wet somt op exemplatieve wijze een aantal redenen op, op basis waarvan een beroep kan worden gedaan op een uitgebreidere solidariteit, met name: de duur van het huwelijk, de leeftijd van de partijen en de gekozen taakverdeling en het daarmee gepaard gaande verlies van verdienvermogen.

De aanzienlijke economische terugval houdt een vergelijking in van de daadwerkelijke economische situatie van de onderhoudsgerechtigde op het ogenblik van de echtscheiding, enerzijds, en de economische situatie waarin de onderhoudsgerechtigde zou hebben verkeerd indien hij tijdens of ingevolge het huwelijk met de onderhoudsplichtige niet de keuzes had gemaakt die een invloed hebben gehad op zijn verdienvermogen, anderzijds.

Om die terugval te waarderen baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit de bepalingen van artikel 301 BW volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding (zie ook Cass. 6 maart 2014, C.12.0184.N).

De terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde kan m.a.w. het gevolg zijn van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar ook van de echtscheiding zelf.

Daaruit volgt dat de mogelijkheid van toekenning van een hogere uitkering dan wat nodig is om de staat van behoefte te dekken, niet uitsluitend bestaat in geval de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde wegens het huwelijk is verminderd, maar eveneens, om bijzondere redenen van redelijkheid en billijkheid, wanneer er zonder verlies aan verdienvermogen een aanzienlijke terugval door de echtscheiding wordt veroorzaakt.

De rechter houdt in essentie rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten: het inkomen van de ex-echtgenoten dat vergeleken wordt is hun netto-inkomen, i.e. het bedrag dat zij overhouden, na aftrek van de lasten die opgelegd worden door de sociale en fiscale wetten.

Voor het bepalen van de maximumgrens van de uitkering na echtscheiding tot één derde van de inkomsten (artikel 301 § 3 in fine BW) moet worden uitgegaan van de netto-inkomsten, d.i. het bedrag dat de onderhoudsplichtige overhoudt na aftrek van de sociale en fiscale lasten, zonder dat rekening wordt gehouden met andere lasten waartoe de onderhoudsplichtige gehouden is in het kader van zijn bestedingspatroon of ten behoeve van anderen.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Familierecht
Jaargang: 
2015/6
Pagina: 
146
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van beroep Antwerpen 23 december 2014
Familiekamer (3e kamer)

Procedure

( ... )

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door mevrouw R.C. (hierna de vrouw) tegen het vonnis van 27 /06/2013 strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de heer R.G. (hierna de man), te veroordelen tot een uitkering na echtscheiding (artikel 301 BW) van € 300 per maand vanaf de datum van overschrijving van de echtscheiding, voor de duur van het huwelijk.

In ondergeschikte orde, vraagt de vrouw minstens de man te veroordelen tot een schadevergoeding van € 300 per maand vanaf de datum van overschrijving van de echtscheiding, voor de duur van het huwelijk, zulks op grond van artikel 1382 BW.

3. De man concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

Feiten en retroacten

4. Partijen zijn gehuwd te Antwerpen op 02/02/1985, onder het wettelijk stelsel, zonder huwelijkscontract.

5. Partijen kregen 3 kinderen, waarvan het oudste kind overleed in 1997 op zestienjarige leeftijd.

6. ( ... ) De feitelijke scheiding dateert reeds van 1996.

De vrouw startte een echtscheidingsprocedure, die kennelijk nadien niet meer werd geactiveerd.

Naderhand startte de man op zijn beurt een echtscheidingsprocedure op, bij dagvaarding d.d. 27/04/2012 op grond van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk (artikel 229 BW).

Op 14/05/2013 kwam het vonnis van echtscheiding op die grond tussen dat vervolgens werd betekend op 13/08/2013.

Hiertegen werd - althans voor wat de echtscheiding zelf betreft - geen rechtsmiddel aangewend, zodat thans de echtscheiding definitief voltrokken is op grond van artikel 229 BW.

Beoordeling

( ... )

De uitkering na echtscheiding

8. De vrouw vraagt een uitkering na echtscheiding, door haar begroot op € 300 per maand, geïndexeerd, zulks voor de duur van het huwelijk.

De man vraagt de afwijzing van deze vordering.

9. Overeenkomstig artikel 301, § 3 BW legt de rechter het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet dekken.

Vermits - zoals blijkt uit de echtscheidingshervorming- het actuele huwelijksconcept niet langer uitgaat van een levenslange verbintenis, kan ook niet langer worden uitgegaan van het levenslange genot van de huwelijkse levensstandaard na beëindiging van het huwelijk.

Tijdens het huwelijk geniet de economisch zwakkere echtgenoot weliswaar mee van de hogere welvaart van de economische sterkere echtgenoot, maar bij beëindiging van het huwelijk moet deze terug in zijn eigen levensonderhoud voorzien, overeenkomstig diens eigen financiële draagkracht.

De economische zelfredzaamheid van de gewezen echtgenoten is sinds de wet van 27 april 2007 dan ook het uitgangspunt en tevens de minimumnorm.

Het betreft een verwijzing in abstracto naar de normale of gemiddelde levensstandaard van om het even welke uitkeringsgerechtigde in een soortgelijke situatie (met die welbepaalde opvoeding, sociale status, opleiding, leeftijd en gezondheidstoestand) en niet naar de levensstijl in concreto van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot. Zo niet, wordt de notie 'staat van behoefte' uitgehold en geassimileerd met de huwelijkse levensstandaard van de uitkeringsgerechtigde.

De formulering in artikel 301, § 3, 1ste lid BW dat de uitkering ten minste de staat van behoefte moet dekken, verliest bovendien elke zin van betekenis wanneer deze enkel zou worden gedetermineerd door de (vroegere) levensstandaard.

Artikel 301 BW voorziet in een basissolidariteit na het huwelijk via de alimentaire functie van de uitkering na echtscheiding, waarbij de mogelijkheid tot uitgebreide(re) solidariteit slechts aan de orde is bij zgn. economische terugval, die bovendien aanzienlijk moet zijn en geheel of gedeeltelijk kan worden gecompenseerd wanneer hiertoe bijzondere redenen voorhanden zijn. De wet somt op exemplatieve wijze een aantal redenen op, op basis waarvan een beroep kan worden gedaan op een uitgebreidere solidariteit, met name: de duur van het huwelijk, de leeftijd van de partijen en de gekozen taakverdeling en het daarmee gepaard gaande verlies van verdienvermogen.

De aanzienlijke economische terugval houdt een vergelijking in van de daadwerkelijke economische situatie van de onderhoudsgerechtigde op het ogenblik van de echtscheiding, enerzijds, en de economische situatie waarin de onderhoudsgerechtigde zou hebben verkeerd indien hij tijdens of ingevolge het huwelijk met de onderhoudsplichtige niet de keuzes had gemaakt die een invloed hebben gehad op zijn verdienvermogen, anderzijds.

Om die terugval te waarderen baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit de bepalingen van artikel 301 BW volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding (zie ook Cass. 6 maart 2014, C.12.0184.N).

De terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde kan m.a.w. het gevolg zijn van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar ook van de echtscheiding zelf.

Daaruit volgt dat de mogelijkheid van toekenning van een hogere uitkering dan wat nodig is om de staat van behoefte te dekken, niet uitsluitend bestaat in geval de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde wegens het huwelijk is verminderd, maar eveneens, om bijzondere redenen van redelijkheid en billijkheid, wanneer er ~ zonder verlies aan verdlenverrnogen >- een aanzienlijke terugval door de echtscheiding wordt veroorzaakt.

De rechter houdt in essentie rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten: het inkomen van de ex-echtgenoten dat vergeleken wordt is hun netto-inkomen, i.e. het bedrag dat zij overhouden, na aftrek van de lasten die opgelegd worden door de sociale en fiscale wetten.

Voor het bepalen van de maximumgrens van de uitkering na echtscheiding tot één derde van de inkomsten (artikel 301 § 3 in fine BW) moet worden uitgegaan van de netto-inkomsten, d.i. het bedrag dat de onderhoudsplichtige overhoudt na aftrek van de sociale en fiscale lasten, zonder dat rekening wordt gehouden met andere lasten waartoe de onderhoudsplichtige gehouden is in het kader van zijn bestedingspatroon of ten behoeve van anderen.

10. Het huwelijk van partijen heeft ca. 28 jaar geduurd.

Naar hetgeen partijen stellen ter zitting d.d. 02/12/2014 valt er niets te vereffenen of te verdelen.

11. De vrouw is op heden 61 jaar oud.

De vrouw heeft kennelijk geen specifieke opleiding genoten.

Zij werkt al jaren als arbeidster en voordien tot 1995 als keukenhulp.

Het betreft een deeltijdse tewerkstelling (19u/week ~ 50% tewerkstelling).

Zij verdient naar eigen zeggen ca. € 1.134/maand, hetgeen niet betwist wordt. Zij legt evenwel geen recente inkomstenbewijzen voor: volgens het aanslagbiljet PB AJ 2012 (inkomsten 2011) bedroeg haar totaal aan loon€ 11.379,90; het totale inkomen bedroeg echter € 14.335,26, aangezien er blijkbaar ook een werkloosheidsuitkering ( € 5.040,59) werd betaald.

Inzake de huurlast zijn de stukken van de vrouw allesbehalve duidelijk, feit dat ook de eerste rechter reeds had opgemerkt: het hof stelt vast dat de betreffende stukken (gebundeld onder stuk 8) brieven van de bvba X zijn, gericht aan de man (mogelijk te wijten aan het feit dat deze initieel de huurder was, vóór de feitelijke scheiding, van het pand, gelegen aan de ( ... ) te Antwerpen). Andere stukken maken melding van het feit dat de vrouw oud-huurster is van deze woning. Een huurovereenkomst of het bewijs dat zij nog steeds huurder zou zijn van dit pand (dan wel van een ander pand) ligt niet voor.

De vrouw heeft haar 2 zonen nog ten laste, hetgeen door de man in twijfel wordt getrokken. Waar de man zich blijkbaar ook vragen stelt bij het gerechtvaardigde karakter van de onderhoudsuitkeringen die hij nog verder voor zijn 2 kinderen betaalt, dient opgemerkt dat een eventuele afschaffing van deze uitkeringen geen voorwerp van onderhavige procedure uitmaakt, zodat het hof enkel kan nagaan hoe de toestand op heden is.

Wel blijkt uit stuk 9 van het bundel van de vrouw dat zoon F. deeltijds gewerkt heeft.

12. De man is thans 76 jaar oud.

Hij is gepensioneerd. Hij was vroeger kapitein op de lange omvaart.

Zijn huidig pensioen dient bijgepast te worden door het OCMW; hij zou maandelijks in totaal € 828,84 ontvangen. Uit de stukken leidt het hof af dat op de hoger vermelde bedragen die de man ontvangt telkenmale reeds een inhouding gebeurd is voor onderhoudsgelden.

Op een bepaald ogenblik bedroegen de achterstallige onderhoudsgelden maar liefst ca. € 36.000. Uit stuk 14 van het bundel van de man (mailbericht van een gerechtsdeurwaarderskantoor, met overzicht van de achterstallen en invorderingen) blijkt dat er afgekort wordt sedert medio 2005.

Op heden is de man nog steeds een onderhoudsuitkering

verschuldigd voor zijn beide zonen van € 448,06/maand.

De man dient huur te betalen t.b.v. € 450/maand. Naast de gebruikelijke vaste kosten heeft hij maandelijks ook nog uitgaven voor thuisverpleeghulp/familiehulp (ca. € 4 7 /maand).

13. Het hof is, gelet op bovenstaande vaststellingen, van oordeel dat de man geen onderhoudsuitkering na echtscheiding verschuldigd is.

De vrouw kan niet als de economische zwakste partner worden beschouwd.

De man heeft, mede in acht genomen de niet samendrukbare kosten (zijn huurlast en zijn nog steeds lopende onderhoudsverplichting ten aanzien van zijn 2 zonen), een zeer beperkt maandelijks inkomen, dat hem amper in staat stelt om rond te komen. Zijn leeftijd laat hem anderzijds ook niet toe zijn verdienvermogen nog te optimaliseren. Er wordt ten slotte ook niet aangevoerd dat de man nog andere inkomsten, goederen of kapitalen zou bezitten.

De aansprakelijkheidsvordering van de vrouw tegen de man

14. In ondergeschikte orde vordert de vrouw de man te veroordelen tot een schadevergoeding van € 300 per maand vanaf de datum van overschrijving van de echtscheiding, voor de duur van het huwelijk, zulks op grond van artikel 1382 BW, voor materiële en morele schade.

Als fouten haalt de vrouw in essentie aan dat de man destijds zijn gezin in de steek gelaten heeft, zonder nog enig contact op te nemen, zodat zij verder alleen instond voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen, voor wie zij zich uit de naad gewerkt heeft om deze op te voeden en onderwijs te laten volgen.

15. Voor wat de beweerde materiële schade van de vrouw betreft, zij reeds opgemerkt dat deze geacht wordt te zijn "gedekt" door de onderhoudsuitkeringen die destijds ten laste van de man werden uitgesproken ten behoeve van de kinderen, mede gelet op het feit dat de vrouw geen specifieke materiële schade aanvoert en overigens ook niet bewijst, bij gebreke aan relevante stavingstukken.

Overigens kan de vrouw geen 2de titel bekomen: het verbod op doublure van uitvoerbare titels raakt zelfs de openbare orde (Pand. B., tw. Titre exécutoire, nr. 4).

Het nalaten van de man om deze uitkeringen vrijwillig te betalen wordt anderzijds volledig vergoed door de intresten die toekomen aan de vrouw: overeenkomstig artikel 1153 BW bestaat, inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering immers nooit in iets anders dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Bovendien is die schadevergoeding verschuldigd zonder dat de schuldeiser enig verlies hoeft te bewijzen: de (wettelijke) intresten gelden daarom als een abstracte forfaitaire schadevergoeding, die geen ruimte laat voor andere vergoeding van schade veroorzaakt door het (nalatige) betalingsuitstel.

16. Het hof wil niet in twijfel trekken dat de vrouw een moeilijke periode zal hebben doorgemaakt, gelet op de lang-

durige feitelijke scheiding en het feit dat zij alsdan alleen de zorg had voor haar 3 kinderen, waarvan 1 kind bovendien ook aan een slepende ziekte overleden is. Het is vanzelfsprekend dat dit erkenning en respect verdient.

Feit is echter dat, aangenomen dat deze moeilijke periode in hoofde van de vrouw als schade (van morele aard) gekwalificeerd zou kunnen worden, uit het bestaan van schade alleen geen fout kan worden afgeleid. Onrechtmatigheid en schade zijn immers duidelijk van elkaar te onderscheiden (aansprakelijkheids)voorwaarden en overlappen elkaar geenszins.

Het hof dient zich dan ook preliminair te buigen over de vraag naar het (bewijs van het) bestaan van een fout begaan door de man.

17. Vooreerst zij opgemerkt dat tussen familieleden of gewezen (huwelijkse) partners geen aquiliaanse immuniteit bestaat. Er is ook geen enkele wetsbepaling die voorschrijft dat fouten begaan in een echtelijke verhouding uitsluitend kunnen of moeten worden gesanctioneerd door middel van een echtscheidingsprocedure. Evenmin geldt er anderzijds een rechtsregel die stelt dat eventuele fouten of tekortkomingen in hoofde van echtgenoten reeds voldoende gesanctioneerd of gecompenseerd worden in het raam van een echtscheidingsprocedure en/of door de toekenning van de echtscheiding.

Artikel 1382 BW is gelibelleerd in algemene bewoordingen en maakt abstractie van familiebanden tussen (beweerde) schadelijder en (beweerde) schadeverwekker. Enkel fout, schade en oorzakelijk verband moeten voorhanden (en in rechte bewezen) zijn. Het gemeenrechtelijke foutbegrip geldt hier onverkort. Er bestaat a priori geen enkele reden om aansprakelijkheidsvorderingen uit te sluiten tussen (ex-) echtgenoten. Het louter bestaan van een echtelijke band is geen hinderpaal voor een aansprakelijkheidsvordering: een echtelijke band wijzigt de regels van het aansprakelijkheidsrecht immers niet.

18. Er is een recht op huwelijk. Daarnaast bestaat er thans, zeker sedert de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding (BS 7 juni 2007), echter ook een subjectief recht op echtscheiding (zie ook infra, randnummer 28). De mogelijkheid uit de echt te scheiden komt neer op een wilsrecht, waarbij de titularis van dit recht zowel zijn eigen rechtssfeer als deze van anderen (i.e. zijn huwelijkspartner) beïnvloedt. Dit houdt een bevestiging in van het zelfbeschikkingsrecht van het individu en van de persoonlijke vrijheid. Huwelijken kunnen mislukken: deze realiteit moeten echtgenoten steeds indachtig zijn. De vrijwaring van (de stabiliteit van) het huwelijk kan ten andere niet langer als absoluut principe worden vooropgesteld op een ogenblik dat de (hoven en) rechtbanken (volgens de laatst beschikbare cijfers) jaarlijks meer dan 26.000 echtscheidingen uitspreken. De premisse van het huwelijk als levenslange verbintenis is al geruime tijd achterhaald, ook al wordt de regel dat verbintenissen voor onbepaalde duur opzegbaar traditioneel geacht buiten werking te zijn gesteld voor wat het huwelijk betreft.

Het aangaan van een huwelijk impliceert noodzakelijkerwijze een inperking van grondrechten in hoofde van beide echtgenoten, hetgeen zich o.a. vertaalt in de plicht om de

andere echtgenoot toe te laten in (nagenoeg alle facetten van) zijn privésfeer. Dit houdt in dat deze beperkingen niet verder mogen gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is, zodat ook spaarzaam omgesprongen dient te worden met alle sanctionerende bepalingen. In essentie dienen daarom de maatregelen waarin voorzien wordt in het primair stelsel uitgeput te worden: de miskenning van huwelijkse plichten activeert (op verzoek van de andere echtgenoot) de sanctionerende bepalingen van het primair stelsel, doch kan naar het oordeel van dit Hof niet onverkort worden aanzien als een civielrechtelijke fout of een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm. Deze huwelijkse plichten zijn alleszins geen resultaatsverbintenissen in de klassieke civielrechtelijke zin.

19. Het aansprakelijkheidsrecht zou zijn doel voorbijschieten mochten alle "echtbrekers" (voor zover deze kwalificatie al van toepassing zou zijn op onderhavige zaak) worden beschouwd als foutief handelende schadeverwekkers. De emotionele geladenheid, die inherent is aan een huwelijksrelatie, staat er aan in de weg dat zelfs een eenzijdige beslissing om de relatie te beëindigen zo maar als fout aangemerkt wordt, ook als de impact van deze beslissing moreel leed berokkent, in acht genomen het feit dat een echtelijke breuk niet zelden een moeilijk verwerkingsproces met zich meebrengt.

20. Het referentiekader is de algemene zorgvuldigheidsnorm: niets meer, maar ook niets minder.

De denkoefening die gemaakt moet worden is of de gewraakte gedraging een handelwijze is waarvan een gemiddeld zorgvuldige persoon zich zou onthouden hebben.

Opdat er sprake zou zijn van een fout ter gelegenheid van de relatiebreuk moeten bijzondere feitelijkheden of begeleidende omstandigheden worden aangetoond, waarbij bv. de lichamelijke of mentale integriteit van de andere partner wordt aangetast, beledigend gehandeld wordt, smadelijke opmerkingen (al dan niet in het openbaar) worden gemaakt, vernielingen worden aangebracht, e.d.m.

21. In hoofde van de man is er geen sprake van partnergeweld, overspel, e.d., althans zulks wordt niet aangevoerd door de vrouw. Ook heeft de vrouw nooit strafklacht neergelegd tegen de man (wegens bedreigingen, belaging, slagen en verwondingen, ... ), ook niet voor familieverlating, laat staan dat er ooit een strafrechtelijke fout van de man door de strafrechter zou zijn vastgesteld.

Ook ten aanzien van de kinderen worden geen feitelijkheden van soortgelijke aard aangetoond.

De moeilijke verstandhouding die blijkt tussen de man en de (thans overleden) dochter van partijen (zie stuk 11 van het bundel van de vrouw) doet hier geen afbreuk aan, nog afgezien van de vraag in welke mate de ziekte van het kind mede bepalend geweest kan zijn voor diens perceptie van de relatiebreuken/of de houding van haar vader.

22. De vrouw heeft wel in 1997 een echtscheidingsprocedure aangevat (exploot van dagvaarding d.d. 29/01/1997: stuk la bundel van de vrouw), maar heeft deze procedure kennelijk niet verder benaarstigd of in staat gesteld, althans liggen hiervan geen stukken voor. De onderscheiden echtscheidingsgrieven, zoals deze staan opgesomd in het inleidende exploot, zijn per definitie niet/nooit bewezen verklaard.

23. De vaststelling dat de vrouw destijds geen procedure voor de vrederechter heeft ingesteld, maar zelf het initiatief nam voor een echtscheidingsprocedure geeft uiting aan het feit dat ook de vrouw, enkele maanden na de feitelijke scheiding, van oordeel was dat haar huwelijk niet meer te redden viel en de echtscheiding als enige optie overbleef.

24. Wel heeft de vrouw tijdens de echtscheidingsprocedure ten laste van de man een aantal voorlopige maatregelen gevorderd, die aanleiding gegeven hebben tot een veroordeling van de man tot het betalen van onderhoudsbijdrage voor de kinderen (zie de bijgebrachte beschikkingen in kort geding van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 02/05/1997 en d.d. 19/09/1997).

De loutere vaststelling dat de man tot betaling van een onderhoudsbijdrage werd veroordeeld levert echter geen bewijs van fout op. De kortgedingrechter heeft geen fout ten laste van de man vastgesteld. Overigens geldt ten aanzien van de kortgedingrechter een verbod om rekening te houden met de schuldvraag bij het toekennen van een onderhoudsuitkering, mede gelet op het feit dat de kortgedingrechter geen uitspraak mag doen over de grond van de echtscheidingsvordering, aangezien hij niet op de zaak ten gronde mag vooruitlopen; de beoordeling van mogelijke fouten als feitelijke gegevens die in rekening kunnen worden gebracht in het raam van het onderhoudsvraagstuk doet hieraan geen afbreuk (vgl. ook Cass. 21 januari 1999, Arr. Cass. 1999, 75; Cass. 13 maart 1975, Arr. Cass. 1975, 785; Cass. 5 december 1969, RW 1969-70, 1288). Voorlopige maatregelen zijn bedoeld om tijdens het echtscheidingsgeding oplossingen te bieden voor tijdelijke en voorbijgaande situaties die zijn ontstaan door de inleiding van het echtscheidingsgeding: centraal staat de regulering van een gezinsconflict, dat per definitie zal uitmonden in een echtscheiding.

25. Voorts dient nog te worden vastgesteld dat de vrouw voor zichzelf ook geen persoonlijk onderhoudsgeld gevorderd heeft in de kortgedingprocedure.

Hoewel dit ingegeven kan zijn door principiële overwegingen van de vrouw, komt deze vaststelling toch enigszins eigenaardig over, in het licht van de beweringen van de vrouw dat zij het o.a. financieel zeer zwaar gehad heeft.

26. Daarnaast dient opgemerkt dat er blijkbaar ook nooit een debat gevoerd is over de vraag of de feitelijke scheiding (en het voortduren ervan) aan de man zou te wijten zijn.

27. Vóór de nieuwe echtscheidingswet van 2007 kon de echtscheiding nog worden gevorderd op grond van een fout van de verweerder: dergelijke echtscheiding op grond van feiten kon worden beschouwd als een sanctie voor een beledigende schending van de huwelijkse plichten, die immers niet via dwang in natura kunnen worden afgedwongen.

Thans (sedert 2007) is de fout evenwel geen rechtstreekse, afdoende of noodzakelijke grond tot echtscheiding meer: centraal staat de ontwrichting van het huwelijk, ongeacht de oorzaak hiervan. De rechter kan de echtscheiding dus uitspreken, zonder dat het noodzakelijk is een fout(ief gedrag) vast te stellen, hoewel de mogelijkheid hiertoe ook niet uit-

gesloten is: ten gronde hoeft geen fout meer te worden bewezen, maar kan de fout als feitelijk bewijs van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk nog steeds worden aangevoerd.

Echter is er in casu geen sprake van een fout die in rechte vastgesteld is in het (inmiddels in kracht van gewijsde getreden) echtscheidingsvonnis.

De tussen partijen voltrokken echtscheiding(sprocedure) heeft geen fout aan het licht gebracht.

Immers, de echtscheidingsrechter overwoog in het vonnis van echtscheiding het volgende: "M. RC stelt dat R.G. haar en kinderen in 1996 verlaten heeft, nooit vrijwillig alimentatie betaalde en het gezin niet steunde. R.G. schijnt niet te betwisten dat hij in 1996 de echtelijke woonst verliet. Uit de wettelijke informaties gevoegd aan de dagvaarding blijkt dat R.G. op 27 mei 1997 werd gesupprimeerd als gezinslid, wat haar stelling op dat vlak aldus bevestigt. De omstandigheden waarin hij dat deed zijn betwist en onduidelijk. Vast staat wel dat eisende partij sindsdien nooit meer is teruggekeerd naar het gezin. M. RC bewijst aldus wel dat er een duurzame ontwrichting van het huwelijk bestaat. Voormelde vaststellingen van een feitelijke scheiding gedurende meer dan zestien jaar, maken het voortzetten en het hervatten van het samenleven van partijen immers redelijkerwijze onmogelijk. Er is dan ook aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 229, §1 van het Burgerlijk Wetboek voldaan." (eigen cursivering van het Hof).

De echtscheiding werd toegestaan wegens de onherstelbare ontwrichting. Dit is een objectief vast te stellen toestand die een diagnose inhoudt over het ver leden en een prognose voor de toekomst. Dit valt niet samen met het foutbegrip.

Het echtscheidingsvonnis is, zoals hoger al aangehaald, niet door enig rechtsmiddel bestreden.

28. Dat de man de procedure die uitmondde in de uiteindelijke echtscheiding heeft ingesteld (op grond van artikel 229, §3 BW) levert evenmin het bewijs op van een fout.

De voornaamste doelstelling van de wetgever van 2007 was immers de invoering van een recht op echtscheiding. De invoering van een recht op echtscheiding stemt overeen met de opvatting van het huwelijk als een loutere liefdesrelatie die «no strings attached» moet kunnen worden ontbonden. Op materieel vlak impliceert dit recht op echtscheiding voor de wetgever o.a. dat de schuldvraag niet meer essentieel is.

29. Dat de man destijds het echtelijke dak verlaten heeft en dat dit finaal tot de echtscheiding(sprocedure) aanleiding gegeven heeft is niet ipso facto van aard om hieruit het bestaan van een fout af te leiden. Overigens is niet aangetoond dat de man het echtelijke dak zou hebben verlaten op het ogenblik dat de dochter al aan kanker leed. De feitelijke scheiding dateert immers van 1996, terwijl de dochter in mei 1997 overleden is. De ziekte van de zoon dateert van jaren na de feitelijke scheiding.

Aangezien een huwelijk meer is dan alleen maar een klassiek vergeldend contract waar winstoogmerk centraal staat, maar een geïnstitutionaliseerde samenlevingsvorm die o.a. ook gebaseerd is op liefde en genegenheid, kan de beslissing

om de huwelijkse relatie te beëindigen an sich niet als fout worden aangemerkt, zelfs niet de beslissing om- in de aanloop naar de echtscheiding - de echtelijke woonst te verlaten, ook indien er al kinderen zijn in het gezin: precies omwille van het belangrijk gevoelsmatige aspect kan men niet onverkort of op absolute wijze poneren dat de zgn. 'echtbreker' uit vrije wil gehandeld heeft. Er anders over oordelen (c.q. de echtgenoot die de relatie verbreekt ipso facto sanctioneren met een geldelijke schadevergoeding wegens foutief gedrag, feit dat thans beoogd wordt door de vrouw) houdt, naar het oordeel van het Hof, een ongeoorloofde beperking in van de grondrechten van de man (vgl. H. Willekens, "De werking van grondrechten in de verhoudingen tussen samenwonende seksuele partners" in K. Rimanque (ed.), De toepasselijkheid van de grondrechten in private verhoudingen, Antwerpen, Kluwer, 1982, in het bijzonder p. 375 tot 384).

In dat verband maakt het Hof ten slotte, voor zoveel als nodig, nog de bedenking dat de schending van loutere gewetensplichten of louter immoreel gedrag geen fout in civielrechtelijke zin oplevert (zie o.a. K. Raes, Controversiële Rechtsfiguren, Rechtsfilosofische excursies over de relaties tussen ethiek en recht, Gent, Academia Press, 2001, p. 289).

30. Het Hof komt tot het besluit dat het bestaan van een fout in hoofde van de man niet aangetoond is.

Bij gebreke aan fout kan een aansprakelijkheidsvordering niet slagen, zodat de (morele) schade (en het causaal verband) niet nader dienen onderzocht te worden.

31. Het hoger beroep van de vrouw is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in alle beschikkingen. ( ... )

Beslissing

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Noot – Eric Lancksweerdt, Wat rechtscolleges na de invoering van de foutloze echtscheiding kunnen doen om tegemoet te komen aan de belangen/behoeften van scheidende partners, T. Fam 2015/6, 156

 

Noot: 

• C. VaN Roy, De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: de voowaardelijke "ja" voor de levensstandaard vervangen door een "ja, maar", T. Fam. 2014/5, 107, Noot onder de weergave van dit arrest in zelfde tijdschrift.

• S. Brouwers, Rechtsmisbruik” en de principiële onwijzigbaarheid van de uitkering na een (oude) EOT, RABG 2011/05, 357 (noot onder Brussel, 19/10/2010, RABG 2011/5,357)

• Gerd Verschelden, Cassatie aanvaardt afschaffing alimentatie na rechtsmisbruik bij EOT overeenkomst, Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 3 en Cass. 14 oktober  2010.De auteur wijst erop dat dit arrest, dat weliswaar kan toegejuicht worden, toch inhoudt dat een contractueel recht werd verbeurd, hetgeen een wrang gevoel heeft en waarbij de vraag kan gesteld worden waarom geen toevlucht werd gezocht tot een procedure tot vermindering van onderhoudsgeld. Persoonlijk begrijpen wij deze opmerking, doch deze opmerking benatwoordt de problemen niet bij een reeds verleende titel, een nog niet gewijzigd onderhoudsgeld, een uitvoering voor achterstallige betalingen, naast de moeilijkheden verbonden aan een procedure tot vermindering van een persoonlijk onderhoudsgeld na EOT.

Dit arrest werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familierecht en aldaar voorzien van een noot van P. Sennaeve, Aangaande het bepalen van het onderhoudsgerechtigd zijn en aangaande de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, T. Fam. 2014/3-4, 98. In deze noot maakt de auteur het onderscheid tussen het principieel gerechtigd zijn op onderhoudsgeld en de wijze van begroting van de onderhoudsuitkering.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 6 maart 2014, RW 2014-2015, 1462

AR nr. C.12.0184.N

A. t/ D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 mei 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

...

2. Krachtens art. 301, § 3, eerste en tweede lid BW legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun behoeften en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit deze bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

3. Het onderdeel dat er voor het overige geheel van uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 29/06/2015 - 19:17
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 13:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.