-A +A

Conventionele wijziging van kalender vereffening-verdeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 21/04/2016
A.R.: 
2014/AR/1844

De in artikel 1217 Ger.W. bedoelde conventionele instaatstelling houdt in dat de notaris-vereffenaar en alle partijen een akkoord sluiten omtrent de na te leven termijnen tijdens de notariële fase, inzonderheid omtrent de termijn waarbinnen de partijen hun aanspraken en stukken moeten meedelen.

Deze termijnen worden vastgesteld in het proces-verbaal van opening van werkzaamheden of in latere processen-ver¬baal voor de termijnen die dan worden overeengekomen. In de praktijk kan worden gewerkt van proces-verbaal tot proces-verbaal, waarbij het er dan op aankomt minstens de termijn van de volgende stap vast te stellen.

Behoudens akkoord van alle partijen of in geval van ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang in de zin van artikel 1219 Ger.W., houdt de notaris-vereffenaar geen rekening met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de overeengekomen of wettelijk bepaalde termijnen worden aangebracht (art. 1220, § 1 Ger.W.;

Conventionele bijsturing van een eerder overeengekomen agenda is steeds mogelijk en gebeurlijk aangewezen gelet op het verloop van de gerechtelijke-vereffening verdeling en de ontwikkelingen van dien, waarbij alle redelijkheid aan de dag moet worden gelegd. Een al te scherpe kalender en nodeloze onwrikbaarheid werkt eerder contraproductief, wat uiteindelijk ingaat tegen voormelde doelstellingen van de Wet van 13 augustus 2013 

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018/1
Pagina: 
25
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. D.B.G. (hierna: D.B.G.) en B.S. (hierna: B.S.) zijn ex-echtgenoten.

Zij zijn gehuwd op 26 september 2003 onder een middels huwelijkscontract van 10 september 2003 bedongen gemeenschapsstelsel. Hierbij wordt de door B.S. uitgebate handelszaak in de huwelijksgemeenschap D.B.G.-B.S. gebracht.

Zij hebben geen gemeenschappelijke kinderen. B.S. heeft twee kinderen uit een eerdere huwelijksrelatie.

Zij zijn uit de echt gescheiden ingevolge een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge 2 juni 2008, met navolgende betekening en overschrijving in de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

In het echtscheidingsvonnis beveelt de rechtbank de gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen D.B.G.-B.S., met aanwijzing van notaris Anthony WITTESAELE (met standplaats te Tielt) als notaris-vereffenaar in de zin van het oude artikel 1209, tweede lid Ger.W. en notaris Jean-Marie VIAENE (met standplaats te Tielt/ Aarsele) als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude artikel 1209, derde lid Ger.W.

Nog in het echtscheidingsvonnis bepaalt de rechtbank het tijdstip van ontbinding van het huwelijk in devermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen op 5 april 2007 (art. 1278, tweede lid Ger.W.).

2. Onderhandelingen (met o.m. schatting van de gezinswoning en de handelszaak) en (uiteindelijk) notariële werkzaamheden volgen, inzonderheid blijkens een proces-verbaal tot opening van werkzaamheden van 4 september 2012. Hierbij spreken de partijen een kalender af met het oog op instaatstelling van de gerechtelijke vereffening-verdeling. De zaak sleept immers al te lang aan. Zij richten zich dienaangaande naar de op 1 april 2012 in werking getreden wet van 13 augustus 2011 tot hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling (BS 14 september 2011, 59603-59614). Meer concreet bepalen zij dat beide partijen (1) een nota met hun respectieve vorderingen en eventuele stavingsstukken zullen overmaken aan de notaris-vereffenaar tegen uiterlijk 15 oktober 2012, (2) schriftelijk zullen repliceren met eventueel bijkomende stavingsstukken tegen uiterlijk 15 november 2012 en (3) vervolgens de notaris-vereffenaar verzoeken om hen een ontwerpakte van vereffening-verdeling over te maken tegen uiterlijk 30 januari 2013, waarna zij binnen een maand hun opmerkingen zullen te kennen geven.

Verder preciseren de partijen dat de bedoelde nota's en stukken aan de notaris-vereffenaar en in kopie aan de wederpartij moeten worden bezorgd binnen voormelde termijnen, bij gebreke waarvan de notaris-vereffenaar er geen rekening mee moet houden.

3. Op 11/12 oktober 2012 maakt D.B.G. een nota en een stukkenbundel over aan de notaris-vereffenaar.

Op 11/12 oktober 2012 maakt ook B.S. een nota/schema in excell en een stukkenbundel over aan de notaris-vereffenaar.

Op 6/7 en 13 november 2012 richt D.B.G. zich tot de notaris-vereffenaar om (1) te melden dat het door B.S. overgemaakte schema niet beantwoordt aan een nota met 'beargumenteerde vorderingen' en (2) te verzoeken dat hij zich op zijn beurt zou richten tot B.S. teneinde alsnog een 'werkbare, beargumenteerde nota' te doen overmaken, waarop hij nog tijdig zou kunnen repliceren.

Op 14 november 2012 maakt B.S. een alomvattende nota met (1) uitwerking van de vorderingen en tegelijk (2) een repliek op de vorderingen van D.B.G. over aan de notaris-vereffenaar. B.S. geeft meteen mee dat zij geen bezwaar heeft tegen een verlenging van de repliektermijn voor D.B.G. terwijl de termijn voor de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling zou kunnen blijven behouden. B.S. maakt bovendien aanvullende stukken over.

In die optiek reageert de notaris-vereffenaar meteen met een voorstel om de in het proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken repliektermijn te verlengen met één maand en meer precies tot 15 december 2012 terwijl de termijn voor de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling eveneens zou worden verlengd tot 28 februari 2013.

B.S. stemt meteen in (op 14 november 2012).

Op 15 november 2012 geeft D.B.G. aan niet te kunnen instemmen met een verlenging van de bedoelde termijnen. D.B.G. geeft nog aan dat hij voor het eerst op 14 november 2012 een beargumenteerde nota van B.S. heeft mogen ontvangen, wat manifest buiten de afgesproken termijn van 15 oktober 2012 is, zodat zijn recht van verdediging in het gedrang is. D.B.G. beroept zich op artikel 1220, § 1 Ger.W. dat maakt dat de notaris-vereffenaar geen rekening houdt met buiten termijn overgemaakte vorderingen/stukken.

Op 11 december 2012 maakt B.S. alsnog een aanvullende nota over aan de notaris-vereffenaar.

Op 30 januari 2013 maakt D.B.G. een replieknota over aan de notaris-vereffenaar.

Op 8 maart 2013 maakt de notaris-vereffenaar een ontwerpakte van vereffening-verdeling over aan D.B.G. en B.S. (met een verzoek tot bijkomende elementen/stukken), na hen eerder (in een brief van 18 februari 2013) te hebben aangegeven dat de vooropgestelde termijn van 28 februari 2013 door omstandigheden niet haalbaar was en hen in die optiek te hebben verzocht om hun akkoord te willen geven met een verlenging (waarop B.S. instemde en D.B.G. die brief onbeantwoord heeft gelaten).

Op 22 maart 2013 reageert de notaris-vereffenaar met een constructief voorstel op de brief van D.B.G. van 18 maart 2013. In deze laatste brief verzoekt hij de notaris-vereffenaar om alle volgens hem (door B.S.) ontijdig overgemaakte nota's/stukken te negeren. De notaris-vereffenaar stelt evenwel voor om toch rekening te houden met alle nota's/stukken van zowel B.S. als D.B.G., gaande van de nota's van D.B.G. en B.S. van 11/12 oktober 2012 tot de aanvullende nota van B.S. van 11 december 2012 en de replieknota van D.B.G. van 30 januari 2013.

B.S. stemt in (op 29 maart 2013) en maakt (op vraag van de notaris-vereffenaar) bijkomende elementen/stukken over (op 4/5 april 2013).

D.B.G. protesteert eens te meer (op 3 april 2013) en dringt aan op een rechterlijk te beslechten tussengeschil.

Op 10 april 2013 neemt de notaris-vereffenaar akte van het tussengeschil, dat hem noodzaakt om zich met toepassing van artikel 1216 Ger.W. tot de rechtbank te wenden. De notaris-vereffenaar kondigt aan binnen twee maanden een proces-verbaal van tussengeschil op te stellen, waarna (1) een repliektermijn van één maand geldt en (2) de notaris-vereffenaar vervolgens binnen één maand een en ander ter griffie van de rechtbank zal neerleggen.

Op 2 mei 2013 stelt D.B.G. te kunnen instemmen met deze werkwijze, mits concrete data worden bepaald.

4. Bij proces-verbaal van 6 juni 2013 geeft de notaris-vereffenaar het tussengeschil weer. Dit tussengeschil behelst de mate waarin, gelet op (1) de bij proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken kalender met het oog op instaatstelling van de gerechtelijke vereffening-verdeling en (2) de navolgende ontwikkelingen, rekening mag/moet worden gehouden met nota's/vorderingen/stukken bij de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling.

De notaris-vereffenaar bevestigt zijn zienswijze dat de navolgende ontwikkelingen een stilzwijgende en conventionele wijziging van de bij proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken kalender hebben meegebracht. Het recht van verdediging van de partijen is volgens de notaris-vereffenaar geenszins in het gedrang, gelet op de aanvullende nota van B.S. van 11 december 2012 en de replieknota van D.B.G. van 30 januari 2013 (waartegen niet meteen bezwaar is gerezen). Daar komt bij dat de notaris-vereffenaar middels de ontwerpakte van vereffening-verdeling van 8 maart 2013 om bijkomende elementen/stukken heeft verzocht (teneinde verder zicht te krijgen op de vermogenstoestand op de refertedatum van 5 april 2007).

De notaris-vereffenaar herneemt zodoende zijn constructief voorstel van 22 maart 2013 om rekening te houden met alle nota's/stukken van zowel B.S. als D.B.G., gaande van de nota's van D.B.G. en B.S. van 11/12 oktober 2012 tot de aanvullende nota van B.S. van 11 december 2012 en de replieknota van D.B.G. van 30 januari 2013.

Op 28 juni 2013 geeft B.S. haar opmerkingen te kennen. Zij besluit met de notaris-vereffenaar dat hij met alle nota's/vorderingen/stukken rekening kan/moet houden.

Op 2 juli 2013 geeft D.B.G. zijn opmerkingen te kennen. Hij bevestigt zijn eerdere verzoek om alle volgens hem (door B.S.) ontijdig overgemaakte nota's/stukken te negeren.

ll. Beroepen vonnis

1. Op 22/24/25 juli 2013 legt de notaris-vereffenaar een en ander neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

Bij vonnis van 10 april 2014 in de zaak met AR nummer 2008/1080/ A beslecht de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, het tussengeschil. De rechtbank oordeelt in de lijn van wat de notaris-vereffenaar en B.S. aangeven. De rechtbank oordeelt meer precies dat de notaris-vereffenaar met alle nota's/vorderingen/stukken rekening kan/moet houden.

De rechtbank zendt de zaak terug naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de notariële werkzaamheden.

De rechtbank legt de niet nader begrote gedingkosten ten laste van de massa.

2. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10 juni 2014 laat B.S. het vonnis betekenen aan D.B.G.

III. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift van 3 juli 2014 stelt D.B.G. hoger beroep in.

Met zijn hoger beroep beoogt D.B.G., met hervorming van het beroepen vonnis, de beslechting van het tussengeschil overeenkomstig zijn eerdere verzoek om alle volgens hem (door B.S.) ontijdig overgemaakte nota's/stukken te negeren zodat de notaris-vereffenaar ze niet kan aanwenden bij de redactie van zijn ontwerpakte van vereffening-verdeling. D.B.G. wil de zaak in die optiek doen terugzenden naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de notariële werkzaamheden.

D.B.G. wil tot slot B.S. doen veroordelen tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

2. B.S. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep (als ontvankelijk doch ongegrond) en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

Bijkomend beoogt B.S. een schadevergoeding ten bedrage van 5.000,00 euro omwille van het beweerdelijk tergende en roekeloze hoger beroep van D.B.G.

B.S. wil tot slot D.B.G. doen veroordelen tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen. In zoverre formuleert zij een impliciet incidenteel hoger beroep.

3. De zaak is behandeld op de terechtzitting van 14 april 2016, waarna het hof het debat heeft gesloten en de zaak in beraad heeft genomen.

B.S. was daarbij ook in persoon aanwezig.

Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien.

Het hof aanziet de conclusie van D.B.G. van 2 april 2015 en de conclusie van B.S. van 2 september 2015 als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, in het debat te houden.

IV. Beoordeling

1. Het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep van D.B.G. is ontvankelijk (art. 1051, 1056, sub 2° en 1057 Ger.W.).

Het bij conclusie regelmatig ingestelde impliciet incidenteel hoger beroep is eveneens ontvankelijk (art. 1054 Ger.W.). Dienaangaande rijst overigens geen discussie.

2. Het hoger beroep van D.B.G. is echter manifest ongegrond.

3. De verwijten die de partijen tot elkaar richten omtrent het aanslepen van de vereffening-verdeling laat het hof voor hun rekening.

Het hof stelt wel vast dat het duidelijk de bedoeling was om middels het proces-verbaal van 4 september 2012 tot opening van de notariële werkzaamheden komaf te maken met nodeloze vertraging.

In die optiek opteren zij in samenspraak met de notaris-vereffenaar, die daartoe alle goede wil vertoont, voor een onmiddellijke toepassing van de op 1 april 2012 in werking getreden Wet van 13 augustus 2011, althans wat betreft de in de artikelen 1217 en 1220, § 1 Ger.W. bedoelde termijnregeling. Dit is perfect mogelijk en gebeurlijk aanbevelenswaardig ("Overgangsregeling voor de nieuwe Wet aangaande de gerechtelijke vereffening-verdeling" in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, 132, nr. 18). Centrale doelstellingen van de Wet van 13 augustus 2011 zijn (1) de versnelling van de gerechtelijke vereffening-verdeling, (2) het verloop ervan voorzienbaar maken voor de partijen, (3) het akkoord tussen de partijen in elke fase bevorderen en (4) de rol van de actieve notaris-vereffenaar versterken ("Overgangsregeling voor de nieuwe Wet aangaande de gerechtelijke vereffening-verdeling" in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, 128, nr. 12).

De in artikel 1217 Ger.W. bedoelde conventionele instaatstelling houdt in dat de notaris-vereffenaar en alle partijen een akkoord sluiten omtrent de na te leven termijnen tijdens de notariële fase, inzonderheid omtrent de termijn waarbinnen de partijen hun aanspraken en stukken moeten meedelen. Deze termijnen worden vastgesteld in het proces-verbaal van opening van werkzaamheden of in latere processen-verbaal voor de termijnen die dan worden overeengekomen. In de praktijk kan worden gewerkt van proces-verbaal tot proces-verbaal, waarbij het er dan op aankomt minstens de termijn van de volgende stap vast te stellen (De vernieuwde procedure inzake gerechtelijke verdeling, Brugge, die Keure, 2012, 119-124, nrs. 163-168; "Een nieuw draaiboek tot gerechtelijke vereffening-verdeling in het licht van de Wet van 13 augustus 2011" in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, 19-20, nr. 33).

Behoudens akkoord van alle partijen of in geval van ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang in de zin van artikel 1219 Ger.W., houdt de notaris-vereffenaar geen rekening met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de overeengekomen of wettelijk bepaalde termijnen worden aangebracht (art. 1220, § 1 Ger.W.; De vernieuwde procedure inzake gerechtelijke verdeling, Brugge, die Keure, 2012, 139-140, nrs. 189-190; "Een nieuw draaiboek tot gerechtelijke vereffening-verdeling in het licht van de Wet van 13 augustus 2011" in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, 37, nr. 20).

Conventionele bijsturing van een eerder overeengekomen agenda is steeds mogelijk en gebeurlijk aangewezen gelet op het verloop van de gerechtelijke-vereffening verdeling en de ontwikkelingen van dien, waarbij alle redelijkheid aan de dag moet worden gelegd. Een al te scherpe kalender en nodeloze onwrikbaarheid werkt eerder contraproductief, wat uiteindelijk ingaat tegen voormelde doelstellingen van de Wet van 13 augustus 2013 ("In welke zin is een conventionele instaatstelling opportuun voor het verloop van de procedure tot vereffening-verdeling?", in W. Pintens en C. Declerck (eds.), Patrimonium 2015, Brugge, die Keure, 2015, 235, nrs. 39-41).

Welnu, het hof kan zich, voormelde feitelijke en procedurele elementen in acht genomen, niet van de indruk ontdoen dat D.B.G. zich manifest deloyaal opstelt en nodeloos tegenwringt. Anders dan hij wil doen uitschijnen, is de zo gehekelde vertraging in het verloop van onderhavige vereffening-verdeling (zeker) sinds de kalenderregeling van 4 september 2012 aan zijn halsstarrig toedoen te wijten. Hij moet inzien dat zijn houding niet opgaat en bijzonder contraproductief overkomt.

Het hof beaamt derhalve volkomen de pertinente zienswijze en opstelling van de notaris-vereffenaar, die steeds opnieuw al het mogelijke/nodige heeft gedaan om de werkzaamheden binnen een redelijke termijn vooruit te helpen. Steeds opnieuw is het D.B.G. en enkel D.B.G. die dwarsligt en de zaak nodeloos wil compliceren.

4. Daar waar het proces-verbaal van 4 september 2012 het (enkel) heeft over een 'nota met vorderingen' (en niet over een door D.B.G. zogeheten 'beargumenteerde nota') is het protest van D.B.G. (op 6/7 en 13 november 2012) als zou het door B.S. overgemaakte schema niet beantwoorden aan een nota met 'beargumenteerde vorderingen' niet op zijn plaats. Het protest van D.B.G., volgens wie het zou gaan om 'een onwerkbare opsomming waarnaast bedragen staan vermeld, waaruit volgens volstrekt onverklaarbare redenen en zonder enige berekening dan wel juridische argumentatie vorderingen zouden moeten kunnen worden afgeleid', is inderdaad misplaatst. De door B.S. op 11/12 oktober 2012 aan de notaris-vereffenaar overgemaakte nota in excell is zorgvuldig en bovendien duidelijk. De nota is weliswaar geen uitgeschreven of 'beargumenteerde' tekst. Maar de nota bevat wel degelijk cijfermatig afdoende geconcretiseerde vorderingen, telkens met verwijzing naar de bijhorende (genummerde) stukken. Enkel wie van slechte wil is, leest in de nota niet wat B.S. bedoelt. De nota moet bovendien in de context worden gezien.

Hoe dan ook vraagt D.B.G. op 6/7 en 13 november 2012 (op de valreep van de bedoelde repliektermijn) om de nota te vertalen in een 'werkbare, beargumenteerde nota', waarop hij nog tijdig zou kunnen repliceren. Anders dan D.B.G. wil voordoen, ziet hij op die manier klinkklaar af van de oorspronkelijk bepaalde termijn van 15 oktober 2012. Bij dezelfde gelegenheid meldt D.B.G. ontvangst van een 'zeer lijvig bundel' zonder dienaangaande protest te voeren.

B.S. stemt in. Op 14 november 2012 maakt zij een alomvattende nota met (1) uitwerking van de vorderingen en tegelijk (2) een repliek op de vorderingen van D.B.G. over aan de notaris-vereffenaar. B.S. geeft meteen mee dat zij geen bezwaar heeft tegen een verlenging van de repliektermijn voor D.B.G. terwijl de termijn voor de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling zou kunnen blijven behouden. B.S. maakt bovendien aanvullende stukken over.

In die optiek reageert de notaris-vereffenaar meteen met een voorstel om de in het proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken repliektermijn te verlengen met één maand en meer precies tot 15 december 2012 terwijl de termijn voor de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling eveneens zou worden verlengd tot 28 februari 2013.

B.S. stemt eens te meer in, terwijl D.B.G. zich geroepen voelt om zijn eigen verzoek van 6/7 en 13 november 2012 nu tegen te spreken en aan te geven niet te kunnen instemmen met een verlenging van de bedoelde termijnen.

D.B.G. faalt waar hij het wil voordoen als zou zijn recht van verdediging in het gedrang zijn. Het gaat niet op om eerst een bijkomende nota van B.S. te vragen om dan vervolgens (nadat B.S. prompt reageert en het nodige doet) te zeggen dat een en ander (gelet op art. 1220, § 1 Ger.W.) ontijdig is, zodat er geen rekening mee kan worden gehouden.

Daar komt bij dat, daar waar B.S. op 11 december 2012 nog een aanvullende nota aan de notaris-vereffenaar overmaakt, D.B.G. op 30 januari 2013 een replieknota aan de notaris-vereffenaar overmaakt.

Daar komt nog bij dat, daar waar de notaris-vereffenaar op 8 maart 2013 een ontwerpakte van vereffening-verdeling aan D.B.G. en B.S. overmaakt met een verzoek tot bijkomende elementen/stukken, D.B.G. plotsklaps opnieuw protesteert bij brief van 18 maart 2013, waarop de notaris-vereffenaar eens te meer een constructief voorstel formuleert.

Gelet op de conventionele bijsturing van de oorspronkelijk bepaalde kalender (mede in het licht van de eigen vraag van D.B.G. op 6/7 en 13 november 2012 en de eigen replieknota van D.B.G. van 30 januari 2013) gaat het niet op aan de zijde van D.B.G. op 3 april 2013 en 23 juli 2013 nodeloos vast te houden aan een vraag tot wering van beweerdelijk (door B.S.) ontijdig overgemaakte nota's/vorderingen/stukken en in die optiek aan te dringen op een tussengeschil.

D.B.G. wil steeds de schijn ophouden als zou hij de zaak vooruit willen helpen, maar met zijn eigen deloyale handelwijze illustreert hij alleen maar het tegendeel. De notaris-vereffenaar en B.S. waren/zijn steeds zonder meer inschikkelijk qua conventionele bijsturing, terwijl D.B.G. zich vergeefs wil laten kennen.

5. Met de notaris-vereffenaar en de eerste rechter is ook het hof van oordeel dat het tussengeschil omtrent de mate waarin, gelet op (1) de bij proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken kalender met het oog op instaatstelling van de gerechtelijke vereffening-verdeling en (2) de navolgende ontwikkelingen, rekening mag/moet worden gehouden met nota's/vorderingen/stukken bij de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling, in die zin moet worden beslecht dat:

* de navolgende ontwikkelingen een stilzwijgende en conventionele wijziging van de bij proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken kalender hebben meegebracht;

* het recht van verdediging van de partijen daarbij geenszins in het gedrang is, gelet op de replieknota van B.S. van 11 december 2012 en de replieknota van D.B.G. van 30 januari 2013;

* daarbij komt dat de notaris-vereffenaar middels de ontwerpakte van vereffening-verdeling van 8 maart 2013 om bijkomende elementen/stukken heeft verzocht (teneinde verder zicht te krijgen op de vermogenstoestand op de refertedatum van 5 april 2007);

* rekening moet worden gehouden met alle nota's/stukken van zowel B.S. als D.B.G., gaande van de nota's van D.B.G. en B.S. van 11/12 oktober 2012 tot de replieknota van B.S. van 11 december 2012 en de replieknota van D.B.G. van 30 januari 2013.

6. Gelet op het manifest tergende en roekeloze karakter van het hoger beroep van D.B.G. en de extra schade (aan de zijde van B.S.) die dergelijk kennelijk onrechtmatig aangewend rechtsmiddel (met alle verdere vertraging van dien) meebrengt, gaat het hof deels in op de door B.S. ten laste van D.B.G. gevorderde schadevergoeding.

Het procesgedrag van D.B.G. druist grovelijk in tegen dat van een doorsnee zorgvuldige burger/procespartij, derwijze dat hij (1) niet alleen het overheidsapparaat onterecht overbelast (waardoor haar taak mede in het licht van art. 6.1 EVRM in het gedrang komt) en op die manier de gemeenschap schaadt maar (2) tegelijk B.S. extra schaadt.

Bij gebrek aan andere/betere berekeningsmethoden kent het hof aan B.S. ex aequo et bono een schadevergoeding toe ten bedrage van 2.500,00 euro, zoals begroot op heden.

V. Gedingkosten

1. D.B.G. moet als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de gedingkosten van beide aanleggen (art. 1017, eerste lid Ger.W.).

2. Deze kosten omvatten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W. (art. 1018, sub 6° Ger.W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Ger.W.).

De in het gelijk gestelde partij (met een advocaat) is in dit geval B.S., zodat alleen voor deze partij een rechtsplegingsvergoeding kan worden bepaald.

Het tussengeschil is niet in geld waardeerbaar. In dat geval is het zowel in eerste aanleg als in hoger beroep toepasselijke (geïndexeerde) basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.320,00 euro (art. 3 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W.).

3. Het dienaangaande door B.S. geformuleerde impliciet incidenteel hoger beroep is gegrond.

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

met inachtneming van (de art. 2 e.v. en inz.) artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

verklaart het hoger beroep van D.B.G. ontvankelijk doch ongegrond,

verklaart het impliciet incidenteel hoger beroep van B.S. ontvankelijk en gegrond,

spreekt zich, evenals de eerste rechter, uit over de door de notaris-vereffenaar op 22/24/25 juli 2013 op ontvankelijke wijze aanhangig gemaakte procedure tot beslechting van het bedoelde tussengeschil opgenomen in voormeld proces-verbaal van 6 juni 2013,

bevestigt, gelet op (1) de grenzen waarbinnen het is beroepen en (2) voormelde redengeving, het beroepen vonnis van 10 april 2014, behalve op het stuk van de gedingkosten, verzendt in die optiek de zaak terug naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de werkzaamheden van vereffening-verdeling,

veroordeelt D.B.G. tot betaling aan B.S. van een schadevergoeding ten bedrage van 2.500,00 euro,

veroordeelt D.B.G. bovendien tot de gedingkosten van beide aanleggen, enkel nuttig te begroten aan de zijde van B.S. op (1) een rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg ten bedrage van 1.320,00 euro en (2) een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedrage van 1.320,00 euro.

( ... )
 

Noot: 

zie NJW 235, 61

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/06/2018 - 20:53
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 20:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.