-A +A

Conventionele instaatstelling bij vereffening en verdeling aanpassing kalender - redelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 21/04/2016

Centrale doelstellingen van de wet van 13 augustus 2011 (minnelijke instaatstelling vereffening verdeling) zijn

(1) de versnelling van de gerechtelijke vereffening-verdeling;

(2) het verloop ervan voorzienbaar maken voor de partijen;

(3) het akkoord tussen de partijen in elke fase bevorderen en (

4) de rol van de actieve notaris-vereffenaar versterken («Overgangsregeling voor de nieuwe wet aangaande de gerechtelijke vereffening-verdeling» in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 128, nr. 12).

De in art. 1217 Ger.W. bedoelde conventionele instaatstelling houdt in dat de notaris-vereffenaar en alle partijen een akkoord sluiten over de na te leven termijnen tijdens de notariële fase, inzonderheid over de termijn waarbinnen de partijen hun aanspraken en stukken moeten meedelen.

Deze termijnen worden vastgesteld in het proces-verbaal van opening van werkzaamheden of in latere processen-verbaal voor de termijnen die dan worden overeengekomen. In de praktijk kan worden gewerkt van proces-verbaal tot proces-verbaal, waarbij het er dan op aankomt minstens de termijn van de volgende stap vast te stellen (De vernieuwde procedure inzake gerechtelijke verdeling, Brugge, die Keure, 2012, p. 119-124, nrs. 163-168; «Een nieuw draaiboek tot gerechtelijke vereffening-verdeling in het licht van de Wet van 13 augustus 2011» in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 9-20, nr. 33).

Behalve in geval van een akkoord van alle partijen of in geval van ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang in de zin van art. 1219 Ger.W., houdt de notaris-vereffenaar geen rekening met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de overeengekomen of wettelijk bepaalde termijnen worden aangebracht (art. 1220, § 1 Ger.W.;

De vernieuwde procedure inzake gerechtelijke verdeling, Brugge, die Keure, 2012, p. 139-140, nrs. 189-190; «Een nieuw draaiboek tot gerechtelijke vereffening-verdeling in het licht van de wet van 13 augustus 2011» in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 37, nr. 20).

Conventionele bijsturing van een eerder overeengekomen agenda is steeds mogelijk en gebeurlijk raadzaam, gelet op het verloop van de gerechtelijke vereffening-verdeling en de ontwikkelingen van dien, waarbij alle redelijkheid aan de dag moet worden gelegd. Een al te scherpe kalender en nodeloze onwrikbaarheid werken eerder contraproductief, wat uiteindelijk ingaat tegen voormelde doelstellingen van de wet van 13 augustus 2013 («In welke zin is een conventionele instaatstelling opportuun voor het verloop van de procedure tot vereffening-verdeling?» in W. Pintens en C. Declerck (eds.), Patrimonium 2015, Brugge, die Keure, 2015, p. 235, nrs. 39-41).

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1347
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D. t/ B.

...

Hierbij spreken de partijen een kalender af met het oog op instaatstelling van de gerechtelijke vereffening-verdeling. De zaak sleept immers al te lang aan. Zij richten zich dienaangaande naar de op 1 april 2012 in werking getreden wet van 13 augustus 2011 «tot hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling» (BS 14 september 2011). Meer concreet bepalen zij dat beide partijen (1) een nota met hun respectieve vorderingen en eventuele stavingsstukken zullen bezorgen aan de notaris-vereffenaar tegen uiterlijk 15 oktober 2012; (2) schriftelijk zullen repliceren met eventueel bijkomende stavingsstukken tegen uiterlijk 15 november 2012 en (3) vervolgens de notaris-vereffenaar verzoeken om hen een ontwerpakte van vereffening-verdeling te bezorgen tegen uiterlijk 30 januari 2013, waarna zij binnen een maand hun opmerkingen zullen te kennen geven.

Voorts preciseren de partijen dat de bedoelde nota’s en stukken aan de notaris-vereffenaar en in kopie aan de wederpartij moeten worden bezorgd binnen voormelde termijnen, bij gebreke waarvan de notaris-vereffenaar er geen rekening mee moet houden.

3. Op 11 en 12 oktober 2012 bezorgt D. een nota en een dossier met stukken aan de notaris-vereffenaar.

Op 11 en 12 oktober 2012 bezorgt ook B. een nota en een dossier met stukken aan de notaris-vereffenaar.

Op 6 en 7 en 13 november 2012 richt D. zich tot de notaris-vereffenaar om (1) te melden dat het door B. toegezonden schema niet beantwoordt aan een nota met «beargumenteerde vorderingen» en (2) te verzoeken dat hij zich op zijn beurt zou richten tot B. teneinde alsnog een «werkbare, beargumenteerde nota» te bezorgen, waarop hij nog tijdig zou kunnen repliceren.

Op 14 november 2012 zendt B. een alomvattende nota met (1) uitwerking van de vorderingen en tegelijk (2) een repliek op de vorderingen van D. aan de notaris-vereffenaar. B. geeft meteen mee dat zij geen bezwaar heeft tegen een verlenging van de repliektermijn voor D., terwijl de termijn voor de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling zou kunnen blijven behouden. B. bezorgt bovendien aanvullende stukken.

In die optiek reageert de notaris-vereffenaar meteen met een voorstel om de in het proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken repliektermijn te verlengen met één maand en meer precies tot 15 december 2012, terwijl de termijn voor de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling eveneens zou worden verlengd tot 28 februari 2013.

B. stemt meteen in (op 14 november 2012).

Op 15 november 2012 geeft D. aan niet te kunnen instemmen met een verlenging van de bedoelde termijnen. D. geeft nog aan dat hij voor het eerst op 14 november 2012 een beargumenteerde nota van B. heeft mogen ontvangen, wat manifest buiten de afgesproken termijn van 15 oktober 2012 is, zodat zijn recht van verdediging in het gedrang is. D. beroept zich op art. 1220, § 1 Ger.W., dat maakt dat de notaris-vereffenaar geen rekening houdt met buiten termijn toegezonden stukken en vorderingen.

Op 11 december 2012 zendt B. alsnog een aanvullende nota aan de notaris-vereffenaar.

Op 30 januari 2013 verzendt D. een replieknota aan de notaris-vereffenaar.

Op 8 maart 2013 verzendt de notaris-vereffenaar een ontwerpakte van vereffening-verdeling aan D. en B. (met een verzoek tot bijkomende stukken), na hen eerder (in een brief van 18 februari 2013) te hebben aangegeven dat de vooropgestelde termijn van 28 februari 2013 door omstandigheden niet haalbaar was en hen om die reden te hebben verzocht om hun akkoord te willen geven met een verlenging (waarop B. instemde en D. die brief onbeantwoord heeft gelaten).

Op 22 maart 2013 reageert de notaris-vereffenaar met een constructief voorstel op de brief van D. van 18 maart 2013. In deze laatste brief verzoekt hij de notaris-vereffenaar om alle volgens hem (door B.) ontijdig bezorgde nota’s en stukken te negeren. De notaris-vereffenaar stelt evenwel voor om toch rekening te houden met alle nota’s en stukken van zowel B. als D., gaande van de nota’s van D. en B. van 11/12 oktober 2012 tot de aanvullende nota van B. van 11 december 2012 en de replieknota van D. van 30 januari 2013.

B. stemt in op 29 maart 2013 en bezorgt op verzoek van de notaris-vereffenaar bijkomende elementen en stukken (op 4/5 april 2013).

D. protesteert eens te meer (op 3 april 2013) en dringt aan op een rechterlijk te beslechten tussengeschil.

Op 10 april 2013 neemt de notaris-vereffenaar akte van het tussengeschil, dat hem noodzaakt om zich met toepassing van art. 1216 Ger.W. tot de rechtbank te wenden. De notaris-vereffenaar kondigt aan binnen twee maanden een proces-verbaal van tussengeschil op te stellen, waarna (1) een repliektermijn van één maand geldt en (2) de notaris-vereffenaar vervolgens binnen één maand een en ander ter griffie van de rechtbank zal neerleggen.

Op 2 mei 2013 stelt D. te kunnen instemmen met deze werkwijze, mits concrete data worden bepaald.

4. Bij proces-verbaal van 6 juni 2013 geeft de notaris-vereffenaar het tussengeschil weer. Dit tussengeschil behelst de mate waarin, gelet op (1) de bij proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken kalender met het oog op instaatstelling van de gerechtelijke vereffening-verdeling en (2) de navolgende ontwikkelingen, rekening moet worden gehouden met nota’s, vorderingen en stukken bij de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling.

De notaris-vereffenaar bevestigt zijn zienswijze dat de navolgende ontwikkelingen een stilzwijgende en conventionele wijziging van de bij proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken kalender hebben meegebracht. Het recht van verdediging van de partijen is volgens de notaris-vereffenaar geenszins in het gedrang, gelet op de aanvullende nota van B. van 11 december 2012 en de replieknota van D. van 30 januari 2013 (waartegen niet meteen bezwaar is gerezen). Daar komt bij dat de notaris-vereffenaar met de ontwerpakte van vereffening-verdeling van 8 maart 2013 om bijkomende elementen en stukken heeft verzocht (teneinde verder zicht te krijgen op de vermogenstoestand op de refertedatum van 5 april 2007).

De notaris-vereffenaar herneemt zodoende zijn constructief voorstel van 22 maart 2013 om rekening te houden met alle nota’s en stukken van zowel B. als D., gaande van de nota’s van D. en B. van 11 en 12 oktober 2012 tot de aanvullende nota van B. van 11 december 2012 en de replieknota van D. van 30 januari 2013.

Op 28 juni 2013 geeft B. haar opmerkingen te kennen. Zij besluit met de notaris-vereffenaar dat hij met alle nota’s, vorderingen en stukken rekening kan en moet houden.

Op 2 juli 2013 geeft D. zijn opmerkingen te kennen. Hij bevestigt zijn eerdere verzoek om alle volgens hem (door B.) ontijdig overgemaakte nota’s en stukken te negeren.

II. Beroepen vonnis

1. Op 22, 24 en 25 juli 2013 legt de notaris-vereffenaar een en ander neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge.

Bij vonnis van 10 april 2014 (...) beslecht de tweede kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, het tussengeschil. De rechtbank oordeelt in overeenstemming met wat de notaris-vereffenaar en B. aangeven. De rechtbank oordeelt meer precies dat de notaris-vereffenaar met alle nota’s, vorderingen en stukken rekening kan en moet houden. De rechtbank zendt de zaak terug naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de notariële werkzaamheden.

...

2. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10 juni 2014 laat B. het vonnis betekenen aan D.

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift van 3 juli 2014 stelt D. hoger beroep in. Met zijn hoger beroep beoogt D., met hervorming van het beroepen vonnis, de beslechting van het tussengeschil overeenkomstig zijn eerder verzoek om alle volgens hem (door B.) ontijdig toegezonden nota’s en stukken te negeren, zodat de notaris-vereffenaar ze niet kan aanwenden bij de redactie van zijn ontwerpakte van vereffening-verdeling. D. wil de zaak om die reden doen terugzenden naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de notariële werkzaamheden.

...

2. B. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep (als ontvankelijk maar ongegrond) en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

IV. Beoordeling

...

2. Het hoger beroep van D. is manifest ongegrond.

3. De verwijten die de partijen tot elkaar richten m.b.t. het aanslepen van de vereffening-verdeling, laat het hof voor hun rekening.

Het hof stelt wel vast dat het duidelijk de bedoeling was om met het proces-verbaal van 4 september 2012 tot opening van de notariële werkzaamheden komaf te maken met nodeloze vertraging. In die optiek opteren de partijen, in samenspraak met de notaris-vereffenaar, die daartoe alle goede wil vertoont, voor een onmiddellijke toepassing van de op 1 april 2012 in werking getreden wet van 13 augustus 2011, althans wat betreft de in de artt. 1217 en 1220, § 1 Ger.W. bedoelde termijnregeling. Dit is perfect mogelijk en gebeurlijk aanbevelenswaardig («Overgangsregeling voor de nieuwe wet aangaande de gerechtelijke vereffening-verdeling» in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 132, nr. 18).

Centrale doelstellingen van de wet van 13 augustus 2011 zijn (1) de versnelling van de gerechtelijke vereffening-verdeling; (2) het verloop ervan voorzienbaar maken voor de partijen; (3) het akkoord tussen de partijen in elke fase bevorderen en (4) de rol van de actieve notaris-vereffenaar versterken («Overgangsregeling voor de nieuwe wet aangaande de gerechtelijke vereffening-verdeling» in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 128, nr. 12).

De in art. 1217 Ger.W. bedoelde conventionele instaatstelling houdt in dat de notaris-vereffenaar en alle partijen een akkoord sluiten over de na te leven termijnen tijdens de notariële fase, inzonderheid over de termijn waarbinnen de partijen hun aanspraken en stukken moeten meedelen. Deze termijnen worden vastgesteld in het proces-verbaal van opening van werkzaamheden of in latere processen-verbaal voor de termijnen die dan worden overeengekomen. In de praktijk kan worden gewerkt van proces-verbaal tot proces-verbaal, waarbij het er dan op aankomt minstens de termijn van de volgende stap vast te stellen (De vernieuwde procedure inzake gerechtelijke verdeling, Brugge, die Keure, 2012, p. 119-124, nrs. 163-168; «Een nieuw draaiboek tot gerechtelijke vereffening-verdeling in het licht van de Wet van 13 augustus 2011» in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 9-20, nr. 33).

Behalve in geval van een akkoord van alle partijen of in geval van ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang in de zin van art. 1219 Ger.W., houdt de notaris-vereffenaar geen rekening met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de overeengekomen of wettelijk bepaalde termijnen worden aangebracht (art. 1220, § 1 Ger.W.; De vernieuwde procedure inzake gerechtelijke verdeling, Brugge, die Keure, 2012, p. 139-140, nrs. 189-190; «Een nieuw draaiboek tot gerechtelijke vereffening-verdeling in het licht van de wet van 13 augustus 2011» in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 37, nr. 20).

Conventionele bijsturing van een eerder overeengekomen agenda is steeds mogelijk en gebeurlijk raadzaam, gelet op het verloop van de gerechtelijke vereffening-verdeling en de ontwikkelingen van dien, waarbij alle redelijkheid aan de dag moet worden gelegd. Een al te scherpe kalender en nodeloze onwrikbaarheid werken eerder contraproductief, wat uiteindelijk ingaat tegen voormelde doelstellingen van de wet van 13 augustus 2013 («In welke zin is een conventionele instaatstelling opportuun voor het verloop van de procedure tot vereffening-verdeling?» in W. Pintens en C. Declerck (eds.), Patrimonium 2015, Brugge, die Keure, 2015, p. 235, nrs. 39-41).

Welnu, het hof kan zich, voormelde feitelijke en procedurele elementen in acht genomen, niet van de indruk ontdoen dat D. zich manifest deloyaal opstelt en nodeloos tegenwringt. Anders dan hij wil doen uitschijnen, is de zo gehekelde vertraging in het verloop van onderhavige vereffening-verdeling (zeker) sinds de kalenderregeling van 4 september 2012 aan zijn halsstarrig toedoen te wijten. Hij moet inzien dat zijn houding niet opgaat en bijzonder contraproductief overkomt. Het hof beaamt derhalve volkomen de pertinente zienwijze en opstelling van de notaris-vereffenaar, die steeds opnieuw al het mogelijke heeft gedaan om de werkzaamheden binnen een redelijke termijn vooruit te helpen. Steeds opnieuw is het D. en enkel D. die dwarsligt en de zaak nodeloos wil compliceren.

4. Terwijl het proces-verbaal van 4 september 2012 het (enkel) heeft over een «nota met vorderingen» (en niet over een door D. zogeheten «beargumenteerde nota») is het protest van D. (op 6, 7 en 13 november 2012) als zou het door B. toegezonden schema niet beantwoorden aan een nota met «beargumenteerde vorderingen» niet op zijn plaats. Het protest van D., volgens wie het zou gaan om «een onwerkbare opsomming waarnaast bedragen staan vermeld, waaruit volgens volstrekt onverklaarbare reden en zonder enige berekening dan wel juridische argumentatie vorderingen zouden moeten kunnen worden afgeleid», is inderdaad misplaatst. De door B. op 11/12 oktober 2012 aan de notaris-vereffenaar toegezonden nota in Excel is zorgvuldig en bovendien duidelijk. De nota is weliswaar geen uitgeschreven of «beargumenteerde» tekst. Maar de nota bevat wel degelijk cijfermatig afdoende geconcretiseerde vorderingen, telkens met verwijzing naar de bijhorende (genummerde) stukken. Enkel wie van slechte wil is, leest in de nota niet wat B. bedoelt. De nota moet bovendien in de context worden gezien.

Hoe dan ook vraagt D. op 6, 7 en 13 november 2012 (op de valreep van de bedoelde repliektermijn) om de nota om te zetten in een «werkbare, beargumenteerde nota», waarop hij nog tijdig zou kunnen repliceren. Anders dan D. wil voordoen, ziet hij op die manier af van de oorspronkelijke bepaalde termijn van 15 oktober 2012. Bij dezelfde gelegenheid meldt D. ontvangst van een «zeer lijvig bundel», zonder dienaangaande protest te voeren.

B. stemt in. Op 14 november 2012 verzendt zij een alomvattende nota met (1) uitwerking van de vorderingen en tegelijk (2) een repliek op de vorderingen van D. aan de notaris-vereffenaar. B. geeft meteen mee dat zij geen bezwaar heeft tegen een verlenging van de repliektermijn voor D., terwijl de termijn voor de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling zou kunnen blijven behouden. B. verzendt bovendien aanvullende stukken.

In die optiek reageert de notaris-vereffenaar meteen met een voorstel om de in het proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken repliektermijn te verlengen met één maand en meer precies tot 15 december 2012, terwijl de termijn voor de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling eveneens zou worden verlengd tot 28 februari 2013.

B. stemt eens te meer in, terwijl D. zich geroepen voelt om zijn eigen verzoek van 6, 7 en 13 november 2012 nu tegen te spreken en aan te geven niet te kunnen instemmen met een verlenging van de bedoelde termijnen.

D. faalt in zoverre hij het wil voordoen als zou zijn recht van verdediging in het gedrang zijn. Het gaat niet op om eerst een bijkomende nota van B. te vragen om dan vervolgens (nadat B. prompt reageert en het nodige doet) te zeggen dat een en ander (gelet op art. 1220, § 1 Ger.W.) ontijdig is, zodat er geen rekening mee kan worden gehouden.

Daar komt bij dat, wanneer B. op 11 december 2012 nog een aanvullende nota aan de notaris-vereffenaar bezorgt, D. op 30 januari 2013 een replieknota aan de notaris-vereffenaar bezorgt.

Daar komt nog bij dat, wanneer de notaris-vereffenaar op 8 maart 2013 een ontwerpakte van vereffening-verdeling aan D. en B. toezendt, met een verzoek tot bijkomende elementen en stukken, D. plotsklaps opnieuw protesteert bij brief van 18 maart 2013, waarop de notaris-vereffenaar eens te meer een constructief voorstel formuleert.

Gelet op de conventionele bijsturing van de oorspronkelijk bepaalde kalender (mede in het licht van de eigen vraag van D. op 6, 7 en 13 november 2012 en de eigen replieknota van D. van 30 januari 2013), gaat het niet op aan de zijde van D. op 3 april 2013 en 23 juli 2013 nodeloos vast te houden aan een verzoek tot wering van beweerde (door B.) ontijdig toegezonden nota’s, vorderingen en stukken en om die reden aan te dringen op een tussengeschil.

D. wil steeds de schijn ophouden als zou hij de zaak vooruit willen helpen, maar met zijn eigen deloyale handelswijze illustreert hij alleen maar het tegendeel. De notaris-vereffenaar en B. zijn steeds zonder meer inschikkelijk qua conventionele bijsturing, terwijl D. zich vergeefs wil laten kennen.

5. Met de notaris-vereffenaar en de eerste rechter is ook het hof van oordeel dat het tussengeschil over de mate waarin, gelet op (1) de bij proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken kalender met het oog op instaatstelling van de gerechtelijke vereffening-verdeling en (2) de navolgende ontwikkelingen, rekening mag en moet worden gehouden met nota’s, vorderingen en stukken bij de redactie van de ontwerpakte van vereffening-verdeling, in die zin moet worden beslecht dat:

– de navolgende ontwikkelingen een stilzwijgende en conventionele wijziging van de bij proces-verbaal van 4 september 2012 afgesproken kalender hebben meegebracht;

– het recht van verdediging van de partijen daarbij geenszins in het gedrang is, gelet op de replieknota van B. van 11 december 2012 en de replieknota van D. van 30 januari 2013;

– daarbij komt dat de notaris-vereffenaar met de ontwerpakte van vereffening-verdeling van 8 maart 2013 om bijkomende elementen en stukken heeft verzocht (teneinde verder zicht te krijgen op de vermogenstoestand op de refertedatum van 5 april 2007);

– rekening moet worden gehouden met alle nota’s en stukken van zowel B. als D., gaande van de nota’s van D. en B. van 11 en 12 oktober 2012 tot de replieknota van B. van 11 december 2012 en de replieknota van D. van 30 januari 2013.

6. Gelet op het manifest tergende en roekeloze karakter van het hoger beroep van D. en de extra schade (aan de zijde van B.) die een dergelijk kennelijk onrechtmatig aangewend rechtsmiddel (met alle verdere vertraging van dien) meebrengt, gaat het hof deels in op de door B. ten laste van D. gevorderde schadevergoeding.

Het procesgedrag van D. druist grovelijk in tegen dat van een doorsnee zorgvuldige procespartij, zodat hij (1) niet alleen het overheidsapparaat onterecht overbelast (waardoor zijn taak mede in het licht van art. 6.1 EVRM in het gedrang komt) en op die manier de gemeenschap schaadt, maar (2) tegelijk B. extra schaadt.

Bij gebrek aan andere en betere berekeningsmethoden kent het hof aan B. ex aequo et bono een schadevergoeding toe ten bedrage van 2.500 euro, zoals begroot op heden.

...
 

Noot: 

Revue de Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] SCHMITZ, Nicolas; Observations 'De l'incidence du régime matrimonial sur la qualité d'assuré pour compte en assurance incendie. A propos de ce que l'arrêt de la Cour de cassation du 23 mai 2016 ne dit pas' 2016, n° 42, p. 1982-1994.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 13/04/2018 - 20:51
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.