-A +A

Controle op bijzondere opsporingsmethoden belet beklaagde niet om voor vonnisrechter provocatieverweer te voeren.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 18/04/2017
A.R.: 
P.17.0108.N

Art. 235ter, § 1 Sv. voert een afzonderlijke, inquisitoriale en niet-contradictoire procedure in, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid beoordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie. De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling over dat toezicht is bindend, zonder dat de desbetreffende rechtspleging evenwel afbreuk doet aan de eventuele toepassing van de in art. 235bis Sv. bepaalde procedure. Het onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling van de bijzondere opsporingsmethodes overeenkomstig art. 235ter Sv., zonder dat na een contradictoire procedure werd geoordeeld over de regelmatigheid van de rechtspleging en van de bewijsverkrijging aan de hand van het open dossier, belet een beklaagde niet om voor de vonnisrechter een provocatieverweer te voeren.

b) Art. 189ter Sv. verleent in het in die bepaling bedoelde geval aan de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de in art. 235ter Sv. beperkte bevoegdheid om de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie te onderzoeken. De kamer van inbeschuldigingstelling neemt in dat geval geen kennis van de zaak zoals bedoeld door art. 235bis, § 2 Sv. en zij heeft dan ook geen rechtsmacht om de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure te beoordelen, welk onderzoek behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de vonnisrechter bij wie de zaak aanhangig is.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
977
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.17.0108.N

J.D.A.R.V. en H.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 november 2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste middel van de eiser I

2. Het middel voert schending aan van art. 6 EVRM, art. 149 Gw., de artt. 235bis en 235ter Sv. en art. 30 Voorafgaande Titel Sv.: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser I, gelet op de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei 2010, 30 november 2010 en 19 juli 2016, voor de vonnisrechter geen provocatieverweer meer kan voeren; het arrest van 11 mei 2010 is gewezen met toepassing van art. 235bis Sv., maar de eiser I was bij dit arrest geen partij, zodat het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling voor hem niet bindend is; het arrest van 30 november 2010 is gewezen met toepassing van art. 235ter Sv. en dus niet met toepassing van art. 235bis, zodat dit arrest wat het provocatieverweer betreft niet bindend is voor de eiser I; het arrest van 19 juli 2016 oordeelt enkel over de regelmatigheid van de observatie en de infiltratie; de appelrechters konden niet oordelen dat dit arrest provocatie in de voorbereidende fase uitsluit; dit is onverenigbaar met art. 6 EVRM.

3. Art. 235ter, § 1 Sv. voert een afzonderlijke, inquisitoriale en niet-contradictoire procedure in, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid beoordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie. De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling over dat toezicht is bindend.

4. Deze rechtspleging doet evenwel geen afbreuk aan de eventuele toepassing van de in art. 235bis Sv. bepaalde procedure.

5. Het onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling van de bijzondere opsporingsmethodes overeenkomstig art. 235ter Sv., zonder dat na een contradictoire procedure werd geoordeeld over de regelmatigheid van de rechtspleging en van de bewijsverkrijging aan de hand van het open dossier, belet een beklaagde niet om voor de vonnisrechter een provocatieverweer te voeren.

6. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft met het arrest van 30 november 2010 uitspraak gedaan over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie, zonder evenwel te oordelen overeenkomstig de in art. 235bis Sv. bedoelde procedure. De omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling in het met toepassing van art. 235ter Sv. gewezen arrest van 30 november 2010 oordeelt dat er van provocatie geen sprake is en dat er geen noodzaak bestaat om art. 235bis Sv. toe te passen, verhindert een beklaagde niet om voor de vonnisrechter een provocatieverweer te voeren. Het bestreden arrest kan dan ook niet oordelen dat het arrest van 30 november 2010 bindend is voor het door de eiser I gevoerde provocatieverweer.

7. Art. 189ter Sv. verleent in het in die bepaling bedoelde geval aan de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de in art. 235ter Sv. beperkte bevoegdheid om de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie te onderzoeken. De kamer van inbeschuldigingstelling neemt in dat geval geen kennis van de zaak zoals bedoeld door art. 235bis, § 2 Sv. en zij heeft dan ook geen rechtsmacht om de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure te beoordelen. Dat onderzoek behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de vonnisrechter bij wie de zaak aanhangig is.

8. Het arrest van 19 juli 2016 doet uitspraak met toepassing van de artt. 189ter en 235ter Sv. en oordeelt dat de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie regelmatig zijn verlopen. Het bestreden arrest kan dan ook niet oordelen dat dit arrest voor wat betreft het door de eiser I gevoerde provocatieverweer bindend is.

Het middel is in zoverre gegrond.

Middel van de eiser II

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van de artt. 189ter en 235ter Sv.: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat de kamer van inbeschuldigingstelling wat de eiser II betreft met de arresten van 11 mei 2010 en 19 juli 2016 definitief en bindend heeft geoordeeld over eisers provocatieverweer; art. 235bis, § 5 Sv. belet niet dat, indien de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van een prima facie-beoordeling ter gelegenheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis uitspraak heeft gedaan over een grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, die grond opnieuw ter beoordeling aan de vonnisrechter wordt voorgelegd; met het arrest van 11 mei 2010 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling gelet op haar oordeel dat er in de huidige stand van het geding geen enkele reden is om op basis van de aangevoerde argumentatie de strafvordering onontvankelijk te verklaren, slechts een prima facie-beoordeling gemaakt; bovendien geldt het uit art. 235bis, § 5 Sv. voortvloeiende verbod om een reeds door de kamer van inbeschuldigingstelling onderzochte grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering opnieuw voor te leggen aan de vonnisrechter niet wanneer die grond betrekking heeft op provocatie bij een aangewende infiltratie en er na de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling nieuwe elementen aan het licht komen die een nieuwe controle van de regelmatigheid van die infiltratie noodzakelijk maken; de appelrechters die, gelet op het provocatieverweer van de eiser II, het openbaar ministerie hebben uitgenodigd het dossier te vervolledigen met een aantal ontbrekende processen-verbaal en op basis daarvan hebben geoordeeld dat een nieuwe controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie noodzakelijk was, konden niet meer beslissen dat de kamer van inbeschuldigingstelling met het arrest van 11 mei 2010 en het met toepassing van art. 235ter Sv. gewezen arrest van 19 juli 2016 bindend heeft geoordeeld over het provocatieverweer; de appelrechters konden uit het met toepassing van art. 235ter Sv. gewezen arrest van 19 juli 2016, dat oordeelt dat de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie regelmatig zijn verlopen, zonder dat toepassing werd gemaakt van art. 235bis Sv., niet afleiden dat de eiser II geen provocatieverweer voor de vonnisrechter kan voeren.

10. Art. 189ter Sv. verleent in het in die bepaling bedoelde geval aan de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de in art. 235ter Sv. beperkte bevoegdheid om de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie te onderzoeken. De kamer van inbeschuldigingstelling neemt in dat geval geen kennis van de zaak zoals bedoeld in art. 235bis, § 2 Sv. en zij heeft dan ook geen rechtsmacht om de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure te beoordelen. Dat onderzoek behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de vonnisrechter bij wie de zaak aanhangig is.

11. Het arrest van 19 juli 2016 doet uitspraak met toepassing van de artt. 189ter en 235ter Sv. en oordeelt dat de bijzondere opsporingsmethodes observatie en infiltratie regelmatig zijn verlopen. Het bestreden arrest kan dan ook niet oordelen dat dit arrest voor wat betreft het door de eiser II gevoerde provocatieverweer bindend is.

Het middel is in zoverre gegrond.

Noot: 

• Cass. 16 februari 2010, Arr.Cass. 2010, 460, conclusie advocaat-generaal M. Timperman, Nullum Crimen 2010, 127;

• Cass. 28 mei 2014, RDP 2014, 959, conclusie advocaat-generaal D. Vandermeersch, T.Strafr. 2015, 26, noot F. Schuermans;

• Cass. 25 maart 2015, Arr.Cass. 2015, p. 830, nr. 219.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 11/02/2018 - 15:08
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.