-A +A

Controle arbitrage door de rechter is beperkt tot de vraag of de uitspraak in strijd is met de openbare orde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 28/11/2014
A.R.: 
C.12.0517.N

De controle van de motiveringsverplichting van een arbitrale uitspraak door de annulatierechter reikt, zoals onder gelding van artikel 149 Grondwet, niet tot de controle van de inhoudelijke waarde van de motivering ervan; de omstandigheid dat een motivering onjuist is, levert geen schending op van artikel 1704, 2°, i) Gerechtelijk Wetboek

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
897
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0517.N
1. G. V. L.,
2. LIFESTYLE PRESS nv, met zetel te 1020 Brussel, Sint-Annacenter, Sint-Annadreef 68B,
3. JUKE BOX nv, met zetel te 1020 Brussel, Sint-Annacenter, Sint-Annadreef 68B,
4. K. V. L.,
eisers,
tegen
1. EPIFIN nv, met zetel te 9240 Zele, Spinnerijstraat 12,
2. DE PERSGROEP PUBLISHING nv, met zetel te 1730 Asse (Kobbegem), Brusselsesteenweg 347,
verweersters,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 juni 2012.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, geven de appelrechters aan dat de arbitrale beslissing bij de beoordeling van de bescherming en beperkingen van de vrije meningsuiting zowel steunt op artikel 19 Grondwet als op artikel 10.2 EVRM. Deze gronden laten het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen .

2. In zoverre het onderdeel een schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, steunt het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

3. In zoverre het onderdeel dubbelzinnigheid aanvoert, is het volledig afgeleid uit de hiervoor vastgestelde verkeerde lezing van het arrest.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede en derde onderdeel, eerste en tweede subonderdeel

4. Krachtens artikel 1704.1 Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, kan een arbitrale uitspraak slechts worden bestreden voor de rechtbank van eerste aanleg door een vordering tot vernietiging in te stellen, en kan zij slechts worden vernietigd in de in dit artikel genoemde gevallen.

Het eerste en tweede subonderdeel van het tweede en derde onderdeel voeren schendingen aan van artikel 19 Grondwet en artikel 10 EVRM, maar voeren niet aan hoe en waardoor de aangevoerde schendingen een grond van vernietiging in de zin van artikel 1704.2.a), Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, uitmaken, noch dat de appelrechters hun beslissing dat er geen grond tot vernieti-ging in de zin van voormeld artikel 1704 Gerechtelijk Wetboek voorhanden was, niet naar recht verantwoorden.

5. De subonderdelen zijn bij gebrek aan nauwkeurigheid en belang niet ont-vankelijk.

Derde onderdeel, derde subonderdeel

6. Krachtens artikel 1704, 2°, a), Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepas-sing, kan een arbitrale uitspraak worden vernietigd indien zij in strijd is met de openbare orde.

Deze bepaling houdt niet in dat de rechter die over de vernietiging van een arbitra-le beslissing moet oordelen het geschil opnieuw moet beoordelen in het licht van de bepalingen die de openbare orde raken waarvan toepassing wordt gemaakt in de bestreden beslissing, maar enkel dat hij verplicht is te controleren of de uit-spraak in strijd is met de openbare orde.

7. Nadat de appelrechters hebben uiteengezet wat hun toetsingsomvang is in het kader van een vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak, stellen zij vast dat de beoordeling door de arbiters van de vraag of de inmenging in de vrij-heid van meningsuiting van de eisers noodzakelijk was in een democratische sa-menleving, gebeurde aan de hand van de door het EVRM voorgeschreven criteria, zoals verduidelijkt in de rechtspraak, en oordelen zij dat deze in geen geval kenne-lijk onredelijk is.

Aldus geven de appelrechters te kennen dat, binnen hun beoordelingsmacht in het kader van de vordering tot vernietiging van een arbitrale beslissing, de uitspraak op dit punt niet strijdig is met de openbare orde en verantwoorden zij dienvolgens hun beslissing naar recht.

Het subonderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

8. Het onderdeel voert niet aan hoe en waardoor de aangevoerde schending van artikel 19 Grondwet of artikel 10 EVRM een miskenning zou inhouden van artikel 1704, 2°, a), Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, noch dat de appelrechters hun beslissing dat er geen grond tot vernietiging in de zin van voormeld artikel 1704 Gerechtelijk Wetboek voorhanden was, niet naar recht verantwoorden.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Vijfde onderdeel

9. De in het onderdeel bedoelde passus verwijst naar het oordeel van de arbi-trale sententie van 20 januari 2006 betreffende het uitdrukkelijk ontbindend be-ding.

10. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan, blijkt niet, anders dan de ei-sers aanvoeren, dat de arbiters dienaangaande "de onregelmatigheid van de con-tractuele sanctie wegens zijn abusievelijk karakter" vaststellen.

Het onderdeel berust op een verkeerde lezing en mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

11. Artikel 1704, 2°, i), Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt dat een arbitrale uitspraak kan worden vernietigd indien zij niet met redenen is omkleed.

Deze controle van de motiveringsverplichting door de annulatierechter reikt, zoals onder gelding van artikel 149 Grondwet, evenwel niet tot de controle van de in-houdelijke waarde van de motivering van de arbitrale uitspraak. De omstandigheid dat een motivering onjuist is, levert geen schending op van voormeld artikel 1704, 2°, i), Gerechtelijk Wetboek.

12. De appelrechters die oordelen dat de annulatierechter "op grond van artikel 1704, 2°, i), Gerechtelijk Wetboek enkel (moet) vaststellen dat de motivering be-staat, dit wil zeggen dat de arbiter heeft geantwoord op alle opgeworpen midde-len", dat "de controle van de motiveringsplicht geen opportuniteitscontrole mag zijn", dat "het hof, dat als appelrechter uitspraak doet over de vordering tot vernietiging van de arbitrale uitspraak, (...) niet bevoegd is om een eventuele beoor-delingsfout van de arbiters (zijnde de grond van de zaak) te sanctioneren" en dat "de middelen die uitgaan van de stelling als zou het hof gerechtigd zijn om de door de arbiters gebruikte motieven op hun pertinentie (...) te controleren niet kan worden aangenomen", verantwoorden hun beslissing mitsdien naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

13. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 1704, 2°, i) en j) Ge-rechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, die een vernietigingsgrond uitmaken van de arbitrale beslissing, is het vreemd aan de grief die een dubbelzinnigheid in de motivering van het bestreden arrest aanvoert.
Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

14. De appelrechters oordelen niet alleen op grond van de in het middel aange-haalde redenen, maar verder dat "ook de licentie-overeenkomst (die de oude of be-staande bladen (...) betrof) geldig werd ontbonden zodat er sinds 7 november 2007 geen royalties meer verschuldigd zijn" en beslissen aldus zonder de aangevoerde dubbelzinnigheid dat de arbitrale tussenbeslissing niet door enige dubbel-zinnigheid is aangetast.
In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het fei-telijke grondslag.

Vierde middel
Eerste onderdeel

15. De annulatierechter legt de arbitrale beslissing op onaantastbare wijze uit tenzij zijn uitlegging onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

16. De appelrechters oordelen, aldus antwoordend op de memorie van de eisers ingediend na de arbitrale tussenuitspraak, met de redenen dat "de stelling dat de arbitrale uitspraak van 20 januari 2006 over sommige punten uitspraak had ge-daan en de arbiters in de arbitrale uitspraak van 29 januari 2007 niet konden terugkomen op reeds gedane uitspraken feitelijke grondslag (mist)" en dat het feit dat "een arbitrale einduitspraak expliciteert wat impliciet vervat was in de arbitrale tussenuitspraak (niet) betekent dat de arbiters in de arbitrale einduitspraak machtsoverschrijding zouden hebben gepleegd".

Aldus beslissen zij, onaantastbaar, dat de arbiters in de arbitrale einduitspraak van 29 januari 2007 niet opnieuw uitspraak deden over een geschilpunt dat reeds defi-nitief beslecht was in een eerdere beslissing in dezelfde zaak.

17. Het onderdeel dat het bestreden arrest niet verwijt de bewijskracht van de arbitrale beslissingen te hebben miskend, komt aldus op tegen de onaantastbare beoordeling van de appelrechters en is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

18. De appelrechters oordelen, zonder daaromtrent te worden bekritiseerd dat "[de eisers] ervan uitgaan dat de arbiters gevolgen hebben gekoppeld aan artikel 6.2 van de Licentieovereenkomst die dit artikel tot een abusief schadebeding zouden maken. Noch in de arbitrale uitspraak van 20 januari 2006, noch in deze van 29 januari 2007 werd dergelijke beslissing genomen".

19. Het onderdeel dat volledig ervan uitgaat dat de arbitrale tussensententie "de onregelmatigheid van de contractuele sanctie wegens zijn abusievelijk karakter en derhalve strijdigheid met de openbare orde" vaststelt, mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

20. De appelrechters stellen vast dat "de vordering van de eisers tot betaling van royalties voor de oude bladen werd afgewezen door de arbiters op twee gronden, met name (1) omdat de eerste eiser geen titularis is van de auteursrechtelijke ver-mogensrechten op deze bladen, en (2) omdat de Licentieovereenkomst, waarin het recht op betaling van royalties voor de oude bladen was geregeld, sinds 7 november 2000 is ontbonden."

Zij oordelen dat de grief van de eisers betreffende de strijdigheid met de openbare orde, die ervan uitgaat dat de arbiters "aan artikel 6.2 van de Licentie-overeenkomst gevolgen koppelde(n) die haar tot een abusief schadebeding maken", slechts "de tweede hiervoor genoemde grond" betrof, zodat deze grief niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang vermits "de arbitrale uitspraak verantwoord zou blijven door de eerste hiervoor genoemde grond."

Vervolgens voegen zij hieraan ten overvloede toe, met de in het onderdeel be-doelde reden dat de stelling van de eisers "overigens" berust op een verkeerde le-zing van de arbitrale einduitspraak, zodat "de stelling als zou de openbare orde geschonden zijn, faalt" om hieruit te besluiten dat "of de arbiters gebeurlijk een appreciatiefout zouden hebben begaan door voornoemde kwalificatie, niet dient te worden onderzocht, daar een dergelijke grief niet tot de vernietiging van de arbi-trale uitspraken kan leiden."

21. Het onderdeel dat opkomt tegen een reden die de appelrechters ten over-vloede deden, kan niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang niet ontvan-kelijk.

Vierde onderdeel

22. De appelrechters stellen vast dat de arbitrale uitspraken de vordering van de eerste eiser tot betaling van royalties voor de oude bladen afwijst, onder meer op grond van het oordeel dat de Licentie-overeenkomst, waarin het recht op betaling van royalties voor de oude bladen was geregeld, werd ontbonden vanaf 7 novem-ber 2000.

23. Aldus geven de appelrechters te kennen dat ingevolge de ontbinding van deze overeenkomst geen royalties meer verschuldigd waren.

Hieruit volgt dat het in het onderdeel bedoelde verweer over de persoon aan wie de royalties zouden verschuldigd geweest zijn, niet meer dienend was.

Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Vijfde middel

24. Krachtens artikel 1696bis, 1, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepas-sing, kan iedere derde-belanghebbende het scheidsgerecht verzoeken om in de procedure te mogen tussenkomen. Dit verzoek wordt schriftelijk aan het scheids-gerecht gericht, dat het aan de partijen meedeelt.

Krachtens artikel 1696bis, 3, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, vereist de tussenkomst, om toegelaten te worden, een overeenkomst tot arbitrage tussen de derde en de partijen in het geding. Zij is bovendien afhankelijk van de instemming van het scheidsgerecht, dat bij eenparigheid uitspraak doet.

25. Het middel voert niet aan dat een overeenkomst tot arbitrage tussen de derde en de partijen in het geding voorhanden is.
Het middel, ook al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is niet ontvan-kelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eisers op 841,46 euro en voor de verweerders op 405,40 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

C.12.0517.N
Conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal (uittreksels):
1. Het geschil betreft de gevolgen van de beëindiging van verschillende overeenkomsten tussen de consoorten V. enerzijds en de rechtsvoorgangsters van verweersters anderzijds.
(...)

17. In het tweede middel komen eisers op tegen het bestreden arrest omdat het volgens hen weigert na te gaan of de inhoudelijke motivering van de aangevochten sententies, voorwerp van de annulatieprocedure, coherent en adequaat is, en zich beperkt tot een onderzoek naar de formele motivering van de litigieuze sententies.

Eisers voeren daarin aan dat de controle van de annulatierechter op grond van artikel 1704, 2°, i), niet identiek is aan deze van de cassatierechter op grond van artikel 149 van de Grondwet. Eisers voeren aan dat de annulatierechter veeleisender moet zijn dan de cassatierechter voor wat betreft de kwaliteit van de redenering van de arbiter.

18. In zijn arrest van 7 november 2013 (1) besliste Uw Hof dat de motiveringsverplichting van een arbitrale uitspraak een vormvereiste inhoudt die een controle door de rechter van de inhoudelijke waarde van de motivering van de arbitrale uitspraak uitsluit en dat de omstandigheid dat een motivering onjuist is, geen schending oplevert van artikel 1704, 2°, i), van het Gerechtelijk Wetboek.

19. Het middel, dat ervan uitgaat dat de annulatierechter ook de inhoudelijke motivering van de arbiters moet kunnen controleren, lijkt mij naar recht te falen.
(...)
33. Conclusie: Verwerping.
______________
(1) Cass. 7 november 2013, AR C.12.0193.N, AC 2013, nr. 592.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 01/02/2016 - 19:05
Laatst aangepast op: ma, 01/02/2016 - 19:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.