-A +A

Contractuele erfstelling en verschuldigde rechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 10/12/2010
A.R.: 
F.08.0102.N

 Een contractuele erfstelling in de zin van artikel 2 W. Succ. is een erfstelling die bij wijze van een overeenkomst tot stand komt; zij is een overeenkomst om niet, waarbij iemand ten voordele van een ander beschikt over de goederen die zijn nalatenschap zullen samenstellen; een contractuele erfstelling heeft enkel betrekking op de goederen van de nalatenschap van de beschikker.

De specifieke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over het huwelijksvermogensrecht verplichten niet tot een kwalificatie als een schenking of een contractuele erfstelling.

Het verblijvingsbeding in een huwelijkscontract, dat het volledig gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel 'om eender welke reden' aan de mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van die mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen; bedoeld verblijvingsbeding, dat uitwerking heeft, welke ook de reden van ontbinding van het huwelijksstelsel is en dat gecombineerd wordt met de inbreng van eigen goederen in het gemeenschappelijke vermogen door de vooroverleden echtgenoot, en het in artikel 1464, tweede lid, B.W. bedoelde 'aandeel boven de helft' is geen contractuele erfstelling, zodat dat 'surplus' niet belastbaar is op grond van artikel 2 W. Succ.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der registratie te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,
eiser,

tegen
Y.V.,
verweerster,
 

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 24 juni 2008.
Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. FEITEN
De feiten kunnen op grond van het bestreden arrest worden samengevat als volgt.
J. V. is op 23 januari 2004 overleden te Lommel. Zijn echtgenote (de verweerster) en zijn twee kinderen zijn de erfgenamen. De echtgenoten waren gehuwd onder het wettelijk stelsel.
Bij akte "wijziging van huwelijkscontract", verleden voor notaris Bruno Indekeu te Lommel op 1 juli 2003, bracht J.V. twee onroerende goederen in het gemeenschappelijke vermogen. Artikel 2 van de notariële akte bepaalt dat de huwelijksgemeenschap bij overlijden van J.V. in volle eigendom wordt toebedeeld aan de verweerster.
De akte "wijziging van huwelijkscontract", verleden voor notaris Bruno Indekeu te Lommel op 20 oktober 2003, wijzigt voormeld artikel 2. Die akte bepaalt dat het gemeenschappelijke vermogen wordt toebedeeld aan de verweerster bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap om eender welke reden.

III. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

IV. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert vooreerst een tegenstrijdigheid aan in de motivering van het bestreden arrest. Het onderdeel voert aan dat de redenen van het bestreden arrest het Hof niet toelaten zijn wettigheidcontrole uit te oefenen in zoverre niet kan worden achterhaald wat de juridische aard is van het ‘surplus'. Het ontbreken van een juridische kwalificatie van het ‘surplus' heeft ook voor gevolg dat de beslissing niet naar recht verantwoord is.

2. De aangevoerde tegenstrijdigheid is een louter juridische tegenstrijdigheid die vreemd is aan artikel 149 Grondwet.

3. Voor het overige bevat het bestreden arrest de redenen waarom de appelrechters bepaalde wettelijke regels al dan niet toepassen op het ‘surplus' en waarom dit noch een huwelijksvoordeel noch een schenking noch een contractuele erfstelling is. De appelrechters hoefden dit ‘surplus' niet te kwalificeren om hun beslissing dat dit ‘surplus' niet belastbaar is, naar recht te verantwoorden. De redenen van het bestreden arrest laten het Hof toe zijn wettigheidcontrole uit te oefenen.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
4. De betwisting tussen de partijen heeft betrekking op de vraag of de eiser successierechten kan heffen op grond van artikel 2 Wetboek Successierechten op de waarde van de helft van de onroerende goederen die J.V. in het gemeenschappelijke vermogen heeft gebracht.
Het onderdeel voert aan dat de appelrechters het litigieuze beding hadden moeten kwalificeren als een contractuele erfstelling.

5. Krachtens artikel 2 Wetboek Successierechten zijn de rechten verschuldigd op de erfgoederen ongeacht of zij overgemaakt worden ingevolge de wettelijke devolutie, een uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

6. Een contractuele erfstelling is een erfstelling die bij wijze van een overeenkomst tot stand komt. Zij is een overeenkomst om niet, waarbij iemand ten voordele van een ander beschikt over de goederen die zijn nalatenschap zullen samenstellen. Een contractuele erfstelling heeft enkel betrekking op de goederen van de nalatenschap van de beschikker.

7. Het verblijvingsbeding in een huwelijkscontract, dat het volledig gemeenschappelijke vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ‘om eender welke reden' aan de mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van die mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen.

8. De specifieke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over het huwelijksvermogensrecht verplichten niet tot een kwalificatie als een schenking of een contractuele erfstelling.

9. Krachtens artikel 1464, eerste lid, Burgerlijk Wetboek worden het beding van ongelijke verdeling en het verblijvingsbeding van het gehele gemeenschappelijke vermogen niet beschouwd als schenkingen, maar als huwelijksvoorwaarden.

Krachtens artikel 1464, tweede lid, Burgerlijk Wetboek worden het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen als schenkingen beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag van de verdeling, van de tegenwoordige of toekomstige goederen die de vooroverleden echtgenoten in het gemeenschappelijke vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in het huwelijkscontract.

Deze wetsbepaling strekt in het bijzonder tot bescherming van alle rechthebbenden op een voorbehouden erfdeel en beschouwt ter bescherming van hun rechten de verblijvingsbedingen met betrekking tot de goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijke vermogen heeft ingebracht, als schenkingen voor het ‘surplus', dit is het aandeel boven de helft.

De bescherming die artikel 1464, tweede lid, Burgerlijk Wetboek biedt aan de reservataire erfgenamen, is van overeenkomstige toepassing indien in het huwelijkscontract een verblijvingsbeding werd ingelast dat uitwerking heeft, welke ook de reden van ontbinding van het huwelijksstelsel is en dat gecombineerd werd met de inbreng van eigen goederen in het gemeenschappelijke vermogen door de vooroverleden echtgenoot.

Die wetsbepaling leidt er niet toe dat het ‘surplus' een schenking is, maar heeft slechts tot gevolg dat dit voordeel bij het overlijden van de echtgenoot die eigen goederen heeft ingebracht in het gemeenschappelijke vermogen, aan inkorting kan worden onderworpen.

10. Hieruit volgt dat het bestreden arrest wettig heeft geoordeeld dat het bedoelde verblijvingsbeding en het ‘surplus' geen contractuele erfstelling is en dat het ‘surplus' niet belastbaar is op grond van artikel 2 Wetboek Successierechten.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Derde onderdeel
11. Het onderdeel voert aan dat bedingen van ongelijke verdeling en het verblijvingsbeding van het gehele gemeenschappelijke vermogen slechts als huwelijksvoorwaarden kunnen worden beschouwd wanneer zij afhankelijk zijn van een overlevingsvoorwaarde.

12. Het onderdeel gaat eveneens uit van de foutieve veronderstelling dat door het litigieuze beding werd beschikt over de toekomstige goederen van de nalatenschap van J. V..
Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat die stelling niet kan worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Bepaalt de kosten op de som van 338,13 euro jegens de eisende partij en op de som van 251,11 euro jegens de verwerende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

 PARKET
VAN HET
HOF VAN CASSATIE
_____
F.08.0102.N
Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
I. De feiten.

1. De verweerster was met de heer Jean Vilrokx gehuwd onder het wettelijk stelsel. Haar echtgenoot is op 23 januari 2004 overleden. De betwisting met de fiscus betreft de vraag of de verweerster successierechten verschuldigd is op de waarde van de onroerende goederen die bij akte "wijziging van huwelijkscontract" van 1 juli 2003 werden ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen. In artikel 2 van de notariële akte werd bepaald dat de huwgemeenschap bij overlijden van de heer Jean Vilrokx in volle eigendom zou worden toebedeeld aan de echtgenote.

In een tweede akte "wijziging van huwelijkscontract" van 20 oktober 2003 werd voormeld artikel 2 aangepast. Er werd een zgn. sterfhuisclausule of nihilbeding in het huwelijkscontract opgenomen die in concreto inhield dat de gemeenschap werd toebedeeld aan de verweerster bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap "om eender welke reden".

2. Op 22 juni 2004 werd in de aangifte van nalatenschap door de erfgenamen verklaard dat de nalatenschap op het vlak van de successierechten onbelastbaar was. De toebedeling van de gemeenschap aan de verweerster was immers niet afhankelijk gesteld van de voorwaarde van overleving zodat geen toepassing kon worden gemaakt van artikel 5 van het Wetboek van Successierechten.

De fiscus oordeelde daarentegen dat het verblijvingsbeding in kwestie omwille van het voorschrift van artikel 1464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek als een contractuele erfstelling kon worden gekwalificeerd. Met toepassing van artikel 2 van het Wetboek Successierechten werden er door de fiscus op de helft van de in de gemeenschap gebrachte onroerende goederen successierechten geheven voor een bedrag van 9.941,30 EUR.
De verweerster heeft het voormelde bedrag betaald "onder voorbehoud van terugvordering".

II. HET BESTREDEN ARREST

3. Het bestreden arrest verklaart de vordering van de verweerster tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde successierechten gegrond.
De appelrechters oordelen dat:
- het "surplus" (d.i. het aandeel boven de helft van de ingebrachte goederen) geen huwelijksvoordeel is en evenmin een schenking;
- artikel 1464 B.W. enkel bepaalt dat dit surplus als een schenking wordt beschouwd;
- de restrictieve betekenis van de kwalificatie van schenking in de zin van artikel 1464 blijkt uit artikel 1465 B.W., waarin enkel sprake is van een mogelijke inkorting ter bescherming van het reservataire erfrecht;
- het surplus enkel aan de regels inzake schenkingen is onderworpen ter bescherming van de rechten van de reservataire erfgenamen, waardoor het vatbaar is voor inkorting;
- er van een animus donandi geen sprake kan zijn vermits de verkrijging van het surplus geen schenking is maar enkel onderworpen is aan de regels van de inkorting ter bescherming van de rechten van de reservataire erfgenamen.
Het bestreden arrest weigert het litigieuze verblijvingsbeding te kwalificeren als een schenking voor het gedeelte dat de verweerster verkrijgt boven de helft van de waarde van de door haar echtgenoot ingebrachte goederen, terwijl het bedoeld beding tevens de kwalificatie van contractuele erfstelling ontzegt.

4. In onderhavige zaak staat dan ook de volgende rechtsvraag centraal: Kan in een gemeenschapsstelsel de belastbaarheid van een huwelijksvoordeel worden vermeden door een verdelingsbeding dat niet aan de voorwaarde van overleving is gekoppeld en dit zelfs in de hypothese dat de bevoordeelde echtgenoot goederen verkrijgt die door de andere echtgenoot werden ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen?
Deze problematiek gaf aanleiding tot een aantal interessante bijdragen in de rechtsleer.(1)

III. De voorziening in cassatie.
De beslissing van de appelrechters wordt aangevochten met een cassatiemiddel dat drie onderdelen bevat.
Eerste onderdeel

5. (...)
6. (...)
Tweede en derde onderdeel

7. De rechtsvraag komt aan bod in het tweede en derde onderdeel. In beide onderdelen wordt de schending ingeroepen van de artikelen 893, 894, 1081 tot en met 1090, 1091 tot en met 1100, 1451, 1458, 1461, 1464 en 1465 B.W en van de artikelen 1 en 2 W. Succ.

Het tweede onderdeel verwijt de appelrechters dat zij niet wettig konden oordelen dat het litigieus verblijvingsbeding en het surplus noch een schenking, noch een contractuele erfstelling is.

De eiser voert aan dat een verblijvingsbeding dat niet gekoppeld is aan de voorwaarde van het overlijden van de schenker, een contractuele erfstelling uitmaakt in de mate dat de bevoordeelde echtgenoot meer dan de helft van de waarde van de door de andere echtgenoot ingebrachte goederen verkrijgt. Het surplus behoort -althans volgens de zienswijze van de eiser - tot de nalatenschap van de erflater en is aan de voorafgaande vereffening-verdeling van de huwgemeenschap onttrokken. Net om die reden zou het door de eiser op grond van artikel 2 W. Succ. kunnen worden belast.

8. In het derde onderdeel verdedigt de eiser de stelling dat het litigieus verblijvingsbeding niet onder toepassing valt van artikel 1464 van het Burgerlijk Wetboek omdat het de toebedeling van het volledig gemeenschappelijk vermogen niet afhankelijk stelt van de voorwaarde van overleving. Het beding zou derhalve geen huwelijksvoorwaarde zijn maar een schenking. Vermits de langstlevende echtgenote het gedeelte van de gemeenschap dat haar werd geschonken in die omstandigheden louter verwerft krachtens het erfrecht en niet als gevolg van de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel, konden de appelrechters volgens eiser niet wettig beslissen dat hetgeen door verweerster werd verkregen krachtens het verdelingsbeding niet belastbaar is op grond van artikel 2 W. Succ.

9. Om een duidelijk antwoord te kunnen formuleren op de grieven van de eiser wordt eerst ingegaan op de fiscale implicaties van huwelijksvoordelen. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de civielrechtelijke kwalificatie van huwelijksvoordelen en wordt onderzocht of de sterfhuisclausule een huwelijksvoordeel uitmaakt. Tot slot komen we dan tot de rechtsvraag of de zgn. sterfhuisclausule of het nihilbeding een contractuele erfstelling uitmaakt waarop artikel 2 W. Succ. zou kunnen worden toegepast.

DE FISCALE BEHANDELING VAN HUWELIJKSVOORDELEN: ARTIKEL 5 W. SUCC.

10. Zowel door een verblijvingsbeding, een beding van vooruitmaking als een beding van ongelijke verdeling kan de langstlevende echtgenoot bij de ontbinding van het huwelijk meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen verkrijgen.(2)

Deze bedingen worden vanuit civielrechtelijk oogpunt geacht te zijn afgesloten onder bezwarende titel en kunnen dus niet als schenkingen, vatbaar voor inbreng en inkorting worden aangezien.(3)

Wanneer ze echter betrekking hebben op goederen die door de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen zijn ingebracht ingevolge een uitdrukkelijk beding in het huwelijkscontract, worden ze wel tot beloop van de helft van die goederen als een schenking beschouwd (cfr. artikel 1458 en 1464, tweede lid, B.W.).

11. Bij een onderzoek naar de fiscale implicaties van dergelijke bedingen mag niet worden voorbijgegaan aan de fase van vereffening van het huwelijksvermogensstelsel.

Alvorens de omvang van de nalatenschap van een echtgenoot (gehuwd onder een stelsel met een gemeenschap van goederen) kan worden bepaald, moet immers eerst het gemeenschappelijk vermogen worden vereffend en verdeeld. Er moet bijgevolg steeds worden nagegaan of er huwelijksovereenkomsten of huwelijksvoorwaarden bestaan en het gemeenschappelijk vermogen moet in functie hiervan worden vereffend en verdeeld.

Successierechten zijn slechts verschuldigd op hetgeen na vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel in de nalatenschap van de overleden echtgenoot valt (behoudens toepassing van artikel 4 e.v. W. Succ.).

Krijgt de langstlevende echtgenoot meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen, dan behoort dit surplus hem of haar toe op grond van het huwelijksvermogensrecht en valt het dus volgens het gemeen recht niet in de nalatenschap.
Vanuit fiscaal oogpunt moet dit meerdere deel echter opgenomen worden in de aangifte van nalatenschap omdat het bij fictie van de wet gelijk gesteld wordt met een legaat.

Artikel 5 W. Succ. bepaalt immers dat de overlevende echtgenoot, aan wie een huwelijksovereenkomst die niet aan de regelen betreffende de schenkingen is onderworpen, op voorwaarde van overleving meer dan de helft van de gemeenschap toekent, voor de heffingen van het successierecht en het recht van overgang gelijkgesteld wordt met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

In het Handboek registratie-en successierechten van De Groot e.a. wordt dit op pagina 233 met het volgende voorbeeld toegelicht: "De overlevende echtgenoot heeft krachtens een huwelijksovereenkomst, op voorwaarde van overleving recht op de helft van het gemeenschappelijk vermogen in volle eigendom en op de andere helft in vruchtgebruik: het successierecht is verschuldigd op dat vruchtgebruik".

De klassieke bedingen van ongelijke verdeling en verblijving zijn nadelig vanuit fiscaal oogpunt. De toebedeling boven de helft wordt in hoofde van de langstlevende als legaat belast bij toepassing van artikel 5 W. Succ. en de goederen die deel uitmaakten van het gemeenschappelijk vermogen zullen bij overlijden van de langstlevende nogmaals in hoofde van de erfgenamen worden belast.

Voor de belastbaarheid op grond van artikel 5 W. Succ. is vereist:
-dat nog geen schenkingsrecht werd geheven;
-dat het beding is gemaakt onder voorwaarde dat de echtgenoot-verkrijger van het voordeel, de andere overleeft (de zgn. overlevingsvoorwaarde).(4)

12. Er zijn bijgevolg op grond van artikel 5 W. Succ. geen successierechten verschuldigd wanneer in een huwelijkscontract bepaald wordt dat een van de echtgenoten het gemeenschappelijk vermogen verkrijgt ongeacht de oorzaak van ontbinding van het stelsel (bv. overlijden of echtscheiding).
Een dergelijk beding wordt hoofdzakelijk gebruikt door huwelijkspartners wanneer één van hen ernstig ziek is en wanneer de overlevingskansen gering zijn. Men hanteert in dit verband de term "sterfhuisclausule". Ook de term "nihilbeding" is ingeburgerd omdat er een echtgenoot is die zeker niets zal krijgen van de gemeenschap, zelfs als hij langer leeft.

Het voordeel dat door een van de echtgenoten wordt verkregen door een dergelijk beding is niet belastbaar als fictief legaat omdat de toebedeling boven de helft niet gekoppeld is aan de voorwaarde van overleving.(5)

CIVIELRECHTELIJKE KWALIFICATIE VAN HUWELIJKSVOORDELEN.

             
13. Huwelijksvoordelen zijn verrijkingen die voor één der echtgenoten ontstaan uit de wijze van samenstelling, de werking of de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel.(6)

Huwelijksvoordelen worden als verkrijgingen onder bezwarende titel aangemerkt en niet als schenkingen. Zij worden immers aangegaan binnen in het raam van het huwelijkscontract waarin een zeker evenwicht wordt nagestreefd.(7)

Dit heeft tot gevolg dat zij niet moeten worden aangerekend op het beschikbaar gedeelte van de nalatenschap van de echtgenoot die het eerst komt te overlijden. Het voordeel dat er het gevolg van is, dient niet aan de fictieve massa te worden toegevoegd.

Huwelijksvoordelen zijn niet vatbaar voor inkorting. De reservataire erfgenamen moeten de gevolgen ervan ondergaan zonder dat zij door een beroep te doen op hun voorbehouden erfdeel de uitwerking ervan kunnen verhinderen.(8)
De combinatie van de inbreng met een beding van vooruitmaking, ongelijke verdeling of verblijving, brengt de toebedeling echter in beperkte mate binnen het toepassingsgebied van het erfrecht (zie artikel 1458, tweede lid en artikel 1464, tweede lid B.W.).(9)

14. De kwalificatie als voordeel ten bezwarende titel geldt, zoals reeds werd aangetoond, enkel op civielrechtelijk vlak.
Wat het fiscale aspect betreft, heeft de wetgever in de fictiebepaling van artikel 5 van het Wetboek Successierechten overlevingsrechten waarbij meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende worden toegekend en die civielrechtelijk niet als schenkingen worden beschouwd, voor de heffing van successierechten toch gelijkgesteld met schenkingen door overlijden of uiterste wilsbeschikkingen.(10)

Artikel 5 W. Succ. voorziet evenwel niet in de belastbaarheid van huwelijksvoordelen die geen overlevingsrechten zijn.
15. Krachtens artikel 1464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek worden het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijk vermogen als schenkingen beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag van de verdeling, van de tegenwoordige of toekomstige goederen die de vooroverleden echtgenoten in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in het huwelijkscontract. Het aandeel boven de helft wordt als een schenking beschouwd.

Het is niet onmiddellijk duidelijk wat de wetgever hiermee heeft bedoeld.
Volgens de parlementaire voorbereiding strekt deze wetsbepaling tot bescherming van alle rechthebbenden op een voorbehouden erfdeel. (11)

In navolging van Casman en Verbeke nam de Plenaire Kamer van het Comité voor Studie en Wetgeving terecht aan dat die wetsbepaling niet leidt tot een herkwalificatie van het surplus als schenking - het surplus is geen schenking -, maar tot gevolg heeft dat dit voordeel louter vanuit het oogpunt van een mogelijke inkorting onweerlegbaar als een schenking moet worden beschouwd. (12).

De kwalificatie "schenking" in artikel 1464, tweede lid, B.W. is derhalve objectief, in die zin dat geen rekening wordt gehouden met de werkelijke bedoeling. Zelfs indien er geen animus donandi voorhanden was, dan nog moet er ingekort worden indien dit wordt gevorderd.(13)

De wetgever had uitsluitend de bedoeling om bij verdelingsbedingen die gecombineerd worden met een inbreng te vermijden dat de rechten van de reservatairen te sterk zouden aangetast worden.

Zonder noodzakelijk "subjectief" een werkelijke schenking te zijn, is het voordeel van het surplus toch onderworpen aan de regels van de schenking.(14) Dit betekent echter niet dat het surplus civielrechtelijk zonder meer een schenking is waarop de fiscus zich kan beroepen voor het heffen van schenkingsrechten.
Maakt de sterfhuisclausule wel een huwelijksvoordeel uit?

16. Sommige auteurs twijfelen eraan of de sterfhuisclausule wel kan beschouwd worden als een huwelijksvoordeel. Indien een dergelijk verblijvingsbeding bedongen wordt buiten de hypothese van overleving, wordt de vraag gesteld of we dan wel nog te maken hebben met een huwelijksvoordeel.
Onder meer de auteurs Dewulf, Declerck en Du Mongh merken op dat artikel 1461 BW net als artikel 1457 B.W. aan de bedingen van vooruitmaking, ongelijke verdeling en verblijving een overlevingsvoorwaarde koppelt. Ook artikel 1429 juncto 299 B.W. zou slechts "overlevingsrechten" viseren.(15)

Deze auteurs zijn van oordeel dat de invoering van de overlevingsvoorwaarde in de huidige artikelen 1457 en 1461 B.W. niet onbewust is gebeurd.
Zij verwijzen naar het advies van de Raad van State bij de wet van 14 juli 1976 waarin het volgende te lezen staat: "De tekst van artikel 199 van het ontwerp neemt het huidig artikel 1525 van het Burgerlijk Wetboek over en vult het aan. Het beslecht een twistpunt in de zin zoals aangenomen door de rechtspraak. a) De tekst bepaalt nader dat het beding slechts kan gesteld worden in het voordeel van een overlevende".(16)

Indien we aannemen dat de sterfhuisclausule burgerrechtelijk buiten de voorwaarde van overleving kan worden bedongen, zou bijkomend de vraag rijzen of we ons nog wel binnen de uitzonderingsclausule van de artikelen 1458 en 1464 van het Burgerlijk Wetboek bevinden en of het risico niet bestaat dat de clausule als een schenking moet worden beschouwd.
Uit het arrest van het Hof van 23 november 2001 wordt door de auteurs Declerck en Du Mongh afgeleid dat de overlevingsvoorwaarde als essentieel wordt beschouwd. (17) In dit arrest oordeelt het Hof dat met voordelen in de zin van die bepaling (artikel 299 B.W.) worden bedoeld, eensdeels alle schenkingen tussen echtgenoten, andersdeels, de voordelen die tegelijk overlevingsrechten zijn, met name de bedingen van vooruitmaking en de bedingen van ongelijke verdeling van de huwgemeenschap. (18)

De beide auteurs stellen zich tevens de vraag in welke mate het nihilbeding verenigbaar is met de essentiële kenmerken van een gemeenschapsstelsel, dat steunt op de solidariteitsgedachte tussen echtgenoten en op de participatie van beide echtgenoten in de opbouw van het gemeenschappelijk vermogen.(19)

17. Uit het arrest van 23 november 2001 kan m.i. echter niet worden afgeleid dat er slechts huwelijksvoordelen inzake vereffening-verdeling bestaan die als overlevingsrecht zijn geformuleerd. Over die vraag diende het Hof in dit arrest geen uitspraak te doen.

De parlementaire voorbereiding van de wet van 14 juli 1976 sluit op zijn beurt geenszins uit dat de ongelijke verdeling van de gemeenschap wordt bedongen bij ontbinding om welke reden ook. Er werd slechts vastgesteld dat de overlevingsrechten doorgaans alleen worden bedongen voor het geval waarin het stelsel wordt ontbonden door het overlijden van een der echtgenoten, zonder uit te sluiten dat dit zonder deze voorwaarde, en dus bij ontbinding om welke reden ook, wordt bedongen.(20)

De tekst van artikel 1451 van het Burgerlijk Wetboek bevat een tweede belangrijk tegenargument tegen de restrictieve zienswijze dat het verblijvingsbeding aan de voorwaarde van overleving moet worden gekoppeld.
Artikel 1451 van het Burgerlijk Wetboek vermeldt enkel bij wijze van voorbeeld de hypothese van ontbinding van het huwelijk door overlijden en is geenszins limitatief omdat deze bepaling uitdrukkelijk stelt dat de echtgenoten met name kunnen overeenkomen. Andere bedingen zonder overlevingsvoorwaarde (zoals de sterfhuisclausule) zijn bijgevolg mogelijk.(21)

Ook uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de opsomming in artikel 1451 van het Burgerlijk Wetboek inzake overeenkomsten die het wettelijk stelsel kunnen wijzigen niet limitatief is en ruimte laat aan de verbeelding van partijen en notarissen om nog andere wijzigingen van het wettelijk stelsel te bedenken.(22)

DE STERFHUISCLAUSULE OF HET NIHILBEDING: EEN CONTRACTUELE ERFSTELLING?

18. Zoals reeds werd aangetoond, valt de sterfhuisclausule niet onder het toepassingsgebied van artikel 5 W. Succ. De aangeduide echtgenoot verkrijgt het gehele gemeenschappelijke vermogen immers niet op voorwaarde van overleving, maar ongeacht de oorzaak van ontbinding van het huwgemeenschap.

De fiscus is echter van oordeel dat er een schenking voorhanden is en meer bepaald een contractuele erfstelling waarop artikel 2 W. Succ. dient te worden toegepast.(23) Artikel 2 W. Succ. heft de successierechten "op de erfgoederen, ongeacht of zij ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling worden overgemaakt".
Een contractuele erfstelling is een erfstelling die bij wijze van overeenkomst tot stand komt. Zij is een overeenkomst onder kosteloze titel, waarbij iemand ten voordele van een ander beschikt over de goederen die zijn nalatenschap zullen samenstellen.(24)

De verrijking van de ene echtgenoot ten koste van de andere ontstaat niet door de wijze van samenstelling, werking of vereffening van het huwelijksvermogensstelsel, maar door het overlijden. Een contractuele erfstelling is dus geen huwelijksvoordeel, maar een wijze van erfopvolging. (25)

Of nog anders geformuleerd: het wezenlijk kenmerk van de contractuele erfstelling is derhalve dat zij een wijze is om over zijn goederen te beschikken bij overlijden, en dat zij dus betrekking heeft op de toekomstige goederen die de nalatenschap zullen vormen.

19. De auteurs Casman en Verbeke argumenteren terecht dat een sterfhuisclausule nooit een contractuele erfstelling kan uitmaken: een contractuele erfstelling heeft enkel betrekking op goederen van de nalatenschap van de beschikker: de eigen goederen en zijn aandeel in de gemeenschap na vereffening-verdeling van de gemeenschap.
Bij verdelingsbedingen van de gemeenschap zitten we niet op het niveau van de nalatenschap maar op een eerder niveau.(26)

Het verblijvingsbeding in het huwelijkscontract waarbij de volledige gemeenschap bij ontbinding van de huwgemeenschap om eender welke reden aan een bepaalde echtgenoot wordt toebedeeld, is geen overeenkomst betreffende goederen die het voorwerp zullen uitmaken van de nalatenschap van de overleden echtgenoot, maar een overeenkomst betreffende dit gemeenschappelijk vermogen. De sterfhuisclausule (of nihilbeding) is vanuit die optiek geen contractuele erfstelling.(27)
20. Na deze toelichting bij de relevante wetsbepalingen keren we terug naar het tweede onderdeel van het cassatiemiddel. De appelrechters zijn m.i. terecht van oordeel dat het litigieuze beding geen contractuele erfstelling is.
Het verblijvingsbeding in het huwelijkscontract waarbij de volledige gemeenschap bij de ontbinding van de huwgemeenschap "om eender welke reden" aan een bepaalde echtgenoot wordt toebedeeld, is geen overeenkomst betreffende goederen die het voorwerp zullen uitmaken van de nalatenschap van de overleden echtgenoot, maar is een overeenkomst betreffende het gemeenschappelijk vermogen.(28) Als de nalatenschap van de "schenker" openvalt door diens overlijden, zal zijn nalatenschap alleen zijn eigen goederen omvatten als de volledige gemeenschap werd toegekend aan de langstlevende.

21. De specifieke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over het huwelijksvermogensrecht verplichten de rechter niet tot de kwalificatie van de verrichting als een schenking in de gebruikelijke zin van het woord of als een contractuele erfstelling.
Het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen worden op grond van artikel 1464, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek niet als schenkingen beschouwd, maar als huwelijksvoorwaarden.

Huwelijksvoorwaarden of huwelijksvoordelen zijn de verrijkingen ontstaan in hoofde van één der echtgenoten ten nadele van de andere en bekomen ten gevolge van de wijze van samenstelling, werking of vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. Zij worden als overeenkomsten ten bezwarende titel beschouwd, zodat de regels van de schenkingen hierop niet van toepassing zijn.

Ook een beding van ongelijke verdeling of een beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen, dat niet gekoppeld is aan een overlevingsvoorwaarde maar uitwerking heeft, ongeacht de reden van ontbinding van het stelsel, moet als een huwelijksvoorwaarde worden beschouwd.(29)

Het bepaalde in artikel 1464, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek doet hieraan geen afbreuk. Die wetsbepaling strekt in het bijzonder tot bescherming van alle rechthebbenden op een voorbehouden erfdeel en beschouwt ter bescherming van hun rechten de verblijvingsbedingen met betrekking tot de goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft ingebracht als schenkingen voor het surplus d.i. het aandeel boven de helft.
De bescherming die artikel 1464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek biedt aan de reservataire erfgenamen is van overeenkomstige toepassing indien in het huwelijkscontract een verblijvingsbeding werd ingelast dat uitwerking heeft, welke ook de reden van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel is, en dat gecombineerd wordt met de inbreng van eigen goederen in het gemeenschappelijk vermogen door de eerst overleden echtgenoot.

Artikel 1464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek leidt er niet toe dat het surplus wordt geherkwalificeerd als een schenking, maar heeft slechts tot gevolg dat dit voordeel bij het overlijden van de echtgenoot die eigen goederen heeft ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen, als een schenking wordt beschouwd en derhalve aan inkorting kan worden onderworpen. (30).

Het bestreden arrest heeft m.i. dan ook wettig geoordeeld dat het litigieus verblijvingsbeding en het surplus geen contractuele erfstelling uitmaken en dat het surplus niet belastbaar is op grond van artikel 2 W. Succ.
Het tweede onderdeel, dat berust op de veronderstelling dat het voornoemde beding een contractuele erfstelling uitmaakt, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt dienvolgens naar recht.

22. Het derde onderdeel berust op de premisse dat een beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gemeenschappelijk vermogen slechts als huwelijksvoorwaarden kunnen worden beschouwd wanneer zij afhankelijk zijn van een overlevingsvoorwaarde.

Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat ook die stelling faalt naar recht.
Besluit: VERWERPING.
______________________
(1) Comité voor studie en wetgeving, Verslagen en debatten, Dossier Nr. 4374bis; "Huwelijksvermogensstelsels- Civielrechtelijke en successierechtelijke aspecten in de gevallen van de artikelen 1464 en 1465 van het burgerlijk wetboek van volgende clausule: Het gemeenschappelijk vermogen komt aan de vrouw toe ongeacht de oorzaak van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel", Brussel, Bruylant, 2008, 87-126; H. CASMAN en A. VERBEKE, "Belastbaarheid van huwelijksvermogensrechtelijke verkrijgingen", N.F.M., 2007, 32-35; Ch. DECLERCK, "Secundair huwelijksvermogensstelsel", in W. PINTENS en J. DU MONGH (eds.), Patrimonium 2007, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2007, 58-59; G. DEKNUDT, "Bedenkingen bij de fiscale behandeling van voordelen tussen echtgenoten bij huwelijkscontract", in Notariële clausules. Liber Amicorum Professor Johan Verstraete, Antwerpen, Oxford, Intersentia, 2007, 475-491; C.DE WULF, "Een kritische doorlichting van recente rechtspraak en rechtsleer in verband met de sterfhuisclausule", T. Not., 2008, 467-485; J. DU MONGH, "Huwelijksvoordelen en successieplanning. Voorzichtigheid blijft geboden", T. Not., 2005, 492-509; J. DU MONGH, "Huwelijksvoordelen en successieplanning", in Themis Familiaalvermogensrecht 2006, 77-92; N. GEELHAND, "Het finaal verrekenbeding. Weerlegging van een onterechte kritiek", Not. Fisc. Maandblad, 2009, 103-192; B. INDEKEU, "De sterfhuisconstructie gered" (noot onder Antwerpen, 24 juni 2008)", A.F.T. 2009, 30-33; S. VANDEN DAELEN, "De sterfhuisconstructie fiscaal ont(k)leed", Jura Falconis, 2007-2008, 59-73; L. WEYTS, " Een toebedeling van de gemeenschap aan slechts een echtgenoot: is dit een ontsnappingsroute aan artikel 5 W. Succ.met een boodytrap of is het een veilig pad?", T. Not., 2005, 2-8.
(2) Zie nader: D. DE GROOT, M. GHYSELEN en T. WUSTENBERGHS, Handboek registratie-en successierechten, Antwerpen, Intersentia, 2006, 232-233.
(3) D. MICHIELS, "Huwelijkscontracten als instrumenten van vermogensplanning", A.F.T., 2008/1, (4), 9.
(4) D. DE GROOT, M. GHYSELEN en T. WUSTENBERGHS, o.c., 233; J. DECUYPER en J. RUYSSEVELDT, Successierechten 2004-2005, I, Mechelen, Kluwer, 2004, 73, nr. 133.
(5) Zie nader: D. DE GROOT, M. GHYSELEN en T. WUSTENBERGHS, o.c., 233. Zie tevens E. SPRUYT, J. RUYSSEVELDT en P. DONS, Praktijkgids Successierecht & Planning. Addendum 2004, nr. II/1759.
(6) W. PINTENS, B. VAN DER MEERSCH en K. VANWINCKELEN, Inleiding tot het familiaal vermogensrecht, Leuven, Universitaire Pers, 2002, 266, nr. 548.
(7) H. CASMAN, Het begrip huwelijksvoordelen, Antwerpen, Kluwer, 1976, 118-119, nr. 92 en 263-264, nrs. 217-218; K. BOONE, "Artikel 1457, 1459 -1465 B.W", in Comm. Pers., 1; J. DU MONGH, "Huwelijksvoordelen en successieplanning. Voorzichtigheid blijft geboden", T. Not., 2007, 493, nr. 3; D. MICHIELS, "Huwelijkscontracten als instrumenten van vermogensplanning", A.F.T., 2008/1, (4), 9.
(8) H. CASMAN, "Op zoek naar de draad van Ariadne in de doolhof van huwelijksvoordelen of zouden het aanwinstenvoordelen moeten zijn?", in Over Erven. Liber Amicorum Mieken Puelinckx-Coene, F. SWENNEN en R. BARBAIX (eds.), Antwerpen, Kluwer, 2006, (83), 89.
(9) Zie nader: Ph. DE PAGE en I. DE STEFANI, "Les operations atypiques. Effet libéral et droit fiscal ", in Droit des successions et donations: actualités civile et fiscale, Brussel, Bruylant, 2006, (23), 24-26; J. DU MONGH, "Huwelijksvoordelen en successieplanning. Voorzichtigheid blijft geboden", T. Not., 2007, 493, nr. 3; J. DU MONGH, "Huwelijksvoordelen en successieplanning", in Themis Familiaalvermogensrecht 2006, p. 78, nr. 3. Daarenboven bevat artikel 1465 B.W. een bijzondere bescherming bij niet gemeenschappelijke kinderen: "Ingeval er kinderen zijn die niet gemeenschappelijk zijn, blijft elk beding in het huwelijkscontract hetwelk ten gevolge heeft dat aan een der echtgenoten meer wordt gegeven dan het beschikbaar gedeelte, zonder gevolg ten aanzien van het meerdere; gelijke verdeling van hetgeen is overgespaard van de wederzijdse inkomsten der echtgenoten, al zijn die ongelijk, wordt echter niet beschouwd als een voordeel waardoor de kinderen die niet gemeenschappelijk zijn worden benadeeld". Ter bescherming van de stiefkinderen is er bijgevolg slechts sprake van een huwelijksvoordeel ten belope van de helft van de aanwinsten.
(10) K. BOONE, l.c.,. 1 en rdn. 3.
(11) Verslag Hambye, Gedr. St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, 82; M. VAN QUICKENBORNE, v° Contractuele erfstelling, in A.P.R., Gent, Story-Scientia, 1991, 147, nr. 286.
(12) Comité voor studie en wetgeving, Verslagen en debatten, Dossier Nr. 4374bis; "Huwelijksvermogensstelsels- Civielrechtelijke en successierechtelijke aspecten in de gevallen van de artikelen 1464 en 1465 van het burgerlijk wetboek van volgende clausule: Het gemeenschappelijk vermogen komt aan de vrouw toe ongeacht de oorzaak van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel", Brussel, Bruylant, 2008, (87), 125. Het betoog van Casman en Verbeke is terug te vinden op de pagina's 101-102: "Indien de verkrijging geen huwelijksvoordeel is, omdat het boven het plafond van 1464 (alle aanwinsten en helft inbreng) of 1465 (helft aanwinsten) uitkomt (hierna genoemd: het surplus), dan rijst de vraag hoe dit surplus civielrechtelijk moet worden gekwalificeerd. Civielrechtelijk wordt een vermogensvoordeel toegekend dat aan de regels van de schenkingen of minstens aan de regels van inkorting onderworpen is. Ook al is het surplus geen huwelijksvoordeel, het is ook geen schenking. In artikel 1464 B.W. wordt enkel bepaald dat dit surplus als schenking wordt beschouwd. De restrictieve betekenis blijkt uit artikel 1465 BW waar enkel sprake is van een mogelijke inkorting, ter bescherming van het reservataire erfrecht. Het gaat hier om een objectieve kwalificatie die op basis van een theorie der huwelijksvoordelen wordt gegeven aan de verkrijging en die een echtgenoot bekomt krachtens het huwelijksvermogensstelsel. Deze objectieve wettelijke kwalificatie staat los van de subjectieve intenties van partijen. Tot op zekere hoogte zijn dergelijke verkrijgingen objectief aangemerkt als huwelijksvoordelen onder bezwarende titel, vanaf een bepaalde grens of plafond moeten zij objectief worden beschouwd als niet meer onder bezwarende titel. Het surplus is dus geen huwelijksvoordeel, maar ook geen schenking. Dit doet denken aan het quasi-legaat in het nieuwe Nederlandse erfrecht waar een verblijvingsbeding ook geen schenking of gift is maar onder bepaalde voorwaarden wel voor inkorting in aanmerking komt"; In dezelfde zin:N. GEELHAND DE MERXEM, "Het finaal verrekenbeding. Weerlegging van een onterechte kritiek", N. F. M., 2009, (103), 139-141; Anders C.DE WULF, "Een kritische doorlichting van recente rechtspraak en rechtsleer in verband met de sterfhuisclausule", T. Not., 2008, 473-474 en G. DEKNUDT, "Bedenkingen bij de fiscale behandeling van voordelen tussen echtgenoten bij huwelijkscontract", in Notariële clausules. Liber Amicorum Professor Johan Verstraete, Antwerpen, Oxford, Intersentia, 2007, (475), 487. Zowel DE WULF als DEKNUDT zijn van oordeel dat de stelling van CASMAN en VERBEKE in elk geval voor wat betreft de artikelen 1458 en 1464 B.W. ingaat tegen een duidelijke wettekst (er staat immers "wordt beschouwd als" en niet "wordt onderworpen aan de regelen van de schenkingen"). DEKNUDT merkt tevens op dat de sterfhuisclausule kan aanleiding geven tot het heffen van schenkingsrechten. G. DEKNUDT, l.c., 485-489 en i.h.b. 485, nr. 12 en de noot 37.
(13) Veelal wordt aangenomen dat de inkorting in waarde en niet in natura dient te gebeuren. Zie ook R. DILLEMANS, Erfrecht. Deel I. Toewijzing van de nalatenschap, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 1984, 399; W. PINTENS, B. VAN DER MEERSCH en K. VANWINCKELEN, Inleiding tot het familiaal vermogensrecht, Leuven, Universitaire Pers, 2002, 264, nr. 540 en de verwijzingen aldaar.
(14) Ook de omstandigheid dat in de tekst van artikel 1465 B.W. het woord schenking niet wordt gebruikt, maar dat de wetgever opteerde voor de termen beschikbaar gedeelte en voordeel kan er op wijzen dat het "beschouwd worden als een schenking" restrictief moet uitgelegd worden. Comité voor studie en wetgeving, Verslagen en debatten, Dossier Nr. 4374bis, 124 e.v.; Of er sprake is van een parallellisme tussen de artikelen 1464 en 1465 B.W. wordt evenwel betwist. Voor een overzicht van de verschillende opvattingen: N. GEELHAND DE MERXEM, l.c., 137-141.
(15) Ch. DECLERCK, Secundair huwelijksvermogensstelsel in W. PINTENS en J. DU MONGH (eds.), Patrimonium 2006, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2006, 104-106; C. DE WULF, l.c., T. Not., 2008, 477-483; J. DU MONGH, "Huwelijksvoordelen en successieplanning. Voorzichtigheid blijft geboden", T. Not., 2007, 500, nr. 12; J. DU MONGH, "Huwelijksvoordelen en successieplanning", in Themis Familiaalvermogensrecht 2006, 84-86.
(16) Advies Raad van State, 2 december 1957, Parl. St. Senaat, 1964-65, nr. 138, p. 351.
(17) J. DU MONGH, "Huwelijksvoordelen en successieplanning", in Themis Familiaalvermogensrecht 2006, 84, nr. 13.
(18) Cass., 23 november 2001, A.C., 2001, nr. 641.
(19) Ch. DECLERCK, l.c., Patrimonium 2006, 105-106.
(20) Verslag Hambye, Gedr. St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, p. 70; Ibidem, p. 83: "Er wordt opgemerkt dat in vooruitmaking, evenals in ongelijke verdeling doorgaans niet wordt voorzien dan voor het geval van ontbinding van het huwelijk door overlijden van een der echtgenoten"; Zie over het oude artikel 1525 B.W.: H. DE PAGE, Traité, T. X, Les régimes matrimoniaux, II, Brussel, Bruylant, 1949, p. 999, nr. 1257: "L'article 1525 répond, nous semble-t-il, à ces réserves. Il permet d'attribuer toute la communauté au survivant des époux (1) ou à l'un d'eux seulement (2) et abstraction faite de la servie (3). Et cette stipulation, ainsi definie, n'est point réputée un avantage sujet aux règles des donations, mais simplement une convention de mariage, entre associés".
(21) H. CASMAN en A. VERBEKE, "Wat is een huwelijksvoordeel", N.F.M., 2005, (292), 295.
(22) Verslag Hambye, Gedr. St., Senaat, B.Z., 1974, nr. 683/2, 78: "De stelsels die in het Regeringsontwerp voorkwamen maar niet zijn aangenomen, evenals het burgerlijk recht van andere landen, kunnen de verbeelding van partijen en notarissen aan het werk zetten om nog andere wijzigingen van het wettelijk stelsel te bedenken".
(23) Administratieve beslissing, 6 december 2004, Rec. gén. enr. not., 2005, nr. 25.547.
(24) H. DE PAGE, Traité, VIII/2, Brussel, Bruylant, 1973, 1755-1756, nr. 1611.
(25) M. VAN QUICKENBORNE, Contractuele erfstelling, in A.P.R., Brussel, Story-Scientia, 1991, p. 85, nr. 159.
(26) H. CASMAN en A. VERBEKE, "Belastbaarheid van huwelijksvermogensrechtelijke verkrijgingen", Not. Fisc. M., 2007, (32), 34; Zie in die zin ook: G. DEKNUDT, "Bedenkingen bij de fiscale behandeling van voordelen tussen echtgenoten bij huwelijkscontract", in Notariële clausules. Liber Amicorum Professor Johan Verstraete, Antwerpen, Oxford, Intersentia, 2007, (475), 483-484; S. VANDEN DAELEN, "De sterfhuisconstructie fiscaal ont(k)leed", Jura Falconis, 2007-2008, (59), 69; I. VERHULST, "Kan artikel 2 W. Succ. worden toegepast op bedingen van ongelijke verdeling" (noot onder Rb. Hasselt, 18 oktober 2006, T.F.R., 2007, (509), 511; L. WEYTS, " Een toebedeling van de gemeenschap aan slechts een echtgenoot: is dit een ontsnappingsroute aan artikel 5 W. Succ.met een boodytrap of is het een veilig pad?", T. Not. 2005, (2), 6.
(27) H. CASMAN en A. VERBEKE, o.c.., Not. Fisc. M., 2007, (32), 33; L. WEYTS, "Successierecht:ontsnappingsroute aan artikel 5 W. Succ. door de administratie beoordeeld", T. Not., 2005, 334-335; L. WEYTS, 'Een toebedeling van de gemeenschap aan slechts een echtgenoot: is dit een veilige ontsnappingsroute aan artikel 5 W. Succ. met een boodytrap of is het een veilig pad", T. Not., 2005, (2), 6, nr. 9.
(28) Zie randnummer 18-19.
(29) Zie randnummer 13 tot 17.
(30) Zie randnummer 15.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 26/09/2011 - 23:05
Laatst aangepast op: di, 27/09/2011 - 00:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.