-A +A

Contractuele erfstelling en onherroepelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 20/11/2012

Een contractuele erfstelling in de zin van artikel 2 W. Succ. is een erfstelling die bij wijze van een overeenkomst tot stand komt; zij is een overeenkomst om niet, waarbij iemand ten voordele van een ander beschikt over de goederen die zijn nalatenschap zullen samenstellen; een contractuele erfstelling heeft enkel betrekking op de goederen van de nalatenschap van de beschikker.

De specifieke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over het huwelijksvermogensrecht verplichten niet tot een kwalificatie als een schenking of een contractuele erfstelling.

Behalve middels wijziging van het huwelijkscontract nan niet worden teruggekomen op de contractuele erfstelling. Is de contractuele erfstelling gedaan bij huwelijkscontract, dan mag de erfsteller immers niet meer om niet beschikken over de in de erfstelling begrepen goederen. De erfsteller kan deze goederen niet nogmaals hetzij bij testament hetzij bij schenking hetzij anderszins bij gift vermaken. Zelfs de instemming van de partijen bij de contractuele erfstelling, in casu de echtgenoten, en gebeurlijk hun kinderen, verhelpt niet. Dit laatste houdt verband met het principiële verbod van bedingen betreffende toekomstige nalatenschappen (art. 1130, tweede lid BW), dat de openbare orde raakt en dat de rechter in voorkomend geval ambtshalve moet opwerpen 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
868
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

A. Van V. e.a. t/ M. Van V. en A. De B.

...

II. Relevante elementen

1. De eerste, tweede en derde eisers en de eerste verweerster zijn de kinderen van enerzijds Urbaan Van V. (laatst wonende te M. en met testament overleden te E. op 15 januari 1996) en anderzijds Geeraarda R. (laatst wonende te W. en aldaar met testament overleden op 16 april 2011).

2. Het ouderpaar Van V.-R. was gehuwd onder een huwelijkscontractueel bedongen stelsel van algehele gemeenschap met een (wederzijdse) contractuele erfstelling in vruchtgebruik m.b.t. alle goederen die tot de nalatenschap van de eerststervende zullen behoren.

3. Tot de gewezen huwelijksgemeenschap Van V.-R. behoren vier percelen landbouwgrond te M. en een perceel landbouwgrond te E. Deze goederen zijn sinds 1979 verpacht aan de eerste eiser en zijn echtgenote (M.B.).

4. De vierde eiseres is gehuwd met de derde eiser onder een huwelijkscontractueel bedongen stelsel van algehele gemeenschap.

5. De tweede verweerder is gehuwd met de eerste verweerster, eveneens onder een huwelijkscontractueel bedongen stelsel van algehele gemeenschap.

6. Het vermogen van het ouderpaar Van V.-R. is op die manier, benevens de schenking (in blote eigendom) van 17 september 1991 van het ouderpaar Van V.-R. aan de eerste eiser (met tussenkomst van de overige kinderen) en mede gelet op de testamenten van vader Van V. en moeder R., toegevallen aan hun kinderen, de partijen in deze zaak (art. 745 en 915 BW).

De bedoelde schenking van 17 september 1991 slaat eveneens op (onroerende) landbouwgronden te M., maar (uiteraard) niet op voormelde percelen landbouwgrond te M. en te E., die tot de gewezen huwelijksgemeenschap Van V.-R. zijn blijven behoren. Het gaat voorts om een schenking in blote eigendom. Het vruchtgebruik is (integraal) voorbehouden aan het ouderpaar Van V.-R., zo ook aan de langstlevende van hen.

Blijkens de gelijkluidende notariële testamenten van 23 januari 1992 van elk van beide ouders wordt aan de eerste eiser het recht verleend tot overname op schatting van (de gerechtigheden in) voormelde percelen landbouwgrond (te M. en te E.) die tot de gewezen huwelijksgemeenschap Van V.-R. zijn blijven behoren, alsook een recht van overname op prijzij.

III. Vorderingen

1. De (hoofd)vordering van de eisers strekt tot gerechtelijke vereffening-verdeling van de gewezen huwelijksgemeenschap Van V.-R. en tot uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschappen van vader Van V. en moeder R.

De eerste eiser beoogt voorts, in de lijn van de testamenten van zijn ouders, gebeurlijk met toepassing van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, te worden toegelaten tot overname op schatting van voormelde landbouwgoederen te M. die tot de gewezen huwelijksgemeenschap Van V.-R. behoren, met aanstelling van een deskundige-schatter.

2. Bij wijze van tegenvordering beogen de verweerders de nietigverklaring van (1) de schenking van 17 september 1991 van het ouderpaar Van V.-R. aan de eerste eiser; (2) het testament van vader Van V. en (3) (de clausule van niet-vervreemding in) het testament van moeder R. De verweerders beklemtonen daarbij dat de aan te stellen notaris-vereffenaar (in de lijn van de beoogde nietigverklaring) tot hersamenstelling en herberekening van eenieders rechten/plichten in de te vereffenen-verdelen gewezen huwelijksgemeenschap Van V.-R. en de nalatenschappen van vader Van V. en moeder R. dient over te gaan, met alle gevolgen van dien, zo ook qua successiebelasting.

Gelet op de beoogde nietigverklaring van het testament van moeder R., kan de eerste eiser, aldus de verweerders, niet worden toegelaten tot overname op schatting van voormelde landbouwgronden te M. die tot de gewezen huwelijksgemeenschap Van V.-R. behoren.

Voorts achten de verweerders deze rechtbank (voor zover het betwiste testament van moeder R. als rechtsgeldig zou worden beschouwd, hoe dan ook) niet bevoegd om zich over de door de eerste eiser beoogde overname op schatting uit te spreken. Bij gebrek aan een (poging tot) schatting in der minne zou immers, overeenkomstig de bedoelde testamentaire clausule, enkel de vrederechter (van het kanton E.) bevoegd zijn.

De verweerders hebben hun vordering (hangende het geding) overeenkomstig art. 3 Hyp.W. laten melden in de kant van de overgeschreven schenkingsakte van 17 september 1991 in het register van de bevoegde hypotheekbewaarder (van het tweede hypotheekkantoor te Gent, onder de referte (...).

IV. Beoordeling

1. Het onderhavige geval valt in globo onder de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling (BS 14 september 2011).

2. Krachtens het nieuwe art. 1209, § 1 Ger.W. beslist de rechtbank over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie wordt gewezen (deze bepaling ligt in de lijn van het oude art. 1209, eerste lid Ger.W.; zie over de mogelijkheid voor de rechtbank om geschilpunten in de inleidende gerechtelijke fase op te lossen: T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, p. 139-141, nrs. 201-203).

Het past, teneinde de notariële werkzaamheden te kunnen kanaliseren, de geschilpunten die aan voormelde tegenvordering ten grondslag liggen, thans reeds te beslechten.

3. Zoals aangegeven, was het ouderpaar Van V.-R. gehuwd onder een huwelijkscontractueel bedongen stelsel van algehele gemeenschap met een (wederzijdse) contractuele erfstelling in vruchtgebruik m.b.t. alle goederen die tot de nalatenschap van de eerststervende zullen behoren.

De discussie over de kwalificatie van het bedoelde beding als een beding van vooruitmaking en zodoende als gebeurlijk huwelijksvoordeel om baat (dat sowieso enkel kan slaan op gemeenschapsgoederen) (zie dienaangaande: G. Van Oosterwijck, “Bevoordeling van de langstlevende echtgenoot bij huwelijkscontract, schenking of testament na de wet van 14 mei 1981”, RW 1981-82, p. 390-392, nrs. 19-20 en p. 400, nr. 32) dan wel als een contractuele erfstelling (zie dienaangaande: W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 705, nr. 1332; M. Van Quickenborne, Contractuele erfstelling in APR, Antwerpen, Kluwer, 1991, p. 3-4, nrs. 1-5), is overbodig.

De rechtbank kan de beoogde nietigverklaring van de schenking van 17 september 1991 van het ouderpaar Van V.-R. aan de eerste eiser (hoe dan ook) niet inwilligen.

Ging het om een huwelijksvoordeel (om baat), dan zou de geviseerde schenking sowieso verenigbaar zijn.

Het gaat evenwel duidelijk om een contractuele erfstelling. Bijgevolg is de bedoelde schenking enkel onverenigbaar in zoverre daarmee (buiten enig huwelijkscontractueel kader) zou worden teruggekomen op de contractuele erfstelling. Is de contractuele erfstelling gedaan bij huwelijkscontract, dan mag de erfsteller immers niet meer om niet beschikken over de in de erfstelling begrepen goederen (W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 706, nr. 1336). De erfsteller kan deze goederen niet nogmaals hetzij bij testament hetzij bij schenking hetzij anderszins bij gift vermaken (Cass. 4 december 1924, Pas. 1925, I, 58; M. Van Quickenborne, Contractuele erfstelling in APR, Antwerpen, Kluwer, 1991, p. 165, nr. 317; zie ook: R. Dillemans, M. Puelinckx-Coene, W. Pintens en N. Torfs, “Overzicht van rechtspraak (1970-1984): Schenkingen en testamenten”, TPR 1985, p. 571, nr. 49; J. Verstraete, “Schenking van gemeenschapsgoed aan kinderen” in A. Verbeke, F. Buyssens en H. Derycke (eds.), Handboek Estate Planning, II, Vermogensplanning met effect bij leven: schenking, Gent, Larcier, 2009, p. 105-107, nr. 209). Zelfs de instemming van de partijen bij de contractuele erfstelling, in casu de echtgenoten, en gebeurlijk hun kinderen, verhelpt niet (J. Bael, Het verbod van bedingen betreffende toekomstige nalatenschappen, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 235, nr. 395, p. 485, nr. 780 en p. 491, nr. 793). Dit laatste houdt verband met het principiële verbod van bedingen betreffende toekomstige nalatenschappen (art. 1130, tweede lid BW), dat de openbare orde raakt en dat de rechter in voorkomend geval ambtshalve moet opwerpen (J. Bael, Het verbod van bedingen betreffende toekomstige nalatenschappen, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 123, nr. 225).

In zoverre zij de onverenigbaarheid van een en ander aanvoeren, gaan de verweerders er verkeerdelijk vanuit dat de contractuele erfstelling slaat op het grootste beschikbare gedeelte van de nalatenschap van de eerststervende. De verweerders baseren zich daarvoor op art. 35.2 van de wet van 14 mei 1981 tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot. Krachtens deze overgangsbepaling worden de echtgenoten, wanneer zij elkaar hebben begiftigd met het grootste gedeelte waarover mocht worden beschikt, geacht elkaar te hebben willen begiftigen met het gedeelte bepaald in art. 913 of 915 BW, behalve wanneer zij allebei verklaren de oorspronkelijke gift te willen behouden. Dezelfde regel geldt voor schenkingen van toekomstige goederen gedurende het huwelijk, gedaan vóór de inwerkingtreding van deze wet. Met deze overgangsbepaling heeft de wetgever een oplossing willen bieden mede voor contractuele erfstellingen van vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 mei 1981 (op 6 juni 1981), die nadien effect sorteren (d.w.z. toepassing vinden op overlijdens vanaf 6 juni 1981) (G. Van Oosterwijck, “Bevoordeling van de langstlevende echtgenoot bij huwelijkscontract, schenking of testament na de wet van 14 mei 1981”, RW 1981-82, p. 406, nr. 38).

Welnu, vóór de inwerkingtreding van de wet van 14 mei 1981 bedroeg het beschikbare gedeelte tussen echtgenoten, in aanwezigheid van kinderen of afstammelingen, 1/4 in volle eigendom en 1/4 in vruchtgebruik (oud art. 1094 BW). In aanwezigheid van “voorkinderen” (d.w.z. kinderen van vóór het huwelijk) was het beschikbare deel beperkt tot één kindsgedeelte, met als maximum 1/4 in volle eigendom (oud art. 1098 BW) (zie dienaangaande: M. Van Quickenborne, Contractuele erfstelling in APR, Antwerpen, Kluwer, 1991, p. 92-93, nr. 176). Nu mag de eerststervende ten voordele van de langstlevende in volle eigendom beschikken over 1/2, 1/3 of 1/4 van de nalatenschap al naargelang hij één, twee of drie kinderen nalaat (art. 913 BW). Laat de eerststervende slechts ascendenten na, dan mag hij de langstlevende met zijn hele nalatenschap bedenken (art. 915, tweede lid BW).

Zoals aangegeven, worden de echtgenoten die elkaar met het grootste beschikbare gedeelte hebben bedacht, krachtens art. 35.2 van de wet van 14 mei 1981 geacht elkaar te willen begiftigen met het nieuwe beschikbare gedeelte (in de zin van art. 913 of 915 BW). De wetgever vermoedt op die manier dat de echtgenoten elkaar doorgaans zo ruim mogelijk willen begiftigen. Dit vermoeden gaat enkel op in de gevallen die duidelijk vallen onder het bedoelde art. 35.2. De oorspronkelijke contractuele erfstelling moet derhalve duidelijk en ondubbelzinnig naar het vroegere grootste beschikbare gedeelte verwijzen (G. Van Oosterwijck, “Bevoordeling van de langstlevende echtgenoot bij huwelijkscontract, schenking of testament na de wet van 14 mei 1981”, RW 1981-82, p. 406-407, nr. 39).

Dit is in casu niet het geval, omdat de eerststervende de langstlevende slechts heeft bedacht met het vruchtgebruik van de hele nalatenschap (Rb. Leuven 27 maart 1987, TBBR 1989, 168; M. Grégoire, “L’application dans le temps de la loi du 14 mai 1981 et les dispositions transitoires” in E. Bouttiau e.a. (eds.), Les droits successoraux du conjoint survivant, Rencontres Notariat/U.C.L., 1981, 164; M. Van Quickenborne, Contractuele erfstelling in APR, Antwerpen, Kluwer, 1991, p. 97, nr. 184; M. Van Quickenborne, “Overgangsrecht i.v.m. de wet van 14 mei 1981” in M. Coene (ed.), Het erfrecht van de langstlevende echtgenoot, Antwerpen, Kluwer, 1982, 118).

Een dergelijke bedenking behelst geenszins (duidelijk en ondubbelzinnig) het vroegere grootste beschikbare gedeelte. Het vermoeden van het voormelde art. 35.2 speelt derhalve niet.

De schenking (in blote eigendom) van 17 september 1991 van het ouderpaar Van V.-R. aan de eerste eiser (met tussenkomst van de overige kinderen) is verenigbaar met de huwelijkscontractuele bedenking van de eerststervende ten behoeve van de langstlevende met het vruchtgebruik van de hele nalatenschap. Om diezelfde reden kan de rechtbank de beoogde nietigverklaring van de (gelijkluidende) testamenten van vader Van V. en moeder R. evenmin inwilligen.

Blijkens deze testamenten legateert de eerststervende aan de langstlevende zijn integrale roerende (lichamelijke dan wel onlichamelijke) vermogen. In zoverre (gelet op het voorliggende geval van vooroverlijden van vader Van V.) dit legaat van vader Van V. als eerststervende werkt ten behoeve van moeder R. als langstlevende, botst het geenszins met voormelde contractuele erfstelling. In zoverre het legaat slaat op vruchtgebruik m.b.t. het bedoelde roerende vermogen strekt het tot bevestiging van de contractuele erfstelling (die slaat op vruchtgebruik m.b.t. het totale nalatenschapsvermogen). In zoverre het legaat slaat op de blote eigendom m.b.t. het bedoelde roerende vermogen strekt het tot bijkomende begiftiging. Hoe dan ook wordt geenszins teruggekomen op de contractuele erfstelling, integendeel. Het legaat houdt geen beperking in tot louter roerend vermogen.

Blijkens deze testamenten wordt voorts aan de eerste eiser het recht verleend tot overname op schatting van voormelde landbouwgronden, alsook een recht van overname op prijzij. Wat betreft dit zogeheten “recht van overname op prijzij”, blijkt de eerste eiser niet aan te dringen of althans geen vordering te formuleren. De rechtbank gaat hier niet verder op in, temeer daar het bedoelde “recht van overname op prijzij” niet afdoende wordt gepreciseerd.

In zoverre de eerste eiser, in de lijn van de testamenten van zijn ouders, gebeurlijk met toepassing van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, wil worden toegelaten tot overname op schatting van voormelde landbouwgronden te M., botst hij (principieel) niet met voormelde huwelijkscontractuele regeling. Het bedoelde recht van overname geldt, krachtens art. 1 van voormelde wet, “onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die de rechten van de langstlevende echtgenoot (en van de langstlevende wettelijk samenwonende) vastleggen”. Punt is wel dat het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot de overname praktisch in de weg kan staan wanneer de langstlevende echtgenoot als vruchtgebruiker de overnemer niet wil laten exploiteren overeenkomstig art. 5 van voormelde wet van 29 augustus 1988 (vgl.: C. Sluyts en N. Vandebeek, “Het onroerend goed en de nalatenschap” in Onroerend goed in de praktijk, 2012, XIV.E, p. 250-251, nr. 14.9; W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 1157, nr. 2293).

Punten zijn voorts dat moeder R. als langstlevende echtgenoot sowieso kon testeren (J. Verstraete, “Schenking van gemeenschapsgoed aan kinderen” in A. Verbeke, F. Buyssens en H. Derijcke (eds.), Handboek Estate Planning, Gent, Larcier, 2009, p. 105-107, nr. 209) en dat op heden sinds het overlijden van moeder R.) hoe dan ook geen vruchtgebruik meer speelt.

Het testament van moeder R. is evenmin nietig wegens een zogeheten “onvervreemdbaarheidsclausule” (in strijd met art. 6 en 544 BW), laat staan in globo nietig (art. 900 BW; R. Dekkers en H. Casman, Handboek burgerlijk recht, IV, Huwelijksstelsels – Erfrecht – Giften, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 562-563, nr. 847). De enkele wens om de (onroerende) goederen (of gerechtigdheden) in de familie te houden, behelst geen onvervreemdbaarheidsclausule. Het betreft niet meer dan de uitdrukking van een (uiteindelijk vrijblijvende) wens.

4. Voormelde tegenvordering is, gelet op de in de loop van het geding gedane kantmelding, weliswaar ontvankelijk, maar kan derhalve in geen van haar onderdelen slagen.

5. De rechtbank kan op de vordering van de eisers ingaan, in zoverre zij strekt tot de bedoelde vereffening-verdelingen. Niemand kan immers worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en de verdeling kan te allen tijde worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling of overeenkomst (art. 815, eerste lid BW).

Indien de rechtbank de verdeling beveelt, verwijst zij de partijen naar de notaris-vereffenaar over wie de partijen het eens zijn, of, op een met redenen omkleed verzoek van de partijen, naar twee notarissen-vereffenaars waarvan zij gezamenlijk de aanwijzing vragen (nieuw art. 1210, § 1, eerste lid Ger.W.). Indien de partijen niet tot een akkoord komen of indien de rechtbank oordeelt dat de aanwijzing van twee notarissen-vereffenaars niet gerechtvaardigd is, verwijst zij de partijen naar een andere notaris-vereffenaar die zij aanwijst (nieuw art. 1210, § 1, tweede lid Ger.W.).

Bij gebrek aan consensus tussen de partijen, stelt de rechtbank ambtshalve aan als notaris-vereffenaar: notaris J.H.

De rechtbank wijst (met toepassing van het oude art. 1209, derde lid Ger.W.) geen notaris meer aan teneinde de niet-verschijnende of weigerende partij te vertegenwoordigen. Gelet op de met het nieuwe art. 1214, § 6 Ger.W. aan de notaris-vereffenaar verleende bevoegdheid, is een dergelijke extra aanwijzing niet meer aan de orde.

6. De rechtbank kan ook ingaan op de vordering van de eerste eiser in zoverre hij beoogt, in de lijn van de testamenten van zijn ouders, gebeurlijk met toepassing van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling van landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit, te worden toegelaten tot overname naar schatting van voormelde landbouwgoederen te M. Deze vordering is te situeren binnen het toepassingsgebied van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit (zie dienaangaande: W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 1155-1156, nrs. 2290-2304). Voorts bevat het ouderlijke vermogen Van V.-R. meer dan enkel nog onroerende elementen (vgl.: J. Du Mongh, C. Declerck en G. Deknudt, “Kroniek Familiaal Vermogensrecht: Erfrecht” in W. Pintens, J. Du Mongh en C. Declerck (eds.), Patrimonium, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 138, nr. 193; W. Pintens, C. Declerck, J. Du Mongh en K. Vanwinckelen, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 1156-1157, nr. 2292).

Anders dan de verweerders aanvoeren, kan deze rechtbank zich in het raam van onderhavige procedure, die in essentie strekt tot de bedoelde vereffening-verdelingen betreffende de door de eerste eiser beoogde overname op schatting uitspreken, desnoods (bij gebrek aan een dienstige schatting in der minne) met aanstelling van een deskundige-schatter. De aangevoerde onbevoegdheid is niet aan de orde.

7. De rechtbank ziet echter geen reden om ab initio (met toepassing van het nieuwe art. 1213, § 1 Ger.W.) een deskundige landmeter-schatter aan te wijzen met het oog op schatting van voormelde landbouwgoederen te M.

De notaris-vereffenaar moet, (1) als expert inzake vastgoed en (2) gelet op zijn rol als onafhankelijke en onpartijdige “eerste rechter”, hieraan zo nodig zelf uit kunnen (nieuw art. 1214, § 3 Ger.W.; H. Casman, “Schatting van de goederen, verdeling in natura en kavelvorming” in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 86-87, nr. 10; zie ook: Antwerpen 19 december 2007, T.Not. 2009, 144; Brussel 13 april 2010, NjW 2010, 506).

Dit neemt echter niet weg dat hij, onder zijn verantwoordelijkheid (en zonder dat art. 962 e.v. Ger.W. daarbij spelen; vgl.: H. Casman, “Schatting van de goederen, verdeling in natura en kavelvorming” in H. Casman en C. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 89, nr. 19 en p. 91, nr. 25) advies van een derde (gebeurlijk een landmeter-schatter) kan inwinnen. Voor zover de notaris-vereffenaar de bedoelde schatting niet zelf zou kunnen doen, machtigt de rechtbank de notaris-vereffenaar enkel in zoverre nodig om (onder zijn verantwoordelijkheid) een deskundige in te schakelen. Nu de zienswijze van een dergelijke deskundige enkel dient om de werkzaamheden van de notaris-vereffenaar te ondersteunen, spelen art. 962-962bis Ger.W. hier niet (Brussel 9 november 2010, T.Not. 2011, 145).

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/02/2015 - 16:39
Laatst aangepast op: zo, 01/02/2015 - 16:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.