-A +A

Contractuele beperking aansprakelijkheid architect strijdig met openbare orde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 05/09/2014
A.R.: 
C.13.0395.N

Art. 1792 BW bepaalt dat indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk tenietgaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, de architect en de aannemer daarvoor gedurende tien jaar aansprakelijk zijn.

De tienjarige aansprakelijkheid van de architect die uit deze wetsbepaling volgt, is van openbare orde.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
668
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.13.0395.N

M.B. t/ M. Van L. e.a.

Conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal

Feiten en voorafgaande procedure

1. Volgens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan lieten verweerders sub 1.a. en 1.b. een woning met houten structuur oprichten en deden zij daarvoor een beroep op eiser als architect. In deze woning werd een houtkachel met bijkomend schouwkanaal geplaatst door een aannemer die in oktober 2001 zijn handelsfonds overliet aan derde verweerster (...).

Tweede verweerster (...) is de brandverzekeraar van deze woning.

Vierde verweerster (...) is de burgerlijke aansprakelijkheidsverzekeraar van derde verweerster (...).

Op 2 januari 2004 werd de woning van eerste verweerders bijna volledig vernield door een brand.

2. Bij beschikking van de kortgedingrechter te Brussel van 27 januari 2004 werd een branddeskundige aangesteld op verzoek van eerste en tweede verweerders; deze deskundige sloot zijn verslag af op 12 oktober 2004.

3. Eerste en tweede verweerders gingen vervolgens over tot dagvaarding ten gronde.

Bij het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 9 augustus 2012 werden onder meer derde verweerster (...), vierde verweerster (...) en eiser in solidum veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen. De appelrechter oordeelde onder meer:

– dat de schade werd veroorzaakt door de samenlopende fouten van de aannemer (derde verweerster) en de architect (eiser) en dat beiden in solidum gehouden zijn de schade volledig te vergoeden, ongeacht de onderlinge gehoudenheid tussen de aannemer en de architect;

– dat de architect (eiser) zich ten onrechte beroept op een beding in de architectenovereenkomst, waarbij de aansprakelijkheid in solidum contractueel werd uitgesloten.

4. Het cassatieberoep van eiser maakt het voorwerp uit van huidige cassatieprocedure.

Het eerste cassatiemiddel

5. In zijn enig cassatiemiddel voert eiser schending aan van art. 6, 1131, 1133, 1134, 1382 en 1792 BW.

Zoals vastgesteld door het bestreden arrest, beriep eiser zich als architect op art. 6.3 van de architectenovereenkomst dat bepaalt: “De architect staat niet in voor de geldelijke gevolgen van fouten en vergissingen van andere bouwpartners. Bij samenlopende fouten van de uitvoerders tot het ontstaan van schade is de architect gehouden alleen de schade te vergoeden die door zijn fout is ontstaan en dit in verhouding tot de foutaandelen van de andere uitvoerders”.

Eiser verwijt de appelrechter te hebben geoordeeld dat de architect zijn aansprakelijkheid, voortvloeiend uit de wettelijke opdracht hem toegekend door de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, contractueel niet kan beperken.

Eiser betoogt dat de appelrechter, door aldus te beslissen, de voormelde wetsbepalingen heeft geschonden, omdat de contractuele uitsluiting van in solidum-aansprakelijkheid niet indruist tegen de openbare orde of bepalingen van dwingend recht. Eiser betoogt dat zijn tienjarige aansprakelijkheid, geregeld bij art. 1792 BW, van openbare orde is, maar dat dit niet belet dat hij de in solidum-aansprakelijkheid met de aannemer uitsluit en aldus enkel hoeft in te staan voor de door hem veroorzaakte schade en niet voor de schade veroorzaakt door de aannemer.

Bespreking van het eerste cassatiemiddel

6. Art. 1792 BW bepaalt dat indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk tenietgaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, de architect en de aannemer daarvoor gedurende tien jaar aansprakelijk zijn.

De tienjarige aansprakelijkheid van de architect die uit deze wetsbepaling volgt, is van openbare orde.

7. De rechtsvraag in deze zaak is of een contractueel beding waarbij de in solidum-aansprakelijkheid van de architect met de aannemer in geval van samenlopende fouten wordt uitgesloten en waarbij de aansprakelijkheid van de architect wordt beperkt tot zijn aandeel in de schade, al dan niet geoorloofd is; deze rechtsvraag dient gezien te worden in het licht van de vraag of een dergelijk beding al dan niet een beperking van de wettelijke aansprakelijkheid op grond van art. 1792 BW inhoudt.

8. De rechtsleer blijkt verdeeld te zijn over het antwoord op deze rechtsvraag over de geldigheid van contractuele bedingen die de bouwheer het recht ontzeggen om de in solidum-aansprakelijkheid van de architect en de aannemer in te roepen.

9. Een eerste strekking is van mening dat art. 1792 BW noch enige andere wetsbepaling uitsluit dat de architect zijn aansprakelijkheid contractueel beperkt tot de door hem veroorzaakte schade. Een beding op grond waarvan de architect, in geval van een samenlopende fout met de aannemer, enkel voor zijn aandeel in de totstandkoming van de schade vergoeding verschuldigd is, is volgens deze visie dan ook rechtsgeldig. Er kan dan ook in de overeenkomst een beding worden opgenomen dat bepaalt dat de architect niet de financiële gevolgen zal dragen van de fouten van anderen, zoals de aannemer (G. Baert, Aanneming van werk in APR, Antwerpen, Kluwer, 2001, 429; G.-L. Ballon, “Exoneratie van aansprakelijkheid in solidum tussen architect en aannemer (noot onder Brussel 12 oktober 2001), AJT 2001-02, 742; S. Beyaert, “Aansprakelijkheid van de architect” in Onroerend goed in de praktijk, IV.H.4-3; A. Verbeke en C. Meert, “Opdracht en aansprakelijkheid van de architect” in H. Vandenberghe (ed.), De professionele aansprakelijkheid, Brugge, die Keure, 2004, 279).

Deze strekking voert als argumenten aan dat deze exoneratieclausule enkel particuliere belangen betreft en aldus de openbare orde niet raakt en dat de aansprakelijkheid in solidum niet in de wet staat, maar het resultaat is van een jurisprudentiële theorie; de wilsautonomie van partijen speelt aldus ten volle (J.-P. Vergauwe, Le droit de l’architecture, Brussel, De Boeck, 1991, 195). De architect exonereert zich immers niet voor zijn wettelijke professionele aansprakelijkheid, maar beperkt enkel de mogelijkheid van in solidum-aansprakelijkheid.

10. Een tweede strekking ziet in een dergelijk beding een beperking van de aansprakelijkheid van de architect jegens de bouwheer op grond van art. 1792 BW en beschouwt een dergelijk beding dan ook als strijdig met de openbare orde.

J.-F. en L.-O. Henrotte wijzen erop dat art. 1792 BW door zijn formulering vooronderstelt dat de bouwheer aanspraak moet kunnen maken op integrale vergoeding van zijn schade, zo niet zou dit een aanmoediging kunnen vormen voor een slechte uitvoering van het werk door de aannemer die wordt vrijgesteld van een ruimere vergoedingsplicht (J.-F. Henrotte en L.-O. Henrotte, L’architecte, contraintes actuelles et statut de la profession en droit belge, Brussel, Larcier, 2013, 432-433; O. Vanden Berghe en M. Hostens, “Exoneratieclausules” in G.-L. Ballon, H. De Decker, V. Sagaert, E. Terryn, B. Tilleman en A.-L. Verbeke (eds.), Contractuele clausules, Gemeenrechtelijke clausules, II, Antwerpen, Intersentia 2013, 1339).

11. Ik meen dat de tweede stelling dient bijgevallen te worden; een dergelijk exoneratiebeding van de in solidum-aansprakelijkheid van de architect voor gebreken die de stabiliteit van het gebouw in het gedrang brengen, beperkt naar mijn mening wel degelijk de aansprakelijkheid van de architect, die van openbare orde is. De bouwheer kan in dit geval immers de architect slechts aanspreken voor zijn contributoir deel en niet voor het geheel. Dit heeft onder meer tot gevolg dat, bij insolvabiliteit van de aannemer, de bouwheer slechts een deel van zijn schade vergoed zal zien. Het principe van volledige vergoeding van de schade ligt nochtans besloten in de tienjarige aansprakelijkheid.

12. Uw Hof besliste in zijn arrest van 6 januari 2012 dat uit art. 4 van de Architectenwet af te leiden is dat de architect als plicht heeft om de bouwheer raad te geven en bij te staan, omdat deze door de wet verplicht wordt om op zijn medewerking een beroep te doen voor het opmaken van de bouwplannen en voor de controle op de uitvoering van het werk waarvoor een bouwvergunning nodig is. Art. 22 van het reglement op de plichtenleer schrijft voor dat de architect de bouwheer bijstaat bij de keuze van de aannemer en dat daaruit volgt dat de plicht om de bouwheer bij te staan en raad te geven de architect met name verplicht om zijn opdrachtgever in te lichten nopens de reglementering betreffende de toegang tot het beroep en de gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien. Uw Hof besliste tevens dat die bepalingen van openbare orde zijn en dat daaraan geen afbreuk kan worden gedaan door bijzondere overeenkomsten (Cass. 6 januari 2012, Arr.Cass. 2012, 46, TBBR 2012, 267, noot L.-O. Henrotte en S. Van Der Mersch).

13. Naar analogie met deze leer, die elk contractueel beding van uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid van de architect verbonden aan zijn plicht tot raadgeving verbiedt, meen ik dat ook exoneratieclausules die de aansprakelijkheid van de architect wegens gebreken die de stabiliteit van het gebouw in het gedrag brengen, niet geoorloofd zijn, omdat die aansprakelijkheid van openbare orde is en aldus contactueel niet beperkt kan worden. Deze tienjarige aansprakelijkheid strekt er overigens niet enkel toe de bouwheer te beschermen, maar ook de openbare veiligheid te dienen (Cass. 11 april 1986, Arr.Cass. 1985-86, 1088).

14. Wanneer de architect zijn in solidum-gehoudenheid contractueel uitsluit, beperkt hij naar mijn mening op indirecte wijze zijn aansprakelijkheid, die van openbare orde is, omdat hij, zonder die contractuele beperking, ertoe gehouden is de bouwheer, die zelf geen fout heeft begaan en een rechtstreekse eigen schade lijdt, hiervoor volledig te vergoeden. Een dergelijke contractuele beperking van de tienjarige aansprakelijkheid lijkt mij aldus niet geoorloofd te zijn.

15. Het middel, dat uitgaat van een tegenovergestelde rechtsopvatting, lijkt mij aldus naar recht te falen.

...

Arrest

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 9 augustus 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Art. 1792 BW bepaalt dat indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk tenietgaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, de architect en de aannemer daarvoor gedurende tien jaren aansprakelijk zijn.

De tienjarige aansprakelijkheid van de architect die uit deze wetsbepaling voortvloeit, is van openbare orde en kan mitsdien contractueel niet worden uitgesloten of beperkt.

Het beding op grond waarvan de architect, in geval van een samenlopende fout met die van de aannemer, enkel voor zijn aandeel in de totstandkoming van de schade vergoeding verschuldigd is aan de bouwheer, houdt een beperking in van de aansprakelijkheid van de architect jegens de bouwheer op grond van art. 1792 BW en is in zoverre strijdig met de openbare orde.

2. Het middel dat aanvoert dat een contractuele uitsluiting van in solidum-aansprakelijkheid nooit indruist tegen de openbare orde, ook niet wanneer het een aansprakelijkheid op grond van art. 1792 BW betreft, omdat de in solidum-aansprakelijkheid gebaseerd is op de equivalentieleer en deze leer niet van openbare orde is, faalt naar recht.

...
C.13.0395.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Volgens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan lieten verweerders sub 1.a. en 1.b. een woning met houten structuur oprichten en deden zij daarvoor een beroep op eiser als architect.

In deze woning werd een houtkachel met bijkomend schouwkanaal geplaatst door een aannemer die in oktober 2001 zijn handelsfonds overliet aan derde verweerster (...).

Tweede verweerster (...) is de brandverzekeraar van deze woning.

Vierde verweerster (...) is de BA-verzekeraar van derde verweerster (...).

Op 2 januari 2004 werd de woning van eerste verweerders bijna volledig vernield door een brand.

2. Bij beschikking van de kortgedingrechter te Brussel van 27 januari 2004 werd een branddeskundige aangesteld op verzoek van eerste en tweede verweerders; deze deskundige sloot zijn verslag af op 12 oktober 2004.

3. Eerste en tweede verweerders gingen vervolgens over tot dagvaarding ten gronde.

Bij het bestreden arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 augustus 2012 werden onder meer derde verweerster (...), vierde verweerster (...) en eiser in solidum veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen.

De appelrechter oordeelde onder meer:
- dat de schade werd veroorzaakt door de samenlopende fouten van de aannemer (derde verweerster) en de architect (eiser) en dat beiden in solidum gehouden zijn de schade volledig te vergoeden, ongeacht de onderlinge gehoudenheid tussen de aannemer en de architect;
- dat de architect (eiser) zich ten onrechte beroept op een beding in de architectenovereenkomst, waarbij de aansprakelijkheid in solidum contractueel werd uitgesloten.

4. Het cassatieberoep van eiser maakt het voorwerp uit van huidige cassatieprocedure.
Het eerste cassatiemiddel

5. In zijn enig cassatiemiddel voert eiser schending aan van de artikelen 6, 1131, 1133, 1134, 1382 en 1792 van het Burgerlijk Wetboek.

Zoals vastgesteld door het bestreden arrest, beriep eiser zich als architect op artikel 6.3 van de architectenovereenkomst dat bepaalt: "De architect staat niet in voor de geldelijke gevolgen van fouten en vergissingen van andere bouwpartners. Bij samenlopende fouten van de uitvoerders tot het ontstaan van schade is de architect gehouden alleen de schade te vergoeden die door zijn fout is ontstaan en dit in verhouding tot de foutaandelen van de andere uitvoerders".

Eiser verwijt de appelrechter te hebben geoordeeld dat de architect zijn aansprakelijkheid, voortvloeiend uit de wettelijke opdracht hem toegekend door de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, contractueel niet kan beperken.

Eiser betoogt dat de appelrechter, door aldus te beslissen, de voormelde wetsbepalingen heeft geschonden, nu de conventionele uitsluiting van in solidum-aansprakelijkheid niet indruist tegen de openbare orde of bepalingen van dwingend recht. Eiser stelt dat zijn tienjarige aansprakelijkheid, geregeld bij artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek, van openbare orde is, maar dat zulks niet belet dat hij de in solidum-aansprakelijkheid met de aannemer uitsluit en aldus enkel hoeft in te staan voor de door hem veroorzaakte schade en niet voor de schade veroorzaakt door de aannemer.

Bespreking van het eerste cassatiemiddel

6. Artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk tenietgaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, de architect en de aannemer daarvoor gedurende tien jaar aansprakelijk zijn.

De tienjarige aansprakelijkheid van de architect die uit deze wetsbepaling volgt is van openbare orde.

7. De rechtsvraag in deze is of een contractueel beding waarbij de in solidum-aansprakelijkheid van de architect met de aannemer in geval van samenlopende fouten, wordt uitgesloten en waarbij de aansprakelijkheid van de architect wordt beperkt tot zijn aandeel in de schade, al dan niet geoorloofd is; deze rechtsvraag dient gezien te worden in het licht van de vraag of een dergelijk beding al dan niet een beperking van de wettelijke aansprakelijkheid ex artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek inhoudt.

8. De rechtsleer blijkt verdeeld te zijn over het antwoord op deze rechtsvraag over de geldigheid van contractuele bedingen die de bouwheer het recht ontzeggen om de in solidum-aansprakelijkheid van de architect en de aannemer in te roepen.

9. Een eerste strekking is van mening dat artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek noch enige andere wetsbepaling uitsluit dat de architect zijn aansprakelijkheid contractueel beperkt tot de door hem veroorzaakte schade. Een beding op grond waarvan de architect, in geval van een samenlopende fout met de aannemer, enkel voor zijn aandeel in de totstandkoming van de schade vergoeding verschuldigd is, is volgens deze visie dan ook rechtsgeldig. Er kan dan ook in de overeenkomst een beding worden opgenomen dat voorziet dat de architect niet de financiële gevolgen zal dragen van de fouten van anderen, zoals de aannemer(1).

Deze strekking voert als argumenten aan dat deze exoneratieclausule enkel particuliere belangen betreft en aldus de openbare orde niet raakt en dat de aansprakelijkheid in solidum niet in de wet staat maar het resultaat is van een jurisprudentiële theorie; de wilsautonomie van partijen speelt aldus ten volle(2). De architect exonereert zich immers niet voor zijn wettelijke professionele aansprakelijkheid, maar beperkt enkel de mogelijkheid van in solidum-aansprakelijkheid.

10. Een tweede strekking ziet in dergelijk beding een beperking in van de aansprakelijkheid van de architect jegens de bouwheer op grond van artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek en beschouwt dan ook dergelijk beding als strijdig met de openbare orde.
J.-F. en L.-O. HENROTTE wijzen erop dat artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek, door zijn formulering vooronderstelt dat de bouwheer moet kunnen genieten van integrale vergoeding van zijn schade, zoniet zou dit een aanmoediging kunnen vormen voor slechte uitvoering van de werken door de aannemer die wordt vrijgesteld van ruimere vergoedingsplicht(3).

11. Ik meen dat de tweede stelling dient bijgetreden te worden; dergelijk exoneratiebeding van de in solidum-aansprakelijkheid van de architect voor gebreken die de stabiliteit van het gebouw in het gedrang brengen, beperkt naar mijn mening wel degelijk de aansprakelijkheid van de architect, die van openbare orde is. De bouwheer kan in dit geval immers de architect slechts aanspreken voor zijn contributoir deel en niet voor het geheel. Dit heeft onder meer tot gevolg dat, bij insolvabiliteit van de aannemer, de bouwheer slechts een deel van zijn schade vergoed zal zien. Het principe van volledige vergoeding van de schade ligt nochtans besloten in de tienjarige aansprakelijkheid.

12. Uw Hof besliste in zijn arrest van 6 januari 2012 dat uit artikel 4 van de Architectenwet af te leiden is dat de architect als plicht heeft om de bouwheer raad te geven en bij te staan, nu deze door de wet verplicht wordt om op zijn medewerking een beroep te doen voor het opmaken van de bouwplannen en voor de controle op de uitvoering van de werken waarvoor een bouwvergunning nodig is. Artikel

22 van het reglement op de plichtenleer schrijft voor dat de architect de bouwheer bijstaat bij de keuze van de aannemer en dat daaruit volgt dat de plicht om de bouwheer bij te staan en raad te geven de architect met name verplicht om zijn opdrachtgever in te lichten nopens de reglementering betreffende de toegang tot het beroep en de gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien.

Uw Hof besliste tevens dat die bepalingen van openbare orde zijn en dat daaraan geen afbreuk kan worden gedaan door bijzondere overeenkomsten(4).

13. Naar analogie van deze leer, die elk contractueel beding van uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid uit hoofde van de architect verbonden aan zijn plicht tot raadgeving verbiedt, meen ik dat ook exoneratieclausules die de aansprakelijkheid van de architect wegens gebreken die de stabiliteit van het gebouw in het gedrag brengen, niet geoorloofd zijn, vermits die aansprakelijkheid van openbare orde is en aldus niet contactueel beperkt kan worden. Deze decennale aansprakelijkheid strekt er overigens niet enkel toe de bouwheer te beschermen, maar ook de openbare veiligheid te dienen(5).

14. Wanneer de architect zijn in solidum-gehoudenheid conventioneel uitsluit, beperkt hij naar mijn mening op indirecte wijze zijn aansprakelijkheid, die van openbare orde is, vermits hij, zonder die conventionele beperking, gehouden is de bouwheer, die zelf geen fout heeft begaan en een rechtstreekse eigen schade leidt, hiervoor volledig te vergoeden. Dergelijke conventionele beperking van de tienjarige aansprakelijkheid lijkt mij aldus niet geoorloofd te zijn.

15. Het middel, dat uitgaat van een tegenovergestelde rechtsopvatting, lijkt mij aldus naar recht te falen.
(...)
27. Conclusie: verwerping
_______________________
(1) G. BAERT, Aanneming van werk, in APR, 2001, 429; G.-L. BALLON, "Exoneratie van aansprakelijkheid in solidum tussen architect en aannemer, noot onder Brussel, 12 oktober 2001, AJT 2001-02, 742; S. BEYAERT, "Aansprakelijkheid van de architect", in Onroerend goed in de praktijk, afl. 244 (sept. 2012), IV.H.4-3; A. VERBEKE en C. MEERT, "Opdracht en aansprakelijkheid van de architect", in H. VANDENBERGHE (ed.), De professionele aansprakelijkheid, Brugge, Die Keure 2004, 279.
(2) J.-P. VERGAUWE, Le droit de l'architecture, Brussel, De Boeck 1991, 195.
(3) J.-F. HENROTTE en L.-O. HENROTTE, L'architecte, contraintes actuelles et statut de la profession en droit belge, Brussel, Larcier 2013, 432-433; O. VANDEN BERGHE en M. HOSTENS, "Exoneratieclausules", in G.-L. BALLON, H. DE DECKER, V. SAGAERT, E. TERRYN, B. TILLEMAN en A.-L. VERBEKE (eds.), Contractuele clausules, Gemeenrechtelijke clausules, II, Antwerpen, Intersentia 2013, 1339.
(4) Cass. 6 januari 2012, AR C.10.0182.F, AC 2012, nr. 12; TBBR 2012, 267, noot L.-O. HENROTTE en S. VAN DER MERSCH.
(5) Cass. 11 april 1986, AR 4903, AC 1985-86, nr. 491.
 

Noot: 

Dit arrest werd ook in NJW 2015, 108 gepubliceerd met noot S. Guiliams, "Beding waarin een architect zijn in-solidum-gehoudenheid uitsluit, is ongeoorloofd in zoverre het ook betrekking heeft op zijn tienjarige aansprakelijkheid" (met tal van verwijzingen). 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 28/12/2014 - 16:27
Laatst aangepast op: do, 08/02/2018 - 14:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.