-A +A

Contactverbod na einde relatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 26/10/2017

Een contactverbod gaat geenszins de rechtsmacht van een kortgedingrechter te buiten (art. 584 en 1039 Ger.W.). Dat de verbodsmaatregel geldt voor onbepaalde duur, maakt geenszins dat de rechtsmacht van de kortgedingrechter wordt overschreden. Een definitieve wijziging van de rechtspositie van de partijen wordt niet aangebracht.

Het kortgeding behoudt haar gelding tot een andersluidende beslissing van de rechter ten gronde tussenkomt.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018/1
Pagina: 
32
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Beroepen beschikking

1. Bij voorlopig uitvoerbare beschikking van 17 juni 2016 in de zaak met rolnummer 2016/0019/C verbiedt de kortgedingrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, D.D. op een nader in detail omschreven wijze S.C. te storen en contacteren, en dit onder verbeurte van een dwangsom ten bedrage van 250,00 euro per inbreuk op het bedoelde storings- en contactverbod, met een maximum van 25.000,00 euro.

D.D. en S.C. hadden een affectieve/amoureuze relatie gedurende enkele maanden, naar verluidt vanaf de maand mei 2015 tot de maand februari 2016.

Blijkbaar kan D.D. de relatiebreuk in februari 2016 moeilijk verwerken/verteren.

De kortgedingrechter acht de door S.C. aangevoerde urgentie bewezen, zo ook, ondanks het door D.D. gevoerde verweer, de feitelijke oorzaak van het door S.C. gevorderde storingsen contactverbod na de relatiebreuk.

De kortgedingrechter wijst de (in ondergeschikte orde ingestelde) tegenvordering van D.D., teneinde (in zoverre de hoofdvordering van S.C. slaagt) op zijn beurt een storingsen contactverbod ten laste van S.C. te doen opleggen, af (als ontvankelijk doch ongegrond).

De kortgedingrechter veroordeelt D.D. tot de nader begrote gedingkosten.

2. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 20 juli 2016 laat S.C. overgaan tot betekening van de kortgedingbeschikking van 17 juni 2016 aan D.D.

ll. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift van 18 augustus 2016 stelt D.D. tijdig, regelmatig en derhalve op ontvankelijke wijze hoger beroep in tegen de kortgedingbeschikking van 17 juni 2016 (art. 1051, 1056, sub 2° en 1057 Ger.W.).

Hij beoogt, met hervorming van deze beschikking, de afwijzing van het door S.C. gevorderde storings- en contactverbod, inzonderheid bij gebrek aan (aangehouden) urgentie en bewijs van de feitelijke oorzaak.

In ondergeschikte orde, in zoverre de hoofdvordering van S.C. blijft slagen, beoogt hij de inwilliging van zijn tegenvordering teneinde op zijn beurt een storings- en contactverbod ten laste van S.C. te doen opleggen.

Voorts beoogt hij de veroordeling van S.C. tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

2. S.C. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van de beroepen kortgedingbeschikking, met veroordeling van D.D. tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

3. Het hof heeft de partijen in hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2017 D.D. en S.C. waren op die zitting ook in persoon aanwezig. Nadien heeft het hof het debat gesloten en de zaak in beraad genomen.

Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien.

Het hof aanziet (1) de conclusie van D.D. van 12 juni 2017 en (2) de conclusie van S.C. van 12 september 2017 als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, in het debat te houden.

III. Beoordeling

1. In lijn met de beoordeling van de eerste rechter, die het hof voor zoveel als nodig tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de door S.C. aangevoerde urgentie tot op heden is bewezen, zo ook, ondanks het door D.D. gevoerde verweer, de feitelijke oorzaak van het door S.C. gevorderde storings- en contactverbod na de relatiebreuk.

2. Sinds de relatiebreuk en tot op heden maakt D.D. zich schuldig aan diverse storende handelingen en verontrustende dan wel bedreigende/agressieve gedragingen tot miskenning van de privacy en de rust van S.C., haar naaste familie en vrienden. Hoewel D.D. beter zou moeten weten, blijft hij het gepaste inzicht of de wetenschap ontberen aangaande het zowel intermenselijk als maatschappelijk ongewenste/ontoelaatbare karakter van zijn handelingen/gedragingen/houding.

D.D. blijft alsmaar met de vinger wijzen naar S.C., terwijl haar geen bewezen uitlokking/enscenering of aanwending van kunstgrepen kan worden verweten, laat staan onrechtmatige handelingen/gedragingen. D.D. poogt volkomen vergeefs verantwoording te bieden voor zijn alsmaar escalerende wangedrag. Zijn schuldinzicht is ondermaats, wat mede verband kan houden met zijn labiele persoonlijkheidsstructuur, die psycho-medische zorgen baart en begeleiding noodzaakt.

Diverse pogingen om het (nodeloos verhitte) gemoed van D.D. op een buitengerechtelijke wijze tot bedaren te brengen, hebben blijkbaar niet kunnen baten.

Zoals de eerste rechter oordeelt, is derhalve, gelet op de afdoende bewezen omstandigheden ten laste van D.D., een rechterlijk storings- en contactverbod met een (weliswaar geplafonneerde doch voldoende) ontradende dwangsomveroordeling op zijn plaats. Op die manier moet S.C. met de nodige rust op een ongedwongen/ongestoorde wijze kunnen deelnemen aan het sociale leven, zo ook het uitgangs- en verenigingsleven, in de bedoelde regio.

3. Anders dan D.D. wil voordoen, is het benodigde (rechterlijke) storings- en contactverbod nog steeds actueel. Urgentie blijft voorhanden, gelet op de aangehouden problematiek. S.C. illustreert en stoffeert dat D.D. zich ook na de beroepen kortgedingbeschikking van 17 juni 2016 blijft schuldig maken aan onrechtmatige handelingen/gedragingen, reden waarom zij op 10 november 2016 klacht met burgerlijke partijstelling neerlegt in handen van de onderzoeksrechter wegens stalking/belaging (art. 442bis Sw.).

4. Voorts gaat de door de eerste rechter nader in detail omschreven verbodsmaatregel geenszins de rechtsmacht van een kortgedingrechter te buiten (art. 584 en 1039 Ger.W.; zie bv. ook J. Van Doninck, "De taak van de appelrechter in kort geding: wijsheid achteraf", noot onder Cass. 4 februari 2011, RW 2011-12, 867-868, nr. 1 en de verwijzingen aldaar). Dat de verbodsmaatregel geldt voor onbepaalde duur, maakt geenszins dat de rechtsmacht van de kortgedingrechter wordt overschreden. Een definitieve wijziging van de rechtspositie van de partijen wordt niet aangebracht. Hic et nunc blijft (gemeenrechtelijk) kort geding gelden, met de gepaste maatregel van dien, gebeurlijk tot een andersluidende beslissing van de rechter ten gronde tussenkomt (zie dienaangaande E. Dirix en K. Broeckx, "Beslag", APR 2010, 62, nr. 83, e; zie ook Cass. 4 februari 2011, RW 2011-12, 866, noot J. Van Doninck).

5. Bovendien is en blijft de feitelijke oorzaak van het door S.C. gevorderde storings- en contactverbod na de relatiebreuk bewezen. Het schrikbewind van D.D., zoals veruitwendigd in een ketting van misplaatste/verwerpelijke handelingen en gedragingen, blijft minstens virtueel voorhanden. Hij wil maar niet tot afdoende rede komen, terwijl hij zich nodeloos gefnuikt voelt ingevolge het door de eerste rechter opgelegde storings- en contactverbod. De intimidatie en agressie van D.D. schrikt af, niet alleen aan de zijde van S.C. maar evengoed aan de zijde van haar naaste familie en vrienden.

De diverse stukken die S.C. overlegt (inz. brieven, elektronisch verkeer, politionele stukken en verklaringen), samen in hun context genomen, overtuigen het hof ruim afdoende van de noodzaak om het door de eerste rechter opgelegde storings- en contactverbod zonder meer te handhaven.

Niet alleen de stukken 1-9 van S.C. (slaande op de periode vóór de beroepen kortgedingbeschikking van 17 juni 2016) vormen afdoende bewijs van de feitelijke oorzaak van het door S.C. (in eerste aanleg) gevorderde storings- en contactverbod na de relatiebreuk; ook de stukken 11-26 van S.C. (slaande op de periode na de beroepen kortgedingbeslissing van 17 juni 2016) vormen afdoende bewijs van de feitelijke oorzaak van het door S.C. (tot op heden aanhoudend) gevorderde storings- en contactverbod na de relatiebreuk.

Dat de in rechte overgelegde schriftelijke verklaringen van derden al dan niet punctueel beantwoorden aan artikel 961/2 Ger.W. is niet (zo) cruciaal/doorslaggevend (als D.D. wil voordoen) (zie bv. J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 614, nr. 1424). Het geheel van stukken, samen in hun context genomen, vormt afdoende bewijs, wars van het door D.D. geboden verweer.

6. Het verweer van D.D. is pover en kan allerminst overtuigen. Het negatieve/afschuivende verweer blijft getuigen van een gebrek aan ernst/schuldinzicht.

D.D. wil het vergeefs voorstellen alsof hij ingevolge het storings- en contactverbod op een onwerkbare wijze in zijn (vrije) doen en laten wordt gehinderd/gefnuikt. Zoals de eerste rechter terecht oordeelt, strekt het verbod ertoe 'de rust, de veiligheid, de bewegingsvrijheid van zowel S.C. als haar familie en de bewoners van de bedoelde ( ... ) te vrijwaren of bewerkstelligen'. De eerste rechter vervolgt even terecht dat D.D. zich niet noodzakelijk in de ( ... ) moet begeven/bevinden voor contacten met vrienden/familieleden (die anderszins kunnen worden bereikt/gezien) dan wel voor levensnoodzakelijke of noodwendige voorzieningen. Aangezien de woon-, verblijf- en tewerkstellingsplaats van D.D. zich in Oostende blijken te bevinden, verhindert het storings- en contactverbod hem niet in zijn deelname aan het sociale leven en worden zijn huisvesting, tewerkstelling en vrijetijdsbesteding niet in het gedrang gebracht. D.D. kan zich zonder onoverkomelijke perikelen derwijze organiseren dat hij, met respect voor het storings- en contactverbod,woont, verblijft, werkt en participeert aan het familiale en sociale leven (zie ook stuk 10 van S.C.).

D.D. heeft niets meer te zoeken in de( ... ) of bij S.C. Hij moet en zal zich daar eindelijk naar schikken.

7. De aard, de ernst en de omvang van de bewezen feiten/ handelingen/gedragingen van D.D. verantwoorden een storings- en contactverbod exclusief te zijnen laste.

Een wederkerig storings- en contactverbod eveneens ten laste van S.C. is geenszins op zijn plaats. D.D. beweert maar bewijst geenszins afdoende feiten/handelingen/gedragingen van S.C. die een wederkerig storings- en contactverbod zouden verantwoorden.

8. Het hoger beroep faalt volkomen.

De beroepen beschikking verdient bevestiging en het erin opgelegde storings- en contactverbod verdient handhaving.

9. Ter terechtzitting van 12 oktober 2017 bevestigt S.C. (in lijn met haar conclusie, p. 9 onderaan) dat zij zich wel kan vinden in een tijdsbeperking tot 1 januari 2019, waarvan akte.

IV. Gedingkosten

1. Het hof beaamt de beoordeling/beslissing/begroting van de eerste rechter aangaande de gedingkosten in eerste aanleg, met dien verstande dat het (voor de goede orde) past D.D. ook uitdrukkelijk te veroordelen tot (terug)betaling van de door S.C. blootgestelde dagvaardingskosten ten bedrage van 269,66 euro (benevens een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.440,00 euro).

2. D.D. dient, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden verwezen in de gedingkosten in hoger beroep (art. 1017, eerste lid Ger.W.).

Deze kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W. (art. 1018, sub 6° Ger.W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Ger.W.). De in het gelijk gestelde partij (met een advocaat) is in dit geval S.C., zodat alleen voor deze partij een rechtsplegingsvergoeding kan worden bepaald.

Het bedoelde geschil is niet in geld waardeerbaar.

In dat geval is het toepasselijke (geïndexeerde) basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.440,00 euro (art. 3 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W.). Het hof richt zich naar dit basisbedrag zonder redenen te zien in de zin van artikel 1022, derde lid Ger.W. om ervan af te wijken.

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

met inachtneming van (de art. 2 e.v. en inz.) artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

verklaart het hoger beroep van D.D. ontvankelijk doch ongegrond,

bevestigt de beroepen kortgedingbeschikking van 17 juni 2016, met dien verstande dat:

* wat betreft het erin opgelegde storings- en contactverbod, S.C. zich kan vinden in een tijdsbeperking tot 1 januari 2019;

* qua gedingkosten in eerste aanleg, D.D. aan S.C. moet (terug)betalen (1) de door S.C. blootgestelde dagvaardingskosten ten bedrage van 269,66 euro en (2) een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.440,00 euro,

veroordeelt D.D. bijkomend tot de gedingkosten in hoger beroep, enkel aan de zijde van S.C. nuttig te begroten op een rechtsplegingsvergoeding (in hoger beroep) ten bedrage van 1.440,00 euro.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/06/2018 - 21:52
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 21:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.