-A +A

Consultancy kan door de verscheidenheid aan verplichtingen soms handelsagentuur uitmaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
woe, 10/05/2006
A.R.: 
A.R. : 2004/AR/2895

Art. 1 Wet 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt dat dit contract een overeenkomst is waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal.

De handelsagent deelt zijn werkzaamheden naar eigen goeddunken in en beschikt zelfstandig over zijn tijd.

Uit artt. 1 en 4 van de door partijen gesloten overeenkomst blijkt duidelijk dat de belangrijkste taak van geïntimeerde erin bestond voor appellante een nieuwe markt te prospecteren en op te bouwen en dat hij de eindverantwoordelijkheid zou dragen voor het behaalde verkoopresultaat, en dit alles op zelfstandige basis en zonder band van ondergeschiktheid tussen hen.

Geïntimeerde betwist niet dat hij zich de facto hoofdzakelijk heeft bezig gehouden met prospectie- en verkoopactiviteiten.

Op bladzijde 5 van zijn syntheseconclusie geeft hij bovendien uitdrukkelijk aan dat hij als « zelfstandige » werd aangeworven. Op de pleitzitting hebben beide partijen overigens verklaard dat geïntimeerde een zelfstandig statuut had in zijn relatie tot appellante.

Zowel uit de tekst van de overeenkomst als uit de wijze waarop de partijen deze hebben uitgevoerd blijkt dan ook dat de rechtsverhouding die tussen hen heeft bestaan een zelfstandige handelsagentuur was zelfs indien geïntimeerde enkel prestaties leverde voor appellante en niet voor andere principalen, een vaste vergoeding ontving en zijn kosten werden terugbetaald.

De omstandigheid dat geïntimeerde daarnaast ook informatie moest verstrekken over het cliënteel en over de meest optimale verkoopmogelijkheden, adviezen moest geven omtrent de concurrentie op de markt, de mogelijkheden tot uitbreiding van het marktaandeel en de verbetering van de benadering van potentiële klanten, en medewerkers diende te rekruteren en op te leiden, doet hieraan geen afbreuk.

Het verstrekken van deze informatie en het geven van deze adviezen moeten overigens worden geacht deel uit te maken van de rapporteringsopdracht van de handelsagent, terwijl het rekruteren en opleiden van medewerkers als accessoir aan zijn opdracht van zelfstandige agent moet worden beschouwd.

Het feit dat de partijen het contract van 27 december 2000 een samenwerkingsovereenkomst hebben genoemd en geïntimeerde met de titel van « consultant » werd aangeduid staat er evenmin aan ui de weg dat geïntimeerde als een zelfstandige handelsagent is opgetreden.

Tenslotte is het evenmin relevant dat in de overeenkomst niet werd bepaald dat appellante informatie diende te verstrekken aan geintimeerde. Ook het feit dat appellante in haar informatieverplichting zou tekort geschoten zijn is niet terzake dienend voor de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen de partijen
 

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2007/81
Pagina: 
147
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

A.R.: 2004/AR/2895 Zet. : H. Lybeer

Pleit. : Mrs. Devos loco Mestdagh en Schoofs

(n.v. Diversi-Foods t. B. Bauwens)

Procedurevoorganden en voorwerp van het hoger beroep

1. Op 26 mei 2003 liet geïntimeerde appellante dagvaarden voor de eerste rechter tot betaling van de som van 73.323,75 EUR, meer de conventionele rente aan 7% op 72.890,40 EUR vanaf 8 mei 2003 tot de datum van volledige betaling, meer de kosten.

In zijn conclusies preciseerde hij dat hij deze som en interesten in ondergeschikte orde vorderde ten titel van uitwinnings- en bijzondere vergoeding op basis van de Wet op de handelsagentuur.

Tenslotte vroeg hij dat appellante zou worden veroordeeld tot het betalen van de som van 3 .000 EUR ten titel van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos verweer.

2. Appellante vroeg dat deze vordering ongegrond zou worden verklaard, en minstens herleid, en dat geïntimeerde zou worden veroordeeld in de kosten.

In ondergeschikte orde vroeg zij dat zou worden gezegd voor recht dat geïntimeerde geen aanspraak kan maken op de gevorderde B.T.W. of op enige interesten op dit bedrag.

3. In het bestreden vonnis wordt appellante veroordeeld tot het betalen aan geïntimeerde van de som van 60.240 EUR, meer demoratoire interesten vanaf 9 april 2003, de gerechtelijke interesten en de kosten, en wordt geïntimeerde afgewezen van het meergevorderde.

4. Appellante vraagt dat dit vonnis teniet zou worden gedaan, dat de vordering van geintimeerde ongegrond zou worden verklaard en minstens herleid en dat deze laatste zou worden veroordeeld in de kosten van beide aanleggen.

In ondergeschikte orde vraagt zij toegelaten te worden te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen :

- dat de activiteiten van geïntimeerde bij haar die waren van een handelsvertegenwoordiger of handelsagent, met name het opzoeken of prospecteren van cliënteel met het oog op het afsluiten van zaken, en niet die van een consulent, en dit als één van de vertegenwoordigers/agenten van appellante, en

- dat er steevast een belangrijke discrepantie was tussen de resultaten van de geïntimeerde en die van zijn collega's, zelfs met het aanvullende cliënteel/de sectoren dat/die de geïntimeerde mocht bezoeken/bewerken, en dat zulks onder meer op de verkoopvergaderingen in aanwezigheid van zijn collega's werd behandeld.

Nog meer ondergeschikt vraagt zij dat voor recht zou worden gezegd dat geïntimeerde geen aanspraak kan maken op de gevorderde B.T.W of op enige interesten op dit bedrag.

5. Geïntimeerde vraagt dat het hoger beroep als ongegrond zou worden afgewezen en dat appellante zou worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Hij stelt incidenteel beroep in, in zoverre zijn eis niet integraal werd ingewilligd.

6. Appellante vraagt dat dit incidenteel beroep ongegrond zou worden verklaard.

-+

Overzicht van de relevante feiten

7. Appellante is actief in de sector van de grensoverschrijdende verkoop van en handel in industriële bakkerij- en patisserieproducten.

Op 27 december 2000 sloten partijen een samenwerkingsovereenkomst, waarin geïntimeerde er zich toe verbond om een aantal diensten te verrichten voor appellante, en dit vanaf 1 januari 2001.

Geïntimeerde diende voor appellante een nieuwe markt - de markt van de bakkerijsector - te prospecteren en op te bouwen, informatie te verstrekken over cliënteel en de meest optimale verkoopmogelijkheden, adviezen te geven over concurrentie op de markt, mogelijkheden tot uitbreiding van het marktaandeel en de verbetering van de benadering van potentiële klanten, medewerkers van appellante te rekruteren en op te leiden, en te zorgen voor een correcte en efficiënte rapportering. Er werd ook bepaald dat geïntimeerde de eindverantwoordelijkheid zou dragen voor het behaalde verkoopresultaat.

Er werd bedongen dat appellante hiervoor een vergoeding zou betalen van 5 % van de gerealiseerde omzet, met gedurende maximum de eerste zes maanden een vergoeding van 200.000 BEF per maand. De facto werd echter gedurende de volledige samenwerking een maandelijks bedrag van 5 .020 EUR betaald.

In art. 4 van de overeenkomst werd bepaald dat geïntimeerde zijn opdrachten zou organiseren en uitvoeren naar eigen oordeel en inzicht en voor de uitvoering van de overeenkomst zou beschikken over de grootst mogelijke vrijheid en onafhankelijkheid, en dat appellante geen enkel gezag kon laten gelden ten aanzien van hem.

Art. 5 van dit contract bepaalde onder meer dat de overeenkomst werd aangegaan voor een onbepaalde duur vanaf 1 januari 2001, met mogelijkheid tot verbreking door elke partij met een opzeggingstermijn van drie maanden, die ten vroegste uitwerking zou hebben op de eerste dag van de maand volgend op de verzending van het aangetekend schrijven waarbij de opzegging plaatsvond. De laatste alinea van dit artikel luidt als volgt:

«Ingeval de vennootschap de overeenkomst opzegt zonder dat er ernstige tekortkomingen zijn van de constatant, zal hij bij wijze van schadevergoeding de vergoeding van de laatste 12 maanden betalen.

De vergoeding zal alleen betaald worden na een minimum duur van 2 jaar samenwerking. Vanaf 5 jaar samenwerking zal de vergoeding 24 maanden bedragen».

8. Bij aangetekend schrijven van 2 december 2002 deelde appellante mee dat zij deze overeenkomst wenste te beëindigen. Nu geeft zij aan dat geïntimeerde de in hem gestelde verwachtingen niet kon inlossen.

Zij kondigde aan dat zij nog een vergoeding van 5.020 EUR per maand, verminderd met de renting van de wagen van geïntimeerde, zou betalen tot einde maart 2003.

9. Op 9 april 2003 stelde de raadsman van geïntimeerde appellante in gebreke om een bijkomende vergoeding van 60 240 EUR te betalen. Dit bedrag vertegenwoordigt de vergoeding van de laatste twaalf maanden van hun samenwerking, zoals bepaald in de laatste alinea van art. 5 van de overeenkomst van 27 december 2000.

Appellante weigerde deze vergoeding te betalen omdat volgens haar de samenwerking geen twee jaren had geduurd, en op 26 mei 2003 werd zij gedagvaard voor de eerste rechter.

Bespreking

Bespreking 9. Geïntimeerde steunt zijn vordering op de bepalingen van de overeenkomst die hij met appellante heeft gesloten, zonder dat hij deze in de dagvaarding als een arbeidsovereenkomst heeft gekwalificeerd.

De nadien gerezen betwisting inzake de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen de partijen en de omstandigheid dat geïntimeerde zich terzake zou vergissen leidt dan ook niet op zich tot de ongegrondheid van zijn eis. 10.

Art. 1 Wet 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt dat dit contract een overeenkomst is waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal.

De handelsagent deelt zijn werkzaamheden naar eigen goeddunken in en beschikt zelfstandig over zijn tijd.

Uit artt. 1 en 4 van de door partijen gesloten overeenkomst blijkt duidelijk dat de belangrijkste taak van geïntimeerde erin bestond voor appellante een nieuwe markt te prospecteren en op te bouwen en dat hij de eindverantwoordelijkheid zou dragen voor het behaalde verkoopresultaat, en dit alles op zelfstandige basis en zonder band van ondergeschiktheid tussen hen.

Geïntimeerde betwist niet dat hij zich de facto hoofdzakelijk heeft bezig gehouden met prospectie- en verkoopactiviteiten.

Op bladzijde 5 van zijn syntheseconclusie geeft hij bovendien uitdrukkelijk aan dat hij als « zelfstandige » werd aangeworven. Op de pleitzitting hebben beide partijen overigens verklaard dat geïntimeerde een zelfstandig statuut had in zijn relatie tot appellante.

Zowel uit de tekst van de overeenkomst als uit de wijze waarop de partijen deze hebben uitgevoerd blijkt dan ook dat de rechtsverhouding die tussen hen heeft bestaan een zelfstandige handelsagentuur was zelfs indien geïntimeerde enkel prestaties leverde voor appellante en niet voor andere principalen, een vaste vergoeding ontving en zijn kosten werden terugbetaald.

De omstandigheid dat geïntimeerde daarnaast ook informatie moest verstrekken over het cliënteel en over de meest optimale verkoopmogelijkheden, adviezen moest geven omtrent de concurrentie op de markt, de mogelijkheden tot uitbreiding van het marktaandeel en de verbetering van de benadering van potentiële klanten, en medewerkers diende te rekruteren en op te leiden, doet hieraan geen afbreuk.

Het verstrekken van deze informatie en het geven van deze adviezen moeten overigens worden geacht deel uit te maken van de rapporteringsopdracht van de handelsagent, terwijl het rekruteren en opleiden van medewerkers als accessoir aan zijn opdracht van zelfstandige agent moet worden beschouwd.

Het feit dat de partijen het contract van 27 december 2000 een samenwerkingsovereenkomst hebben genoemd en geïntimeerde met de titel van « consultant » werd aangeduid staat er evenmin aan ui de weg dat geïntimeerde als een zelfstandige handelsagent is opgetreden.

Tenslotte is het evenmin relevant dat in de overeenkomst niet werd bepaald dat appellante informatie diende te verstrekken aan geintimeerde. Ook het feit dat appellante in haar informatieverplichting zou tekort geschoten zijn is niet terzake dienend voor de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen de partijen.

11. Het hof stelt vervolgens vast dat appellante de overeenkomst niet heeft beëindigd op grond van ernstige tekortkomingen in hoofde van geïntimeerde. Er werd overigens niet bedongen dat geïntimeerde een bepaalde omzet(stijging) diende te realiseren en het niet bereiken van enige door appellante vooropgestelde doelstelling kan op zich niet worden beschouwd als een ernstige tekortkoming.

12. De bepalingen van de Wet van 13 april 1995 op de handelsagentuur staan er niet aan in de weg dat partijen kunnen bedingen dat bij de beëindiging van de overeenkomst de handelsagent zal genieten van een langere opzegtermijn of van een hogere opzegvergoeding en/of andere vergoeding dan deze bepaald in deze Wet.

13. Appellante heeft op 2 december 2002 meegedeeld dat zij de samenwerkingsovereenkomst van 27 december 2000 wenste te beëindigen en dat zij nog een vergoeding van 5 020 EUR, verminderd met de renting van de wagen, zou betalen tot einde maart 2003.

Geïntimeerde kan slechts aanspraak maken op de in de laatste alinea van art. 5 van de overeenkomst van 27 december 2000 bedongen bijkomende vergoeding, indien hij aantoont dat de samenwerking minstens twee jaren heeft geduurd. Er is geen reden om dit vrij door appellante aangegane beding nietig te verklaren of het bedrag van de bedongen vergoeding te matigen. Het heeft wel degelijk een voorwerp, is niet strijdig met de openbare orde en maakt geen schending uit van de individuele vrijheid, noch van het verbod van levenslange verbintenissen.

De bedongen vergoeding is bovendien niet als sanctie verschuldigd, maar wel als tegenprestatie voor de uitoefening van het recht op beëindiging, en gaat in ieder geval niet kennelijk het bedrag te boven dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de beëindiging van de overeenkomst te vergoeden, zelfs indien de handelsagent eveneens zou genieten van een opzeggingstermijn van drie maanden.

Er is evenmin reden om aan te nemen dat dit beding enkel zou gelden, indien de overeenkomst zonder ernstige tekortkomingen en met onmiddellijke ingang zou worden beëindigd na 31 december 2002. Het gaat in voorliggend geval niet om het bepalen van een opzeggingstermijn, zodat de samenwerking niet noodzakelijk eindigt op het ogenblik dat de opzegbrief wordt verstuurd. Het hof moet derhalve nagaan of deze overeenkomst werd beëindigd met een opzegtermijn van drie maanden, die een aanvang heeft genomen op 1 januari 2003 om te eindigen op 31 maart 2003, of met onmiddellijke ingang op 2 december 2002 met betaling van een opzegvergoeding van drie maanden.

In dit laatste geval is er geen sprake van een opzeggingstermijn, zodat er geen rekening kan worden gehouden met de contractuele bepaling volgens dewelke de opzegging ten vroegste uitwerking zal hebben op de eerste dag van de maand volgend op het aangetekend schrijven waarbij de opzegging wordt gegeven.

Aan de hand van de overgelegde stukken toont geïntimeerde aan dat hij tijdens de maanden januari, februari en maart 2003 nog prestaties heeft geleverd, zodat moet worden aangenomen dat de samenwerking tussen de partijen meer dan twee jaren heeft geduurd. Dit blijkt onder meer uit e-mails die appelante aan geïntimeerde heeft verzonden in ja nuari en februari 2003 in verband met bepaalde acties, in voorraad opgenomen goederen en verpakkingen, en uit het feit dat zijn aanwezigheid nog werd verwacht op een vergadering van 3 februari 2003 met het verkoopteam.

Het blijkt ook uit het feit dat na 2 december 2002 de vergoedingen niet in éénmaal werden betaald, maar wel op het einde van de maanden december 2002 en januari, februari en maart 2003. Tenslotte heeft de raadsman van appelante in zijn schrijven van 22 april 2003 uitdrukkelijk aangegeven dat de overeenkomst werd opgezegd met respect van een termijn van drie maanden. 14. Uit de vorige overwegingen volgt dat geïntimeerde aanspraak mag maken op een vergoeding van twaalf maal 5 020 EUR of 60 240 EUR.

Op deze vergoeding is er geen B.T.W. verschuldigd. 15. In de gegeven omstandigheden was het verweer van appeltante noch tergend, noch roekeloos, zelfs indien dit verweer tot tweemaal toe werd verworpen. Ook de wijze waarop dit verweer werd gevoerd kan niet als tergend of roekeloos worden beschouwd.

De eerste rechter heeft de hierop gesteunde eis van geïntimeerde dan ook terecht verworpen. Om deze redenen, Het Hof, Verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch wijst beide af als ongegrond. Note « Qualifier l’agent commercial »

 

Noot: 

 

• Wetgeving: 

Parl.St.Senaat (verslag namens de Commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer Vandenberghe) 1991-92, 355-3, 106: 

Parl.St. Senaat ( memorie van toelichting bij het ontwerp van wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst) 1991-92, 355-1, 19.

Parl.St. Senaat 1991-92, 355-1, 20.

 

 

Rechtsleer: 

• D. MERTENS, “Welke schade vergoedt de bijkomende vergoeding van de handelsagent?”, RW 2008-09, 1693-1697.

• A. DE THEUX, La fin du contrat d’agence commerciale, Brussel, Bruylant, 1997

• D. MERTENS, “De bijkomende vergoeding van de handelsagent: cliënteelvergoeding of carte blanche?”, RW 2002-03, 1046, 

• M. WILLEMART en S. WILLEMART, Le contrat d’agence commerciale, Brussel, Larcier, 2005, 80.

• P. CRAHAY, La rupture du contrat d’agence commerciale, Brussel, Larcier, 2008, 93, nr. 98 en K. DE BOCK en E. DURSIN, “De uitwinningsvergoeding” in E. DURSIN en K. VAN DEN BROECK (eds.), Handelsagentuur, I, Gent, Mys & Breesch, 1997, 340, nr. 596

 

cliënteelvergoeding bij agentuur:

• P. CRAHAY, La rupture du contrat d’agence commerciale, Brussel, Larcier, 2008, 83, nr. 87 e.v.;

• K. DE BOCK en E. DURSIN, “De uitwinningsvergoeding” in E. DURSIN en K. VAN DEN BROECK, Handelsagentuur, I, Gent, Mys & Breesch, 1997, 318, nrs. 557 e.v.;

• P. DEMOLIN, Agent commercial. Agent de banque. Agent d’assurance, Waterloo, Kluwer, 2007, 125 e.v.;

• A. DE THEUX, La fin du contrat d’agence commerciale, Brussel, Bruylant, 1997, 65, nr. 42;

• E. DURSIN, “Beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst” in P. NAEYAERT en E. TERRYN (eds.), Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, Brugge, die Keure, 2009, 181, nrs. 53 e.v.

• M. WILLEMART en S. WILLEMART, Le contrat d’agence commerciale, Brussel, Larcier, 2005, 79 e.v.

considerans van de richtlijn (2 de en 3 de overwegingen)

• J.W. RUTGERS, “De agentuurovereenkomst” in A.S. HARTKAMP, C.H. SIEBURGH en L.A.D. KEUS, De invloed van het Europees recht op het Nederlands privaatrecht, Deventer, Kluwer, 2007, 74.

Definitie cliënteel

• A. CUYPERS, “Wet 25 oktober 1919” in X, Voorrechten en hypotheken. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1993, 18, nr. 6

• B. DU LAING, “Het pand op de handelszaak: een algemeen overzicht en enkele recentere ontwikkelingen” in X, Notariële aspecten van de handelszaak en de handelshuur, 129-130, nr. 6.

• J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, T. I, Brussel, Bruylant, 1976, 395, nr. 433.

 

• Rechtspraak:

• Antwerpen 14 februari 2005, NjW 2005, 669; Antwerpen 11 oktober 2004, AR nr. 2003/1661, onuitgeg., geciteerd door D. MERTENS, RW 2008-09, 1694.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 04/08/2016 - 12:43
Laatst aangepast op: do, 04/08/2016 - 12:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.