-A +A

Concurrentiebeding dient beperkt tot regio waar activiteiten voordien werden uitgeoefend

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 14/09/2017
A.R.: 
C.16.0354.N

Krachtens artikel 7 van het Decreet d'Allarde van 2-17 maart 1791, zoals te dezen van toepassing, staat het eenieder vrij om naar goeddunken elke handel te drijven of elk beroep, bedrijf of ambacht uit te oefenen.

Deze bepaling, die zich verzet tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid, is van openbare orde.

Het beding dat een onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, ter-ritorium of duur oplegt, is bijgevolg nietig.

De beperking is onredelijk wanneer die naar voorwerp, territorium of duur verder reikt dan noodzakelijk om de concurrentie tegen te gaan.

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018-5
Pagina: 
296
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.16.0354.N

1. P. B.,

2. ABC VERHUIZERS bvba, met zetel te 2360 Oud-Turnhout, Beyntellus 5,

eisers,

tegen

DAMS bvba, met zetel te 2300 Turnhout, Parklaan 24,

verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 9 mei 2016.



II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.



III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 7 van het Decreet d'Allarde van 2-17 maart 1791, zoals te dezen van toepassing, staat het eenieder vrij om naar goeddunken elke handel te drijven of elk beroep, bedrijf of ambacht uit te oefenen.

2. Deze bepaling, die zich verzet tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid, is van openbare orde.

Het beding dat een onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, ter-ritorium of duur oplegt, is bijgevolg nietig.

De beperking is onredelijk wanneer die naar voorwerp, territorium of duur verder reikt dan noodzakelijk om de concurrentie tegen te gaan.

3. De appelrechters stellen vast dat:

- de eiser op 20 december 2008 een overeenkomst sloot met de verweerster waarbij hij zijn aandelen in Baeken Verhuizingen bvba verkocht aan de ver-weerster;

- artikel 9 van deze overeenkomst voorzag in een niet-concurrentiebeding waarbij de eiser zich als verkoper ertoe verbond "gedurende een periode van 8 jaar dus tot en met 31.12.2016 noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks een concurrerende activiteit uit te oefenen met de verkochte vennootschappen op het grondgebied België";

- de betwisting tussen partijen de rechtsgeldigheid van dit niet-concurrentiebeding betreft.

4. De appelrechters oordelen dat de omstandigheid dat "de activiteiten van de BVBA Baeken Verhuizingen zouden beperkt geweest zijn tot de regio Turnhout (hetgeen door de [verweerster] wordt betwist), (...) geen enkel belang [heeft] bij de beoordeling van de ruimtelijke beperking van het niet-concurrentiebeding."

Door aldus te weigeren na te gaan of de in het niet-concurrentiebeding bepaalde territoriale beperking niet verder reikt dan noodzakelijk om de concurrentie tegen te gaan en dienvolgens een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid inhoudt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer en in openbare rechtszitting van 14 september 2017 uitgesproken 

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: 1. de heer B. P. A. J. M.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ABC VERHUIZERS, waarvan de maatschappelijke zetel geves-tigd is te 2300 Turnhout, Herentalsstraat 17, met ondernemings-nummer BE0845.303.431,

eisers tot cassatie,

TEGEN: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DAMS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2300 Turnhout, Parklaan 24, met ondernemingsnummer BE0890.281.737,

verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Heren en Dames,

Eisers hebben de eer aan uw toezicht te onderwerpen het arrest dat op te-genspraak tussen partijen werd gewezen op 9 mei 2016 door de eerste kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen (2014/AR/1152).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Gedurende 20 jaar lang baatte eiser via de BVBA Baeken Verhui-zingen een verhuisfirma uit.

2. Bij overeenkomst van 20 december 2008 heeft eiser al zijn aande-len in de BVBA Baeken Verhuizingen en de BVBA Immotap - zijnde de patri-moniumvennootschap achter de BVBA Baeken Verhuizingen - overgedragen aan verweerster, vennootschap die eveneens actief was als verhuisfirma, en dit voor de prijs van euro 1.800.000,00.

Als waarborg voor de goede uitvoering van voornoemde overeenkomst door eiser werd een bedrag van euro 180.000,00 geblokkeerd tot 31 december 2011.

Partijen kwamen daarbij nog het volgende overeen:

"ARTIKEL 9 NIET-CONCURRENTIEBEDING

De verkoper verbindt zich ertoe gedurende een periode van 8 jaar dus tot en met 31.12.2016 noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks een concurre-rende activiteit uit te oefenen met de verkochte vennootschappen op het grondgebied België.

ARTIKEL 10 GEBRUIK NAAM BAEKEN VERHUIZINGEN EN BINI VERHUIZINGEN

De verkoper geeft aan de koper het recht de naam B. en B. verder te ge-bruiken en de verkoper verbindt er zich toe dat zij op geen enkele manier, hetzij rechtstreeks hetzij onrechtstreeks gebruik zullen maken van de naam B. en of B. als firmanaam en of handelsnaam en dit voor het uitvoeren van activiteiten die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking zouden hebben op de sector verhuizingen in de meest ruime zin van het woord, en tevens op die activiteiten zoals gedurende de laatste 5 jaar binnen de hoger genoemde vennootschappen uitgevoerd."

3. Bij brief van 29 februari 2012 verzocht de raadsman van eiser ver-weerster om de vrijgave van de waarborg van euro 180.000,00.

Verweerster gaf hieraan slechts beperkt gevolg. Meer bepaald liet zij na een bedrag van euro 40.000,00 vrij te geven.

4. Op 11 april 2012 is eiser overgegaan tot de oprichting van eiseres.

5. Bij exploot van 25 mei 2012 liet verweerster eisers dagvaarden in kort geding, teneinde hen het verbod te horen opleggen in België verhuisactivitei-ten uit te oefenen tot 31 december 2016 onder verbeurte van een dwangsom.

Bij beschikking van 23 juli 2012 werd de vordering van verweerster onge-grond verklaard. Ook het hoger beroep van verweerster werd vervolgens onge-grond verklaard bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 6 december 2012.

6. Vervolgens liet verweerster bij exploot van 7 november 2012 eisers ten gronde dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, teneinde hen het verbod te horen opleggen haar tot en met 31 december 2016 te be-concurreren en dit zowel rechtstreeks, zijnde in eigen naam, als onrechtstreeks, zijnde via derden. Tevens vorderde verweerster eisers verbod te horen opleggen gebruik te maken van de benaming "Verhuizingen Baeken" en dit onder verbeurte van een dwangsom van euro 10.000 per inbreuk vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis. Tenslotte vorderde verweerster ook schadevergoeding, dewelke zij provisioneel begrootte op euro 250.000.

Op tegeneis vroeg eiser te zeggen voor recht dat het saldo van de waar-borgsom ten bedrage van euro 40.000 in zijn voordeel diende te worden vrijgegeven.

Bij vonnis van 10 maart 2014 verklaarde de rechtbank de vordering van verweerster ontvankelijk doch ongegrond. De rechtbank oordeelde meer bepaald dat het contractueel bedongen concurrentieverbod zowel qua ruimte als qua tijd te ruim geformuleerd is en derhalve nietig is. De rechtbank verklaarde verder nog de vordering van eiser ontvankelijk en zei voor recht dat het saldo van de waarborg-som ten bedrage van euro 40.000 in zijn voordeel dient te worden vrijgegeven.

7. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 17 februari 2015 stelde verweerster hoger beroep in tegen dit vonnis.

8. Bij tussenarrest van 14 december 2015 wordt het hoger beroep van verweerster toelaatbaar en reeds deels gegrond verklaard. Eisers worden daarbij verbod opgelegd "verhuisactiviteiten uit te voeren tot 31 december 2016 en dit zowel rechtstreeks als onrechtstreeks via derden en gebruik te maken van de be-naming "verhuizingen Baeken" en dit onder verbeurte van een dwangsom van 10.000,00 EUR per inbreuk vanaf de betekening van het tussen te komen arrest". Daarnaast wordt ook een deskundigenonderzoek bevolen, met het oog op de be-schrijving van de schade die verweerster meent te hebben geleden.

Tegen dit arrest wensen eisers op te komen met de volgende middelen tot cassatie.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 7 van het decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan door artikel 3 van de wet van 28 februari 2013 tot invoering van het Wetboek van economisch recht,

- het algemeen rechtsbeginsel van de vrijheid van handel en nijver-heid,

- artikel 149 van de Grondwet,

- alsook, voor zoveel als nodig, artikel II.3 van het Wetboek van eco-nomisch recht, artikel 10 van de wet van 28 februari 2013 tot invoe-ring van het Wetboek van economisch recht en artikel 1 van het Koninklijk besluit van 8 december 2013 betreffende de inwerking-treding van bepaalde boeken van het Wetboek van economisch recht.

Aangevochten beslissing

De appelrechters oordelen dat het in de overeenkomst van 20 december 2008 opgenomen niet-concurrentiebeding het principe van de vrije handel en nij-verheid niet aantast. Deze beslissing steunt onder meer op de volgende motieven:

"De betwisting tussen de partijen betreft in de eerste plaats het al dan niet rechtsgeldig zijn van het niet-concurrentiebeding opgenomen in de over-eenkomst van 20 december 2008.

[Eisers] laten gelden dat het niet-concurrentiebeding absoluut nietig is wegens miskenning van de regels van het mededingingsrecht. Van haar kant betwist [verweerster] dat standpunt en voert zij aan dat [eisers] dat beding hebben miskend. Die miskenning is de grondslag van haar vordering tot staking en tot schadeloosstelling.

Niet betwist is dat de regels van de vrije mededinging in deze zaak van toepassing zijn.

Een niet-concurrentiebeding is een beding waarbij een contractpartij vrij-willig aanvaardt dat zijn vrijheid van handel en nijverheid wordt beperkt. Dergelijk beding is in principe geoorloofd. De contractvrijheid op dat vlak wordt evenwel begrensd door het principe van de vrije handel en nijverheid, principe dat van openbare orde is.

Een niet-concurrentiebeding is strijdig met het principe van de vrije handel en nijverheid wanneer het onbeperkt is in activiteit, in tijd en/of ruimte. Dat betekent meer bepaald:

- dat alleen activiteiten kunnen worden uitgesloten die direct concurre-rend zijn met deze van de onderneming die het beding inroept;

- dat de werking van het beding moet beperkt zijn tot de tijd die noodza-kelijk is voor de doelstelling die het beding nastreeft;

- dat de werking van het beding moet beperkt zijn tot een exact omlijnde regio die qua omvang redelijk is in het licht van de situatie.

De rechter oordeelt daarover in feite en in concreto.

Met [verweerster] kan het hof niets anders dan vaststellen dat het hierboven geciteerde niet-concurrentiebeding een geografische beperking kent, te weten België, en een beperking in beroepsactiviteit, te weten de verhuizin-gen. Niets stond er [eiser] aan in de weg verhuisactiviteiten te ontplooien in het buitenland en een andere niet-concurrerende activiteit uit te oefenen in België. Het levensonderhoud van [eiser] kwam dus geenszins in het ge-drang door het niet-concurrentiebeding.

De bewering van [eiser] dat het voor hem onmogelijk zou zijn om na een periode van acht jaar opnieuw aan de slag te gaan in de verhuissector wordt door geen enkel objectief gegeven onderbouwd.

Dat de activiteiten van de BVBA Baeken Verhuizingen zouden beperkt ge-weest zijn tot de regio Turnhout (hetgeen door [verweerster] wordt betwist), heeft geen enkel belang bij de beoordeling van de ruimtelijke beperking van het niet-concurrentiebeding.

In het niet-concurrentiebeding in de overeenkomst van 20 december 2008 is ook een beperking in duurtijd tot acht jaar opgenomen, hetgeen naar het oordeel van het hof niet te lang is in acht genomen de specifieke activiteit van de BVBA Baeken Verhuizingen. Immers verhuizingen worden zowel door particulieren als door bedrijven over het algemeen genomen slechts om de zoveel jaar ondernomen. Het duurt in de sector van de verhuizingen dan ook veel langer dan drie jaar om het genot van het cliënteel van de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen, te genieten en dit cliënteel aan zich te binden.

Dat de Europese Commissie inzake niet-concurrentiebedingen in een Eu-ropese context een termijn van 3 jaar in aanmerking neemt kan aan het voorgaande niet veranderen, al net zo min als het feit dat in de overeen-komst van 20 december 2008 geen schadebeding werd opgenomen en in de vrijgave van de waarborg na een periode van drie jaar werd voorzien. Ook het feit dat [verweerster] nog een andere verhuisfirma uitbaat, doet aan het voorgaande geen afbreuk.

Anders dan de eerste rechter besluit het hof dan ook dat het in de overeen-komst van 20 december 2008 opgenomen niet-concurrentiebeding het principe van de vrije handel en nijverheid niet aantast."

(bestreden arrest, bladzijde 6 tot en met bladzijde 7)

Grieven

Eisers voerden in hun syntheseconclusie in hoger beroep gedateerd op 15 april 2015 op pagina 24, randnummer 23 als middel aan dat het niet-concurrentiebeding, opgenomen in artikel 9 van de overeenkomst van 20 decem-ber 2008, strijdig is met het beginsel van vrijheid van handel en nijverheid. Eisers voerden in dit verband onder meer aan dat de activiteiten van Baeken Verhuizin-gen zich niet tot gans het Belgische grondgebied uitstrekten, doch in hoofdzaak beperkt waren tot de ruime regio Turnhout (randnummer 23, tweede alinea, eerste streepje). Het beding dat een niet-concurrentieverbod oplegt met betrekking tot het ganse Belgische grondgebied zou volgens eisers naar territorium dan ook een onredelijke beperking van hun concurrentievrijheid inhouden en zodoende dus ab-soluut nietig zijn.

Krachtens artikel 7 van het Decreet van 2 en 17 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen, zoals te dezen van toepassing, staat het eenieder vrij om naar goeddunken elke handel te drijven of elk beroep, bedrijf of ambacht uit te oefe-nen.

Bij wet van 28 februari 2013 tot invoering van het Wetboek van econo-misch recht werd voormeld beginsel van vrijheid van handel en nijverheid, luidens artikel 10 van de wet van 28 februari 2013 tot invoering van het Wetboek van economisch recht en artikel 1 van het Koninklijk besluit van 8 december 2013 betreffende de inwerkingtreding van bepaalde boeken van het Wetboek van eco-nomisch recht, met ingang van 9 december 2013 opgenomen in artikel II.3 het Wetboek van Economisch Recht en werd het Decreet van 2 en 17 maart 1791 op-geheven.

Artikel 7 van het Decreet van 2 en 17 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen alsook artikel II.3 van het Wetboek van Economisch Recht, welke zich verzetten tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid, zijn van openbare orde.

Hieruit volgt dat het contractuele beding dat de ondernemingsvrijheid van de schuldenaar beperkt slechts geldig is voor zover het is ingegeven door een rechtmatig belang van de schuldeiser en het bovendien niet verder reikt dan nood-zakelijk om dat rechtmatig belang te beschermen.

Het beding dat naar voorwerp, territorium of duur verder reikt dan noodza-kelijk is om de rechtmatige belangen van de schuldeiser te beschermen, is bijge-volg nietig.

Wanneer een partij aanvoert dat een contractueel beding een onredelijke beperking van de concurrentie oplegt aangezien het verder reikt dan noodzakelijk om de rechtmatige belangen van de schuldeiser te beschermen, moet de rechter nagaan of er al dan niet een dergelijke onevenredigheid bestaat. Bij de afweging van de voorhanden zijnde belangen, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Uit de redenen van het arrest blijkt dat de appelrechters er mee hebben vol-staan te overwegen dat het litigieuze niet-concurrentiebeding naar territorium een geografische beperking kent, te weten België. Naar het oordeel van de appelrech-ters heeft het bij de beoordeling van de ruimtelijke beperking van het niet-concurrentiebeding derhalve geen enkel belang dat de activiteiten van de BVBA Baeken Verhuizingen zouden beperkt geweest zijn tot de regio Turnhout.

De appelrechter heeft bijgevolg, hoewel eisers hierom vroegen, op geen enkel ogenblik onderzocht of bedoeld niet-concurrentiebeding naar territorium niet verder reikt dan noodzakelijk is om de rechtmatige belangen van verweerster te beschermen.

Het arrest, dat het door eisers aangevoerde middel dat het in de overeen-komst van 20 december 2008 opgenomen niet-concurrentiebeding strijdig is met het principe van de vrije handel en nijverheid verwerpt, zonder te onderzoeken of het litigieuze niet-concurrentiebeding naar territorium niet verder reikt dan nood-zakelijk is om de rechtmatige belangen van verweerster te beschermen, miskent het beginsel van de vrijheid van handel en nijverheid en is zodoende niet naar recht verantwoord (schending van artikel 7 van het decreet van 2-17 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen, zoals het van kracht was vóór de opheffing ervan door artikel 3 van de wet van 28 februari 2013 tot invoering van het Wetboek van economisch recht, het algemeen rechtsbeginsel van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook, voor zoveel als nodig, artikel II.3 van het Wetboek van eco-nomisch recht, artikel 10 van de wet van 28 februari 2013 tot invoering van het Wetboek van economisch recht en artikel 1 van het Koninklijk besluit van 8 de-cember 2013 betreffende de inwerkingtreding van bepaalde boeken van het Wet-boek van economisch recht).

Minstens stellen de appelrechters, die niet nagaan of het litigieuze niet-concurrentiebeding naar territorium niet verder reikt dan noodzakelijk is om de rechtmatige belangen van verweerster te beschermen, uw Hof niet in staat zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen in het licht van de hierboven vermelde wetsbe-palingen. Het arrest is zodoende alleszins niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- Artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissing

De appelrechters verklaren de vordering van verweerster reeds ten dele ge-grond en verbieden eisers verhuisactiviteiten uit te voeren tot 31 december 2016 en dit zowel rechtstreeks als onrechtstreeks via derden alsook gebruik te maken van de benaming "verhuizingen Baeken" en dit onder verbeurte van een dwang-som van euro 10.000,00 per inbreuk vanaf de betekening van het tussen te komen ar-rest. Deze beslissing steunt onder meer op de volgende motieven:

"[Eiser] betwist niet dat hij terug "op de markt is gekomen". Hij schendt daarmee het concurrentieverbod. [Tweede eiser], waarvan [eiser] de zaakvoerder is, en die verhuisactiviteiten uitvoert, is daaraan derde-medeplichtig.

De vordering van [verweerster] om [eiseres] te verbieden nog verder ver-huisactiviteiten uit te voeren onder verbeurte van een dwangsom is, gelet op de schending van het niet-concurrentiebeding, gegrond.

Het valt te betwijfelen dat [eisers] zonder dreiging van de dwangsom, het bij dit arrest opgelegde verbod zullen naleven. Anders dan [eisers] aanvoeren is het gevorderde bedrag van 10.000,00 EUR per inbreuk niet overdreven."

(bestreden arrest, bladzijde 7 tot en met bladzijde 8)

Grieven

Krachtens artikel 149 van de Grondwet moet elke gerechtelijke beslissing met redenen zijn omkleed.

Eisers betoogden in hun syntheseconclusie in hoger beroep gedateerd op 15 april 2015 (pagina 32 tot en met 33, randnummer 27):

"[Verweerster] verwijst nog naar het feit dat de naam "Baeken Verhuizin-gen" zou worden gebruikt door [eisers].

[Eiser] heeft bewust voor een benaming gekozen, "ABC Verhuizers", welke totaal verschillend van "Verhuizingen Baeken".

De benaming "Verhuizingen Baeken" wordt geenszins gebruikt in het kader van de activiteiten van de firma ABC, en al zeker niet als handelsnaam.

Het is enkel zo dat op de website van de firma ABC Verhuizers een onder-deel staat waarin de voorgeschiedenis van de activiteiten van [eiser] B. wordt geschetst met inbegrip van het feit dat hij destijds Baeken Verhui-zingen heeft opgestart (doch ook heeft verkocht !), hetgeen op zich volstrekt toegelaten is.

Dit is de enkele reden waarom in de html-code van de website de woorden "baeken verhuizingen" en "P. B." terug te vinden zijn.

Het is overigens zo dat wanneer via Google de zoekterm "baeken verhui-zingen" wordt ingetikt, het eerst bekomen resultaat een link is naar de website van [verweerster] ! Dit blijkt onder meer uit stukken 28 en 34 van [verweerster].

Dat er verwezen wordt naar "P. B., uw verhuisplanner" is nogal evident. Dit is nu éénmaal de familienaam van [eiser]. Of wenst [verweerster] [ei-ser] te dwingen een naamsverandering te doen ?

[Verweerster] stelt tevergeefs dat uit haar stuk 23 zou blijken dat [eiser] de naam "Verhuizingen Baeken" nog steeds zou gebruiken.

Dit is volstrekt onjuist.

[Eiser] heeft het enkel over het feit dat hij P. B. heet en er inderdaad ver-warring is ingevolge het feit dat door toedoen van [verweerster] zelf mensen denken dat [eiser] B. nog steeds actief is bij Verhuizingen Baeken en de goede naam van [eiser] besmeurd word ingevolge de slechte service bij Verhuizingen Baeken na de overname.

Tot slot verwijst [verweerster] naar haar stuk 26, de zogenaamde weergave van het door de Heer V. opgenomen gesprek met [eiser].

Hoger werd reeds aangetoond dat zulks niet de minste bewijswaarde kan hebben.

In de citaten welke worden weergegeven op pagina 21-22 van de conclusie van [verweerster] zegt [eiser] enkel dat hij P. B. heet, dat hij zijn verhuis-firma heeft verkocht, dat deze nog altijd Verhuizingen Baeken heet en er (door [verweerster]) de indruk werd gewekt dat hij nog steeds actief is bij Verhuizingen Baeken.

Dit is uiteraard helemaal iets anders dan het beweerd gebruik van de han-delsnaam "Baeken Verhuizingen" naar het publiek toe en in de bedrijfs-voering van ABC Verhuizers."

Met geen van de hoger aangehaalde redengevingen antwoorden de appel-rechters op voormeld verweermiddel van eisers, waarin zij onder meer aanvoerden dat de benaming "Verhuizingen Baekens" geenszins gebruikt wordt in het kader van de activiteiten van eiseres, en al zeker niet als handelsnaam en dat het boven-dien volstrekt toegelaten is om op de website van eiseres in te gaan op de voorge-schiedenis van de activiteiten van eiser, met inbegrip van het feit dat hij destijds de BVBA Baeken Verhuizingen heeft opgestart.

De appelrechters laten eisers dan ook in het ongewisse over de redenen waarom hun middel wordt verworpen. De beslissing van de appelrechters is dan ook niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

 

 

TOELICHTING

Bij het eerste middel

Opdat een niet-concurrentiebeding met de vrijheid van ondernemen zoals gewaarborgd door oud art. 7 van het decreet D'Allarde van 2 en 17 maart 1791 (thans art. II.3 WER) in overeenstemming kan worden geacht, volstaat het niet dat dit beding de mogelijkheid van de schuldenaar om door zijn beroepsbedrijvigheid in zijn behoorlijk levensonderhoud te voorzien niet ernstig in het gevaar brengt. Het niet-concurrentiebeding moet daarenboven ook zijn ingegeven door een rechtmatig belang van de schuldeiser waarbij het beding bovendien niet verder reikt dan noodzakelijk om dat rechtmatig belang te beschermen (de zgn. positieve-/proportionaliteitsvoorwaarde) (B. TILLEMAN, Bestuurder van vennootschappen: statuut, interne werking en vertegenwoordiging, Brugge, die Keure, 2005, 78, nr. 123; M. VANSTEENBEECK, "Concurrentieclausules" in G.-L. BALLON, H. DE DECKER, V. SAGAERT, E. TERRYN, B. TILLEMAN en A.-L. VERBEKE (eds.), Gemeenrechtelijke clausules, Antwerpen, Intersentia, 2013, (871) 911; N. HALLEMEESCH, "De niet-concurrentieverbintenis bij de overdracht van een handelsactiviteit", DAOR 2013, (18) 28, nr. 29).

Uit voornoemde proportionaliteitsvoorwaarde volgt dat het niet-concurrentiebeding 1°) enkel betrekking mag hebben op activiteiten die de activi-teiten van de schuldeiser kunnen beconcurreren, 2°) het beding beperkt moet blij-ven tot het geografische gebied waarin de schuldenaar de schuldeiser effectief concurrentie kan aandoen en 3°) het concurrentiebeding enkel mag gelden tijdens de periode waarin de schuldenaar over een bijzonder concurrentieel voordeel be-schikt, hetzij ingevolge de bijzondere relatie die hij met het cliënteel heeft opge-bouwd, hetzij omdat hij over knowhow of geheime informatie beschikt (M. VANSTEENBEECK, "Concurrentieclausules" in G.-L. BALLON, H. DE DECKER, V. SAGAERT, E. TERRYN, B. TILLEMAN en A.-L. VERBEKE (eds.), Gemeenrechtelijke clausules, Antwerpen, Intersentia, 2013, (871) 912). Zo ook oordeelde Uw Hof recentelijk nog dat "[h]et beding dat een onredelijke beperking van de concurren-tie naar voorwerp, territorium of duur oplegt, [...] nietig [is]" (Cass. 23 januari 2015, C.13.0579.N) of nog dat "[h]et beding dat een buitensporige beperking van de concurrentie oplegt met betrekking tot het voorwerp, het grondgebied of de duur, [...] nietig [is]" (Cass. 25 juni 2015, C.14.0008.F).

Voormelde beperkingen gelden noodzakelijk cumulatief (M. VANSTEEN-BEECK, "Concurrentieclausules" in G.-L. BALLON, H. DE DECKER, V. SAGAERT, E. TERRYN, B. TILLEMAN en A.-L. VERBEKE (eds.), Gemeenrechtelijke clausules, Antwerpen, Intersentia, 2013, (871) 912).

Hoewel de vraag of een beding naar voorwerp, territorium of duur een on-redelijke beperking van de concurrentie oplegt een feitelijke beoordeling van de feitenrechter uitmaakt, komt het Uw Hof niettemin toe na te gaan of de feitenrechter, in het licht van de concrete feiten zoals die hem regelmatig werden voorgelegd, heeft onderzocht of het niet-concurrentiebeding geen onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, territorium of duur oplegt.

Op deze gronden en overwegingen besluit de ondergetekende advocaat voor eiseres dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestre-den arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

 

Antwerpen, 27 juli 2016

 

Bijlagen:

1. pro fisco verklaring;

2. het exploot van betekening aan verweerder.

Noot: 

La liberté d’entreprendre et les conditions de validité d’une clause de non-concurrence TBBH, 2018-5, p. 297 G. De Pierpont Y. Ninane

Rechtspraak 

• Veurne 01/03/2017, A/16/00383, TBBR DAOR, 2017/3, 55

samenvatting

De vrijheid van handel en de daaruitvolgende noodzakelijke beperking van het concurrentiebeding vereist een beperking naar de activiteiten, namelijk tot die activiteiten die rechtstreeks verband houden met de voordien uitgeoefende activiteit, zowel in de tijd als in ruimte.

Een concurrentiebeding met onredelijke beperking van de vrijheid van handel naar voorwerp, territorium of duur oplegt, is nietig.

tekst vonnis

(Bvba BT t. Peter I)

( ... )

1. Feiten

1. De heer Peter heeft op 11 februari 2010 BVBA X( ... ) opgericht, met zetel in (stuk 1 van BT( ... )). De zetel van die vennootschap werd vervolgens verplaatst naar ( ... ) (zie vermelding op stuk 3 van BT( ... )). Dhr. Peter was via X. actief als elektricien.

2. In een overeenkomst van 23 oktober 2012 heeft dhr. Peter de aandelen van BVBA X( ... ) verkocht aan dhr. B.T., die ook via die vennootschap elektriciteitswerken zou uitvoeren (hierna: 'overnameovereenkomst', stuk 1.1 van dhr. Peter). De verkoopprijs werd bepaald op 1 euro op basis van de tussentijdse staat per 30 september 2012.

Volgens art. 9 van die overeenkomst bleef dhr. Peter na de overname als zaakvoerder ter beschikking van de vennootschap tot uiterlijk 31 december 2015. Dat artikel vermeldde ook dat de rekening-courant Peter ten belope van 8.538,93 euro uiterlijk op 31 december 2014 terugbetaald werd.

Art. 10 van de overeenkomst bevatte een concurrentiebeding (zie hierna).

3. De naam van de vennootschap werd gewijzigd naar BT( ... ) en de zetel werd verplaatst naar ( ... ) (stuk 3 van BT( ... ).

4. BT( ... ) stuurde op 6 oktober 2015 de volgende aangetekende brief naar dhr. Peter (stuk 6 van BT( ... )):

"Recent stelden wij vast dat u opnieuw onder uw eigen naam elektriciteitswerken uitvoert.

Dit blijkt onder meer uit uw website www.uw-elektricien.be/ ( ... ) waar in niet mis te verstane bewoording het volgende staat aangegeven:

'Voor al uw elektrische werkzaamheden, zijn wij actief in de buurt van W Ons elektrisch installatiebedrijf bestaat sinds 2014. (. .. )

Het uitvoeren van dergelijke activiteiten is een regelrechte inbreuk op het niet concurrentiebeding dat werd opgenomen in artikel 10 van de overeenkomst tot overdracht van aandelen die wij op 23 oktober 2012 hebben ondertekend. Door deze inbreuk bent u op basis van voornoemd artikel een forfaitaire schadevergoeding verschuldigd van 10.000 euro (zie artikel 10, in fine overeenkomst dd. 23 oktober 2012).

Bovendien mag van een zaakvoerder hoe dan ook worden verwacht dat hij geen concurrerende activiteiten opstart/ uitoefent]

Hoewel het contractueel was voorzien dat uw mandaat als zaakvoerder pas (uiterlijk) op 31 december 2015 zou aflopen, zijn wij om bovengenoemde redenen genoodzaakt uw mandaat met onmiddellijke ingang stop te zetten.

Wij zullen de Algemene Vergadering bijeenroepen om uw ontslag als zaakvoerder te laten vaststellen.

Mogen wij u dan ook vragen om uw rekening courant (RIC) te willen vereffenen en het saldo van 10. 720, 71 euro te willen overmaken op rekening van de vennootschap, waarvoor dank (zie bijlage). ( ... )".

In een aangetekende brief van 12 oktober 2015 antwoordde dhr. Peter aan BT( ... ) en dhr. B.T. (stuk 7 van BT( ... )):

"Hierbij deel ik U mee dat ik met ingang vanaf heden 12/10/2015 ontslag neem als niet-statutair zaakvoerder van ET(. .. ) BVBA ( .. .].

Dit om reden dat elke mate of vorm van samenwerking met ET( ... ) BVBA en U definitief en onmiddellijk onmogelijk is geworden, ten gevolge van de onware, onwaarachtige, beledigende, lasterlijke en eerrovende aantijgingen aan mijn adres, geformuleerd door ET( ... ) BVBA bij aangetekende brief d.d. 6/10/2015, als zou ik een niet- concurrentiebeding uit de overeenkomst d.d. 23/10/2012 tot overdracht van aandelen van BVBA X(. .. ). hebben geschonden, en als zou ik onrechtmatig concurrerende activiteiten opstarten of uitoefenen. Ik ben elk vertrouwen in ET( ... ) BVBA en U definitief en onmiddellijk verloren. ( ... )"

In de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 16 maart 2016 werd gepubliceerd dat de bijzondere algemene vergadering van BT( ... ) van 20 oktober 2015 het ontslag van dhr. Peter als zaakvoerder had aanvaard "met ingang vanaf 12/10/2015" (stuk 12 van BT( ... )).

5. Er volgde briefwisseling tussen (de advocaten van) de partijen, waarin dhr. Peter de aanspraken van BT( ... ) betwistte (stukken IIl.1 en 111.2 van dhr. Peter en stukken 8-11 van BT( ... )).

( ... )

B. Ten gronde

a. Hoofdvordering

1. Concurrentiebeding

i. Vordering tot nietigverklaring: matiging

11. Elke persoon mag in beginsel vrij een handel, nijverheid of beroep uitoefenen. Dat principe, dat van openbare orde is, werd vastgelegd in art. 11.2 tot 11.4 Wetboek van economisch recht.

De contractpartijen kunnen hun vrijheid van handel, nijverheid en arbeid (op beperkte wijze) zelf conventioneel begrenzen, bijvoorbeeld door een concurrentiebeding overeen te komen. Het concurrentiebeding mag niet onbeperkt zijn. Het mag de mogelijkheid van degene die zich verbindt om in zijn behoorlijk levensonderhoud te voorzien, niet ernstig in gevaar brengen (zie ook Gent (128 k.) 25 MEI 2005, DAOR 2005, afl. 76, 334 en G.L. BALLON, "Concurrentieverboden uit de wet of uit overeenkomst" in Arbeidsrecht tussen wel-zijn en niet-zijn. Liber Amicorum Prof. Dr. Othmar Vanachter, Antwerpen, Intersentia, 2009, 591). Daaruit volgt dat een concurrentiebeding beperkt moet zijn 1) wat de activiteiten betreft, namelijk tot activiteiten die rechtstreeks verband houden met de voorheen uitgeoefende activiteit, 2) in de tijd en 3) wat het gebied betreft (zie ook Gent (128 k.) 25 mei 2005, DAOR 2005, afl. 76, 334 en Kh. Hasselt 5 mei 2004, Limb.Rechtsl. 2007, 144, noot H. VAN GOMPEL, bevestigd door Antwerpen (48 k.) 8 januari 2007, nr. 2004/ AR/2583, cf. voormelde noot).

Een concurrentiebeding dat een onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, territorium of duur oplegt, is nietig. Indien een overeenkomst of een beding strijdig is met een bepaling van openbare orde en bijgevolg nietig is, kan de rechter de nietigheid, indien een partiële nietigheid mogelijk is en behoudens de wet dat verbiedt, beperken tot het met die bepaling strijdig gedeelte van de overeenkomst of beding op voorwaarde dat het voortbestaan van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst of beding beantwoordt aan de partijbedoeling (zie ook Cass. (1 e k.) 25 JUNI 2015, NJW 2015, afl. 333, C. LEBON en Cass. (lek.) 23 JANUARI 2015, RW2015-16, afl. 30, 1187, noot F. PEERAER).

12. Art. 10, tweede en derde alinea van de overnameovereenkomst bepaalt het volgende concurrentiebeding (stuk 1.1 van dhr. Peter):

"De Verkoper verbindt zich ertoe om tijdens de duur van de samenwerking waarvan sprake in art. 9 en gedurende 3 jaar na het beëindigen van het mandaat op het grondgebied van West- Vlaanderen zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, zowel in eigen naam als samen met of in opdracht van een ander persoon, zowel als werknemer, zaakvoerder, partner, bestuurder, bedrijfsleider, aandeelhouder, adviseur, mandataris, of in welke hoedanigheid ook van een vennootschap, maatschap of enig ander onderneming of groepering in welke zin ook, zich( ... ) te onthouden van elke deelname in of betrokkenheid bij, op eender welke wijze, het uitvoeren van enige activiteiten die gelijkaardig en/of rechtstreeks of onrechtstreeks concurrerend zijn met deze die door de Vennootschap op 'Datum van Overdracht worden gevoerd nl. het werk van electricien.

In geval van inbreuk op hierboven bedongen niet concurrentiebeding za( .. .)l aan de Koper en/of de Vennootschap naar keuze van de Koper een schadevergoeding verschuldigd zijn van 10.000,00 EUR per vastgestelde overtreding, onverminderd het recht van de Koper en/of Vennootschap om de werkelijke en/of grotere schade te bewijzen en te vorderen en de concurrentie onmiddellijk te doen ophouden."

Gelet op de aard van de activiteiten die partijen uitoefenen, namelijk elektriciteitswerken, is een concurrentiebeding dat betrekking heeft op het volledige grondgebied West- Vlaanderen niet voldoende beperkt wat het gebied betreft en bijgevolg in strijd met het principe van vrijheid van handel, nijverheid en arbeid. Een dergelijk gebied overschrijdt op een ruime wijze het gebied dat voor dhr. B.T. noodzakelijk was om het overgedragen cliënteel aan zich te binden. Dat beding heeft tot gevolg dat het voor dhr. Peter feitelijk onmogelijk wordt om, zonder een ingrijpende verhuis naar een andere provincie, zijn beroepswerkzaamheden als elektricien nog uit te oefenen. Het concurrentiebeding wordt om die reden nietig verklaard.

Aangezien de wet dat in casu niet verbiedt en partiële nietigheid mogelijk is, kan de Rechtbank de nietigheid van het concurrentiebeding beperken. Op de openbare zitting van 1 februari 2017 werd dit vermeld en heeft de advocaat van dhr. Peter de mogelijkheid gekregen om hierover standpunt in te nemen.

De Rechtbank beperkt de nietigheid in die zin dat de duur van het concurrentiebeding ingeperkt wordt tot het grondgebied van ( ... ) en ( ... ). Aangezien de vroegere zetel van de vennootschap in( ... ) gevestigd was en die zetel onmiddellijk na de overname verplaatst werd naar ( ... ), kan aangenomen worden dat een dergelijke matiging aan de bedoeling van de partijen beantwoordt.

Een concurrentiebeding dat uitwerking heeft tot drie jaar na de beëindiging van het mandaat van zaakvoerder in de overgedragen vennootschap, is voldoende beperkt in de tijd. Het concurrentiebeding is ten slotte ook beperkt tot een activiteit die rechtstreeks verband houdt met de voorheen uitgeoefende activiteit, namelijk 'het werk van elektricien'.

ii. Inbreuken op het concurrentiebeding

13. Het concurrentiebeding uit art. 10 van de overnameovereenkomst is zowel bedongen ten aanzien van dhr. B.T. als van de vennootschap (thans BT( ... )l, zodat die beide partijen zich op dat beding kunnen beroepen.

Art. 8 van de overeenkomst bepaalt:

"In geval van een fout in hoofde van de Verkoper kan een Koper slechts een vergoeding voor de Schade bekomen indien de vordering daartoe wordt ingesteld binnen de hierna vermelde termijn:

- binnen de toepasselijke verjaringstermijnen voor wat betreft de inbreuken op de verklaringen en garanties van sociaalrechtelijke en fiscale aard;

- binnen een termijn van één jaar na de Datum van Overdracht voor wat betreft de overige Schade."

Aangezien de verplichtingen op grond van het concurrentiebeding pas een aanvang nemen vanaf de datum van de overdracht, kan art. 8 van de overnameovereenkomst redelijkerwijze niet van toepassing zijn indien de fout van dhr. Peter bestaat in een schending van het concurrentiebeding. Art. 8 van de overnameovereenkomst moet in dat geval redelijkerwijze in die zin geïnterpreteerd worden dat de vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding binnen een termijn van één jaar na de vaststelling van die inbreuk moet worden ingesteld.

De vordering werd in deze zaak ingesteld bij verzoekschrift dat neergelegd werd op 14 juli 2016. Die vordering heeft enerzijds betrekking op voortdurende feiten, namelijk vermeldingen op een website en sociale media en anderzijds op een benoeming van dhr. Peter als zaakvoerder op 16 september 2015. Het is niet bewezen dat de vordering betrekking heeft op inbreuken die meer dan één jaar vóór 14 juli 2016 werden vastgesteld (zie hierna).

14. Hierna wordt nagegaan of dhr. Peter één of meerdere inbreuken heeft begaan op het gematigde concurrentiebeding, dat betrekking heeft op het grondgebied ( ... ) (zie hierboven). Ten eerste verwijst BT( ... ) naar het feit dat dhr. Peter zijn diensten als elektricien aanbiedt op de website www. uw-elektricien.be/( ... ) (stuk 13 van BT( ... )l. Die website vermeldt echter uitdrukkelijk dat dhr. Peter actief is "in de buurt van ( ... )" en "in de omgeving van ( ... )". Het loutere bestaan van de website geldt niet als bewijs dat dhr. Peter als elektricien concurrerende activiteiten heeft uitgevoerd op het grondgebied ( ... ).

Ten tweede verwijst BT( ... ) naar het feit dat dhr. Peter op sociale media actief reclame maakt onder de naam "( ... )"(stukken 14 en 15 van BT( ... )l. BT( ... ) toont evenwel niet aan dat dhr. Peter, zonder haar medeweten en akkoord, in het raam van die activiteit elektriciteitswerken heeft uitgevoerd op het grondgebied ( ... ). Dhr.Peter legt trouwens facturen van BT( ... ) voor waaruit blijkt dat die laatste in het verleden als zijn onderaannemer is opgetreden om elektriciteitswerken uit te voeren, zodat BT( ... ) akkoord is gegaan met die werken en er in dat geval geen sprake was van onrechtmatige concurrentie ten aanzien van BT( ... ) (stukken 11.1-11.10 van dhr. Peter).

Ten derde verwijst BT( ... ) naar de benoeming van dhr. Peter op 16 december 2015 tot zaakvoerder van BVBA X( ... ) en de uitbreiding van het doel van die vennootschap met onder meer de volgende activiteiten: "elektrotechnische installatiewerken" en "installatie van elektrische bedrading en toebehoren" (stukken 4 en 5 van BT( ... )). De zetel van BVBA X( ... ) werd op dat ogenblik ook verplaatst naar ( ... ). Het enkele feit van de benoeming als zaakvoerder en doeluitbreiding is geen concreet bewijs dat dhr. Peter als elektricien concurrerende activiteiten heeft uitgeoefend op het grondgebied ( ... ).

BT( ... ) levert niet het nodige bewijs van het bestaan van een inbreuk op het gematigde concurrentiebeding. Aangezien er geen inbreuk bewezen is, moet dhr. Peter de gevorderde forfaitaire schadevergoeding niet betalen.

De hoofdvordering is op dit punt ongegrond.

iii. Inbreuken op de loyaliteitsverplichting

15. De nietigheid van het concurrentiebeding wordt gematigd, zodat het ingeperkte beding van toepassing is en er niet moet worden ingegaan op de subsidiaire vordering van BT( ... ) op grond van de gemeenrechtelijke loyaliteitsverplichting van dhr. Peter als zaakvoerder van BT( ... ).

2. Rekening-courant

16. Een 'rekening-courant' heeft in het vennootschapsgebeuren en in de boekhouding van een vennootschap een bijzondere betekenis. De rekening-courant is een schuld van de vennootschap ofwel een schuldvordering van de vennootschap ten aanzien van een vennoot (zie ook Gent (7" k.) 9 maart 2015, RW 2015-16, 663). Een 'rekening-courant' in de boekhoudkundige betekenis is louter een vennotenrekening met 'debet' en 'credit' (zie ook Bergen (1 e k.) 8 oktober 2001, TBH 2003, afl. 1, 6 en D. GOL, "Les comptes courants d'associés: question choisies en droit commercial et en droit des sociétés" in M. BOURGEOIS en X. PACE (eds.), Le compte courant dans la vie des affaires, Limal, Anthemis, 2013, 18, nr. 13 e.v.).

16. In de overnameovereenkomst wordt bepaald (stuk 1.1 van dhr. Peter):

"De RIC Peter ( ... ) t.b.v. 8.538,93 EUR wordt uiterlijk op 31/12/2014 terugbetaald."

In de aanhef van de overeenkomst werd vermeld dat dhr. B.T. in het kader van de voorgenomen transactie tot overname van de aandelen van de vennootschap een due diligence-onderzoek heeft laten verrichten naar en in de onderneming van de vennootschap.

Daaruit volgt dat de partijen de stand van de vennotenrekening en de betalingstermijn met volle kennis van zaken hebben vastgesteld in het raam van de aandelenoverdracht. Er bestaat geen betwisting over het feit dat BT( ... ) in maart 2014 de som van 8.538,93 euro zonder voorbehoud heeft betaald aan dhr. Peter. Op die wijze heeft BT( ... ) erkend dat zij een dergelijk bedrag verschuldigd was op basis van de vennotenrekening, zodat zij thans niet meer kan terugkomen op het bestaan of de omvang van die schuld.

( .. ,)

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 11/06/2018 - 07:27
Laatst aangepast op: do, 14/06/2018 - 21:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.