-A +A

Conclusietermijnen in strafzaken is geen absoluut recht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 07/11/2017
A.R.: 
P.17.0127.N

1. Artikel 152, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd, op de inleidingszitting vragen om conclusietermijnen te bepalen. In dat geval legt de rechter de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en bepaalt hij de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de rechtszitting.

Volgens artikel 209bis, zevende lid, Wetboek van Strafvordering is deze regeling ook van toepassing in hoger beroep.
2. Uit de tekst van deze bepalingen, de doelstelling van de wetgever een efficiënter beheer van de zittingen te realiseren en de algemene economie van de regeling volgt dat de rechter in de regel dient in te gaan op het op de inleidingszitting geformuleerde verzoek van een partij, die nog geen conclusies heeft neergelegd, om conclusietermijnen te bepalen.

Die partij heeft evenwel geen absoluut recht op conclusietermijnen.

De rechter kan oordelen dat er omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat er conclusietermijnen worden bepaald.

Hij kan daarbij onder meer rekening houden met het tijdsverloop tussen de betekening van de dagvaarding en de inleidende rechtszitting welke partijen in de gelegenheid moet hebben gesteld hun verdediging voor te bereiden, het weinig complex karakter van de te beoordelen zaak, de verjaring van de strafvordering, de verplichting een overschrijding of een verdere overschrijding van de redelijke termijn te vermijden of de hechtenistoestand van één of meerdere beklaagden.

De rechter dient steeds met verwijzing naar de omstandigheden eigen aan de zaak aan te geven waarom het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat conclusietermijnen worden toegekend.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.17.0127.N
G K,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 januari 2017.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ambtshalve middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 6 EVRM;
- de artikelen 152 en 209bis, zevende lid, Wetboek van Strafvordering.

1. Artikel 152, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd, op de inleidingszitting vragen om conclusietermijnen te bepalen. In dat geval legt de rechter de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en bepaalt hij de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de rechtszitting.

Volgens artikel 209bis, zevende lid, Wetboek van Strafvordering is deze regeling ook van toepassing in hoger beroep.

2. Uit de tekst van deze bepalingen, de doelstelling van de wetgever een efficiënter beheer van de zittingen te realiseren en de algemene economie van de regeling volgt dat de rechter in de regel dient in te gaan op het op de inleidingszitting geformuleerde verzoek van een partij, die nog geen conclusies heeft neergelegd, om conclusietermijnen te bepalen.

Die partij heeft evenwel geen absoluut recht op conclusietermijnen.

De rechter kan oordelen dat er omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat er conclusietermijnen worden bepaald.

Hij kan daarbij onder meer rekening houden met het tijdsverloop tussen de betekening van de dagvaarding en de inleidende rechtszitting welke partijen in de gelegenheid moet hebben gesteld hun verdediging voor te bereiden, het weinig complex karakter van de te beoordelen zaak, de verjaring van de strafvordering, de verplichting een overschrijding of een verdere overschrijding van de redelijke termijn te vermijden of de hechtenistoestand van één of meerdere beklaagden.

De rechter dient steeds met verwijzing naar de omstandigheden eigen aan de zaak aan te geven waarom het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat conclusietermijnen worden toegekend.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- het openbaar ministerie op de inleidingszitting heeft gevraagd de eiser vervallen te verklaren van zijn hoger beroep wegens een onnauwkeurig grievenformulier;
- de eiser aan de appelrechters heeft gevraagd om daarover te kunnen concluderen;
- de appelrechters dit verzoek zonder nadere redengeving hebben afgewezen.

Door eisers verzoek om conclusietermijnen zonder meer af te wijzen en door niet met verwijzing naar de omstandigheden eigen aan de zaak aan te geven dat eisers recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet de toekenning van conclusietermijnen noodzakelijk maakt, verantwoordt het arrest die beslissing niet naar recht.

Middelen

4. De middelen die niet kunnen leiden tot een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer en op de openbare rechtszitting van 7 november 2017 uitgesproken 

F. Adriaensen
I. Couwenberg S. Berneman
A. Lievens P. Hoet F. Van Volsem

 

Noot: 

• Pieter Tersago, Conclusiekalender in strafzaken: waakzaamheid vereist!, De Juristenkrant 6 december pagina 7

• C. Van De Heyning? Over conclusietermijnen en de wering van laattijdige conclusies in strafzaken: de recente cassatierechtspraak? RABG 2018-6, 487

• R. Verstraeten, A. Bailleux, J. Huysmans en S. De Hert, «Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen» in F. Verbruggen (ed.), Straf- en strafprocesrecht, Themis Vormingsonderdeel 97, Brugge, die Keure, 2016, (123), p. 157, nr. 59.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 11/12/2017 - 16:39
Laatst aangepast op: za, 09/06/2018 - 09:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.