-A +A

Conclusietermijnen beperken niet het recht van verdediging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 14/11/2017
A.R.: 
P.16.0973.N

Artikel 152, § 2 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen:

- mits het akkoord van de betrokken partijen, of

- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.

De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.”

Artikel 152, § 2 Wetboek van Strafvordering somt op limitatieve wijze de omstandigheden op die toelaten af te wijken van de sanctie van de ambtshalve wering van laattijdig neergelegde conclusies uit het debat. Noch in deze bepaling noch in artikel 747, § 2, zesde lid, thans artikel 747, § 4 Gerechtelijk Wetboek is er sprake van een toetsing aan het criterium van de belangenschade.

Het recht van verdediging van een partij wordt niet miskend wanneer de rechter ambtshalve diens conclusie uit het debat weert wegens het niet respecteren van de op de inleidingszitting vastgelegde conclusiekalender. Het recht van verdediging is immers niet onbeperkt en sluit niet uit dat met het oog op een goede procesordening de partijen kunnen worden gedwongen tijdig schriftelijk standpunt in te nemen.

Artikel 152 Wetboek van Strafvordering ontkracht bovendien niet de mogelijkheid voor partijen om hun middelen in de pleidooien mondeling uiteen te zetten..

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/6
Pagina: 
474
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(J.G.T. - Rolnr.: P.16.0973.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 1 september 2016, gewezen na verwijzing door het Hof bij arrest van 9 juni 2015.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Op de rechtszitting van 14 november 2017 heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd en heeft raadsheer I. Couwenberg verslag uitgebracht.

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 152, § 1, derde lid Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het bestreden vonnis weert eiseres' conclusie van 9 juni 2016 “ambtshalve en automatisch” uit het debat wegens laattijdige neerlegging; het bestreden vonnis gaat hierbij ten onrechte niet na of de geringe termijnoverschrijding de goede rechtsbedeling in het gedrang brengt noch of de wering eiseres' recht van verdediging miskent en geeft hiermee een verkeerde invulling aan het begrip “ambtshalve” in de zin van voormeld artikel 152; naar analogie met het gelijkluidende artikel 747, § 2, zesde lid, thans artikel 747, § 4 Gerechtelijk Wetboek, kan de sanctie van de ambtshalve wering bij een geringe termijnoverschrijding worden verzacht indien het normdoel van artikel 152 Wetboek van Strafvordering, met name het vrijwaren van een goed procesverloop, wordt bereikt.

2. Artikel 152, § 1 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen.

De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.

De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.”

Artikel 152, § 2 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen:

- mits het akkoord van de betrokken partijen, of

- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.

De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.”

3. Krachtens artikel 152 Wetboek van Strafvordering dient de rechter, behoudens akkoord van partijen of de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit, laattijdig neergelegde conclusies ambtshalve uit het debat te weren.

Noch uit de bewoordingen van deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de rechter, alvorens laattijdig neergelegde conclusies te weren, moet nagaan of deze laattijdige neerlegging het goede procesverloop in de weg staat. Artikel 747, § 2, zesde lid, thans artikel 747, § 4 Gerechtelijk Wetboek bevat evenmin een dergelijke verplichting.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Het recht van verdediging van een partij wordt niet miskend wanneer de rechter ambtshalve diens conclusie uit het debat weert wegens het niet respecteren van de op de inleidingszitting vastgelegde conclusiekalender. Het recht van verdediging is immers niet onbeperkt en sluit niet uit dat met het oog op een goede procesordening de partijen kunnen worden gedwongen tijdig schriftelijk standpunt in te nemen.

Artikel 152 Wetboek van Strafvordering ontkracht bovendien niet de mogelijkheid voor partijen om hun middelen in de pleidooien mondeling uiteen te zetten.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.

5. Het bestreden vonnis stelt vast dat:

- de raadsman van de eiseres op de inleidingszitting van 12 mei 2016 heeft verzocht om conclusietermijnen te bepalen; deze termijnen werden in onderling overleg met deze raadsman en het openbaar ministerie als volgt vastgelegd, waarbij elke partij akkoord was met één termijn: uiterlijk 1 juni 2016 voor de eiseres en uiterlijk 15 juni 2016 voor het openbaar ministerie;

- een conclusie door de eiseres werd neergelegd op 9 juni 2016, door het openbaar ministerie op 15 juni 2016 en door de eiseres op de rechtszitting van 23 juni 2016;

- zelfs met inachtneming van het akkoord tussen de eiseres en het openbaar ministerie om de conclusietermijn te verlengen, de conclusie van de eiseres van 9 juni 2016 laattijdig werd neergelegd;

- er geen andersluidend akkoord is tussen partijen en er geen nieuw en ter zake dienend stuk of feit naar voor wordt gebracht dat een nieuwe conclusie kan rechtvaardigen;

- gelet op de afgesproken conclusiekalender ook geen conclusie meer op de dag van de rechtszitting kan worden neergelegd;

- de conclusies neergelegd op 9 juni 2016 en 23 juni 2016 dan ook ambtshalve uit het debat worden geweerd;

- deze wering de eiseres niet de mogelijkheid ontneemt om haar middelen mondeling uiteen te zetten en dat zij hiertoe op de rechtszitting van 23 juni 2016 ook werd uitgenodigd.

Met deze redenen beslissen de appelrechters naar recht en zonder miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging, eiseres' conclusie van 9 juni 2016 uit het debat te weren.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 152, § 1, derde lid Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het bestreden vonnis weert eiseres' conclusie van 9 juni 2016 “ambtshalve en automatisch” uit het debat zonder na te gaan of het openbaar ministerie, als verzoekende partij tot de wering, een belang kan aantonen bij deze wering; de rechtsleer over het gelijkluidende artikel 747, § 2, zesde lid, thans artikel 747, § 4 Gerechtelijk Wetboek bevestigt evenwel dat indien één van de procespartijen om de wering van conclusies verzoekt, de wering enkel kan worden toegestaan indien deze partij hierbij een belang kan aantonen.

Het onderdeel vraagt volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen:

“Schendt artikel 152, § 1, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen bij artikel 76 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 19 februari 2016) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, voor zover de sanctie van de wering uit de debatten van een conclusie wegens de laattijdige neerlegging of mededeling ervan ambtshalve wordt toegepast door de rechter zonder dat wordt nagegaan of door deze termijnoverschrijding de goede rechtsbedeling in het gedrang kwam en/of de verzoekende partij hier belang bij heeft, terwijl in burgerlijke rechtszaken het laattijdig neerleggen of meedelen van een conclusie slechts aanleiding kan geven tot wering uit de debatten ervan indien door deze termijnoverschrijding de goede rechtsbedeling in het gedrang kwam en/of de verzoekende partij aantoont hier belang bij te hebben?”

7. Artikel 152, § 2 Wetboek van Strafvordering somt op limitatieve wijze de omstandigheden op die toelaten af te wijken van de sanctie van de ambtshalve wering van laattijdig neergelegde conclusies uit het debat. Noch in deze bepaling noch in artikel 747, § 2, zesde lid, thans artikel 747, § 4 Gerechtelijk Wetboek is er sprake van een toetsing aan het criterium van de belangenschade.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

8. De prejudiciële vraag gaat uit van de rechtsopvatting dat in burgerlijke zaken het laattijdig neerleggen of meedelen van een conclusie slechts aanleiding kan geven tot wering uit het debat indien door deze termijnoverschrijding de goede rechtsbedeling in het gedrang komt of de verzoekende partij aantoont hier belang bij te hebben.

De prejudiciële vraag berust op een onjuiste rechtsopvatting van artikel 747, § 2, zesde lid, thans artikel 747, § 4 Gerechtelijk Wetboek en wordt bijgevolg niet gesteld.

Tweede middel
9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsplicht van de rechter, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het bestreden vonnis weert eiseres' syntheseconclusie van 23 juni 2016 ten onrechte uit het debat; in deze conclusie bekritiseerde de eiseres de opgelegde conclusiekalender die, anders dan in een burgerlijke procedure, werd vastgesteld zonder haar in haar opmerkingen te horen en die, met miskenning van haar recht van verdediging, het laatste woord toekende aan het openbaar ministerie; om deze redenen verzocht de eiseres haar syntheseconclusie in het debat te houden, minstens hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen; de appelrechters laten dit verweer onbeantwoord (tweede onderdeel); door deze conclusie, waarin de eiseres de toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering betwist, te weren zonder dit verweer te beantwoorden, miskennen de appelrechters tevens eiseres' recht op een eerlijk proces en haar recht van verdediging (eerste onderdeel).

Tweede onderdeel
10. De sanctie van het ambtshalve weren van een conclusie uit het debat stelt de rechter niet vrij om partijen te horen over een betwisting over de toepassing van artikel 152, § 1 en § 2 Wetboek van Strafvordering.

Het bestreden vonnis oordeelt dat “de toepassing van artikel 152 Sv. geenszins de mogelijkheid ontneemt om de middelen mondeling uiteen te zetten (...) en dat [de eiseres] hiertoe uitgenodigd werd ter zitting van 23 juni 2016”.

Het onderdeel laat na deze overweging in zijn kritiek te betrekken.

In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.

11. Het bestreden vonnis stelt vast dat de conclusietermijnen op de inleidingszitting in onderling overleg met de raadsman van de eiseres en het openbaar ministerie werden vastgesteld, waarbij de laatste conclusietermijn werd toegekend aan het openbaar ministerie.

Uit de vaststelling dat de conclusiekalender “in onderling overleg” werd bepaald, volgt dat de eiseres haar opmerkingen heeft kunnen formuleren en dat met haar akkoord het laatste woord aan het openbaar ministerie werd verleend.

Met deze redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters eiseres' kritiek op de vastgestelde conclusietermijnen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Eerste onderdeel
12. Het onderdeel is afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek
13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van haar cassatieberoep.

Bepaalt de kosten op 87,51 EUR.

Waar aanwezig waren: F. Van Volsem, raadsheer wnd. voorzitter; A. Bloch, P. Hoet, A. Lievens en I. Couwenberg, raadsheren; in aanwezigheid van L. Decreus, advocaat-generaal.

P.16.0973.N
Conclusie van advocaat-generaal Luc Decreus

FEITEN EN PROCEDUREVERLOOP

1. De eiseres werd bij vonnis van 24 februari 2014 door de politierechtbank te Gent veroordeeld tot een geldboete van euro 150 (na opdeciemen) of een vervangend rijverbod van 8 dagen, beiden met uitstel van tenuitvoerlegging voor een periode van één jaar, wegens het negeren van het verkeersbord E1 (parkeerverbod) (art. 5 en 70 van het KB van 1 december 1975; art. 29, §2 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer - KB tot coördinatie van 16 maart 1968).

Tegen dit vonnis werd door de eiseres hoger beroep ingesteld op burgerrechtelijk gebied op 11 maart 2014 en door het openbaar ministerie op 19 maart 2014.

Bij vonnis van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 23 september 2014 werd het vonnis van de eerste rechter bevestigd en werd de uitgesproken bestraffing passend bevonden, met dien verstande dat slechts voor euro 15 ( euro 90 na opdeciemen) van de euro 25 ( euro 150 na opdeciemen) uitstel gedurende één jaar werd verleend.

Tegen dit vonnis tekende de eiseres cassatieberoep aan op 6 oktober 2014 en bij arrest van 9 juni 2015 vernietigde uw Hof het vonnis van 23 september 2014 "in zoverre het de eiseres tot straf veroordeelt" omdat "uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet [blijkt] dat de appelrechters de verzwaring van de straf met eenparige stemmen hebben uitgesproken"(1).

Op 28 april 2016 werd de eiseres opnieuw gedagvaard om te verschijnen op de zitting van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (anders samengesteld) van 12 mei 2016 waarop overeenkomstig artikel 152, §1 Wetboek van Strafvordering conclusietermijnen en een rechtsdag bepaald; de conclusies dienden te worden neergelegd uiterlijk op 01 juni 2016 voor de eiseres, uiterlijk op 15 juni 2016 voor het openbaar ministerie en de rechtsdag werd bepaald op 23 juni 2016, datum waarop het dossier zou worden behandeld en in beraad genomen.

Bij brief (fax) van 1 juni 2016 verzocht de raadsman van de eiseres het openbaar ministerie om zijn akkoord met de verplaatsing van zijn conclusietermijn van 1 juni 2016 naar 6 juni 2016.

Bij brief (fax) van diezelfde datum bevestigde het openbaar ministerie akkoord te gaan met een verlenging van de conclusietermijn met 5 dagen "op voorwaarde dat de conclusietermijn van mijn ambt dan ook wordt verlengd met 5 dagen, zijnde tot 22 juni 2016".

Bij vonnis van 1 september 2016 werden de beide conclusies van de eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 09 juni 2016 en ter zitting van 23 juni 2016, ambtshalve uit de debatten geweerd en bevestigde de correctionele rechtbank het vonnis van de politierechtbank te Gent van 24 februari 2014, in die zin dat de rechtbank de opgelegde geldboete verhoogde tot euro 26 ( euro 156 na opdeciemen) of een vervangend rijverbod van 8 dagen, zonder uitstel en een verplichte bijdrage van euro 150 aan het slachtofferfonds. Het is tegen dit vonnis dat het huidige cassatieberoep werd aangetekend.

2. Op de inleidende terechtzitting van de correctionele rechtbank van 12 mei 2016 verzocht de raadsman van de eiseres om in toepassing van artikel 189 j. 152 §1 Wetboek van Strafvordering conclusietermijnen te bepalen, teneinde schriftelijk standpunt in te nemen nopens de verjaring. Het vonnis stelde daaromtrent het navolgende vast.

De conclusietermijnen zoals supra weergegeven werden bepaald in overleg met de raadsman van de eiseres en het openbaar ministerie, die beiden ter zitting stelden voldoende te hebben met één termijn.

Door de raadsman van de eiseres werd een conclusie neergelegd ter griffie op 09 juni 2016 en door het openbaar ministerie ter griffie op 15 juni 2016; ter zitting van 23 juni 2016 werd door de raadsman van de eiseres een syntheseconclusie neergelegd.

In termen van pleidooien verzocht de raadsman van de eiseres zijn beide conclusies niet te weren uit de debatten. Bij schrijven van 01 juni 2016 had de raadsman van de gedaagde aan het openbaar ministerie immers om een verlenging van de termijn verzocht, naar 06 juni 2016. Het openbaar ministerie was hiermee akkoord gegaan mits de verlenging met 5 dagen ook voor hem zou gelden, zodat er uiterlijk op 22 juni 2016 door hem kon geconcludeerd worden. De raadsman van de eiseres stelde ter zitting van 23 juni 2016 hieruit te hebben opgemaakt dat het om een verlenging met 5 werkdagen zou gaan.

Het openbaar ministerie vroeg de wering van de conclusies van eiseres, en stelde niet akkoord te zijn met een nieuwe conclusieronde nu dit niets aan de grond van de zaak zou toevoegen.

De rechtbank stelt vast dat de raadsman van de eiseres bij faxbericht van 01 juni 2016 aan het openbaar ministerie vroeg om de termijn te verplaatsen naar 06 juni 2016; het openbaar ministerie zijn akkoord verleende, mits verlenging van zijn eigen termijn naar 22 juni 2016; de eiseres hieromtrent geen opmerkingen formuleerde; zelfs in de veronderstelling dat het openbaar ministerie ondubbelzinnig op een verlenging met 5 werkdagen zou gedoeld hebben, de conclusie door de eiseres diende neergelegd te worden op 08 juni 2016 en de desbetreffende conclusie slechts neergelegd werd op 09 juni 2016.

De appelrechters oordeelden op grond van deze vaststellingen dat:

- de conclusie namens de eiseres laattijdig werd neergelegd, er geen akkoord is tussen de partijen en er geen nieuw en ter zake dienend stuk of feit naar voor werd gebracht dat nieuwe besluiten kan rechtvaardigen;

- indien conclusietermijnen werden bepaald, er geen conclusies meer neergelegd worden op de dag zelf van de terechtzitting;

- de wering van de conclusies bij miskenning van de termijnen ambtshalve en automatisch gebeurt, zonder dat de rechtbank hoeft na te gaan of de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden en de rechtbank dan ook niet hoeft te antwoorden op de middelen die in de conclusie worden uitgewerkt;

- in toepassing van art. 152, §1 en §2 Wetboek van Strafvordering de conclusies, neergelegd door de raadsman van de eiseres ter griffie op 09 juni 2016 en ter zitting van 23 juni 2016, ambtshalve uit de debatten worden geweerd;

- voor zoveel als nodig wordt opgemerkt dat de toepassing van art. 152 Wetboek van Strafvordering geenszins de mogelijkheid ontneemt om de middelen mondeling uiteen te zetten en dat de raadsman van de eiseres hiertoe uitgenodigd werd ter zitting van 23 juni 2016.

EERSTE MIDDEL - eerste onderdeel

Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 152, §1, derde lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging omdat de sanctie van de wering door de appelrechters van de op 9 juni 2016 neergelegde conclusie "ambtshalve en automatisch" gebeurde zonder dat zij nagingen of door de geringe termijnoverschrijding het normdoel van de goede rechtsbedeling in het gedrang kwam terwijl artikel 152 voormeld dient geïnterpreteerd te worden naar analogie van de gelijkluidende bepaling van artikel 747, §2, zesde lid Gerechtelijk Wetboek waar het woord "ambtshalve" enkel betekent dat de wering niet door één van de procespartijen moet worden gevraagd en bovendien verzachtingen van de ambtshalve wering van conclusies mogelijk zijn bij geringe of relatief geringe termijnoverschrijdingen.

Artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij artikel 76 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie(2), bepaalt:

"§1 De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen.

De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.

De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

§2 Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen:

- mits het akkoord van de betrokken partijen, of

- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.

De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.

§3 Tegen de beslissingen van de rechter die beoogd zijn in de paragrafen 1 en 2 staat geen rechtsmiddel open.

§4 De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op het openbaar ministerie."

Op grond van het bij artikel 85 van de wet van 5 februari 2016 gewijzigde artikel 189 Wetboek van Strafvordering gelden deze bepalingen niet alleen voor de politierechtbanken, maar ook voor de correctionele rechtbanken, en op grond van het bij artikel 93 van genoemde wet gewijzigde artikel 209bis Wetboek van Strafvordering gelden ze ook voor de hoven van beroep maar niet voor de procedures van de regeling van de rechtspleging en van de voorlopige hechtenis.

Tot vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet op 1 maart 2016 kon de beklaagde volgens de jurisprudentie en doctrine zijn conclusie op elke zitting neerleggen tot aan de sluiting van de debatten zonder dat hij verplicht was deze vooraf ter kennis te brengen van het openbaar ministerie. Ook de burgerlijke partij beschikte over deze vrijheid(3).

Uw Hof oordeelde dat door een conclusie te weren op grond dat ze laattijdig is en niet vooraf aan het openbaar ministerie was medegedeeld, het arrest het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces miskent(4) maar ook dat de rechter de neerlegging van conclusies of stukken kon weigeren die louter dilatoir, als een vertragingsmanoeuvre, bedoeld zijn(5) of wanneer er sprake is van proceduremisbruik die een goede rechtsbedeling verhinderen en daarbij op een foutieve wijze de rechten van andere partijen schaden en zodoende het recht op een eerlijk proces aantasten(6).

Om proceseconomische redenen was voor diverse rechtbanken en hoven de praktijk gegroeid om een conclusiekalender met conclusietermijnen, door samenspraak van de rechter met alle partijen, op te stellen, maar deze was niet bindend en gold enkel als een "gentlemen's agreement"(7).

De wetgever had de uitdrukkelijke bedoeling hieraan te remediëren door het invoeren van dwingende termijnen voor het neerleggen van conclusies ter griffie en de verplichting tot voorafgaande mededeling ervan aan de partijen in strafzaken, het openbaar ministerie inbegrepen, zodat het beginsel van de wapengelijkheid wordt in acht genomen(8).

In de rechtsleer wordt terecht benadrukt dat de nieuwe wet voorziet in een "strenge" en noodzakelijke sanctie op het niet tijdig neerleggen en meedelen van de conclusies zonder dewelke het vastleggen van een conclusiekalender nutteloos zou zijn en waarbij de wering "ambtshalve" gebeurt dus zonder dat erom moet verzocht worden door een partij(9).

Zoals supra vermeld in artikel 152, §1, derde lid Wetboek van Strafvordering is de principiële sanctie voor het niet respecteren van de vastgelegde termijnen, in die zin dat de conclusies niet vóór het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld, de ambtshalve wering uit de debatten. "Dat betekent dat de rechter er dus gewoon geen acht op slaat. Het weren uit de debatten gebeurt omwille van de enkele overschrijding van de termijn"(10). De sanctie van het weren van laattijdige conclusies heeft dan ook een "automatisch" karakter(11).

Het vermijden van een overdreven rigiditeit of verzachting bij de toepassing van deze regel, waardoor de specifieke dynamiek van een strafproces wordt gerespecteerd, wordt gewaarborgd door artikel 152, §2, Wetboek van Strafvordering dat op limitatieve wijze voorziet in twee omstandigheden waarin conclusies toch kunnen worden neergelegd buiten de vooropgestelde termijnen tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging zou schenden(12).

Het is van belang op te merken dat "De regeling betreffende de instaatstelling van de zaak, het meedelen van conclusies en stukken en de neerlegging ervan ter griffie, zoals van toepassing in burgerlijke procedures en uitgewerkt in het Gerechtelijk Wetboek, vanouds niet van toepassing werden geacht in de strafprocedure(13). Dit is hier niet anders. De verburgerlijking van de strafvordering door de invoering van de enkele hier bedoelde regelgeving brengt dus niet mee dat alle toepasselijke principes van het Gerechtelijk Wetboek zonder meer kunnen worden overgeheveld naar de strafvordering. Integendeel worden de veranderingen die geënt zijn op het burgerlijke procedureverloop expliciet door de wetgever geïntegreerd in het strafprocesrecht (zie ook bv. het feit dat de conclusies in strafzaken moeten opgesteld worden volgens de vormen bepaald in artikel 743 en 744 Gerechtelijk Wetboek(14)).

Bij de parlementaire voorbereiding werd onderlijnd dat de rechter niet hoeft na te gaan of de rechten van verdediging zijn geschonden door de laattijdige neerlegging en mededeling van de conclusies en werd om die reden geen specifieke wettelijke bepaling daaromtrent ingevoerd temeer omdat de nieuwe bepalingen geenszins de mogelijkheid ontkrachten om de middelen mondeling uiteen te zetten in de pleidooien(15).

Een vereiste toevoegen dat door de laattijdigheid het recht van verdediging van de wederpartij zou miskend zijn, zou het bindende karakter van de termijnregeling dat gericht is op de vrijwaring van het goede procesverloop alleen maar ondergraven.

In casu ging het daarenboven om door het openbaar ministerie gelaakte termijnoverschrijdingen binnen een met eiseres afgesproken en door de strafrechter bekrachtigde zeer korte conclusiekalender omdat eiseres schriftelijk standpunt wou innemen over de verjaring; de strikte naleving van de korte conclusietermijnen had hier zeker tot doel het goede procesverloop te vrijwaren.

Het onderdeel faalt naar recht.

EERSTE MIDDEL - tweede onderdeel

Het onderdeel voert dezelfde geschonden bepalingen en beginselen aan als het eerste onderdeel omdat het bestreden vonnis de conclusie van eiseres van 9 juni 2016 weert zonder daarbij na te gaan of de verzoekende partij, zijnde het openbaar ministerie, daarbij een belang aantoonde, zoals bepaalde rechtsleer wel vereist met betrekking tot de toepassing van de gelijkluidende bepaling van artikel 747, §2, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel vraagt, indien uw Hof deze zienswijze niet deelt, volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt artikel 152, §1, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen bij artikel 76 van de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 19 februari 2016) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, voor zover de sanctie van de wering uit de debatten van een conclusie wegens de laattijdige neerlegging of mededeling ervan ambtshalve wordt toegepast door de rechter zonder dat wordt nagegaan of door deze termijnoverschrijding de goede rechtsbedeling in het gedrang kwam en/of de verzoekende partij hier belang bij heeft, terwijl in burgerlijke rechtszaken het laattijdig neerleggen of meedelen van een conclusie slechts aanleiding kan geven tot wering uit de debatten ervan indien door deze termijnoverschrijding de goede rechtsbedeling in het gedrang kwam en/of de verzoekende partij aantoont hier belang bij te hebben?"

Artikel 747, §2, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek(16), thans artikel 747, §4 Gerechtelijk Wetboek(17), en de burgerrechtelijke interpretatie ervan is om de in het eerste onderdeel vermelde redenen niet zonder meer toepasselijk in het strafprocesrecht en in elk geval bevat artikel 152 Wetboek van Strafvordering, noch artikel 747 Gerechtelijk Wetboek de voorwaarde dat de wering van laattijdige conclusies dient te worden gemotiveerd aan de hand van het belang dat een daarom verzoekende partij heeft of aantoont.

Daarenboven is de ambtshalve wering uit de debatten overeenkomstig artikel 747 Gerechtelijk Wetboek een autonome sanctie waarop de verzachtingsregels van de nietigheden niet van toepassing zijn(18). Bepaalde rechtsleer waarop de eiseres zich beroept, heeft evenwel, al dan niet met het nodige voorbehoud, het tegendeel verdedigd(19) maar staat geïsoleerd en werd door uw Hof niet gevolgd. Het criterium van de belangenschade (art. 861 Gerechtelijk Wetboek) is overigens niet van toepassing wat betekent dat de rechter niet mag weigeren laattijdige conclusies uit het debat te weren bij gebrek aan belang(20).

Het onderdeel faalt eveneens naar recht en de prejudiciële vraag berust op een onjuiste rechtsopvatting van artikel 747, §2, zesde lid Gerechtelijk Wetboek (oud) en dient niet te worden gesteld.

TWEEDE MIDDEL - beide onderdelen
Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsplicht van de rechter, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het bestreden vonnis weert de syntheseconclusie van 23 juni 2016 ten onrechte uit het debat zonder deze inhoudelijk te hebben beantwoord (eerste onderdeel) terwijl deze conclusie de wijze van opstelling van de conclusiekalender bekritiseerde en hieraan een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof koppelde (tweede onderdeel).

Het bestreden vonnis stelt vast dat de syntheseconclusie van eiseres niet neergelegd werd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg maar op de zitting van 23 juni 2016, zijnde de in onderling overleg bepaalde rechtsdag waarop het dossier zou behandeld worden en in beraad genomen.

Er dient op gewezen dat de dwingende regeling van de artikelen 152, 189 en 209bis van het Wetboek van Strafvordering ook de verplichting invoert om, wanneer een conclusiekalender werd vastgesteld, de conclusies neer te leggen ter griffie, met tijdige mededeling aan de tegenpartijen, waarbij (zoals vroeger) een neerlegging ter strafzitting lijkt uitgesloten(21). In deze zaak blijkt dat de eiseres de bedoelde conclusie laattijdig heeft neergelegd op de slotzitting waarop zou worden gepleit. Het bestreden vonnis oordeelde terecht dat "indien conclusietermijnen werden bepaald, er geen conclusies meer neergelegd worden op de dag zelf van de terechtzitting".

Zoals supra uiteengezet (bespreking eerste middel - eerste onderdeel) hoefde de rechter gewoon geen acht meer te slaan op deze conclusie en diende hij van de inhoud ervan geen kennis te nemen.

Uw Hof besliste eerder dat de sanctie van het ambtshalve weren van een conclusie uit het debat betekent dat de rechter die beslissing kan nemen zonder dat hij daartoe door partijen is gevorderd maar stelt hem niet vrij hen daaromtrent te horen(22). Het bestreden vonnis stelde uitdrukkelijk dat "voor zoveel als nodig wordt opgemerkt dat de toepassing van art. 152 Sv. geenszins de mogelijkheid ontneemt om de middelen mondeling uiteen te zetten en dat de gedaagde hiertoe uitgenodigd werd ter zitting van 23 juni 2016".

Tenslotte staat het vast dat de conclusiekalender "in onderling overleg" werd opgesteld waaruit volgt dat de eiseres daarmee akkoord ging en zij steeds bedenkingen daaromtrent kon formuleren in tijdig neergelegde conclusies, zo niet mondeling op de slotzitting.

Het middel kan niet worden aangenomen en is niet ontvankelijk voor zover het afgeleid is uit de in andere onderdelen of middelen vergeefs aangevoerde onwettigheden.

Conclusie: verwerping van het cassatieberoep.
_________________
(1) Cass. 9 juni 2015, AR P.14.1851.N, arrest niet gepubliceerd.
(2) BS 19 februari 2016 (ed. 4).
(3) R. VERSTRAETEN, A. BAILLEUX, S. DE HERT, J. HUYSMANS, "Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen" in F. VERBRUGGEN (ed.), Straf- en strafprocesrecht, academiejaar 2015-2016, vormingsonderdeel 97, Brugge, die Keure, (123), 164 (hierna R. VERSTRAETEN, "Stevige verbouwingen in het strafrecht").
(4) L. ARNOU, "Het ‘tijdig' neerleggen van conclusies in strafzaken: een contradictio in terminis? (noot onder Cass. 19 juli 2011), NC 2014, 34-38; N. COLETTE-BASECQZ en E. DELHAISE, "La phase de jugement et les voies de recours: éléments neufs" in Anthemis (éd.), La loi "pot-pourri II": un recul de civilisation?, 2016, 151-154 (hierna N. COLETTE-BASECQZ en E. DELHAISE, "La phase de jugement et les voies de recours: éléments neufs").
(5) Cass. 6 oktober 1993, AC 1993, nr. 796; Cass. 19 juli 2011, AR P.11.1154.N, AC 2011, nr. 439; N. COLETTE-BASECQZ en E. DELHAISE, "La phase de jugement et les voies de recours: éléments neufs", supra 151-154.
(6) Cass. 16 juni 2004, AR P.04.0623.F, AC 2004, nr. 331; Cass. 8 juni 2011, AR P.11.0181.F, AC 2011, nr. 388; Cass. 30 april 2014, AR P.13.1869.F, AC 2014, nr. 307; N. COLETTE-BASECQZ en E. DELHAISE, "La phase de jugement et les voies de recours: éléments neufs", supra 151-154.
(7) MvT bij de wet houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl. St. Kamer 2015-16, nr. 54-1418/001, 69.
(8) Ibid.
(9) T. DE MEESTER, "Invoering van dwingende termijnen voor het indienen van besluiten en de verplichting tot voorafgaande mededeling aan de partijen in strafzaken" in T. DE MEESTER (ed.), POTPOURRI II. Strafrecht en strafprocesrecht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2016, 69-82.
(10) R. VERSTRAETEN, "Stevige verbouwingen in het strafrecht", supra 159-160. J. MEESE, Potpourri II: een overzicht van de belangrijkste wijzigingen op vlak van strafprocesrecht, RW 4 juni 2016, (1563), 1568; G. SCHORENS, "Invoering van dwingende termijnen voor conclusies in strafzaken" in De wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), gewikt en gewogen, T.Strafr. 2016/1, 27-29 (hierna G. SCHORENS, "Invoering van dwingende termijnen voor conclusies in strafzaken").
(11) Omzendbrief nr. 04/2016 van het College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep, 17 februari 2016, 6.
(12) R. VERSTRAETEN, "Stevige verbouwingen in het strafrecht", supra 160.
(13) R.,VERSTRAETEN, "Stevige verbouwingen in het strafrecht", supra 164; P. TRAEST en T. GOMBEER, "Raakvlakken tussen het strafprocesrecht en de burgerlijke rechtspleging" in P. TAELMAN (ed.), in Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, XLIste postuniversitaire cyclus Willy Delva 2014-2015, 2016, Wolters-Kluwer, 127-189.
(14) G. SCHORENS, "Invoering van dwingende termijnen voor conclusies in strafzaken", supra 29.
(15) MvT bij de wet houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl. St. Kamer 2015-16, nr. 54-1418/001, 70; R. VERSTRAETEN, "Stevige verbouwingen in het strafrecht", supra 160.
(16) §2, lid 6, opgeheven bij art. 133, 3°, wet 6 juli 2017, BS 24 juli 2017.
(17) §4 toegevoegd bij artikel 133, 4°, wet 6 juli 2017, BS 24 juli 2017.
(18) Cass. 20 april 2007, AR C.04.0393.N, JT 2007, noot X. TATON.
(19) P. VAN ORSHOVEN, "Niet-ontvankelijkheid, nietigheid, verval en andere wolfijzers en schietgeweren van het burgerlijk procesrecht" in P. VAN ORSHOVEN (ed.), Gerechtelijk privaatrecht, Themis, Brugge, die Keure, 2000, (25), 52; K. WAGNER, Sancties in het burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu, 2007, 360.
(20) Commentaar artikel 747 Ger. Wb. in Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk recht, 42; B. MAES, "Toetsing van belangenschade of normdoel bij het weren van te laat ingediende conclusies?" (noot onder Cass. 12 februari 2009), RABG 2009, 743; Cass. 26 september 2008, AR C.06.0127.N, AC 2008, nr. 507.
(21) G. SCHORENS, "Invoering van dwingende termijnen voor conclusies in strafzaken", supra 29.
(22) Cass. 17 november 2011, AR C.10.0543.N, AC 2011, nr. 620.
 

Memorie tot staving

I. Feiten en procedurevoorgaanden

Eiser in cassatie tekende tijdig hoger beroep aan tegen de beschikkingen op strafgebied van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, d.d. 10 maart 2016.

Eiser in cassatie werd in dit vonnis op strafrechtelijk gebied schuldig verklaard aan de tenlastelegging en werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 12 maanden en een geldboete van 1.000 EUR, verhoogd met 50 opdeciemen.

Het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 januari 2017 beslist op tegenspraak het hoger beroep van eiser in cassatie af te wijzen als ontvankelijk, doch vervallen.

Tegen bovenvermeld arrest van 12 januari 2017 (arrest nr. C/32/2017) wenst eiser op te komen met het volgende middel tot cassatie:

II. Eerste middel tot cassatie
A. Geschonden wetsbepalingen
- Artikelen 152 en 209bis Wetboek van Strafvordering.

B. Aangevochten beslissing
Op de inleidingszitting d.d. 1 december 2016 werd door de raadsman van verzoeker verzocht om conclusietermijnen. De raadsman van verzoeker had dit verzoek ook reeds aangekondigd bij het hof van beroep te Antwerpen en het parket-generaal te Antwerpen bij fax van 30 november 2016.

Het hof van beroep weigert echter, ondanks uitdrukkelijk verzoek van de raadsman van verzoeker, conclusietermijnen te laten akteren.

Grief
De rechter is verplicht om in te gaan op een verzoek van een partij tot het bepalen van conclusietermijnen. Een en ander blijkt uit de bewoordingen van artikel 152 Sv. dat conform artikel 209bis Sv. ook voor het hof van beroep van toepassing is.

Artikel 152 Wetboek van Strafvordering stelt:

Ҥ 1. De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen.

De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten

worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.

De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

§ 2. Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen:

- mits het akkoord van de betrokken partijen, of

- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.

De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.

§ 3. Tegen de beslissingen van de rechter die beoogd zijn in de paragrafen 1 en 2 staat geen rechtsmiddel open.

§ 4. De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op het openbaar ministerie.”

Eiser in cassatie verzocht op de inleidende zitting d.d. 17 juni 2016 om conclusietermijnen conform artikel 152 Wetboek van Strafvordering.

Op het zittingsblad wordt geacteerd:

“Het openbaar ministerie wordt gehoord in de uiteenzetting der feiten en in zijn vordering en zegt o.m.:

- dat het hoger beroep van beklaagde vervallen dient verklaard te worden daar het een onduidelijk grievenformulier betreft;

- afstand te doen van het door zijn ambt ingestelde hoger beroep.

De raadsman van beklaagde vraagt om hieromtrent te mogen concluderen.

Het openbaar ministerie wenst dat de zaak heden zou worden behandeld.

De voorzitter zegt dat de zaak heden wordt behandeld m.b.t. het vervallen verklaren van het hoger beroep.”

Ondanks het uitdrukkelijk verzoek tot het bepalen van conclusietermijnen om, onder meer, te concluderen omtrent het ter inleidingszitting kenbaar gemaakte standpunt van het openbaar ministerie, weigert het hof van beroep om conclusietermijnen te akteren.

Uit de bewoordingen van artikel 152 Sv. blijkt echter dat conclusietermijnen op de inleidingszitting niet kunnen geweigerd worden (T. De Meester, “Procedure ten gronde” in T. De Meester (ed.), L. Augustyns, K. Beirnaert en P. Tersago, Potpourri II. Strafrecht en strafprocesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 75).

Deze aangevoerde onregelmatigheid heeft de nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg.

III. Tweede middel tot cassatie
A. Geschonden wetsbepaling
- Artikel 6 EVRM.

B. Aangevochten beslissing
Het bestreden arrest stelt:

“Het hof heeft hierbij gehoord:

(…)

De beklaagde in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door meester J. Kerremans loco meester K. Van Der Straeten, advocaat bij de balie van Dendermonde.”

C. Grieven
Uit het zittingsblad van het hof van beroep blijkt duidelijk dat om conclusietermijnen werd verzocht op de inleidingszitting.

Deze werden onterecht geweigerd door het hof van beroep.

De rechten van verdediging van verzoeker werden hier geschonden en een inbreuk op artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) is duidelijk.

IV. Derde middel tot cassatie
A. Geschonden wetsbepaling
- Artikel 149 van de Grondwet.

B. Aangevochten beslissing
Het bestreden arrest stelt:

“Het hof heeft hierbij gehoord:

(…)

De beklaagde in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door meester J. Kerremans loco meester K. Van Der Straeten, advocaat bij de balie van Dendermonde.”

Op het zittingsblad werd echter duidelijk geakteerd dat door de raadsman van verzoeker conclusietermijnen werden verzocht.

C. Grieven
Krachtens artikel 149 van de Grondwet dient de beslissing van de rechter regelmatig gemotiveerd te zijn. Dit grondwettelijk beginsel houdt in dat de motivering van een vonnis alle elementen moet bevatten die het mogelijk maken om na te gaan of de beschikking wettig werd genomen.

De grondwettelijke motiveringsverplichting houdt een vormvoorschrift in, dat tevens geschonden is indien de motivering van de bestreden rechterlijke beslissing niet beantwoord aan een aantal minimumvereisten. Aldus moet een rechterlijke beslissing minstens een eigen redengeving bevatten waarin alle elementen worden weergegeven die de overtuiging van de rechter hebben bepaald, die het dictum verantwoorden en die het wettigheidstoezicht mogelijk maken.

In casu is er een inbreuk gepleegd op de motiveringsverplichting aangezien ergens uit het arrest blijkt dat weldegelijk om conclusietermijnen werd verzocht en dat dit aan verzoeker werd geweigerd.

Uit het arrest blijkt niet dat verzoeker zijn verdediging niet ten volle heeft kunnen voeren, hetgeen wel kan afgeleid worden uit het zittingsblad.

Er is een schending van de motiveringsverplichting.

OM DEZE REDENEN

Besluit ondergetekende advocaat dat het U, hooggeachte dames en heren, moge behagen het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 12 januari 2017 (arrest nr. C/32/2017) te

vernietigen en dienvolgens uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Voor eiser in cassatie,

Zijn raadsman,

Dendermonde, 21 maart 2017

Arrest à quo

(Het openbaar ministerie / K.G. - Rolnr.: 2016/CO/564)

1. Ten laste gelegde feiten
Als dader of mededader, hetzij door het misdrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt, hetzij door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat het misdrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd, hetzij door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, het misdrijf rechtstreeks te hebben uitgelokt.

Te Maasmechelen, op 7 augustus 2015

Bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 11, 26bis en 28 van het KB van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies, genomen in uitvoering van artikel 1 en strafbaar gesteld bij artikel 2bis, 4, 6 en 9 van de wet van 24 februari 1921, gewijzigd bij de wetten van 11 maart 1958, 9 juli 1975, 1 juli 1976, 14 juli 1994, 4 april 2003, 3 mei 2003 en 7 februari 2014.

betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zonder voorafgaande vergunning van de minister van Volksgezondheid, de hierna vermelde verdovingsmiddelen onder bezwarende titel of om niet voorbereide handelingen te hebben gesteld met het oog op de aanmaak, verkoop, de levering of illegale verschaffing van een in artikel 2bis, § 1 bedoelde stof, of met het oog op de verbouw van planten waaruit deze stoffen kunnen worden getrokken, met name voorbereidende handelingen te hebben gesteld met het oog op het aanmaken van cannabis.

2. Bestreden beslissing
Er werd hoger beroep ingesteld:

- op 8 april 2016 door beklaagde tegen al de beschikkingen;

- op 11 april 2016 door het openbaar ministerie tegen al de beschikkingen op strafgebied

tegen het vonnis, op tegenspraak gewezen op 10 maart 2016, door de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, 9de kamer, waarbij beslist werd:

Verklaart beklaagde schuldig aan de tenlastelegging;

Veroordeelt beklaagde uit hoofde van de ten laste van hem bewezen verklaarde tenlastelegging tot een gevangenisstraf van 12 maanden en een geldboete van 1.000 EUR, door verhoging met 50 opdeciemen gebracht op 6.000 EUR;

Bepaalt de duur van de vervangende gevangenisstraf op 3 maanden;

Beveelt op grond van de artikelen 42, 1° Sw. en 4, § 6 drugswet ten laste van de beklaagde de verbeurdverklaring van de volgende in beslag genomen voorwerpen, die allen gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf:

- onder nr. 04846/2015: alle neergelegde overtuigingsstukken (gsm Samsung Galaxy S IV + simkaart T-Mobile);

- de Opel Vivaro (…) met raamnummer (…);

- onder nr. materiaal cannabisplantage;

- alle goederen vermeld op de inventaris der in beslag genomen goederen zoals gehecht aan het navolgend proces-verbaal TG60.LA.007592/2015 d.d. 10 augustus 2015.

Verplicht beklaagde om bij wijze van bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, een bedrag te betalen van 25 EUR te verhogen met 50 opdeciemen en alzo gebracht op 150 EUR;

Legt aan beklaagde in toepassing van artikel 91 KB van 28 december 1950 de verplichting op tot het betalen van een geïndexeerde vergoeding van 51,20 EUR;

Veroordeelt beklaagde tot de kosten van de publieke vordering, tot op heden begroot op de som van 263,88 EUR.

3. Rechtspleging voor het hof
De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 1 december 2016.

Het hof heeft hierbij gehoord:

- de heer voorzitter in zijn verslag;

- het openbaar ministerie dewelke verklaarde afstand te doen van het door zijn ambt ingestelde hoger beroep;

- de beklaagde in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door meester J. Kerremans loco meester K. Van Der Straeten, advocaat bij de balie van Dendermonde.

4. Beoordeling
De hogere beroepen van beklaagde en van het openbaar ministerie, regelmatig naar vorm en termijn, zijn ontvankelijk.

Het hof stelt vast dat de beklaagde op het grievenformulier alle beschikkingen aankruist, zelfs deze op burgerlijk gebied, daar waar er geen beschikkingen werden genomen op burgerlijk gebied.

Bij gebrek aan nauwkeurig bepaalde grieven dient het hoger beroep van de beklaagde vervallen verklaard te worden.

Op de terechtzitting van 1 december 2016 heeft het openbaar ministerie afstand gedaan van het door zijn ambt aangetekende hoger beroep.

5. Wettelijke bepalingen
Het hof houdt rekening met volgende wettelijke bepalingen, de artikelen:

- 2, 11, 12, 14, 24, 31 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935;

- 162, 185, 190, 194, 203, 204, 206, 210, 211 Wetboek van Strafvordering;

- 1, 2, 3, 7 Strafwetboek.

6. Beslissing
Het hof,

Beslist op grond van de hoger vermelde redenen, binnen de perken van de hogere beroepen zoals hierna bepaald.

6.1. Het arrest wordt gewezen op tegenspraak.

6.2. Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk.

6.3. Stelt de afstand van hoger beroep van het openbaar ministerie rechterlijk vast.

Verklaart het hoger beroep van de beklaagde vervallen.

6.4. Laat de kosten van uittreksel van de akte van hoger beroep van het openbaar ministerie ten laste van de Staat.

Veroordeelt beklaagde tot de overige kosten gerezen in hoger beroep, deze voorgeschoten door de openbare partij begroot op 103,02 EUR.

Noot: 

• Pieter Tersago, Conclusiekalender in strafzaken: waakzaamheid vereist!, De Juristenkrant 6 december pagina 7

• C. Van De Heyning? Over conclusietermijnen en de wering van laattijdige conclusies in strafzaken: de recente cassatierechtspraak? RABG 2018-6, 487

• Van de Heyning, C., « Over conclusietermijnen en de wering van laattijdige conclusies in strafzaken: de recente cassatierechtspraak », R.A.B.G., 2018/6, p. 487-501

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 10/05/2018 - 13:12
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 13:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.