-A +A

Clone of Door de aard van een handelsvennootschap dienen al haar activa aanzien als noodzakelijk voor de uitgevoerde bedrijvigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 12/06/2015
A.R.: 
F.13.0163.N

De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten niet uit dat de inkomsten en opbrengsten die het resultaat zijn van deze verrichting als bedrijfsinkomsten worden aangemerkt nu alle inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die door een handelsvennootschap worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid beroepsinkomsten zijn.

Uit artikel 44, eerste lid, WIB64 volgt niet dat de aftrek van bedrijfsuitgaven of bedrijfslasten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de handelsvennootschap zoals die blijkt uit haar maatschappelijk doel; de omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten als dusdanig niet uit dat de kosten die met zulke verrichtingen verband houden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt.

Kosten die verband houden met de obligatieverrichtingen kunnen niet als beroepskosten verworpen worden op grond dat deze verrichtingen geen verband houden met de maatschappelijke activiteit van de vennootschap en zij bovendien uitsluitend werden uitgevoerd om door de verrekening van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belastingen een belastingvoordeel te doen.

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
12/06/2015
Pagina: 
1363
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(S.G.P.B. NV / Belgische Staat - Rolnr.: F.14.0080.N)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
(…)

II. CASSATIEMIDDELEN
(…)

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Alle inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die door een handelsvennootschap worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid zijn beroepsinkomsten. De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten bijgevolg niet uit dat de inkomsten en opbrengsten die het resultaat zijn van deze verrichting als bedrijfsinkomsten worden aangemerkt.

2. Krachtens artikel 44, eerste lid, WIB 1964 zijn de lasten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden als aftrekbare bedrijfslasten aftrekbaar.

Deze bepaling is, krachtens artikel 96 van hetzelfde wetboek, van toepassing op de handelsvennootschappen.

Uit deze bepaling volgt niet dat de aftrek van bedrijfsuitgaven of bedrijfslasten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de handelsvennootschap zoals die blijkt uit haar maatschappelijk doel.

Het Hof komt hiermee terug op zijn vroegere rechtspraak.

3. De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten als dusdanig niet uit dat de kosten die met zulke verrichtingen verband houden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt.

4. Door te oordelen dat de bedoelde verrichtingen louter tot doel hadden om de inkomstenbelastingen te verminderen en dat om die reden de eraan verbonden kosten geen aftrekbare beroepskosten vormen, en dat het geheel van de verrichtingen niet kan beschouwd worden als vallend binnen het maatschappelijk doel van de eiseres omdat de financiële transacties geen enkel verband houden met het uiteindelijke doel van iedere vennootschap om winst te maken, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel
5. Krachtens artikel 11, 1. van het verdrag tussen het Koninkrijk België en de Republiek Korea van 29 augustus 1977 tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen en het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: dubbelbelastingverdrag België-Korea), in de versie zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1991, is interest afkomstig uit een overeenkomstsluitende staat en betaald aan een inwoner van de andere overeenkomstsluitende staat, in die andere staat belastbaar.

Krachtens artikel 11, 2. mag deze interest echter in de overeenkomstsluitende staat waaruit hij afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die staat worden belast, maar indien de persoon die de interest ontvangt, de werkelijke genieter van de interest is, mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan 15% van het bedrag van de interest.

Krachtens artikel 22, 1., b), wordt in België dubbele belasting op de volgende wijze vermeden: wanneer een inwoner van België interest verkrijgt als bedoeld in artikel 11, 2. dan verleent België op zijn belasting over die inkomsten een vermindering, die gelijk is aan 20% van het brutobedrag van de interest die in de belastbare basis van de inwoner begrepen is.

Krachtens het algemene rechtsbeginsel inzake de primauteit van het internationaal recht op het nationaal recht, heeft het dubbelbelastingverdrag België-Korea voorrang op de bepalingen van het nationaal recht.

Hieruit volgt dat aangezien het dubbelbelastingverdrag België- Korea, België verplicht tot het verlenen van de in het verdrag voorziene belastingvermindering, geen gevolg kan worden gegeven aan interne Belgische regels die deze vermindering aan bijkomende voorwaarden onderwerpen.

6. Door te oordelen dat om gerechtigd te zijn op de belastingvermindering bepaald in het verdrag voldaan moet zijn aan de voorwaarden gesteld door het intern recht, zijnde te dezen het beroepsmatigheidsvereiste bepaald in artikel 187 WIB 1964, en door op die grond deze belastingvermindering te weigeren, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

(…)

 

Andersluidende conclusie van het Openbaar Ministerie onder verwijzing naar de vorige rechtspraak van het Hof van Cassatie waarbij het Hof van Cassatie te dezen op deze eerdere rechtspraak terugkomt, zoals overigens in het voormelde arrest uitdrukkelijk erkend

F.13.0163.N
Conclusie van de advocaat-generaal Thijs:

1. Op 27 augustus 1991 kocht eiseres obligaties aan toonder, uitgegeven door een bijhuis in Gibraltar van Donu S.A., een vennootschap naar Uruguyaans recht, voor een bedrag van 14.474.303,73 euro. De eiseres ging hiertoe een lening aan bij Banylux, een Luxemburgse bank.

Op de obligaties werden voor een bedrag van 4.087.756,44 euro interesten uitbetaald, met inhouding in Gibraltar van een roerende voorheffing van 15%.

Op 30 september 1991 verkocht de eiseres de obligaties voor 10.351.924,50 euro.

Deze verrichtingen resulteerden in een verlies van 201.405,68 euro.

In haar aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1991 verrekende de eiseres de in Gibraltar betaalde belastingen op de ontvangen interesten voor 721.368,82 euro (forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting; "FBB"). Het verlies van 201.368,82 euro werd in mindering gebracht van het fiscaal resultaat van eiseres.

Op basis van deze aangifte werd op 4 mei 1992 een initiële aanslag gevestigd.

De administratie ging niet akkoord met de verrekening van het FBB, noch met de aftrek van het verlies als beroepskost en vestigde op 31 december 1993 een supplementaire aanslag in de vennootschapsbelasting van 622.525,32 euro.

Op 20 oktober 1994 tekende eiseres bezwaar aan tegen die supplementaire aanslag en diende, wegens het uitblijven van een directoriale beslissing, een fiscaal verzoekschrift in bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Bij vonnis van 3 januari 2011 vernietigde deze rechtbank de bestreden supplementaire aanslag om reden dat de aanslag werd gevestigd vóór het verstrijken van de antwoordtermijn van één maand waarin artikel 346, derde lid, WIB92 voorziet.

In hoger beroep vernietigde het hof van beroep te Gent het vonnis van 3 januari 2011 en verklaarde de vordering van de eiseres ongegrond. De appelrechters oordeelden dat de verwerving van de obligaties geen verband houdt met de maatschappelijke activiteit van de eiseres en dat zij de obligatieverrichtingen bovendien louter had doorgevoerd om door de verrekening van het FBB een belastingvoordeel te bekomen. Het FBB kon bijgevolg niet worden verrekend, en het verlies dat resulteerde uit die verrichtingen kon niet als een aftrekbare beroepskost in de zin van artikel 44 WIB64/49 WIB92 worden beschouwd.

2. In het eerste onderdeel van het enig middel voert de eiseres aan dat het bestreden arrest de aftrek als beroepskost van de verrichting afhankelijk maakt van de bedrijfsinterne noodzakelijkheid van deze verrichting voor de exploitatie van de onderneming, terwijl artikel 44 WIB64, thans artikel 49 WIB92, zulke verantwoording niet vereist en de aftrek als beroepskost niet van die voorwaarde afhankelijk maakt.

3. Overeenkomstig artikel 187 WIB64, thans artikel 285 WIB92, zoals gewijzigd door de artikelen 28 en 29 van de Wet van 7 december 1988, van kracht vanaf het aanslagjaar 1990, kan het FBB enkel worden verrekend m.b.t. goederen en kapitalen die voor de beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt (D. GEERTS en
T. JANSEN, Handboek internationaal en Europees belastingrecht, Antwerpen, Intersentia, 2004, 49 en 172, nr. 12).

Opdat de verrekeningsmethode van het "FBB" in België toepassing kan vinden, is derhalve vereist dat de goederen en kapitalen die de buitenlandse inkomsten hebben opgebracht, zich situeren binnen de beroepsactiviteit van de belastingplichtige.

Deze voorwaarde sluit aan bij de toepassingsvoorwaarden van artikel 44 WIB64, thans artikel 49 WIB92.

De verrekening van het FBB zal dan ook worden geweigerd, wanneer de kosten verbonden aan de in artikel 187 en 196 WIB64 (artikelen 285 en 289 WIB92) bedoelde transacties niet voldoen aan de aftrekbaarheidsvoorwaarden van artikel 44 WIB64 (artikel 49 WIB92) (TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2011-2012, Mechelen, Wolters, 2011, 1650,50).

4. Het beginsel dat alle inkomsten van een vennootschap bedrijfsinkomsten zijn en dat al haar activa een bedrijfskarakter hebben, heeft nochtans niet tot gevolg dat al haar uitgaven of lasten tevens aftrekbare bedrijfsuitgaven of bedrijfslasten zijn die van de brutowinst mogen worden afgetrokken (Cass. 29 februari 1965, Pas. 1965, I, 582; Cass. 18 januari 2001, AR F.99.0144.N, AC 2001, nr. 34; Cass. 3 mei 2001, AR F.99.0159.F, AC 2001, nr. 253; Cass. 19 juni 2003, AR F.01.0066.F, AC 2003, nr. 367, 1447).

Zo bepaalt artikel 44, eerste lid, WIB64, thans artikel 49, eerste lid, WIB92, dat als beroepskosten slechts aftrekbaar zijn de kosten die de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, uitgezonderd de eed.

Deze bepaling is overeenkomstig artikel 183 WIB92 ook van toepassing op de vennootschapsbelasting.
Volgens de conclusies van advocaat-generaal HENKES omvat de voorwaarde dat de kosten werden gedaan of gedragen "om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden" twee samenlopende vereisten die één geheel vormen: "door de aard ervan, het verkrijgen of behouden van de beroepsinkomsten als oogmerk hebben, en een noodzakelijk causaal verband vertonen met de uitoefening van de beroepsbezigheid" (concl. bij Cass. 19 juni 2003, AR F.01.0066.F, AC 2003, nr. 367, 1447, nr. 14).

Hierbij is niet zozeer een intentioneel element vereist, doch is het noodzakelijk, maar voldoende, dat de kosten hun oorzaak vinden in een aan het bedrijf eigen omstandigheden (S. VAN CROMBRUGGE, "Bemerkingen nopens het begrip bedrijfswinst in het fiscaal recht", RW, 1983-84, 2232).

De uitgaven van een handelsvennootschap kunnen bijgevolg slechts als beroepskosten worden beschouwd, wanneer ze inherent zijn aan de uitoefening van het beroep, wat wil zeggen dat zij noodzakelijkerwijs verband moeten houden met de activiteit van de vennootschap (Cass. 21 november 1997, AR F.97.0016.F, AC 1997, nr. 497, met concl. van toenmalig advocaat-generaal LECLERCQ, Pas. 1997, I, nr. 497; Cass. 13 februari 1998, AR F.97.0001.F, AC 1998, nr. 87; Cass. 18 januari 2001, AR F.99.0114.N, AC 2001, nr. 34; Cass. 3 mei 2001, AR F.99.0159.N, AC 2001, nr. 253; Cass. 19 juni 2003, AR F.01.0066.F, AC 2003, nr. 367; Cass. 9 november 2007, AR C.06.0251.F, AC 2007, nr. 539; Cass. 12 juni 2009, AR F.07.0083.N, AC 2009, nr. 402; Cass. 10 december 2010, AR F.09.0129.N, AC 2010, nr. 729, met concl. OM).

Zo oordeelde Uw Hof reeds dat de interest op een lening die een handelsvennootschap heeft aangegaan met het oog op de aankoop van aandelen van verschillende vennootschappen op een tijdstip waarop dergelijke activiteiten niet tot haar doel behoorden, voor die vennootschap geen aftrekbare bedrijfskosten vormen, aangezien de uitgaven van een handelsvennootschap slechts als bedrijfskosten beschouwd kunnen worden wanneer ze inherent zijn aan de uitoefening van het beroep, d.w.z. wanneer zij noodzakelijkerwijs verband houden met de activiteit van de vennootschap (Cass. 9 november 2007, AR C.06.0251.F, AC 2007, nr. 539).

5. De aftrek van kosten die losstaan van de activiteit van de vennootschap of van het maatschappelijk doel kan door de administratie wettig worden verworpen (R. MESSIAEN, "De kostenaftrek van de doeloverschrijdende handeling, een storm in een glas water?", AFT, 2010, afl. 1, 7).

Dit is ook het geval in het geval van een quasi-allesomvattende statutaire bepaling die de vennootschap toelaat financiële handelingen te verrichten die in verband staan met haar maatschappelijk doel of die de verwezenlijking van dat doel kunnen bevorderen. In die context besliste Uw Hof in een arrest van 19 juni 2003 dat het arrest dat de aftrekbaarheid van de aankoopprijs van opties op aandelen als beroepskost verwerpt omdat niet bewezen werd hoe de aankoop van deze opties in verband kon worden gebracht met de activiteit van de vennootschap, i.e. de uitoefening van nijverheid, vertegenwoordiging en handel in scheikundige producten, non-ferrometalen, mineralen en andere uitrustingen, ook al preciseren haar statuten dat zij alle financiële verrichtingen mag doen die rechtstreeks of onrechtstreeks met haar doel verband houden, zijn beslissing naar recht verantwoordt (Cass. 19 juni 2003, AR F.01.0066.F, AC 2003, nr. 367).

6. Ingeval van een bewezen vrijgevigheid of bij bedrog zal de aftrekbaarheid van een bedrijfsverlies eveneens worden uitgesloten nu er ook in dat geval geen noodzakelijk causaal verband bestaat met de activiteiten van de vennootschap (Cass. 5 november 1963, Pas. 1964, I, 254; Cass. 28 september 1984, AC 1984-85, nr.73).

Zo zullen ook bedrijfskosten of -verliezen die het gevolg zijn van spilzucht, blinde speculatie of van een roekeloos optreden niet aftrekbaar zijn. In geen van die gevallen kan gesteld worden dat die kosten inherent zijn aan de activiteiten van de vennootschap.

Uit de overwegingen van het bestreden arrest kan worden afgeleid dat de obligatiebelegging die door eiseres was verricht door de appelrechters als roekeloos of speculatief was bestempeld: met de transacties was zoveel geld gemoeid dat er voor eiseres een zeer belangrijke kans op aanzienlijk verlies bestond.

Een roekeloze of speculatieve belegging houdt in beginsel geen verband met de activiteit van een vennootschap. Waar die belegging aldus niet word gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, zullen de verliezen of kosten die ermee gepaard gaan derhalve niet op grond van artikel 44 WIB64 (artikel 49 WIB92) fiscaal aftrekbaar zijn.

In die zin oordeelde Uw Hof reeds dat het financieel verlies ten gevolge van de verrekening van de kosten en de aankoopprijs van beurseffecten geen aftrekbare uitgaven zijn, wanneer deze uitgaven niet gemaakt zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden (Cass. 18 januari 2001, AR F.09.0144.N, AC 2001, nr. 34; Cass. 3 mei 2001, AR F.99.0159.F, AC 2001, nr. 253; Cass. 19 juni 2003, AR F.01.0066.F, AC 2003, nr. 367).

De kosten verbonden aan de litigieuze obligatietransacties werden bijgevolg wettig door de appelrechters als niet fiscaal aftrekbaar beschouwd in zoverre er geen sprake kon zijn van een normale belegging en in ieder geval niet kon worden gesteld dat die kosten werden gemaakt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

7. Verder doen de appelrechters in deze zaak de volgende vaststellingen:

- Ook al voorzien de statuten van de eiseres in de mogelijkheid om roerende financiële handelingen te verrichten die in verband staan met haar maatschappelijk doel of die de verwezenlijking van dat doel kunnen bevorderen, de eiseres niet aantoont dat tussen het verkrijgen van de obligaties, het innen van de coupons en de verkoop van de obligaties en haar maatschappelijke activiteit zoals die in haar statuten is omschreven een verband zou bestaan;

- De aankoop van de obligaties een zuiver financiële transactie is; anders is immers niet te verklaren waarom de eiseres de obligaties na een maand opnieuw verkoopt, en dit onmiddellijk na het innen van de eerste interest;

- De aankoop voor de eiseres een bijzonder groot bedrag vertegenwoordigde (1,6 keer haar eigen vermogen), en het economisch zo goed als uitgesloten is dat een vennootschap bij wijze van uitoefening van haar beroepsactiviteit plots een dergelijke investering doet;

- De eiseres niet over de eigen fondsen beschikte om de aankoop te financieren, en zij daarvoor een lening moest aangaan;

- De eiseres voor het volledige bedrag leende, zodat zij haar eigen middelen op geen enkele manier betrok in de investering;

- De operatie op zich verlieslatend was, en dit zelfs voor een aanzienlijk bedrag;

- Voor dat verlies een zeer belangrijk bedrag aan kosten verbonden was dat op voorhand vaststond en bovenop de aankoopkosten kwam, zodat de kans op netto opbrengst van de investering nog verder aanzienlijk geringer was;

- Alle verrichtingen (aankoop van de obligaties, inning van de interest op basis van de coupons en terugverkoop van de obligaties) op een maand tijd gebeurden, zodat de eiseres de belegging slechts zeer kort in haar patrimonium had.

Met deze overwegingen hebben de appelrechters te kennen gegeven dat de obligatieverrichtingen niet inherent zijn aan de uitoefening van de beroepsactiviteit van de eiseres en volledig losstaan van haar maatschappelijk doel.

Zij verantwoorden bijgevolg hun beslissing dat de voorwaarden voor aftrekbaarheid overeenkomstig de artikelen 44, 187 en 196 WIB64, thans de artikelen 49, 285 en 289 WIB92, te dezen niet zijn vervuld, naar recht.

Het onderdeel kan bijgevolg niet worden aangenomen.

8. Anders dan het onderdeel stelt, heeft het bestreden arrest de aftrek als beroepskost van de verrichtingen niet afhankelijk gesteld van het bewijs van de bedrijfsinterne noodzakelijkheid van deze verrichting voor de exploitatie van de onderneming. Het bestreden arrest stelt enkel vast dat er geen noodzakelijk of inherent verband bestaat tussen de kosten en het maatschappelijk doel van de eiseres, zonder dat het zich uitspreekt over de bedrijfsinterne noodzakelijkheid van de verrichtingen in kwestie.

Op dit punt mist het onderdeel bijgevolg feitelijke grondslag.
(...)

Besluit: Verwerping.
 

Noot: 

• Heeren, P., « Maatschappelijk doel en beroepskosten, einde van een gedwongen huwelijk », R.A.B.G., 2015/19, p. 1364-1368

• Fiscoloog VAN CROMBRUGGE, Stefaan; Noot 'Cassatierechtspraak over beroepskosten: minder spectaculair dan ze lijkt' 2015, nr. 1438, p. 1-4.

• Fiscale Actualiteit [Fisc.Act.] GNEDASJ, Svjatoslav; Noot 'Kostenaftrek: Cassatie ontmantelt de bom van artikel 49' 2015, nr. 27, p. 1-8.

• Nieuw Juridisch Weekblad [NJW] DE RAEDT, Sylvie; Noot 'Het Hof van Cassatie en de aftrekbare beroepskosten: over misvattingen en wijziging van opinie' 2016, nr. 337, p. 163-165.

• Journal des tribunaux [JT] VEROUGSTRAETE, Ivan; Observations 'Les revirements de la Cour de cassation' 2016, n° 6654, p. 453-456.

• S. Gnedasj, “Kostenaftrek: Cassatie ontmantelt de bom van artikel 49”, Fisc.Act., 2015/27, 1-8;

• Y. Dewael, “Frais professionnels et objet social: retour au texte et… à la raison!”, Act.Fisc., 2015/26;

zie ook de gelijklopende navolgende arresten F.14.0165, F.14.0185, F.14.0189) en de arresten van 19 juni 2015 (F.14.0145 en D, F.13.0069).
 

Zie ook Cass. 12/06/2015, juridat, met noot Fiscale Actualiteit [Fisc.Act.] GNEDASJ, Svjatoslav; Noot 'Kostenaftrek: Cassatie ontmantelt de bom van artikel 49' 2015, nr. 27, p. 1-8.

samenvatting

De appelrechter die de realiteit van de verwerving van obligaties door de vennootschap, van de uitbetaling van de winst en van de bronheffing niet in vraag stelt, vermag op grond van de enkele vaststelling dat de operatie niet valt binnen het statutair doel van de vennootschap, niet te oordelen dat de verwerving van deze obligaties geen verband houdt met de beroepswerkzaamheid zodat niet voldaan is aan de vereisten voor de aftrekbaarheid van het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting, nu uit de aard van een handelsvennootschap voortvloeit dat al haar activa noodzakelijk voor haar uitgevoerde bedrijvigheid worden aangewend.

tekst arrest

 

GROEP TERRYN nv, met zetel te 8890 Moorslede, Nieuwstraat 8, 

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der Directe Belastingen te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Gustaaf Vincke-Dujardinstraat 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 maart 2014.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 27 april 2015 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling 

Tweede onderdeel

1. Ingevolge artikel 285 WIB92 wordt met betrekking tot inkomsten van roe-rende goederen en kapitalen, een forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting verrekend met de belasting voor zover die inkomsten in het buitenland werden onderworpen aan een gelijkaardige belasting als de personenbelasting, de ven-nootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners, en voor zover de desbe-treffende goederen en kapitalen voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt.

2. Uit de aard van een handelsvennootschap vloeit voort dat al haar activa noodzakelijk voor haar uitgevoerde bedrijvigheid worden aangewend.

3. De appelrechter die de realiteit van de verwerving van de obligaties door de eiseres, van de uitbetaling van de winst en van de bronheffing niet in vraag stelt, vermocht op grond van de enkele vaststelling dat de operatie niet valt binnen het statutair doel van de vennootschap, niet te oordelen dat de verwerving van deze obligaties geen verband houdt met de beroepswerkzaamheid zodat niet voldaan is aan de vereisten voor de aftrekbaarheid van het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 20:56
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 20:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.