-A +A

Clausule voor slot van alle rekeningen sluit niet alle rekeningen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 11/02/2015

De man roept tevergeefs de clausule uit de EOT in, tijdens welke de vrouw verklaart te verzaken aan elk verhaal tegen de man, indien zou blijken dat deze daaromtrent onvolledige inlichtingen zou hebben gegeven.

Afstand van recht wordt niet vermoeid en moet strikt geïnterpreteerd worden: deze kan alleen afgeleid worden uit feiten die niet voor een andere interpretatie vatbaar zijn (zie de talrijke verwijzingen in RABG 2015/15 pagina 1055). De strikte uitlegging van afstand van recht maken algemeen rechtsbeginsel uit (zie ter zake de verwijzingen op de zelfde bladzijde van het RABG). Een stilzwijgende afstand van een recht is mogelijk maar de strikte uitlegging ervan betekent dat deze enkel kan afgeleid worden uit een houding of gedraging die voor geen andere interpretatie vatbaar is (zie rechtspraak op zelde bladzijde van het RABG).

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/15
Pagina: 
1050
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

De interpretatie van de zin en de draagwijdte van de dadingsovereenkomst valt onder de vrije en soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter zie dading APR, Kluwer 2000, pagina 253.

De essentiële leidraad bij de interpretatie van de dadingsovereenkomsten is althans toch in eerste instantie de tekst van de betreffende overeenkomst zelf.

Voorts zij er nog gewezen op de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake dading. Ingevolge artikel 2048 Burgerlijk Wetboek blijven dadingen beperkt tot hun voorwerp, terwijl artikel 2049 Burgerlijk Wetboek nog vervolgde dat dadingen slechts de geschillen regelen die daarin zijn begrepen.

Deze wetsartikelen herhalen in feite slechts wat het gemeen recht bepaalt met betrekking tot de interpretatie van de overeenkomst in het algemeen. Enerzijds is artikel 2049 Burgerlijk Wetboek de bevestiging van het principe dat de wil van de partijen voorrang heeft op de uitgedrukte wil. Anderzijds bepaalt artikel 2048 Burgerlijk Wetboek dat bij twijfel de dading strikt geïnterpreteerd dient te worden. De wetsbepalingen verwijzen hiermee naar artikel 1163 Burgerlijk Wetboek en herhalen het principe dat overeenkomsten-zeker die welke een afstand tot voorwerp hebben-tussen partijen restrictief dienen te worden uitgelegd. Artikel 2049 Burgerlijk Wetboek prevaleert op artikel 2048 Burgerlijk Wetboek: bij de interpretatie van een dading moet immers eerst worden getracht te achterhalen wat de werkelijke wil van de partijen was. Wanneer deze echter niet met zekerheid kan vastgesteld worden, moet de dading restrictief uitgelegd worden gelet op de afstand van rechten van die partijen erin doen.

In de voorliggende zaak werd discussie gevoerd over het transactioneel karakter van de EOT (dading).

Hoewel de man als zodanig geen formele dadingsexceptie inroept, begrijpt het Hof het verweer het verweer als zodanig, in die zin dat het dadingskarakter van de EOT aan de vordering van de vrouw in de weg zou staan.

Eens een dading afgesloten is kunnen partijen geen aanspraak meer doen gelden op grond van hun oorspronkelijke rechtsverhouding: tussen partijen en heeft de dading gezag van gewijsde in hoogste aanleg ingevolge artikel 2052 Burgerlijk Wetboek.

Het Hof erkent dat de regelingsakte het karakter heeft van een dading (de door beide partijen bijgebrachte EOT -akte de bevestigt dit trouwens meermaals in dienst bewoordingen), die onderworpen is aan artikel 1134 Burgerlijk Wetboek vervat in principe van de overeenkomstenwet. Het probleem situeert zich in casu veeleer op het vlak van de draagwijdte die aan deze kwalificatie mag worden toegekend. Waar het immers over gaat is de vraag op welke goederen de dading in deze EOT uitwerking heeft. In dat verband zij opgemerkt dat de bindende kracht van de dading enkel geldt ten aanzien van de goederen die het voorwerp van de regeling der wederzijdse rechten hebben uitgemaakt en niet ten aanzien van degene die bewust of onbewust over het hoofd werden gezien. Een rechter heeft niet de bevoegdheid de draagwijdte van een dading uit te breiden tot aspecten waarover de contractanten niet de bedoeling hadden om een contract te sluiten.

Uit de bewoordingen (en de door de man aangehouden clausules onder andere inzake het liggend geld en de financiële op naam van elke partij) van de EOT-akte dan niet worden afgeleid dat partijen ook de litigieuze aandelen in hun regeling wensten te betrekken.

De interpretatie van de zin en de draagwijdte van de dadingsovereenkomst valt onder de vrije en soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter (dading APR pagina 253)

De essentiële leidraad bij de interpretatie van dadingsovereenkomst een is, althans toch in eerste instantie, de tekst van de betreffende overeenkomst zelf.

Voorts zijn nog gewezen op bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake dading: ingevolge artikel 2048 Burgerlijk Wetboek blijven dadingen beperkt tot hun voorwerp, terwijl artikel 2049 Burgerlijk Wetboek nog vervolgd dat dadingen slechts de geschillen regelen die daarin zijn begrepen

Deze wetsartikelen herhalen in feite slechts wat het gemeen recht bepaalt met betrekking tot de interpretatie van de overeenkomst in het algemeen. Enerzijds is artikel 2049 Burgerlijk Wetboek de bevestiging van het principe dat de wil van de partijen voorrang heeft op de uitgedrukte wil.

Anderzijds bepaalt artikel 2048 Burgerlijk Wetboek dat, bij twijfel de dading strikt geïnterpreteerd dient te worden. De wetsbepaling verwijst hiermee naar artikel 1163 en bepaalt het principe dat overeenkomsten-zeker die welke een afstand van recht tot voorwerp hebben-tussen partijen restrictief dienen te worden uitgelegd. Artikel 2049 Burgerlijk Wetboek prevaleert op artikel 2048 Burgerlijk Wetboek; bij de interpretatie van een dading moet immers eerst worden getracht te achterhalen wat de werkelijke wil van de partijen was. Wanneer deze echter niet met zekerheid kan vastgesteld worden, moet de dading restrictief uitgelegd worden, gelet op de afstand van de rechten die partijen erin doen.

Uit de bewoordingen en de door de man aangehouden clausules onder andere inzake het liggend geld en de financiële tegoeden op naam van elke partij van de EOT, kan niet worden afgeleid dat de partijen ook de litigieuze aandelen in hun regeling wensten te beperken

De intrinsieke elementen, meer bepaald de dadingsovereenkomst (EOT) zelf bevat voldoende gegevens om tot dit besluit te komen: het Hof stelt immers vast op pagina twee van de EOT dat in expliciete bewoordingen is bepaald dat de man de caravan van 22 jaar oud en de personenwagen Audi 100 (alsdan reeds 12 jaar oud) in zijn kamer kreeg toebedeeld; indien het de bedoeling van partijen zou geweest zijn om een waardevol goed als de litigieuze aandelen ook in de kavel van de man te begrijpen dan zou hieromtrent ook zeker een opsomming gegeven zijn, gelet op bovenstaande feitelijke elementen afgeleid uit de akte zelf.

Het feit dat elke verwijzing naar de waardepapieren ontbreekt levert in de onderhavige zaak een voldoende gewichtig vermoeden op om te besluiten dat de EOT aan de verdeling/toebedeling van deze waardepapieren niet geregeld heeft, nog los van de vraag of de man het bestaan van die waardepapieren, die hij volgens zijn verklaringen ter zitting van 13 januari 2015 zelf had aangekocht, bewust niet vermeld had.

De inhoud van de aangetekende brief van 15 december 1999 verstuurd door de raadsman van de vrouw doet hieraan geen afbreuk: in essentie wordt hier enkel aangestuurd op een aanvullende verdeling bij gelijke helften (van een aantal niet in de EOT begrepen goederen), hetgeen ook de vordering is die de vrouw nadien heeft aanhangig gemaakt voor de rechter.

De verwijzing naar het onverschoonbaar karakter van de dwaling doet niet ter zake aangezien geen vernietiging benaarstigd wordt van de EOT. Bovendien roept de vrouw als zodanig ook geen wilsgebrek in.

De man roept tevergeefs de clausule uit de EOT in, tijdens welke de vrouw verklaart te verzaken aan elk verhaal tegen de man, indien zou blijken dat deze daaromtrent onvolledige inlichtingen zou hebben gegeven.

Afstand van recht wordt niet vermoeid en moet strikt geïnterpreteerd worden: deze kan alleen afgeleid worden uit feiten die niet voor een andere interpretatie vatbaar zijn (zie de talrijke verwijzingen in RABG 2015/15 pagina 1055). De strikte uitlegging van afstand van recht maken algemeen rechtsbeginsel uit (zie ter zake de verwijzingen op de zelfde bladzijde van het RABG). Een stilzwijgende afstand van een recht is mogelijk maar de strikte uitlegging ervan betekent dat deze enkel kan afgeleid worden uit een houding of gedraging die voor geen andere interpretatie vatbaar is (zie rechtspraak op zelde bladzijde van het RAB G)

Overigens zal de interpretatie van het bewuste beding zoals die thans door de man voorgestaan wordt, impliceren dat fouten in het precontractuele informatie-uitwisselingsproces (al dan niet met opzet begaan) beloond zouden worden, hetgeen niet de bedoeling kan zijn.

In casu is naar het oordeel van het Hof aangetoond dat de dading/EOT geen betrekking had op de litigieuze waardepapieren.

De dader dient beperkt te worden tot de vermogensbestanddelen die door beide partijen (en dus ook door de vrouw) bekend waren op het ogenblik van het sluiten van de dading.

In tegenstelling tot hetgeen de man voorhoudt, kan het bewijs van deze kennis door de vrouw niet worden afgeleid uit de door hem geciteerde clausules van de EOT. De overeenkomst dat partijen niets meer aan elkaar verschuldigd zijn (en die een wederzijdse afstand van recht impliceert) betreft slechts de goederen waarvan het bestaan gekend was (en die bijgevolg het voorwerp van dading konden uitmaken); uit geen enkel element van het dossier kan evenwel afgeleid worden dat de litigieuze waardepapieren gekend waren door de vrouw, laat staan op enig moment voorwerp van bespreking, onderhandeling en bijgevolg ook transactie zouden geweest zijn.

Het gegeven dat de man de waardepapieren alleen heeft verzilverd en schrappingen liet aanbrengen, onder andere wat adres betreft (zie stuk twee bundel van de man: borderel Deutsche Bank), niettegenstaande het feit dat beide partijen tijdens de proeftijd op hetzelfde adres verbleven volgens de bepalingen van de EOT, levert een bijkomend gegeven op waaruit kan afgeleid dat de man wilde dat deze transactie niet door zijn vrouw gekend zou zijn.
De vordering van de vrouw houdt dan ook geen miskenning een van de globale regeling waarvan de man voren haalt dat deze tot slot van alle rekeningen zou zijn inbegrepen, de roerende goederen die thans nog voorwerp van betwisting uitmaken.

De dadingsexceptie faalt

de vordering is ontvankelijk en het Hof heeft rechtsmacht om kennis te nemen van de vordering van mevrouw.

Aangezien sprake is van vergeten goederen en ook de EOT geen specifieke clausules of bedingen voorziet voor de hypothese van dergelijke “vergeten” goederen, terwijl de EOT evenmin relevante bepalingen bevat op grond waarvan zou kunnen uitgemaakt worden wel lot deze goederen beschoren zijn, dient noodzakelijkerwijs te worden teruggevallen op de regels van het toenmalige huwelijksvermogensrecht ten tijde van het ontstaan, lees verwerven van het bewuste vermogensbestanddeel, ‘t is te zeggen, het wettelijk stelsel, aangezien de partijen zonder conventionele huwelijkse voorwaarden waren getrouwd. De aanstelling van een notaris vereffenaar is dan ook een overbodige maatregel.

Waar traditioneel voorgehouden wordt dat de rechter niet bevoegd is om zelf de vereffening en verdeling op te stellen, zij opgemerkt dat niets eraan in de weg staat dat de rechter zelf de gerechtigheden bepaalt in de onverdeelde boedel, indien deze zich beperkt tot een enkel vermogensbestanddeel, dat uit zijn aard (geld) gevoeglijk in natura verdeelbaar is. In feite doet het Hof niets anders dan toepassing te maken van het wettelijk vermoeden van gelijkheid van de onverdeelde aandelen (577-2 §2 Burgerlijk Wetboek) voor gelden of girale tegoeden (zoals in casu, aangezien de waardepapieren in kwestie reeds verzilverd zijn en het geld in de plaats getreden is) is de aanwijzing van een onverdeeld aandeel in waarde in concreto niet te onderscheiden van een onverdeeld aandeel in het goed zelf vermits alle bestanddelen generiek en equivalent zijn.

Een voorafgaandelijke verdeling is dus niet nodig (zie verwijzingen in RABG 2015/15 pagina 1056)...

 

Noot: 

• B. Verlooy De vernietiging van een dading wegens benadeling, RABG 2010/12, 761, noot onder het arrest zoals eveneens gebubliceerd in RABG/12, 755.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 10/01/2016 - 15:46
Laatst aangepast op: zo, 10/01/2016 - 15:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.