-A +A

Civielrechtelijke immuniteit van de werkgever bij onopzettelijk veroorzaakte arbeidsongevallen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 21/05/2002
A.R.: 
P001635N

De civielrechtelijke immuniteit van de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde bij onopzettelijk veroorzaakte arbeidsongevallen geldt slechts ten aanzien van de getroffene of zijn rechthebbenden; zij geldt niet ten aanzien van hen die geen recht hebben op de vergoedingen waarin de Arbeidsongevallenwet voorziet, zoals de moeder van de getroffene van een niet-dodelijk arbeidsongeval.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.00.1635.N
1. V. N.,
2. S. A.,
eisers, burgerlijke partijen,

tegen
1. V. G., verweerder, beklaagde,
2. SCHENKER - B.T.L., naamloze vennootschap, met zetel te Mechelen, Blokhuisstraat 36,
verweerster, civielrechtelijk aansprakelijke partij,

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 oktober 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Cassatiemiddelen

Eisers stellen in een memorie drie middelen voor. Deze memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

IV. Beslissing van het Hof

1. Eerste middel Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat bij bevelschrift van 19 oktober 2000 van de eerste voorzitter van het Hof van Beroep en waarvan melding is gemaakt op het proces-verbaal van de terechtzitting van dezelfde datum, raadsheer Thabert werd aangewezen om raadsheer Van Bossuyt te vervangen bij de uitspraak aangezien deze laatste verhinderd was de uitspraak bij te wonen van de zaak waarover hij mede heeft beraadslaagd;

Dat het middel feitelijke grondslag mist;

2. Tweede middel

Overwegende dat het middel dat een dubbelzinnigheid in de motivering van het arrest aanvoert, niet aangeeft in welke lezing van het arrest de beslissing wettig en in welke lezing ze onwettig zou zijn;
Dat het middel niet ontvankelijk is;

3. Derde middel

3.1. Eerste onderdeel

Overwegende dat de appèlrechters met de overweging dat de immuniteit van de werkgever zich ook uitstrekt tot de morele schadevergoeding, eisers conclusie verwerpen en beantwoorden;

Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;

3.2. Tweede onderdeel

Overwegende dat artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet de gevallen bepaalt waarin, ongeacht de uit die wet voortvloeiende rechten, de getroffene of zijn rechthebbenden een rechtsvordering inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid kunnen instellen;

Dat de in deze bepaling bedoelde immuniteit van de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde slechts geldt ten aanzien van de getroffene van het arbeidsongeval of zijn rechthebbenden;

Dat het begrip "rechthebbenden" bedoeld in vermeld artikel 46, § 1, enkel betrekking heeft op de personen, bedoeld in de artikelen 12 tot 17 van diezelfde wet, die recht hebben op de vergoedingen waarin die wet voorziet;

Dat die immuniteit niet geldt ten aanzien van personen die geen recht hebben op vergoedingen krachtens de Arbeidsongevallenwet;

Overwegende dat de appèlrechters de vordering van eiser, getroffene van het arbeidsongeval en gericht tegen zijn werkgever en diens aangestelde, niet ontvankelijk verklaren op grond dat vermeld artikel 46 aan die verweerders immuniteit verleent, ook tegen aanspraken op grond van artikel 1384 Burgerlijk Wetboek;

Dat de appèlrechters de vordering van eiseres, moeder van eiser, gericht tegen die verweerders op dezelfde grond niet ontvankelijk verklaren;

Overwegende dat in geval van niet-dodelijk arbeidsongeval, alleen de getroffene zelf aanspraak maakt op vergoedingen krachtens de Arbeidson-gevallenwet;

Dat eiseres, moeder van de getroffene van een niet-dodelijk arbeidsongeval, geen rechthebbende is in de zin van vermeld artikel 46 zodat de in dat artikel bedoelde immuniteit van de werkgever, zijn lasthebber of zijn aangestelde ten aanzien van haar niet geldt;

Dat de appèlrechters door de vordering van eiseres, gesteund op artikel 1384 Burgerlijk Wetboek, niet ontvankelijk te verklaren op grond dat de verweerders immuniteit genieten krachtens vermeld artikel 46, deze wetsbepalingen schenden;

Dat het onderdeel gegrond is;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van N. V.;
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Veroordeelt A. S. in de helft van de kosten en de verweerders in de overige kosten;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen.
Gezegde kosten begroot op de som van driehonderd eenennegentig euro zevenenveertig cent, waarvan honderd vierenveertig euro vierennegentig cent verschuldigd en tweehonderd zesenvijftig euro drieënvijftig cent door de eisers betaald.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel.


Conclusie Parket-Generaal

Procureur-generaal du Jardin heeft over het tweede onderdeel van het derde middel in substantie gezegd:

1. Het geschil vloeit voort uit een arbeidsongeval waarbij tweede eiser ernstige lichamelijke letsels opliep en dat zich heeft voorgedaan op de terreinen van zijn werkgever, de N.V. S., in het geding opgevolgd door tweede verweerder.

Eerste verweerder, aangestelde van de N.V. S., werd op strafrechtelijk vlak verantwoordelijk gesteld.

Het slachtoffer van het ongeval en zijn moeder, eerste eiseres, hebben zich burgerlijke partij gesteld tegen de beklaagde en tegen de N.V. S., thans tweede verweerster, als burgerrechtelijk aansprakelijke.

Het bestreden arrest heeft de vordering van de burgerlijke partijen niet ontvankelijk verklaard. De appèlrechters hebben hun beslissing gestoeld op de burgerrechtelijke immuniteit die artikel 46 van de Arbeidsongevallenwet verleent aan de werkgever en zijn aangestelde. Deze immuniteit zou slechts vervallen wanneer de aangestelde het arbeidsongeval opzettelijk heeft veroorzaakt, hetgeen volgens de appelrechters niet het geval is. Het bestreden arrest heeft tevens beslist dat de uitzonderingen op de immuniteit neergelegd in artikel 46, § 1, 6° en 7° van de Arbeidsongevallenwet niet van toepassing zijn op de zaak, omdat deze pas na de feiten werden toegevoegd aan de Arbeidsongevallenwet (respectievelijk bij wet van 25 januari 1999 en bij wet van 24 december 1999).

2. Eisers voeren tegen deze beslissing drie cassatiemiddelen aan.

3. Het tweede onderdeel van het derde middel raakt de kern van de zaak. Eisers stellen dat artikel 46 van de Arbeidsongevallenwet enkel immuniteit verleent ten aanzien van de getroffene zelf of zijn rechthebbenden, maar niet ten aanzien van wie geen rechthebbende is in de zin van artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet. De eerste eiseres, die als moeder van de getroffene geen rechthebbende is in de zin van artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet, zou zich dus wel op het aansprakelijkheidsrecht kunnen beroepen om vergoeding te bekomen voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het ongeval. Door de burgerlijke vordering van de eerste eiseres af te wijzen als onontvankelijk, zouden de appèlrechters artikel 1384 B.W. in samenhang met artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet geschonden hebben.

Dit onderdeel stelt de vraag aan de orde naar de tegenwerpelijkheid van de immuniteit in artikel 46 Arbeidsongevallenwet ten aanzien van de benadeelden van het ongeval die zelf geen recht hebben op forfaitaire vergoedingen in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving. Deze vraag kadert in de samenloopproblematiek van de aanspraken krachtens de Arbeidsongevallenwet met deze krachtens het aansprakelijkheidsrecht.

4. De vergoedingen die krachtens de Arbeidsongevallenwet worden toegekend zijn beperkt en forfaitair van aard. Zij bedragen vaak minder dan de vergoeding waarop de benadeelden naar gemeen recht aanspraak zouden kunnen maken. Wanneer het ongeval te wijten is aan de fout van een andere persoon, hebben de benadeelden er dan ook belang bij op grond van het gemene recht een vergoeding te kunnen vorderen van de aansprakelijke, als aanvulling op de hen toekomende arbeidsongevallenvergoeding.

Indien de aansprakelijkheid voor het arbeidsongeval op de werkgever van de getroffene rust of op zijn aangestelde of lasthebber, kunnen de getroffene of zijn rechthebbenden geen aansprakelijkheidsvordering instellen, behoudens in de gevallen opgesomd in artikel 46, § 1 Arbeidsongevallenwet: in geval van opzet, voor schade aan goederen, wanneer het ongeval zich voordoet op de weg naar en van het werk, wanneer het ongeval een verkeersongeval betreft of in geval van ernstige inbreuk op de veiligheidsreglementering. Buiten deze gevallen, zal de getroffene of zijn rechthebbende zich wegens de immuniteit tevreden moet stellen met de beperkte arbeidsongevallenvergoeding.

5. De civielrechtelijke immuniteit vormt de tegenhanger van de op de werkgever rustende verzekeringsplicht. Zij beantwoordt tevens aan de bekommernis om de sociale vrede in het bedrijf te handhaven. Die zou immers in gedrang komen bij vorderingen jegens de werkgever of de medewerknemers.

De immuniteit geldt voor alle schadeposten, ook voor diegene die niet vergoed worden in het kader van de Arbeidsongevallenwet. Men spreekt in dat verband van het 'absolute karakter' van de immuniteit. Zo kunnen de getroffene of zijn rechthebbenden van de werkgever geen vergoeding vorderen voor de morele schade (tenzij in de gevallen bepaald in artikel 46, § 1), ook al wordt deze schade niet vergoed op grond van de Arbeidsongevallenwet (Cass., 21 januari 1986, Arr. Cass., 1985-86, 693).

6. Wat in tweede onderdeel van het derde middel ter discussie staat, is niet het zgn. absolute karakter van de immuniteit, maar wel de tegenwerpelijkheid van de immuniteit ten aanzien van diegenen die geen recht hebben op forfaitaire arbeidsongevallenvergoedingen.

Men weet dat de Arbeidsongevallenwet een zeer beperkte kring van vergoedingsgerechtigden kent.

Als de getroffene het arbeidsongeval overleeft, is hij de enige rechthebbende. Gaat het om een dodelijk arbeidsongeval, dan kunnen een limitatief aantal opgesomde personen aanspraak maken op een vergoeding: de echtgenoot, de kinderen, de ascendenten of broers en zusters van de getroffene (artt. 12-17 Arbeidsongevallenwet).

Zij hebben echter niet altijd recht op een arbeidsongevallenvergoeding: sommigen moeten een aantal voorwaarden vervullen, en bovendien sluit de ene categorie de andere soms uit (zie in detail: artt. 12-20bis Arbeidsongevallenwet).

Alle andere benadeelden komen niet in aanmerking voor een vergoeding krachtens de Arbeidsongevallenwet. Men denkt bijvoorbeeld aan de levensgezel met wie het slachtoffer ongehuwd samenwoont, of bij een niet-dodelijk arbeidsongeval, aan de ouders, de kinderen, de (al dan niet gehuwde) partner van de getroffene.

7. Geldt de immuniteit ook jegens de benadeelden die uitgesloten zijn van het recht op een arbeidsongevallenvergoeding? Als deze vraag positief beantwoord wordt, vallen deze benadeelden volledig uit de boot: zij hebben dan immers niet alleen geen recht op de forfaitaire arbeidsongevallenvergoedingen, daarenboven kunnen ze ook geen vordering tot vergoeding van hun schade instellen op basis van de artikelen 1382 e.v. B.W. wanneer de werkgever van de getroffene of zijn aangestelde of lasthebber aansprakelijk is voor het ongeval.

8. Laten we eerst de tekst van de wet nader bekijken. Artikel 46, § 1, eerste lid, Arbeidsongevallenwet luidt: 'Ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten blijft de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid mogelijk voor de getroffene of zijn rechthebbenden: (...)' Daarna volgt een opsomming van de gevallen waarin een aansprakelijkheidsvordering kan ingesteld worden (art. 46, § 1, eerste lid, 1°-7°).

Uit de aangehaalde tekst blijkt dat de immuniteit slechts geldt ten aanzien van 'de getroffene of zijn rechthebbenden'. De term 'getroffene' slaat ongetwijfeld op de werknemer die het slachtoffer is van het arbeidsongeval. Het begrip 'rechthebbende' wordt door de Arbeidsongevallenwet niet gedefinieerd.
In het sociaal recht verwijst dit begrip gewoonlijk naar de persoon die aanspraak kan maken op of rechtens in het genot is van een prestatie (Benelux-Sociaalrechtelijk Woordenboek, 136).

Als men aan de term 'rechthebbenden' in artikel 46, § 1, eerste lid, Arbeidsongevallenwet zijn gebruikelijke betekenis toekent, gaat het dus uitsluitend om diegenen die aanspraak maken op een prestatie op grond van de Arbeidsongevallenwet. Andere benadeelden zijn geen rechthebbenden en vallen dus buiten het bereik van de immuniteitsregel.

Deze interpretatie vindt aansluiting bij de aanhef van artikel 46, § 1, Arbeidongevallenwet. Uit het gebruik van de woorden 'Ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten...' blijkt dat de getroffene of de rechthebbende een persoon is die rechten put uit de Arbeidsongevallenwet (zie B. LIETAERT, 'Is de immuniteit van de arbeidsongevallenwetten en de beroepsziektenwet aan eenieder tegenwerpelijk?' T.S.R. 1996, (143) 155).

De term rechthebbenden komt niet alleen in artikel 46 voor, maar ook in de artikelen 9, 17 en 18 van de Arbeidsongevallenwet. Artikel 9 bepaalt dat wanneer de getroffene of zijn rechthebbenden benevens het bestaan van het letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, het letsel behoudens tegenbewijs vermoed wordt door een ongeval te zijn veroorzaakt.

De bewijslast met betrekking tot het bestaan van een arbeidsongeval rust uiteraard slechts op diegenen die een aanspraak kunnen laten gelden in het kader van de Arbeidsongevallenwet, d.w.z. op de rechthebbenden in de betekenis zoals die hierboven is toegelicht.

Ook in de artikelen 17 en 18 verwijst de term 'rechthebbenden' onmiskenbaar naar de personen die aanspraak maken op het genot van een prestatie krachtens de Arbeidsongevallenwet.

Bij ontstentenis van enige aanduiding van het tegendeel, kan men aannemen dat de wetgever aan de uitdrukking 'de getroffene of zijn rechthebbenden' in artikel 46 dezelfde betekenis heeft willen verlenen als in de andere bepalingen van de Arbeidsongevallenwet.

Ook als men rekening houdt met de plaats van artikel 46 in het geheel van de wet, is het duidelijk dat de immuniteit geen betrekking kan hebben op personen die niet gerechtigd zijn op arbeidsongevallenvergoedingen. Art. 46 Arbeidsongevallenwet ressorteert onder hoofdstuk II 'Schadeloosstelling', dat de regels bevat inzake de schadeloosstelling die op grond van de Arbeidsongevallenwet verschuldigd is in geval van een dodelijk arbeidsongeval of arbeidsongeschiktheid. Artikel 46 vormt samen met de artikelen 47-48 de zesde afdeling van dit hoofdstuk II.

Deze afdeling, die het opschrift 'Burgerlijke aansprakelijkheid' draagt, regelt de samenloop van de aanspraken in het kader van de arbeidsongevallenregeling met deze krachtens het gemene recht. Welnu, wat de personen betreft die niet gerechtigd zijn op vergoedingen krachtens de Arbeidsongevallenwet, doet zich geen samenloop van aanspraken voor. Zij vallen volkomen buiten het regime van de Arbeidsongevallenwet en dus ook buiten de samenloopregeling vervat in de artikelen 46 e.v.

9. De interpretatie volgens welke de immuniteit de aanspraken van de schadelijders die niet gerechtigd zijn op de arbeidsongevallenvergoedingen ongemoeid laat, wordt sedert de jaren 1990 door het Franse Hof van Cassatie gevolgd. Art. L.451-1 Code de la sécurité sociale verbiedt aan het slachtoffer van een arbeidsongeval en aan zijn rechthebbenden (les ayants-droit) een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de werkgever en diens aangestelden, behalve in geval van opzet.

Deze immuniteitsregel is dus gelijkaardig aan deze in artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet, zij het dat onze wet meer uitzonderingen op de immuniteit kent.

Aanvankelijk werd de notie ayants-droit door de Franse rechtspraak ruim opgevat als al diegenen die schade lijden als gevolg van het arbeidsongeval (zie daarover: J. LANDEL, noot onder Cass. fr. 18 april 1991, R.G.A.T., 1992, 98).

Het Franse Hof van Cassatie is daarop teruggekomen in een arrest van 2 februari 1990 (R.G.A.R., 1993, 12.190, noot F. HIRSCH), gewezen in voltallige terechtzitting. De aanleiding tot het arrest was een arbeidsongeval te wijten aan de fout van een werknemer in dienst van dezelfde werkgever als de getroffene. De getroffene overleefde het ongeval, maar liep een ernstige blijvende invaliditeit op.

Zijn jonge echtgenote vorderde vergoeding voor de eigen schade die zij leed als gevolg van het ongeval (o.a. het feit dat zij geen kinderen met haar echtgenoot kon krijgen). Net als in het Belgische recht, heeft de echtgenote van het slachtoffer bij een niet-dodelijk arbeidsongeval geen recht op vergoeding krachtens de arbeidsongevallenwetgeving.

Het bestreden arrest, dat de gemeenrechtelijke vordering van de echtgenote had toegestaan, werd door het Hof van Cassatie bevestigd. Het Hof oordeelde 'que l'expression d'ayants droit figurant dans l'art. L. 451-1 c.séc.soc. vise uniquement les personnes énumérées aux art. L. 434-7 à L. 434-14 du même code, qui perçoivent des prestations en cas de décès accidentel de leur auteur ; que le conjoint de la victime d'un accident du travail, lorsque cette victime a survécu, n'a pas la qualité d'ayant-droit, au sens de l'art. L. 451-1 précité, et peut dés lors être indemnisé de son préjudice personnel, selon les règles du droit commun '. Het Hof bevestigde dit standpunt in een arrest van 18 april 1991 (R.G.A.T., 1992, noot J. LANDEL).

10. Uw Hof geeft daarentegen een zeer ruime uitlegging aan het bereik van de immuniteit. In een arrest van 2 november 1994 (Arr. Cass., 1994, 909, nr. 465) oordeelde het Hof dat artikel 46 van de wet van 10 april 1971 bepaalt dat 'niet alleen de rechthebbenden op de forfaitaire vergoedingen, maar ook al degenen die wegens het arbeidsongeval van de getroffene aanspraak kunnen maken op een vergoeding overeenkomstig de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek uitgesloten zijn van de rechtsvordering volgens het gemeen recht tegen de werkgever of diens aangestelden'.

Het Hof greep daarmee terug naar een arrest van 16 januari 1956 (Arr. Verbr., 1956, 372), dat betrekking had op artikel 19 van de samengeschakelde wetten op de arbeidsongevallen.

In het arrest van 2 november 1994 is het middel niet opgenomen.

Uit het antwoord van het Hof blijkt niet of het ging om een dodelijk of een niet-dodelijk arbeidsongeval. Enkel uit de trefwoorden die bij de publicatie in Arr. Cass. aan de tekst van het arrest voorafgaan, kan men afleiden dat het een dodelijk arbeidsongeval betrof.

Veel doet dit er echter niet toe. De regel die in het arrest is geformuleerd, is zodanig ruim dat hij niet alleen de nabestaanden van een overleden slachtoffer viseert, maar evengoed diegenen die schade lijden als gevolg van de arbeidsongeschiktheid van de getroffene.

11. De rechtspraak van het Hof werd in de rechtsleer sterk bekritiseerd. Tegen de door het Hof voorgestelde interpretatie kunnen inderdaad meerdere bezwaren worden geuit.

Allereerst gaat zij in tegen de tekst van artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet, die enkel spreekt over 'de benadeelde of zijn rechthebbenden'. In het arrest van 2 november 1994, stelt het Hof niet dat de notie 'rechthebbenden' ook de personen omvat die geen recht hebben op een arbeidsongevallenvergoeding, maar wel dat naast de rechthebbenden ook alle andere schadelijders onder de immuniteit vallen. Het Hof voegt dus een categorie toe aan de personen aan wie volgens de tekst van artikel 46 Arbeidsongevallenwet de immuniteit kan worden tegengeworpen.

Het resultaat is bovendien verre van bevredigend. Aan degenen die geen recht hebben op een vergoeding krachtens de Arbeidsongevallenwet, wordt nu ook de mogelijkheid ontzegd een vergoeding te vorderen op grond van het aansprakelijkheidsrecht. Het is onlogisch dat het bijzondere vergoedingsstelsel voor arbeidsongevallen, waaraan zij geen enkel recht ontlenen, hen het recht zou ontnemen om vergoeding te bekomen via een ander vergoedingsstelsel.

In de rechtsleer werd ook geopperd dat de immuniteitsregel, in zoverre zij tegenwerpelijk is aan personen die niet gerechtigd zijn op een prestatie in het kader van de Arbeidsongevallenwet, in strijd is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (zie B. LIETAERT, l.c., (143) 168-170).

12. In een prejudicieel arrest van 1 maart 2001 (arrest nr. 31/2001, A. A., 2001, 473; R.W. 2001-02, 373 en De Verz. 2001, 294, noot Van Gossum, L.) heeft het Arbitragehof zich bij deze laatste kritiek aangesloten.

De verwijzende rechter had het begrip 'rechthebbenden' bedoeld in artikel 46, § 1, van de Arbeidsongevallenwet op dezelfde wijze geïnterpreteerd als het Hof van Cassatie in het arrest van 2 november 1994. Het Arbitragehof stelt vast dat in tegenstelling tot de rechthebbenden van het overleden slachtoffer bedoeld in de artikelen 12-17 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, die onder zekere voorwaarden aanspraak kunnen maken op de vaste vergoedingen waarin de wet voorziet, de personen die niet door die artikelen worden beoogd, in die interpretatie op geen enkele vergoeding aanspraak kunnen maken, of de schade die zij ten gevolge van het overlijden hebben geleden, materieel is dan wel moreel.

Het Arbitragehof oordeelt vervolgens: 'Rekening houdend met de logica van het systeem en met het feit dat die personen de arbeidsverhoudingen tussen werkgever en werknemer niet beïnvloeden is het onevenredig dat zij geen enkel recht op schadevergoeding hebben: het voordeel van het gemeenrechtelijk systeem van schadevergoeding kan hun niet worden ontnomen om reden van een bijzonder systeem dat elke vergoeding wat hen betreft uitsluit'. In die zin geïnterpreteerd dat het alle rechthebbenden van het slachtoffer beoogt, zonder onderscheid naargelang zij al dan niet aanspraak kunnen maken op een vaste vergoeding, schendt artikel 46, § 1, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Maar het Arbitragehof merkt ook op dat de term 'rechthebbende', zoals die voorkomt in artikel 46, § 1 Arbeidsongevallenwet, in die zin kan worden geïnterpreteerd 'dat hij alleen betrekking heeft op de personen bedoeld in de artikelen 12 tot 17 van dezelfde wet, die de vaste vergoedingen kunnen genieten waarin de wet voorziet, en niet op de personen die door het overlijden van het slachtoffer benadeeld zijn maar die niet door die bepalingen worden beoogd'. In die interpretatie schendt artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet.

13. Het prejudiciële arrest van 1 maart 2001 heeft betrekking op de rechthebbenden van het slachtoffer van een dodelijk arbeidsongeval. Het probleem stelt zich echter op dezelfde wijze wanneer het arbeidsongeval de getroffene arbeidsongeschikt maakt. Men kan derhalve aannemen dat de beslissing van het Arbitragehof ook voor niet-dodelijke arbeidsongevallen opgaat.

Het arrest brengt mee dat de personen die geen recht hebben op vergoedingen in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving de mogelijkheid behouden om de werkgever of zijn aangestelde die aansprakelijk is voor het ongeval aan te spreken tot vergoeding van de door hen geleden schade.

Voor de getroffene zelf of zijn rechthebbenden (in de betekenis van de personen die gerechtigd zijn op een arbeidsongevallenvergoeding) geldt nog steeds dat zij buiten de gevallen voorzien in artikel 46 geen vordering kunnen instellen tegen de werkgever of zijn aangestelde, ook niet voor de schade die niet gedekt is door de Arbeidsongevallenwet. Aan het absolute karakter van de immuniteit wordt dus niet geraakt.

14. In het licht van dit prejudiciële arrest en de vele bezwaren die de oplossing van het arrest van 2 november 1994 oproept, lijkt het raadzaam dat het Hof zijn interpretatie van artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet aanpast en aanvaardt dat de uitdrukking 'rechthebbenden' in artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet enkel betrekking heeft op de personen bedoeld in de artikelen 12 tot 17 van dezelfde wet, die recht hebben op de prestaties waarin die wet voorziet.

De voorliggende zaak biedt daartoe de gelegenheid. Het middel werpt op dat artikel 46 Arbeidsongevallenwet enkel immuniteit verleent ten aanzien van de schadelijdende getroffene of zijn rechthebbende, terwijl de moeder van een getroffene geen rechthebbende is in de zin van artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet.

Dat de moeder van een getroffene geen rechthebbende is, is in elk geval juist wanneer het gaat om een niet-dodelijk arbeidsongeval. In geval van een dodelijk ongeval, kan de moeder van de getroffene onder bepaalde voorwaarden in het kader van de Arbeidsongevallenwet wel aanspraak maken op een rente (zie artikel 15 Arbeidsongevallenwet).

In de voorliggende zaak staat het onbetwist vast dat het een niet-dodelijk arbeidsongeval betreft (de getroffen werknemer is zelf eiser in cassatie...), zodat zijn moeder inderdaad geen rechthebbende is op een prestatie op grond van de Arbeidsongevallenwet.

15. Conclusie: het bestreden arrest heeft artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet geschonden, doordat het aan de eerste eiseres, die als moeder van een slachtoffer van een niet-dodelijk arbeidsongeval geen recht heeft op prestaties krachtens de Arbeidsongevallenwet, de mogelijkheid ontzegt een burgerlijke vordering in te stellen tegen de beklaagde en de diens werkgever. Het tweede onderdeel van het derde middel is gegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 06/05/2016 - 12:43
Laatst aangepast op: vr, 06/05/2016 - 12:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.