-A +A

Cheque is een abstracte verbintenis en laat geen excepties toe uit verhouding houder en derden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 16/04/2002

De trekker kan zich tegenover de houder van de cheque niet verweren met een beroep op excepties geput uit de rechtsverhouding tussen de houder en derden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
349
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S.V.P. t/ M.

Geïntimeerde heeft op 9 mei 1989 appellante gedagvaard voor de eerste rechter in betaling van de som van 5.424.986 fr. (134.481,89 euro), vermeerderd met de gerechtelijke intresten op 5.325.766 fr. (132.022,29 euro) en de gerechtskosten. De som van 5.424.986 fr. (134.481,89 euro) vertegenwoordigt het bedrag van een op 6 februari 1989 gedateerde cheque, namelijk 5.325.766 fr. (132.022,29 euro), vermeerderd met 99.220 fr. (2.459,60 euro) intresten.

...

De heer G., uitbater van een turfkantoor, organiseerde spelerspotten voor het spelen van de tiercé, de quarté of de Top-5. Met het oog op een paardenwedren die op 6 februari 1989 zou worden gelopen te Sterrebeek, organiseerde hij deze spelerspot met de heren V., Van L. en Gr.

Toen bleek dat de winnende combinatie voorkwam op hun spelersbulletin en zij aldus het bedrag van 5.325.766 fr. (132.022,29 euro) hadden gewonnen, besloten deze spelers dit winnende bulletin, samen met het fiscale attest, te verkopen aan geïntimeerde, die hen hiervoor hetzelfde bedrag, vermeerderd met 15%, betaalde.

Appellante schreef een op 6 februari 1989 gedateerde cheque uit van 5.325.766 fr. (132.022,29 euro), betaalbaar aan geïntimeerde, aan wie deze cheque werd overhandigd op 16 februari 1989.

Aangezien zij vermoedde dat er fraude werd gepleegd bij de op 6 februari 1989 gelopen wedren, legde zij op 16 februari 1989 klacht neer met burgerlijkepartijstelling in handen van de onderzoeksrechter te Brussel.

Ingevolge deze klacht werd verzet aangetekend tegen de uitbetaling van de cheque, wat leidde tot de debitering van de rekening van geïntimeerde, die deze cheque inmiddels had opgetrokken.

De heer G., geïntimeerde, en zijn echtgenote werden vervolgd wegens het opstellen en gebruiken van een vals geschrift met het bedrieglijk oogmerk de belastingadministratie voor te wenden dat geïntimeerde en zijn echtgenote geldsommen hadden gewonnen door te spelen op de paardenwedrennen, en de heren G. en Gr. wegens het in het openbaar aannemen van de naam van geïntimeerde.

Bij vonnis, uitgesproken door de Correctionele Rechtbank te Brussel op 21 december 1995, werden deze misdrijven niet bewezen verklaard en werden de beklaagden vrijgesproken.

Appellante stelde hoger beroep in en, bij arrest van het hof van 2 december 1998, werd de strafvordering ten laste van alle beklaagden vervallen verklaard door verjaring. Op burgerlijk gebied werd geoordeeld dat de feiten van de tenlastelegging niet bewezen waren.

...

Appellante roept art. 22 van de Chequewet van 1 maart 1961 in. Dit artikel bepaalt dat zij die uit hoofde van de cheque worden aangesproken, de verweermiddelen gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de trekker of tot vroegere houders niet aan de houder kunnen tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de cheque desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld. Appellante stelt in dat verband dat de vordering ongegrond is, omdat geïntimeerde niet effectief heeft deelgenomen aan de weddenschap op de paardenwedren van 6 februari 1989 en omdat de uitslag van deze wedren werd vervalst.

Dit verweer dient te worden verworpen.

Allereerst kan art. 22 van de Chequewet niet worden ingeroepen, aangezien er volgens appellante zelf geen persoonlijke onderliggende verhouding bestond tussen haar en geïntimeerde en aangezien de cheque betaalbaar was gesteld aan geïntimeerde en deze derhalve de cheque niet nadien heeft verkregen.

In ieder geval zijn de ingeroepen verweermiddelen niet gegrond.

Partijen zijn het nu eens dat de feiten zich hebben voorgedaan zoals zij hiervoor werden weergegeven.

Appellante betwist niet dat geïntimeerde het winnende bulletin heeft aangeboden en dat zij hem om die reden de cheque heeft overhandigd.

De omstandigheid dat geïntimeerde niet zelf heeft deelgenomen aan de weddenschap en op dit punt de zaken onjuist heeft voorgesteld in het inleidend exploot van dagvaarding, is niet terzake dienend in het raam van huidig geschil, evenmin als de reden waarom hij dit bulletin heeft aangekocht.

Zelf indien zou vaststaan dat geïntimeerde, voor het geheel of voor het grootste gedeelte, van de spelers terugbetaling heeft verkregen van de prijs die hij voor het winnende bulletin heeft betaald, staat dit er niet aan in de weg dat hij appellante kan aanspreken in betaling van de cheque, aangezien deze vordering is gebaseerd op de tussen geïntimeerde en appellante bestaande chequeverhouding en appellante vreemd is aan de betalingen en terugbetalingen die tussen geïntimeerde en derden – de diverse spelers – hebben plaatsgevonden, en aangezien appellante zelf geen betaling heeft uitgevoerd.

Uit niets blijkt dat het niet voor eigen rekening is dat geïntimeerde zijn vordering tegen appellante heeft ingesteld.

...

Uit al het bovenstaande volgt dat de door appellante ingeroepen verweermiddelen dienen te worden verworpen en in ieder geval geen rechtsgrond opleveren om haar verplichting tot het betalen van het bedrag van de door haar getrokken cheque aan te tasten.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 28/04/2016 - 14:15
Laatst aangepast op: ma, 02/05/2016 - 10:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.