-A +A

Cassatie in fiscale zaken vergt ondertekening verzoekschrift van advocaat die geen cassatie-advocaat moet zijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 02/12/2016
A.R.: 
C.14.0212.N

Inzake de onroerende voorheffing en de verkeersbelasting in het Vlaamse Gewest, moet het verzoekschrift in cassatie van de belastingplichtige niet noodzakelijk door een advocaat bij het Hof van Cassatie, maar in elk geval door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.

De ondertekening van het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie 'op concept en vordering' wijst erop dat de advocaat de voorziening niet zelf heeft opgesteld en deze niet vrij en weloverwogen heeft ondertekend, zodat niet vaststaat dat hij de inhoud ervan tot de zijne maakt; de ondertekening 'op concept en vordering' is eigen aan de advocaten bij het Hof van Cassatie om cassatieberoep in te stellen wanneer hun tussenkomst wettelijk vereist is, en is aldus verbonden aan hun hoedanigheid van ministerieel ambtenaar.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1022
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.14.0212.N

H. t/ Vlaams Gewest

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 29 oktober 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het openbaar ministerie werpt een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op: het verzoekschrift werd niet rechtsgeldig ondertekend en neergelegd door een advocaat.

Aan de partijen werd hiervan kennis gegeven overeenkomstig art. 1097 Ger.W.

2. Krachtens art. 1080 Ger.W. moet het verzoekschrift waarbij het cassatieberoep wordt ingesteld, op straffe van nietigheid, zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie worden ondertekend.

Inzake geschillen over de onroerende voorheffing en de verkeersbelasting in het Vlaams Gewest bepaalt art. 3.8.0.0.2 van het decreet van het Vlaams Parlement van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna: «Vlaamse Codex Fiscaliteit»), in afwijking van art. 1080 Ger.W., dat het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie door een advocaat mag worden ondertekend en neergelegd.

Uit de voormelde bepalingen volgt dat inzake de onroerende voorheffing en de verkeersbelasting in het Vlaamse Gewest het verzoekschrift in cassatie van de belastingplichtige niet noodzakelijk door een advocaat bij het Hof van Cassatie, maar in elk geval door een advocaat moet worden ondertekend en neergelegd.

3. Het verzoekschrift is in deze ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie, met de vermelding «op concept en vordering».

4. De ondertekening «op concept en vordering» is eigen aan de advocaten bij het Hof van Cassatie om cassatieberoep in te stellen wanneer hun tussenkomst wettelijk vereist is. In die gevallen kan de advocaat bij het Hof van Cassatie ertoe gebracht worden een verzoekschrift tot cassatie te ondertekenen «op verzoek en concept» en is dit verbonden aan de hoedanigheid van ministerieel ambtenaar die deze advocaat bekleedt.

5. In fiscale zaken is de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie niet vereist en is de advocaat geen ministerieel ambtenaar, zodat hij niet de hoedanigheid heeft om een verzoekschrift tot cassatie te ondertekenen «op concept en vordering».

6. De ondertekening van het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie «op concept en vordering» wijst erop dat de advocaat de voorziening niet zelf heeft opgesteld en deze niet vrij en weloverwogen heeft ondertekend, zodat niet vaststaat dat hij de inhoud ervan tot de zijne maakt. Dit is niet verenigbaar met de doelstelling van de wet, meer bepaald met art. 3.8.0.0.2 Vlaamse Codex Fiscaliteit, die met de verplichte tussenkomst van de advocaat bij de ondertekening en neerlegging van het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie beoogt dat de advocaat weloverwogen instemt met de inhoud van het verzoekschrift, die hij tot de zijne maakt.

7. Uit wat voorafgaat volgt dat de ondertekening met de vermelding «op concept en vordering», waaruit blijkt dat de advocaat slechts pro forma is opgetreden, geen ondertekening is als bedoeld bij art. 3.8.0.0.2 Vlaamse Codex Fiscaliteit.

De omstandigheid dat de ondertekening met een dergelijke vermelding uitgaat van een advocaat bij het Hof, doet hieraan niet af.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

C.14.0212.N
Conclusie van waarnemend procureur-generaal Thijs:

1. Onderhavige betwisting betreft de lastens eiser voor de aanslagjaren 2010 en 2011 gevestigde aanslagen in de onroerende voorheffing met betrekking tot twee onroerende goederen gelegen te Antwerpen. Hij vorderde tevens de terugbetaling van de onroerende voorheffing voor de jaren 2005 tot en met 2009.

Eiser is van oordeel dat het kadastraal inkomen van deze onroerende goederen moet geacht worden "nul" te zijn, om reden dat het zgn. "Binnenmilieubesluit" (Besl. Vl. Reg. dd. 11 juni 2004 houdende maatregelen tot bestrijding van de gezondheidsrisico's door verontreiniging van het binnenmilieu) de ventilatie-eisen van zowel nieuwe als bestaande woningen en voor het publiek toegankelijke gebouwen zo enorm hoog heeft gelegd, dat geen enkele woning in Vlaanderen nog binnen de grenzen van de wet kan gebruikt worden.

Volgens eiser heeft dit tot gevolg dat principieel het KI van alle woningen in Vlaanderen, ook die van eiser, "nul" geworden is. Een KI van "nul" leidt tot een onroerende voorheffing van "nul", aldus eiser.

In de loop van het geding vorderde eiser tevens de vernietiging van de lastens hem gevestigde aanslagen in de verkeersbelasting 2011 en 2012.

2. In hoofdorde concludeer ik tot de onontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek, heb ik de partijen in deze zaak ter kennis gebracht van mijn voornemen om op de zitting van het Hof van Cassatie van 2 december 2016, ambtshalve een middel van niet-ontvankelijkheid op te werpen inzake de voorziening ingesteld door J. H. tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 29 oktober 2013(1), ter griffie van het Hof van Cassatie ingediend op 5 mei 2014, om reden dat het verzoekschrift in cassatie niet door een advocaat werd ondertekend.

Het Hof van Cassatie oordeelde meermaals dat uit de samenlezing van de artikelen 1080 van het Gerechtelijk Wetboek en 378 van het WIB92(2) volgt dat inzake inkomstenbelastingen het verzoekschrift in cassatie van de belastingplichtige niet noodzakelijk door een advocaat bij het Hof van Cassatie, maar in elk geval door een advocaat moet worden ondertekend en neergelegd(3).

Art. 378 WIB92 werd, inzake de onroerende voorheffing wat betreft het Vlaams Gewest opgeheven bij art. 5.0.0.0.1., §1, 1° Decr.Vl.Parl. van 13 december 2013, BS 23 december 2013 (Vlaamse Codex Fiscaliteit), van toepassing vanaf 1 januari 2014 (art. 7.0.0.0.1., eerste lid). De tekst van deze bepaling werd evenwel overgenomen in artikel 3.8.0.0.2. van het Decr.Vl.Parl. 13 december 2013 met ingang vanaf 1 januari 2014 (art. 7.0.0.0.1., eerste lid), dat in casu toepasselijk is.(4)

Deze bepaling is ook toepasselijk inzake verkeersbelasting ingevolge artikel 3.1.0.0.1. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

De voorziening in cassatie werd in deze zaak getekend door mr. Johan Verbist met de vermelding "Op concept en vordering".

De ondertekening "op concept en vordering" is eigen aan de advocaten bij het Hof van Cassatie om cassatieberoep in te stellen wanneer hun tussenkomst wettelijk vereist is. Slechts in die gevallen kan de advocaat bij het Hof van Cassatie ertoe gebracht worden een verzoekschrift tot cassatie te ondertekenen "op concept en vordering" en is dit verbonden aan de hoedanigheid van ministerieel ambtenaar die deze advocaat bekleedt.

In fiscale zaken is de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie niet vereist en is de advocaat geen ministerieel ambtenaar zodat hij niet de hoedanigheid heeft om een voorziening in cassatie te ondertekenen "op concept en vordering".

Daarenboven wijst de ondertekening van de voorziening in cassatie "op concept en vordering" erop dat de advocaat bij het Hof de voorziening niet zelf heeft opgesteld en deze niet vrij en weloverwogen heeft ondertekend, zodat niet vaststaat dat hij de inhoud ervan tot de zijne maakt. Dit is niet bestaanbaar met de doelstelling van de wet, meer bepaald met artikel 3.8.0.0.2. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, welke bepaling met de verplichte tussenkomst van de advocaat bij de ondertekening van de voorziening beoogt dat de advocaat weloverwogen instemt met de inhoud van de voorziening, die hij tot de zijne maakt.

De daadwerkelijke tussenkomst van de advocaat is in fiscale zaken des te meer van belang nu het Hof van Cassatie in deze zaken, zoals in de andere burgerlijke zaken, niet over de mogelijkheid beschikt ambtshalve middelen op te werpen wanneer het bij de behandeling van de zaak stuit op onwettigheden in het bestreden arrest die door eiser in cassatie niet werden voorgelegd aan het Hof of gebrekkig werden geformuleerd in niet ontvankelijke middelen.

Uit wat voorafgaat volgt dat de handtekening met de vermelding "op concept en vordering", waaruit blijkt dat de advocaat slechts pro forma is opgetreden, geen handtekening is als bedoeld bij artikel 3.8.0.0.2. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

De omstandigheid dat de handtekening met dergelijke vermelding uitgaat van een advocaat bij het Hof, vermag hieraan geen afbreuk te doen.
Het cassatieberoep komt mij dan ook onontvankelijk voor(5).
(...)

Besluit: VERWERPING.
_______________________
(1) AR nr. 2013/217.
(2) Artikel 378 WIB92, zoals gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, en artikel 380 van de Programmawet van 27 december 2004.
(3) Cass. 9 januari 2015, AR F.14.0056.N-F.14.0066.N, AC 2015, nr. 25; Cass. 15 maart 2012, AR F.11.0036.N en AR F.11.0049.N (twee arresten niet gepubliceerd); Cass. 10 juni 2011, AR F.10.0066.N, AC 2011, nr. 399; Cass. 14 januari 2010, AR F.08.0101.N-F.09.0005.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 22 november 2007, AR F.06.0028.N, AC 2007, nr. 575; Cass. 16 november 2006, AR F.05.0068.F, AC 2006, nr. 569, met concl. van advocaat-generaal HENKES in Pas. 2006, nr. 569; Cass. 9 maart 2006, AR F.04.0052.N, AC 2006, nr. 143, met concl. OM.
(4) Artikel 3.8.0.0.2. luidt als volgt: "Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd."
(5) Vgl. met Cass. 3 november 2015, AR P.15.0311.N, AC 2015, nr. 648, inzake de memorie in strafzaken.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 21/02/2018 - 21:04
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.