-A +A

BVBA met enige vennoot - eenhoofdigheid, vennoot gehouden tot alle schulden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/09/2016

Uit de bepalingen van artikel 213, §2, eerste en tweede lid, Wetboek van Vennootschappen volgt dat de enige vennoot gehouden is ten aanzien van alle schuldeisers, maar de omvang van die gehoudenheid beperkt is tot schulden ontstaan in een bepaalde periode.

De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen; de noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers, maken dat de curator gerechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen een derde die heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegenover alle schuldeisers, ook al behoren die vorderingsrechten niet toe aan de gefailleerde; de gehoudenheid tegenover alle schuldeisers bestaat, ook al is de omvang van die gehoudenheid beperkt in de tijd

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1302
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.14.0388.N

Faillissement BVBA B. t/ NV F.I.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 11 februari 2014....

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster en de in gemeenverklaring opgeroepen partijen werpen op dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat de schending niet wordt aangevoerd van de artikelen 16, 17, 18, 19, 20, 40, 49, 51, 57 en 99 Faillissementswet, die de opdracht van de curator en zijn wettelijke bevoegdheid regelen om namens de massa een vordering in te stellen.

2. De bevoegdheid van de curator om op te treden tegen de enige vennoot die overeenkomstig artikel 213, § 2, tweede lid, Wetboek van Vennootschappen ge-acht wordt hoofdelijk borg te staan voor alle verbintenissen van de vennootschap ontstaan na de vereniging van alle aandelen in zijn hand tot de opname van een nieuwe vennoot of de bekendmaking van de ontbinding, is afhankelijk van de vraag naar de gehoudenheid van deze borg ten aanzien van alle schuldeisers, zodat de schending van voormelde bepaling volstaat om tot cassatie te kunnen leiden.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

...

3. Krachtens art. 213, § 2, eerste lid W.Venn. is, niettegenstaande enig hiermee strijdig beding, de oprichter-rechtspersoon van een bvba hoofdelijk aansprakelijk voor alle verbintenissen aangegaan, zolang de vennootschap als enige vennoot slechts de rechtspersoon telt die deze vennootschap alleen heeft opgericht.

Krachtens art. 213, § 2, tweede lid W.Venn. wordt, indien in de eenhoofdig geworden bvba de enige vennoot een rechtspersoon is, en indien binnen een jaar geen nieuwe vennoot in de vennootschap is opgenomen of deze niet is ontbonden, de enige vennoot geacht hoofdelijk borg te staan voor alle verbintenissen van de vennootschap ontstaan na de vereniging van alle aandelen in zijn hand, tot een nieuwe vennoot in de vennootschap wordt opgenomen of tot de bekendmaking van haar ontbinding.

4. Uit deze bepalingen volgt dat de oprichter-rechtspersoon van een bvba hoofdelijk aansprakelijk is voor alle schulden van de vennootschap zolang hij de enige vennoot blijft en dat, indien in de eenhoofdig geworden bvba de enige vennoot een rechtspersoon is en binnen een jaar geen nieuwe vennoot wordt opgenomen of de vennootschap is ontbonden, deze enige vennoot-rechtspersoon wordt geacht hoofdelijk borg te staan voor alle schulden van de vennootschap vanaf de vereniging van alle aandelen in zijn hand tot aan de opname van een nieuwe vennoot of de ontbinding van de vennootschap.

In beide gevallen is de enige vennoot gehouden ten aanzien van alle schuldeisers, maar is de omvang van die gehoudenheid beperkt tot schulden ontstaan in een bepaalde periode.

5. De algemene opdracht van de curator bestaat erin de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen.

De noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers, maken dat de curator gerechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen een derde die dient in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegenover alle schuldeisers, ook al behoren die vorderingsrechten niet toe aan de gefailleerde.

De gehoudenheid tegenover alle schuldeisers bestaat, ook al is de omvang van die gehoudenheid beperkt in de tijd.

6. Uit het bovenstaande volgt dat de curator zijn vorderingsrecht kan uitoefenen zowel ten aanzien van de oprichter-rechtspersoon van de bvba die enige vennoot blijft als, onder de voorwaarden in de wet bepaald, tegen de enige vennoot-rechtspersoon van de eenhoofdig geworden v.

7. De appelrechters die oordelen dat de verbintenis die voortvloeit uit de wettelijke borgstelling van art. 213, § 2 W.Venn. een verbintenis is ten gunste van een geheel van schuldeisers, maar niet noodzakelijk van alle schuldeisers en die op die grond beslissen dat de curator niet vermag in rechte op te treden ter nakoming van die verbintenis, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

8. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.

C.14.0388.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Eiser q.q. dagvaardde verweerster op grond van artikel 213, §2, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen.

2. Verweerster betwistte de bevoegdheid van de curator om namens de massa een vordering in te stellen die niet gemeenschappelijk is aan alle schuldeisers, maar enkel toekomt aan de schuldeisers die zich op de wettelijke borgstelling kunnen beroepen.

3. Het bestreden arrest vernietigde het beroepen vonnis en verklaarde de vordering van eiser q.q. onontvankelijk.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL

1. In het eerste onderdeel van het enig middel werpt eiser q.q. op dat de borgstelling, bedoeld in art. 213, §2, tweede lid, Wetboek van vennootschappen, een algemene borgstelling is die ten voordele strekt van alle schuldeisers van het faillissement, zodat de curator, in toepassing van dat artikel, een vorderingsrecht heeft namens een abstracte massa van schuldeisers tegen de aandeelhouder - rechtspersoon, die geacht wordt hoofdelijk borg te staan voor de failliete bvba, en derhalve de hoedanigheid heeft om de naleving van de verbintenis van de enige rechtspersoon - vennoot af te dwingen.

2. Reeds eerder oordeelde uw Hof dat de algemene opdracht van de curator erin bestaat de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het provenu te verdelen(1).

3. In zijn arrest van 7 mei 1980(2) besliste het Hof dat het recht van de schuldeisers van een gefailleerde om tegen een conventionele borg van deze laatste te vorderen, een eigen recht van deze schuldeisers is dat door de curator niet kan worden uitgeoefend.

Volgens het Hof heeft de curator enkel als taak de gezamenlijke belangen van de schuldeisers in de massa te behartigen. Het stelde vast dat de borgtocht in kwestie alleen gesteld was voor een welbepaalde schuldvordering ten gunste van welbepaalde schuldeisers, en besloot dan ook dat de curator geen hoedanigheid had om op deze borgtocht een beroep te doen.

Bovendien strekt deze rechtsvordering volgens het Hof niet tot de hersamenstelling, beveiliging of vereffening van het patrimonium van de gefailleerde, maar tot betaling van een geldsom die eventueel door de borg rechtstreeks aan de schuldeisers voor wier schuldvordering de borgtocht is gesteld, verschuldigd is op grond van een eigen recht van deze laatsten.

4. Uit dit arrest - dat uitspraak deed over het vorderingsrecht van de curator tegen de steller van een conventionele standa ard borgtocht ten gunste van welbepaalde schuldeisers - werd door verschillende auteurs afgeleid dat ook op de wettelijke hoofdelijke borgstelling van artikel 213, §2, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen enkel een beroep mag worden gedaan door de schuldeisers die titularis zijn van een schuldvordering ontstaan in de periode waarvoor de enige rechtspersoon - aandeelhouder zich borg moest stellen, zodat niet de curator vorderingsgerechtigd is, maar enkel deze schuldeisers, elk voor zich(3).

5. In een arrest van 19 december 2008(4) besliste het Hof dat de noodzaak van een efficiënte afwikkeling van het faillissement en de gelijke behandeling van de schuldeisers maken dat de curator gerechtigd is de vorderingsrechten uit te oefenen tegen een derde die heeft in te staan voor de schulden van de gefailleerde wanneer die gehoudenheid bestaat tegen alle schuldeisers, ook al behoren die vorderingsrechten niet aan de gefailleerde toe. Het Hof hernam deze rechtspraak in een arrest van 6 december 2012 m.b.t de onbeperkt en hoofdelijke aansprakelijke vennoten van een CVOA(5).

6. In het arrest van 7 november 2013(6) werd uw Hof uitgenodigd deze rechtspraak te verduidelijken, en preciseert het dat de gehoudenheid tegenover alle schuldeisers bestaat, ook al is de omvang van die gehoudenheid verschillend.

7. Op dit punt komt het Hof tegemoet aan de doctrine die eerder pleitte voor een pragmatische benadering van deze voorwaarde en een niet te beperkende interpretatie ervan. In zijn conclusie bij dit arrest benadrukte de advocaat-generaal dat de wet de uitoefening van het vorderingsrecht niet afhankelijk maakt van de voorwaarde dat de bewuste derde door elke individuele schuldeiser van de gefailleerde werkelijk in concreto zou kunnen worden aangesproken, en verwees hij naar een noot van Hans De Wulf(7) waarin deze auteur de stelling huldigde dat de curator bevoegd is wanneer de wet of een overeenkomst in abstracto rechten aan alle schuldeisers (die geen "separatisten" zijn) toekent, ook al zijn er specifieke omstandigheden in hoofde van bepaalde van die schuldeisers die tot gevolg hebben dat zij, in tegenstelling tot andere schuldeisers, in concreto geen of beperktere rechten kunnen uitoefenen.

8. Uit de regel dat de gehoudenheid tegenover alle schuldeisers bestaat, ook al is de omvang van die gehoudenheid verschillend, leidt het Hof af dat een gedifferentieerde gehoudenheid van uittredende vennoten van een vennootschap onder firma er niet aan in de weg staat dat de curator zijn vorderingsrecht uitoefent tegen al deze vennoten.

9. In zoverre uit artikel 213, §2, eerste en tweede lid, Wetboek van vennootschappen volgt dat de enige vennoot (als hoofdelijk aansprakelijke dan wel als hoofdelijke borg) gehouden is t. a. v. alle schuldeisers, weze het dat de omvang van die gehoudenheid beperkt is in de tijd, komt het mij in het verlengde van de hierboven vermelde pragmatische rechtspraak van uw Hof dan ook voor dat de curator in die omstandigheden wel degelijk zijn vorderingsrecht kan uitoefenen, en dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden.

10. Het eerste onderdeel van het enig middel lijkt mij dan ook gegrond.
(...)

III. CONCLUSIE: Nu de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, concludeer ik tot VERNIETIGING, en tot bindendverklaring van het arrest voor de daartoe opgeroepen partijen.
___________________
(1) Cass. 28 maart 2014, AR C.13.0163.F, AC 2014, nr. 248; Cass. 5 september. 2013, AR C.12.0445.N, AC 2013, nr. 424.
(2) Cass. 7 mei 1980, AC 1979-80, 1114.
(3) F. PETILLION, De hoedanigheid van de curator van een NV of BVBA tegenover de hoofdelijke borg van een vennootschap, TRV 1995, (26), 30-31, nrs. 13 en 14; M. COIPEL, Les deux facettes de la rupture de la responsabilité limitée pour une personne morale associée unique dans une SPRLU, noot onder Gent 20 oktober. 2008, JDSC 2010, 20 - 23.
(4) Cass. 19 december. 2008, AR C.07.0281.N, AC 2008, nr. 746, met concl. OM, zie ook F. PARREIN, Aansprakelijkheid van oude en nieuwe vennoten voor de schulden van de failliete V.O.F., noot onder Cass. 7 november. 2013, RW 2014, (22), 24.
(5) Cass. 6 december. 2012, AR C.11.0654.F, AC 2012, nr. 671, met concl. van advocaat-generaal GENICOT.
(6) Cass. 7 november. 2013, AR C.12.0570.N, AC 2013, nr. 593, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL.
(7) H. DE WULF, Het faillissement van onbeperkt aansprakelijke vennoten van een VOF en de taak en bevoegdheid van de curator, noot onder Cass. 19 december. 2008, TRV 2009, (459) 479.
 

Noot: 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 12/04/2018 - 14:04
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.