-A +A

Burgerlijke vordering gesteund op misdrijf impliceert bewijsregels in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Datum van de uitspraak: 
woe, 26/10/2016

Wanneer de eiser zijn burgerlijke vordering uitdrukkelijk baseert op een misdrijf, wordt de verweerder geplaatst in dezelfde toestand als de verdachte in strafzaken, die niets moet bewijzen (art. 876 Ger.W.). In dat geval is art. 870 Ger.W. krachtens welke elke partij de bewijslast draagt van de door haar aangevoerde feiten niet van toepassing en evenmin art. 1315 BW krachtens welke bepaling hij die beweert bevrijd te zijn, de betaling moet bewijzen of het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

Ook de artt. 877 tot 882 Ger.W. betreffende de overlegging van stukken in burgerlijke geschillen zijn als zodanig niet van toepassing in strafzaken. Hieruit volgt dat het arbeidshof in huidige stand van het geding de sanctie van art. 882 Ger.W. niet (meer) kan opleggen. 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
186
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

W. t/ NV E.

I. Feiten en antecedenten

Voor wat de feiten en voorafgaande rechtspleging betreft, verwijst het arbeidshof naar zijn arrest van 10 juni 2015. Bij dit tussenarrest werd het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaard. Het bestreden vonnis werd vernietigd, behalve in de mate dat de vordering van mevr. W. ontvankelijk werd verklaard. Vooraleer verder ten gronde te oordelen werd de NV E. veroordeeld om met toepassing van art. 877 Ger.W. bij het dossier van de rechtspleging te voegen: de weddeschalen waarvan sprake in het document «Arbeidsvoorwaarden bedienden» en die volgens dit document ter inzage lagen bij de h. R. De L. De heropening van het debat werd bevolen om partijen in staat te stellen hun schriftelijke opmerkingen over dit stuk uit te wisselen en aan het hof mede te delen.

...

III. Beoordeling

1. Achterstallig loon

Mevr. W. vordert achterstallig loon voor de periode van januari 2006 tot 7 juni 2012.

Initieel heeft mevr. W. niet verduidelijkt of deze vordering op contractuele dan wel buitencontractuele grondslag was gebaseerd. Op het ogenblik dat de zaak in beraad werd genomen voor tussenarrest, stond de contractuele verjaring van de vordering van mevr. W. ook niet ter discussie. De rechter mag de contractuele verjaring niet ambtshalve inroepen.

Bij tussenarrest van 10 juni 2015 oordeelde dit arbeidshof, anders dan de eerste rechters, dat er aanleiding bestond om in te gaan op de vordering van mevr. W. tot het overleggen van stukken met toepassing van art. 877 Ger.W. De NV E. werd bevolen om de weddeschalen waarvan sprake in het document «Arbeidsvoorwaarden bedienden» en die volgens dit document ter inzage lagen bij de h. R. De L., aan het dossier van de rechtspleging toe te voegen.

Bij brief van 4 september 2015 liet de raadsman van de NV E. aan het arbeidshof weten dat de gevraagde informatie niet beschikbaar is.

Na tussenarrest riep de NV E. de verjaring in van de vordering met toepassing van art. 15 Arbeidsovereenkomstenwet voor wat de periode betreft die voorafgaat aan 7 juni 2007.

Na tussenarrest baseert mevrouw W. haar vordering uitdrukkelijk op een beweerd door de NV E. gepleegd misdrijf, namelijk het niet-betalen van het verschuldigde loon, strafbaar gesteld op grond van art. 42 Loonbeschermingswet (thans art. 162, eerste lid, 1o Sociaal Strafwetboek).

Opdat de verjaringstermijn voor de misdrijven, namelijk art. 26 Voorafgaande Titel Sv. en eventueel de constructie van het voortgezet misdrijf (art. 65 Sw.) op de vordering van mevrouw W. zou kunnen worden toegepast, moet laatstgenoemde aantonen dat haar vordering gebaseerd is op feiten die een misdrijf uitmaken. Het is immers niet voldoende dat een werknemer zijn vordering grondt op feiten die in abstracto een misdrijf uitmaken opdat de verjaringstermijn van art. 26 Voorafgaande Titel Sv. zou gelden. Vooraf moet derhalve worden uitgemaakt of er een misdrijf werd begaan, wat een onderzoek naar de aanwezigheid van het materiële en van het morele element impliceert. De bewijslast van dit materieel en moreel element van het misdrijf ligt bij mevr. W.

Hierbij moet worden opgemerkt dat, wanneer de eiser, zoals in casu, zijn burgerlijke vordering uitdrukkelijk baseert op een misdrijf, de verweerder geplaatst wordt in dezelfde toestand als de verdachte in strafzaken, die niets moet bewijzen (art. 876 Ger.W.). In dat geval is art. 870 Ger.W. krachtens welke elke partij de bewijslast draagt van de door haar aangevoerde feiten niet van toepassing en evenmin art. 1315 BW krachtens welke bepaling hij die beweert bevrijd te zijn, de betaling moet bewijzen of het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

Ook de artt. 877 tot 882 Ger.W. betreffende de overlegging van stukken in burgerlijke geschillen zijn als zodanig niet van toepassing in strafzaken (Cass. 22 september 1993, www.cass.be). Hieruit volgt dat het arbeidshof in huidige stand van het geding de sanctie van art. 882 Ger.W. niet (meer) kan opleggen. Zelfs indien aan de hand van de door mevr. W. bijgebrachte geschreven getuigenverklaringen aanvaard zou worden dat de NV E. op aanhoudende en ongemotiveerde wijze weigert om de gevraagde weddeschalen bij te brengen, kan het arbeidshof uit deze houding ook niet zomaar een misdrijf afleiden.

In de mate dat mevr. W. beweert dat zij te weinig loon ontving, omdat zij niet overeenkomstig bepaalde voor de NV E. bindende weddeschalen werd betaald, moeten die weddeschalen gekend zijn, quod non.

De NV E. merkt in dat verband terecht op dat mevr. W. niet kan volstaan met de extrapolatie van bepaalde gegevens om vervolgens tot een misdrijf te besluiten. Een misdrijf moet vaststaan. In casu ontbreken te veel elementen om het arbeidshof te overtuigen van het bestaan van een loonmisdrijf ten laste van de NV E.

Het loon van de werknemer maakt in beginsel het voorwerp uit van de wilsovereenstemming tussen partijen, voor zover de bindende minimumnormen vastgesteld in het bevoegde paritair comité worden nageleefd. In casu bestaat er geen discussie over het feit dat de NV E. de geldende minimumloonschalen van het paritair comité 218 (thans paritair comité 200) heeft gerespecteerd.

Het stuk van de NV E. genaamd «Arbeidsvoorwaarden bedienden» bevat de specifieke toepassingsmodaliteiten van de sectorale cao’s binnen dit paritair comité bij de NV E.

Zoals de NV E. terecht opmerkt, is dit document geen cao op bedrijfsniveau, omdat nergens uit blijkt dat het betrekking heeft op een overeenkomst gesloten tussen één of meer werknemersorganisaties en één of meer werkgeversorganisaties. De NV E. betwist evenwel niet dat dit document van haar uitgaat en dat zij zich verbonden heeft om haar personeel minstens volgens de bepalingen van dit document te verlonen.

Mevr. W. toont echter niet aan dat zij niet minstens het loon heeft ontvangen dat overeenkomstig de «Arbeidsvoorwaarden bedienden» voor haar functie was bepaald.

Mevr. W. oefende vanaf januari 2006 de functie van directieassistente uit. Volgens de functieclassificatie van de «Arbeidsvoorwaarden bedienden» viel mevr. W. minstens onder weddegroep 3B en maximum onder weddegroep 4A. Niettemin werd mevrouw W. door de NV E. vanaf januari 2006 ingeschaald in looncategorie 4B. De partijen zijn met andere woorden reeds in het voordeel van mevrouw W. afgeweken van de «Arbeidsvoorwaarden bedienden».

Bovendien moet worden vastgesteld dat mevr. W. daadwerkelijk een loon heeft ontvangen binnen de band van het minimum en het maximum van de wedden zoals deze zijn opgenomen in de «Arbeidsvoorwaarden bedienden» voor iemand van looncategorie 4B. De bewering als zouden de weddeschalen binnen deze band de verplichting van de NV E. inhouden om automatisch en jaarlijks een aanpassing volgens leeftijd te doen, wordt onvoldoende hardgemaakt door mevrouw W.

Dit wordt zelfs tegengesproken door de h. De L., die in een door mevrouw W. zelf bijgebrachte schriftelijke verklaring schrijft:

«...

– dat deze weddeschalen een curve hadden met minimum- en maximumlonen verbonden aan de leeftijd.

– dat bij verhoging van een weddeschaal naar een hogere weddeschaal (ten gevolge van bijvoorbeeld belangrijke functiewijziging) er een inhaalperiode was bepaald van maximum vijf jaren om op de minimum curve van de nieuwe weddeschaal te geraken ...».

Volgens deze verklaring bestond aldus voor de NV E. de mogelijkheid om vanaf de verhoging van mevr. W. naar weddeschaal 4B, d.i. vanaf januari 2006, van een overgangsperiode van vijf jaar of tot januari 2011 gebruik te maken, vooraleer het minimumloon van deze weddeschaal toe te passen. Het is dus geenszins aangetoond dat mevr. W. niet het loon heeft gekregen waarop zij recht had.

Het materieel element van het misdrijf is derhalve niet bewezen zodat de vordering van mevr. W. moet worden afgewezen als ongegrond.

...

Noot: 

Rechtsleer:

• Pim Van Walleghem, Cassatie beperkt gevolgen schending vermoeden van onschuld, De Juristenkrant, 280, 18 december 2013, 3

• Revue de jurisrudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] KONING, François; Observations 'La présomption d'innocence et le devoir d'impartialité simples sujets de colloque?' 2014, n° 9, p. 394-404.

• Verdrag of internationale overeenkomst / 1950-11-04 / Artt. 6.1 en 6.2 / /

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 26/09/2017 - 05:48
Laatst aangepast op: di, 26/09/2017 - 05:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.