-A +A

Burgerlijke partijstelling maakt van de burgerlijke partij een volwaardige procespartij

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 24/03/2017

Ingevolge de burgerlijke partijstelling wordt de burgerlijke partij een formele procespartij.

Wanneer het onderzoeksgerecht verwijst naar de strafrechter is aldus de burgerlijke vordering tot schadevergoeding rechtsgeldig aanhangig gemaakt.

Een burgerlijkepartijstelling voor de strafrechter – hetzij voor de onderzoeksrechter, hetzij voor de strafrechter ten gronde – moet als een geldige wijze van inleiding van de burgerlijke rechtsvordering in de zin van art. 2244, § 1 BW worden beschouwd.

Wanneer de burgerlijke partij vóór de verjaring van de strafvordering aldus haar vordering instelt, houdt de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering op te lopen tot de dag van de uitspraak van de beslissing die een einde maakt aan het geding.

Wanneer de burgerlijke partij zich aldus tijdig, dit is vóór de verjaring van de strafvordering, bij de onderzoeksrechter heeft gesteld en de rechtspleging vervolgens wordt geregeld door een verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht, is de verjaring van de burgerlijke vordering gestuit en dient de strafrechter ten gronde in beginsel uitspraak te doen over die burgerlijke rechtsvordering, ook al is de strafvordering inmiddels verjaard.

Wanneer voor de bodemrechter evenwel zou blijken dat de strafvordering reeds verjaard was op het ogenblik van de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht, maar dit laatste desondanks de strafvordering en bijgevolg ook de burgerlijke vordering van de zich reeds tijdens het gerechtelijke onderzoek of voor het onderzoeksgerecht gestelde burgerlijke partij naar de bodemrechter heeft verwezen, dient de strafrechter ten gronde de onontvankelijkheid van de burgerlijke vordering vast te stellen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
907
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

O.M. en J. De W. t/ M.T.

...

M.b.t. de einddatum van de in de telastlegging A.b vermelde misdrijfperiode, stelt het hof vast dat de eindvordering van het openbaar ministerie die tot de verwijzingsbeschikking van 3 oktober 2014 heeft geleid, werd gedateerd op 11 juli 2013. Het openbaar ministerie ging er aanvankelijk dus van uit, hierin gevolgd door de raadkamer, dat het gebruik van de valse stukken bleef voortduren tot de datum van de eindvordering (11 juli 2013).

In het bestreden vonnis oordeelde de eerste rechter evenwel dat, na het beëindigen van het in de telastlegging B bedoelde illegale verwijderen van afvalstoffen (in de loop van 2004), het gebruik van de valse stukken slechts is blijven voortduren tot en met 19 september 2008. M.b.t. deze laatste datum wijst de eerste rechter erop dat er na het beëindigen van de illegale stortingen nog gebruik werd gemaakt van de valse stukken doordat deze nog werden aangewend om een milieuheffing van OVAM af te wentelen op de NV A., waaromtrent door de bevoegde Vlaamse minister op 19 juni 2008 een beslissing werd genomen. Daar de beroepstermijn tegen die administratieve beslissing verstreek drie maanden na de kennisgeving ervan, zijnde dus (ten vroegste) op 19 september 2008, ging de eerste rechter ervan uit dat het gebruik van de valse stukken heeft voortgeduurd tot die laatste datum. De beklaagden werden evenwel vrijgesproken van de telastlegging A.b in zoverre deze betrekking heeft op de periode na 19 september 2008.

Het in de telastlegging A.b bedoelde misdrijf van gebruik van valse stukken houdt een voortdurend misdrijf in (artt. 197 en 213 Sw.), daar het gebruik van een vals stuk voortduurt, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het doel dat hij beoogde niet werd verwezenlijkt en zolang de oorspronkelijke handeling die hem wordt verweten de gunstige uitwerking blijft hebben die hij ervan verwacht, zonder dat hij zich hiertegen verzet.

De in de telastleggingen A.a.1, A.a.2 en A.a.3 bedoelde valsheden in geschrifte en het in de telastlegging A.b bedoelde gebruik van deze valse geschriften werden door de onderscheiden beklaagden gepleegd met de bedrieglijke bedoeling afvalstoffen van de stad G. te kunnen storten in het Waalse Gewest, zonder zelf als opdrachtgever van de afvalstortingen in enig geschrift te worden vernoemd en de afvalstoffenwetgeving te kunnen omzeilen. Hoewel de bewuste afvalstortingen plaatsvonden in de periode van 1 september 2003 tot 31 mei 2004 (zie de telastlegging B), blijkt de (wederrechtelijke) «nuttige uitwerking» van de in dit verband aangewende valse geschriften ook nadien te hebben voortgeduurd, daar ten aanzien van derden en meer in het algemeen ten aanzien van de publieke opinie precies ingevolge die valse geschriften kon worden verdoezeld dat afvalstoffen van de stad G. op een illegale wijze werden gestort op de stortplaats te V. Deze nuttige uitwerking van de valse geschriften kwam echter in elk geval tot een einde op 31 december 2004, daar uit de verklaringen van de burgerlijke partij J. De W. kan worden afgeleid dat de bewuste praktijken eind 2004 door de pers in de openbaarheid werden gebracht. Er blijkt nergens uit dat de bewuste geschriften nadien nog werden gebruikt of nog enige nuttige uitwerking hebben gehad.

In zoverre het in de telastlegging A.b bedoelde gebruik van valse geschriften bewezen zou worden geacht, is het hof, in navolging van het openbaar ministerie, derhalve van oordeel dat dit gebruik hoe dan ook tot een einde kwam op 31 december 2004 en dat er na 31 december 2004 geen sprake meer kan zijn van gebruik van valse stukken, met welk oogmerk ook.

...

Daar de aan de onderscheiden beklaagden ten laste gelegde feiten, omschreven in de telastleggingen A.a.1, A.a.2, A.a.3, A.b en B, in zoverre ze bewezen zouden worden geacht, in de persoon van elke onderscheiden beklaagde de respectieve opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet uitmaken, begint de verjaring van de strafvordering tegen elke beklaagde slechts te lopen vanaf het laatste feit, dat te situeren is op 31 december 2004 (zijnde de laatste dag van de verbeterde misdrijfperiode van de telastlegging A.b).

De laatste nuttige stuiting van de verjaring dateert van 16 december 2009, zijnde de datum van het navolgend proces-verbaal (...), waarbij een officier van gerechtelijke politie (...) de onderzoeksrechter de processen-verbaal meedeelde ter uitvoering van een door deze laatste bevolen aanvullende opdracht.

Sinds deze laatste stuitingsdaad zijn meer dan vijf jaren verstreken. Zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de verjaring tijdens de rechtspleging voor de raadkamer (op grond van art. 127, § 3 Sv.) was geschorst met toepassing van art. 24 Voorafgaande Titel Sv. (zoals aangevuld door art. 7 van de wet van 14 januari 2013, en dit zowel in de versie die gold vóór als na de inwerkingtreding van art. 32 van de wet van 25 december 2016), staat het derhalve vast dat de strafvordering tegen de vijf beklaagden op heden verjaard en bijgevolg vervallen is. Sinds het laatste feit is inmiddels immers reeds meer dan twaalf jaar verstreken.

Het hof stelt bijgevolg, in navolging van het standpunt van het openbaar ministerie, de verjaring van de strafvordering tegen de beklaagden vast.

...

De vaststelling dat de strafvordering tegen de beklaagden aldus vervallen is door verjaring, impliceert niet noodzakelijk dat ook de burgerlijke rechtsvordering van de burgerlijke partij verjaard zou zijn. Met toepassing van art. 26 Voorafgaande Titel Sv. verjaart de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter immers volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek, zonder dat zij kan verjaren vóór de strafvordering. Dit impliceert dat de strafrechter ten gronde dient te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering die vóór de verjaring van de strafvordering bij hem aanhangig werd gemaakt.

In dit verband moet ervan worden uitgegaan dat een burgerlijkepartijstelling voor de strafrechter – hetzij voor de onderzoeksrechter, hetzij voor de strafrechter ten gronde – als een wijze van inleiding van de burgerlijke rechtsvordering in de zin van art. 2244, § 1 BW moet worden beschouwd. Wanneer de burgerlijke partij vóór de verjaring van de strafvordering aldus haar vordering instelt, houdt de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering op te lopen tot de dag van de uitspraak van de beslissing die een einde maakt aan het geding.

Wanneer de burgerlijke partij zich aldus tijdig, dit is vóór de verjaring van de strafvordering, bij de onderzoeksrechter heeft gesteld en de rechtspleging vervolgens wordt geregeld door een verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht, is de verjaring van de burgerlijke vordering gestuit en dient de strafrechter ten gronde in beginsel uitspraak te doen over die burgerlijke rechtsvordering, ook al is de strafvordering inmiddels verjaard. Wanneer voor de bodemrechter evenwel zou blijken dat de strafvordering reeds verjaard was op het ogenblik van de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht, maar dit laatste desondanks de strafvordering en bijgevolg ook de burgerlijke vordering van de zich reeds tijdens het gerechtelijke onderzoek of voor het onderzoeksgerecht gestelde burgerlijke partij naar de bodemrechter heeft verwezen, dient de strafrechter ten gronde de onontvankelijkheid van de burgerlijke vordering vast te stellen.

Het hof stelt te dezen vast dat de klacht met burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter dateert van 4 mei 2007, d.w.z. vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van de strafvordering, die immers betrekking heeft op feiten die alle werden gepleegd in de periode van 1 september 2003 tot en met 31 december 2004. Door deze burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter was de burgerlijke partij een formele procespartij, zodat ingevolge de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 3 oktober 2014 niet alleen de strafvordering tegen de beklaagden, maar ook de burgerlijke vordering van de burgerlijke partij bij de correctionele rechtbank aanhangig werd gemaakt. Dat de burgerlijke partij uiteindelijk pas op de terechtzitting van 29 april 2016 voor de correctionele rechtbank haar nota van burgerlijkepartijstelling heeft neergelegd en pas op dat ogenblik een concreet becijferde schadevergoeding heeft geformuleerd, is in dit verband niet relevant.

Dienaangaande stelt het hof vast dat, in weerwil van de verbetering van de misdrijfperiode van de telastlegging A.b en de hieruit voortvloeiende verjaring van de strafvordering, de verjaring van de strafvordering nog niet was ingetreden op het ogenblik van de verwijzingsbeschikking van 3 oktober 2014, en dit ingevolge een nuttige stuitingsdaad van 16 december 2009. Op 3 oktober 2014 was er aldus nog geen vijf jaar verstreken sinds deze daad van stuiting van de verjaring van de strafvordering, en dit nog afgezien van de schorsing van de verjaring met toepassing van art. 24 Voorafgaande Titel Sv. (zoals aangevuld door art. 7 van de wet van 14 januari 2013, en dit zowel in de versie die gold vóór als na de inwerkingtreding van art. 32 van de wet van 25 december 2016), waaromtrent het hof erop wijst dat de zaak een eerste maal voor de raadkamer werd gebracht op de zitting van 29 juni 2010, waarop werd vastgesteld dat de regeling van de rechtspleging met toepassing van art. 127, § 3 Sv. werd geschorst, waarna de regeling van de rechtspleging pas op de zitting van 22 november 2013 opnieuw werd hervat voor de raadkamer. Derhalve dient het hof in beginsel kennis te nemen van de burgerlijke vordering van de burgerlijke partij.

De klacht met burgerlijkepartijstelling van 4 mei 2007 in handen van de onderzoeksrechter ging uit van de genaamde J. De W., die toentertijd een inwoner was van de stad G. en zich als zodanig namens de gemeente (zijnde de stad G.) burgerlijke partij stelde met toepassing van art. 194 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 (zoals op dat ogenblik van toepassing, d.w.z. vóór deze bepaling werd gewijzigd door het decreet van 14 maart 2008 en vervolgens werd vervangen door het decreet van 29 juni 2012). In die klacht, die was gericht tegen onbekenden, werd met name melding gemaakt van illegale afvalstortingen met vrachtwagens van de stad G. naar een stortplaats in Wallonië, nl. V., alsook van overtredingen van de wetgeving betreffende openbare aanbestedingen. De bij de correctionele rechtbank en thans voor het hof aanhangige strafvordering heeft geen betrekking op deze laatste wetgeving, waarbij het hof erop wijst dat in de eindvordering van het openbaar ministerie voor de raadkamer werd gesteld dat de desbetreffende wetgeving niet strafrechtelijk wordt beteugeld.

J. De W. diende aldus zelf als (thans voormalige) inwoner van de stad G. niet te doen blijken van een persoonlijk, individueel belang. Aan de orde was (en is) slechts het belang van de gemeente, nl. van de stad G. Met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling van deze laatste, moet derhalve vaststaan dat aannemelijk werd gemaakt dat het desbetreffende misdrijf een reële, persoonlijke schade aan de gemeente heeft veroorzaakt (art. 63 Sv.).

Dat in de hoofding van de ter griffie van het hof op 11 januari 2017 namens de burgerlijke partij neergelegde «nota burgerlijke partijstelling en conclusie» slechts melding wordt gemaakt van de naam van J. De W. en niet van de stad G., doet hieraan geen afbreuk, daar uit die «nota burgerlijke partijstelling en conclusie» duidelijk blijkt dat J. De W. niet in eigen naam schadevergoeding vordert, maar louter optreedt namens de stad G. als (thans voormalige) inwoner van deze laatste met toepassing van art. 94 van het Gemeentedecreet.

Zoals voor elke benadeelde, kan ook de rechtsvordering tot schadevergoeding van de gemeente enkel worden toegelaten indien deze een rechtmatig belang heeft om ze in te dienen, met dien verstande dat de omstandigheid dat de benadeelde zich in een onrechtmatige toestand bevindt, niet uitsluit dat hij of zij kan bogen op de krenking van een rechtmatig belang. In dit verband is het hof, anders dan de beklaagden, dan ook van oordeel dat het niet a priori onmogelijk is dat een gemeente schade kan lijden wanneer er milieumisdrijven – zoals de in de telastlegging bedoelde overtredingen van de afvalstoffenreglementering – worden gepleegd waardoor de naam van de gemeente in het gedrang kan komen, ook al heeft de gemeente zelf een materieel «voordeel» genoten van die misdrijven.

In die zin werd naar aanleiding van de klacht met burgerlijkepartijstelling in handen van de onderzoeksrechter dan ook aannemelijk gemaakt dat de gemeente schade heeft geleden door de illegale stortingen van afval (...) waarvan gewag werd gemaakt in de klacht. De burgerlijkepartijstelling moet dan ook ontvankelijk worden geacht.

Dat een burgerlijke partij aannemelijk maakt door een misdrijf te zijn benadeeld en haar vordering aldus ontvankelijk is, impliceert evenwel nog niet dat het bewijs van de schade is geleverd.

De eerste rechter verklaarde de vordering van de burgerlijke partij de stad G. – voor wie met toepassing van art. 194 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 J. De W. nog steeds als (thans voormalige) inwoner van de stad G. optreedt – gegrond ten belope van een morele schadevergoeding van 10.000 euro, vermeerderd met de rente vanaf een gemiddelde datum (nl. 1 januari 2004), waartoe de vijf beklaagden hoofdelijk werden veroordeeld.

Thans vordert de burgerlijke partij voor het hof zonder meer de bevestiging van het bestreden vonnis, zijnde dus een morele schadevergoeding van 10.000 euro, vermeerderd met de rente vanaf 1 januari 2004, en dit met name op grond van de bewering dat de stad G. door de desbetreffende misdrijven «in een slecht daglicht werd gesteld».

Dienaangaande stelt het hof evenwel vast dat, zelfs in de veronderstelling dat de constitutieve bestanddelen van de ten laste gelegde misdrijven – waarop de tijdig ingestelde burgerlijke vordering is gebaseerd – bewezen zouden zijn, de burgerlijke partij de stad G. hoe dan ook niet het bewijs levert van de morele schade waarvan zij de vergoeding vordert.

Het hof stelt in dit verband vast dat het onderzoek heeft aangetoond dat de feiten, voorwerp van de (onderscheiden onderdelen van de) telastleggingen A en B, niet alleen werden gepleegd binnen de werkingssfeer van de stad G., maar door deze laatste zelf werden georganiseerd. Dat de stad G. als gemeente met toepassing van art. 5 Sw. niet als een strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon kan worden beschouwd, laat deze vaststelling onverlet.

Aldus blijkt uit de door het hof op dit vlak geloofwaardig geachte verklaringen van de eerste beklaagde (...), die als gemeentelijk ambtenaar («stadconducteur») van de stad G. werkzaam was bij de dienst openbare werken, dat:

– de feiten moeten worden gekaderd tegen de achtergrond van de problemen die de stad G. op een gegeven ogenblik ondervond m.b.t. het afvoeren van afval, afkomstig van gemeentelijke (wegen)werken, waarbij de stad G., met name via haar toenmalige schepen X., aan de eerste beklaagde de opdracht gaf om een oplossing voor dit «afvalprobleem» te zoeken;

– het facturatiesysteem uitvoerig werd toegelicht aan de schepen X. en dat zowel schepen X. als burgemeester Y. op de hoogte waren van de aangewende werkwijze, waarbij het hof erop wijst dat de burgerlijke partij dit overigens ook zelf toegeeft;

– de afvalstortingen, voorwerp van de telastlegging B, werden uitgevoerd door de stad G. zelf, met name door (het personeel en de vrachtwagens van) de technische dienst van de stad.

Hoewel, zoals hierboven reeds aangegeven, de omstandigheid dat de benadeelde zich in een onrechtmatige toestand bevindt, niet uitsluit dat hij of zij kan bogen op de krenking van een rechtmatig belang, is het te dezen hoe dan ook niet bewezen dat, zelfs in de veronderstelling dat de constitutieve bestanddelen van de ten laste gelegde misdrijven – waarop de tijdig ingestelde burgerlijke vordering is gebaseerd – de stad G. enige imagoschade of enige morele schade heeft geleden ingevolge de feiten, voorwerp van de telastleggingen A en B.

Derhalve dient de vordering van de burgerlijke partij ongegrond te worden verklaard en dient de burgerlijke partij haar kosten te dragen.

Noot: 

• R. Verstraeten, De burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek. Het slachtoffer in het strafproces, Antwerpen, Maklu, 1990, p. 167, nr. 211;

• R. Verstraeten, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 197, nr. 331.

Rechtspraak:

• Cass. 23 maart 2016, RDP 2016, 708, noot G.-F. Raneri.

• Cass. 26 oktober 2010, Arr.Cass. 2010, p. 2612, nr. 631, RABG 2011, 1428, noot J. Riemslagh;

• Cass. 5 oktober 2011, Arr.Cass. 2011, p. 2013, nr. 521, Pas. 2011, p. 2131, nr. 521, conclusie procureur-generaal J.F. Leclercq.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 09/02/2018 - 14:29
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.