-A +A

Burgerlijke bewijsregels in strafzaken inzake het bestaan van overeenkomsten waarvan het misdrijf afhangt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 29/06/2016
A.R.: 
P.15.0395.F

Wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of waarvan de uitlegging betwist wordt, gedraagt de strafrechter zich naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn beslissing over het bestaan van die overeenkomst of over de uitvoering ervan; daaruit volgt dat het bewijs van de overeenkomst die de dader van het misbruik van vertrouwen verplichtte om de zaak terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, moet worden geleverd overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht, indien die overeenkomst wordt betwist; die verplichting heeft niet tot gevolg dat de strafrechter, wanneer een beklaagde voor zijn verdediging het bestaan van een overeenkomst en de uitvoering ervan aanvoert, zich naar de regels van het burgerlijk recht moet gedragen; in dat geval moeten de regels van het bewijs in strafzaken worden toegepast Zie Cass. 24 oktober 2007, AR P.07.0799.F, AC 2007, nr. 502.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
40
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.15.0395.F

M.M. t/ G.R. en M.-T.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Bergen, correctionele kamer, van 11 februari 2015.

...

II. Beslissing van het Hof

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de strafvordering:

Eerste middel in zijn geheel

Het middel, dat schending aanvoert van art. 491 Sw., de artt. 544, 1234, 1235 en 1382 BW en de artt. 16 en 21 Voorafgaande Titel Sv., verwijt het arrest de eiser te veroordelen voor de (...) feiten van misbruik van vertrouwen die betrekking hebben op een bedrag van 10.000 euro.

Het eerste onderdeel van het middel voert aan dat het arrest de artt. 1234 en 1235 BW schendt doordat de vermelding «diverse betalingen» op de bankoverschrijving impliceert dat de tweede verweerster de litigieuze storting heeft verricht om zich te kwijten van een schuld.

Het tweede onderdeel betoogt dat de storting, die overeenstemt met de kwijting van een schuld, een eigendomsoverdracht teweegbracht ten gunste van de eiser. Het voert aan dat het bedrag niet verduisterd kan zijn, aangezien het niet ten precaire titel werd overhandigd.

Het derde onderdeel betoogt dat het arrest art. 16, eerste lid Voorafgaande Titel Sv. schendt door de regels van het bewijs in burgerlijke zaken niet toe te passen bij de beoordeling van het bestaan van de betaling.

Luidens die laatste bepaling gedraagt de strafrechter zich, wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of waarvan de uitlegging betwist wordt, naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn beslissing over het bestaan van die overeenkomst of de uitvoering ervan.

Daaruit volgt dat het bewijs van de overeenkomst die de dader van het misbruik van vertrouwen verplichtte om de zaak terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, indien die overeenkomst betwist wordt, moet worden geleverd overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht.

Die verplichting heeft niet tot gevolg dat de strafrechter, wanneer een beklaagde het bestaan van een overeenkomst en de uitvoering ervan ter verdediging aanvoert, zich naar de regels van het burgerlijk recht moet gedragen. In dat geval moeten de regels van het bewijs in strafzaken worden toegepast.

Op de terechtzitting van het hof van beroep van 6 januari 2015 heeft de eiser een conclusie neergelegd waarin hij uiteenzet dat de partijen een lastgevingsovereenkomst hadden gesloten en dat hij de lasthebber was van de tweede verweerster voor het beheer van haar goederen met het oog op investeringen.

Aangezien door deze gerechtelijke bekentenis het bestaan van de overeenkomst, die de eiser op grond van art. 491 Sw. verweten werd geschonden te hebben, wettig werd bewezen, dienden de feitenrechters alleen nog het feit van de verduistering of de verspilling te onderzoeken.

De eiser heeft dat feit betwist en ter verdediging aangevoerd dat de tweede verweerster de litigieuze storting had uitgevoerd ter betaling van schulden die geen verband hielden met de lastgeving.

Het arrest oordeelt dat de eiser, houder van een lastgeving voor het beheer van de titels en de tegoeden van de tweede verweerster, niet zoals zij wenste het bedrag van 10.000 euro voor diverse betalingen heeft aangewend maar het naar één van zijn eigen rekeningen heeft overgeschreven en vervolgens in zijn eigen voordeel heeft gebruikt.

Het arrest verwerpt aldus de beweringen van de eiser die een te kwijten schuld aanvoert ter verantwoording van de interversie van het bezit, als ongegrond of irrelevant.

Aangezien de verwerping van een dergelijk verweer niet afhankelijk is van de toepassing door het strafgerecht van de artt. 1234 en 1235 BW, verantwoorden de appelrechters, met de hierboven samengevatte overwegingen, hun beslissing dat het litigieuze bedrag werd verduisterd naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het middel betoogt dat, in zoverre het arrest oordeelt dat het voormelde bedrag van 10.000 euro «niet, zoals [tweede verweerster] wenste, voor diverse betalingen werd aangewend», het arrest het bestaan van een «overeenkomst» vaststelt zonder de regels van de artt. 1341 e.v. BW toe te passen en aldus art. 16 Voorafgaande Titel Sv. schendt.

Het arrest oordeelt niet dat de litigieuze verrichting het voorwerp uitmaakt van een andere overeenkomst maar dat, in het kader van de uitvoering van de lastgeving tussen de partijen, de eiser het door de tweede verweerster toevertrouwde bedrag niet heeft aangewend voor de voor haar rekening uit te voeren betalingen.

Om de betwisting te beslechten, waren de appelrechters niet ertoe gehouden de artt. 16 Voorafgaande Titel Sv. en 1341 e.v. BW toe te passen. Zij hebben aldus hun beslissing naar recht verantwoord.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het middel verwijt het arrest te oordelen dat de wil van de beklaagde om zich als werkelijke eigenaar van de hem overhandigde bedragen te gedragen, slechts met zekerheid gebleken is nadat de tweede verweerster de kwitantie van 27 februari 2007 had ondertekend, en het betoogt dat door de regels van de artt. 1341 e.v. BW niet toe te passen op de overeenkomst, het arrest de artt. 16 Voorafgaande Titel Sv., 491 BW en 1993 BW schendt.

Nadat de appelrechters de omstandigheden waarin het op 27 februari 2007 ondertekende document werd opgesteld, de uitleg van de partijen en de uitgevoerde debiteringen onderzocht hadden, hebben zij geoordeeld dat dat geschrift aangetast was door een wilsgebrek.

Zij hebben aldus de regels toegepast waarvan de eiser schending aanvoert.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Noot: 

L. Van den Steen, «De grondslag van het precair bezit bij misbruik van vertrouwen, of waar strafrecht en burgerlijk recht elkaar (soms) vinden» (noot onder Cass. 3 juni 2014), RW 2014-15, 1464.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 11/02/2018 - 15:52
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.