-A +A

BUrenhinder veronderstel een verstoord evenwicht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 05/12/2016
A.R.: 
C.16.0150.N

De vordering wegens burenhinder gesteund op artikel 544 Burgerlijk Wetboek veronderstelt dat het evenwicht tussen de rechten van naburige eigenaars is verbroken; opdat een vordering op burenhinder kan worden gesteund is vereist dat het zelfs niet foutief gebruik van een erf aan een naburig erf hinder toebrengt die de gewone ongemakken van nabuurschap overschrijdt; een vordering kan bijgevolg niet op burenhinder worden gesteund wanneer er geen sprake is van hinder veroorzaakt door het gebruik van een naburig erf, maar wel van het betreden of het zonder recht noch titel bezetten van een erf door een nabuur.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1702
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.16.0150.N
OOSTERLINCK MOTORS bvba, met zetel te 8400 Oostende, Torhout-sesteenweg 672,
eiseres,
tegen
SCHORREDIJK nv, met zetel te 8620 Nieuwpoort, Albert I laan 117,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 2 december 2015.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het middel in zijn geheel

1. De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan van het mid-del in zijn geheel: de bestreden beslissing blijft naar recht verantwoord op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek zodat het middel bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.

2. De vraag of een partij door een bepaalde gedraging de algemene zorgvul-digheidsnorm heeft miskend, vergt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Tweede onderdeel

3. De vordering wegens burenhinder gesteund op artikel 544 Burgerlijk Wet-boek veronderstelt dat het evenwicht tussen de rechten van naburige eigenaars is verbroken.

Opdat een vordering op burenhinder kan worden gesteund is vereist dat het zelfs niet foutief gebruik van een erf aan een naburig erf hinder toebrengt die de gewo-ne ongemakken van nabuurschap overschrijdt.

Een vordering kan bijgevolg niet op burenhinder worden gesteund wanneer er geen sprake is van hinder veroorzaakt door het gebruik van een naburig erf, maar wel van het betreden of het zonder recht noch titel bezetten van een erf door een nabuur.

4. De appelrechters stellen vast dat de eiseres veelvuldig en voor lange tijd op eigen initiatief of met haar toestemming wagens laat plaatsen op een naastgelegen parkeerterrein dat eigendom is van de verweerster.

Zij oordelen dat de eiseres aldus het evenwicht tussen haar eigendom en die van de verweerster verbreekt door haar een stoornis op te leggen die de maat van de gewone nabuurschap overschrijdt en veroordelen de eiseres op die grond tot het verwijderen van de wagens onder verbeurte van een dwangsom.

Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, en in openbare rechtszitting van 5 december 2016 uitgesproken 

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: OOSTERLINCK MOTORS BVBA, met vennootschapszetel ge-vestigd te 8400 Oostende, Torhoutsesteenweg 672, met onderne-mingsnummer 0863.009.493,

eiseres tot cassatie,

TEGEN: SCHORREDIJK NV, met vennootschapszetel gevestigd te 8620 Nieuwpoort, Koning Albert I laan 117, met ondernemingsnummer 0474.360.682, die in het exploot van betekening dd. 25 januari 2016 keuze van woonst heeft gedaan ten kantore van gerechtsdeurwaar-der Frédéric François, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van Ronny Lievens, met kantoor te 8400 Oostende, H. Serruyslaan 52/2,

verweerster in cassatie,

 

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres heeft de eer een vonnis aan Uw beoordeling voor te leggen dat op 2 december 2015 op tegenspraak tussen de partijen werd uitgesproken door de B10 kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brug-ge (14/3474/A).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Verweerster is eigenaar van handelsgebouwen met parkeergelegenheid te Oostende. Zij verhuurt de handelsgebouwen samen met de parkeergelegenheid onder meer aan Carglass nv en aan DSM Keukens nv.

Eiseres baat een aanpalende garage uit.

Op 4 februari 2013 ontving verweerster een schrijven van Carglass nv, waarin werd geklaagd over beschadigde wagens en wagens zonder nummerplaat die onrechtmatig geparkeerd stonden op het parkeerterrein, en die afkomstig zou-den zijn van eiseres. Verweerster werd verzocht de nodige stappen te ondernemen teneinde het onrechtmatig gebruik van het parkeerterrein te doen ophouden.

Op 6 maart 2013 heeft verweerster eiseres aangeschreven. Eiseres werd aangemaand haar voertuigen binnen de 24 uur weg te halen van het parkeerterrein.

Op 11 maart 2013 heeft eiseres de inhoud van dit schrijven per brief be-twist.

Op 12 maart 2013 heeft verweerster gepoogd de wagens te laten takelen. Tevens werd een proces-verbaal van vaststelling opgesteld door een gerechts-deurwaarder in opdracht van verweerster. Van 23 mei tot en met 2 juli 2013 heeft de gerechtsdeurwaarder in opdracht van verweerster opnieuw een proces-verbaal van vaststelling in multi-data opgesteld, waarin de toestand op het parkeerterrein werd beschreven.

Op 13 november 2013 heeft verweerster eiseres gedaagd voor de vrede-rechter van het eerste kanton Oostende, teneinde voor recht te horen zeggen dat eiseres formeel werd verboden nog wagens te stallen op het parkeerterrein van verweerster en teneinde eiseres te horen veroordelen tot ontruiming van het par-keerterrein op straffe van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag per wagen.

Op 8 januari 2014 ontving verweerster een schrijven van DSM Keukens nv, waarin werd aangedrongen op een vrijgemaakt parkeerterrein.

Bij tussenvonnis d.d. 25 februari 2014 heeft de vrederechter een plaatsbe-zoek bevolen met bijstand van een deskundige. Op 17 maart 2014 werd een pro-ces-verbaal van plaatsopneming opgesteld.

Bij vonnis van 16 september 2014 heeft de vrederechter eiseres veroor-deeld om het parkeerterrein te ontruimen binnen een week na betekening van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 euro per dag per wagen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Op 24 oktober 2014 heeft eiseres hoger beroep aangetekend tegen dit von-nis bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het bestreden vonnis wordt het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Eiseres wordt veroordeeld tot ontruiming van het parkeerter-rein onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 euro per dag per wagen, met een maximum van 2.500,00 euro per dag en 100.000,00 euro in totaal. Eiseres wordt tot de kosten van beide aanleggen veroordeeld.

Tegen dit vonnis wenst eiseres op te komen met het volgende middel tot cassatie.

 

ENIGE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

De artikelen 544, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De Rechtbank van Eerste Aanleg verklaart de vordering van verweerster tot ontruiming van het parkeerterrein gegrond, op grond van volgende motieven:

"1. [Verweerster] heeft haar vordering gesteund op (1) artikel 544 BW en (2) artikel 1382 BW.

2. Artikel 544 BW bepaalt:

‘Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen.'

Voor toepassing van de aansprakelijkheid uit nabuurschap op grond van artikel 544 BW is het bestaan van een fout niet vereist (vgl. Cass., 27 sep-tember 1973, Arr. Cass., 1974, 98 en Bergen, 8 november 2000, TBBR, 2001, 501). Noodzakelijk doch voldoende is het bestaan van schade of hin-der boven de mate van het wederkerig gedogen, waarbij de hinder aan het naburige erf te wijten moet zijn.

Artikel 544 BW verleent iedere eigenaar het recht om op een normale wijze van zijn zaak te genieten en om een rechtsvordering in te stellen tegen de naburige eigenaar die dat evenwicht verbroken heeft, ook al is de schade aan een fout van een derde te wijten.

De eigenaar van een onroerend goed die door een daad, een verzuim of een gedraging die hem kan worden toegerekend, het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt en de naburige eigenaar een stoornis oplegt die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt, is hem een rechtma-tige en passende compensatie verschuldigd die het verbroken evenwicht herstelt (vgl. Cass., 3 mei 2012, C.10.0080.F ; Cass. 19 april 2012, C100103F-C100205F ; Vass. 24 april 2003, Arr. Cass. 2003, nr. 262; Cass. 3 april 1998, Arr. Cass. 1998, nr. 192 en Cass. 3 april 1998, Arr. Cass. 1998, nr. 192).

2. Uit de voorliggende stukken en conclusies blijkt dat partijen naburen zijn in de zin van artikel 544 BW en er aldus tussen de ‘erven' waarover het gaat, en waarvan zij elk titularis zijn van één van de attributen van het eigendomsrecht, sprake is van nabuurschap.

Dit wordt ook niet betwist.

3. Onverlet gelaten de vraag of het parkeerterrein van [verweerster] als een openbare weg moet beschouwd worden zodat de bepalingen van de Wegcode er op van toepassing zijn, blijkt uit de voorliggende stukken dat zij er eigenaar van is en derhalve een vordering op grond van artikel 544 BW kan instellen lastens [eiseres].

4. Uit de onder ‘3. Feitelijke gegevens van de zaak' uitvoerig geci-teerde processen-verbaal van vaststelling en het proces-verbaal van plaatsopneming van 17 maart 2014 blijkt dat [eiseres] het evenwicht tussen haar eigendom en die van [verweerster] verbreekt en [verweerster] een stoornis oplegt die de maat van de gewone nabuurschap overschrijdt door veelvuldig en voor lange tijd op eigen initiatief of met haar toestemming wagens te (laten) plaatsen op de eigendom van [verweerster], ondanks de herhaalde vraag van [verweerster] om daarmee te stoppen teneinde haar toe te laten op een normale wijze van haar zaak te genieten.

Het is daarbij opvallend dat [eiseres] tijdens de plaatsopneming van 17 maart 2014 haar gedragingen niet betwist heeft, doch vermeldde dat zij plaats te weinig heeft op haar perceel.

5. Teneinde het verbroken evenwicht te herstellen wordt [eiseres] ver-oordeeld om alle wagens, die op haar initiatief of met haar toelating ge-plaatst werden of worden op het parkeerterrein van [verweerster], gelegen te 8400 Oostende, Torhoutsesteenweg 668-670 te verwijderen." (blz. 11-12 van het bestreden vonnis)

Aangevoerde grief

Eerste onderdeel

Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek kent aan iedere eigenaar het recht toe om op normale wijze het genot te hebben van zijn zaak.

De eigenaar van een pand die door een daad, verzuim of enige gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door een naburige eigenaar een hinder te berokkenen die de gewone ongemakken van het nabuurschap te boven gaat, is hem een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd waardoor het verbroken evenwicht wordt hersteld. De schadelijder kan tegen de buur die dat evenwicht verbroken heeft een rechtsvordering instellen op grond van voormelde wetsbepaling.

Hoewel de feitenrechter in feite en dus soeverein oordeelt of de hinder uit nabuurschap al dan niet bovenmatig is, staat het aan Uw Hof te oordelen of de feitenrechter het begrip hinder uit nabuurschap niet heeft miskend.

De appelrechters stellen vast dat verweerster de handelsgebouwen en het bijhorende parkeerterrein verhuurt aan derden. Door te oordelen dat verweerster hinder uit nabuurschap ondervindt door het feit dat eiseres wagens laat plaatsen op het parkeerterrein, terwijl die hinder louter ontstaat in hoofde van de derden die het parkeerterrein huren en die aldus in hun genot van de zaak zijn gestoord, en zonder na te gaan of verweerster in haar hoedanigheid van verhuurster zelf ook hinder uit nabuurschap ondervindt, miskennen de appelrechters het begrip hinder uit nabuurschap en schenden zij artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

In zoverre de appelrechters het bestaan van hinder uit nabuurschap in hoofde van verweerster afleiden uit de processen-verbaal van vaststelling en het proces-verbaal van plaatsopneming van 17 maart 2014, terwijl deze processen-verbaal slechts gewag maken van verkeerd geparkeerde wagens, waaruit hoog-stens het bestaan van hinder uit nabuurschap in hoofde van de derden-huurders kan worden afgeleid doch geenszins hinder uit nabuurschap in hoofde van ver-weerster, miskennen de appelrechters de bewijskracht van deze processen-verbaal en schenden zij de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek kent aan iedere eigenaar het recht toe om op normale wijze het genot te hebben van zijn zaak.

De eigenaar van een pand die door een daad, verzuim of enige gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door een naburige eigenaar een hinder te berokkenen die de gewone ongemakken van het nabuurschap te boven gaat, is hem een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd waardoor het verbroken evenwicht wordt hersteld. De schadelijder kan tegen de buur die dat evenwicht verbroken heeft een rechtsvordering instellen op grond van voormelde wetsbepaling.

Hinder uit nabuurschap vereist dat het gebruik van het eigen erf, zelfs zon-der dat er een fout wordt begaan, aan de eigenaar van een naburig erf hinder toe-brengt die de gewone burenhinder overschrijdt.

De appelrechters stellen vast dat eiseres wagens laat plaatsen op een par-keerterrein dat eigendom is van verweerster. Door te oordelen dat sprake is van hinder uit nabuurschap, terwijl geen sprake is van het gebruik van het eigen erf dat hinder toebrengt aan een naburig erf doch veeleer van het dubbel gebruik van één en hetzelfde erf dat eigendom is van één partij, miskennen de appelrechters het begrip hinder uit nabuurschap en schenden zij artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

In zoverre de appelrechters het bestaan van hinder uit nabuurschap in hoofde van verweerster afleiden uit de processen-verbaal van vaststelling en het proces-verbaal van plaatsopneming van 17 maart 2014, terwijl uit deze processen-verbaal geenszins blijkt dat de hinder ontstaan is uit het gebruik van het eigen erf van en door eiseres, maar enkel dat sprake is van een dubbel gebruik van het erf van verweerster, miskennen de appelrechters de bewijskracht van deze processen-verbaal en schenden zij de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wet-boek.

 

 

TOELICHTING

Bij het eerste onderdeel

Een vordering op grond van burenhinder heeft slechts kans op slagen wan-neer überhaupt sprake is van "hinder" in hoofde van de eiser. Zo niet, is de vorde-ring ongegrond (S. STIJNS en H. VUYE, "Burenhinder", in Beginselen van Bel-gisch Privaatrecht, Antwerpen, Story-Scientia, 2000, 326).

Wanneer een goed verhuurd wordt, is het dan ook in eerste instantie aan de huurder om een vordering op grond van burenhinder in te stellen. Hij is immers de daadwerkelijke nabuur die de hinder ondervindt. Uw Hof heeft in die zin geoor-deeld dat een huurder inderdaad aanspraak kan maken op een compensatie wegens burenhinder, vermits de huurder krachtens het huurcontract beschikt over een van de attributen van het eigendomsrecht, namelijk het genot van de zaak (Cass. 10 januari 1974, Arr.Cass. 1974, 520).

Terwijl ook de verhuurder (of de erfpachtgever, blote eigenaar, ...) nog steeds over een van de attributen van het eigendomsrecht beschikt, zodat ook hij een nabuur is die een vordering op grond van burenhinder kan instellen, moet daarbij nog steeds aan de andere (grond)voorwaarden van een dergelijke vorde-ring zijn voldaan opdat de vordering succesvol zal zijn. In het bijzonder vereist een vordering op grond van burenhinder steeds het bestaan van effectieve hinder in hoofde van de eiser, en een oorzakelijk verband.

De vordering van de eigenaar zelf zal dus slechts kunnen slagen als en in de mate hij aantoont dat hij in zijn hoedanigheid van verhuurder, erfpachtgever, ... ook zelf bovenmatige hinder uit nabuurschap ondervindt (S. BOULY en D. GRUYAERT, "Actuele ontwikkelingen inzake burenhinder", in Themis Vastgoedrecht, Brugge, die Keure, 2014, 138; N. CARETTE en J. DE WEGGHELEIRE, "Knelpunten huur en goederenrecht", in Knelpunten huurrecht - Tien perspectieven, Antwerpen, Intersentia, 2012, 171, nr. 36).

Kortweg: bij de vordering wegens hinder uit nabuurschap, is het niet zozeer de kwalificatie als eigenaar, maar veeleer die als nabuur die primeert (N. LUCAS, "Actualia inzake burenhinder", Jura Falc. 2006-07, 342; H. VANDENBERGHE, Goederenrecht, Leuven, Acco, 2005, 59, nr. 175).

Het loutere feit dat een huurder burenhinder ondervindt, brengt nog geen burenhinder in hoofde van de verhuurder met zich mee. Dat geldt des te meer nu krachtens artikel 1725 van het Burgerlijk Wetboek de verhuurder niet verplicht is de huurder te vrijwaren voor de stoornis die derden hem door feitelijkheden toe-brengen in zijn genot, onverminderd het recht van de huurder om hen in eigen naam te vervolgen. Burenhinder is een feitelijke stoornis door derden in de zin van deze bepaling.

Het is dan ook aan de huurder, en niet aan de verhuurder die immers zelf geen burenhinder ondervindt, om desgevallend in eigen naam een vordering op grond van burenhinder in te stellen (zie opnieuw Cass. 10 januari 1974, Arr.Cass. 1974, 520).

De appelrechters verklaren de vordering van verweerster (verhuurder) op grond van burenhinder gegrond, terwijl de door de appelrechters vastgestelde hin-der (verminderde parkeergelegenheid) enkel bestaat in hoofde van de huurders van het parkeerterrein en niet in hoofde van verweerster. De appelrechters stellen in elk geval niet vast dat verweerster in haar hoedanigheid van verhuurder zelf ook bovenmatige hinder uit nabuurschap heeft ondervonden. Aldus schenden zij artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek. Tevens miskennen zij de bewijskracht van de processen-verbaal waaraan zij immers een uitlegging geven die met de be-woordingen ervan onverenigbaar is, nu uit deze processen-verbaal geenszins het bestaan blijkt van hinder in hoofde van verweerster doch hoogstens in hoofde van de huurders van het parkeerterrein.

Bij het tweede onderdeel

Uw Hof heeft geoordeeld dat het voor burenhinder volstaat dat het gebruik van een goed, zelfs zonder dat er een fout wordt begaan, aan een naburige eigenaar hinder toebrengt die de gewone hinder uit nabuurschap overschrijdt (Cass. 19 oktober 1972, Arr.Cass. 1972, 178, eigen nadruk).

Een vordering op grond van burenhinder vereist met andere woorden dat wat er gebeurt op het ene erf een impact heeft of kan hebben op het andere erf (S. STIJNS en H. VUYE, "Burenhinder", in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Story-Scientia, 2000, 274, eigen nadruk).

Uw Hof heeft in die zin nog geoordeeld dat er geen sprake kan zijn van hinder uit nabuurschap wanneer sprake is van twee partijen die gebruiksrechten hebben op een en hetzelfde erf, zodanig dat het hinderverwekkende feit en de hinder zich op een en hetzelfde erf hebben voorgedaan (Cass. 4 juni 2012, NjW 2012, 725, noot I. BOONE en TBO 2014, 11, concl. adv.-gen. R. MORTIER).

Op een gelijkaardige manier kan er geen sprake zijn van hinder uit nabuur-schap wanneer er sprake is van het dubbel gebruik van het erf van één partij, veel-eer dan het gebruik van het erf van een partij op een manier die een bovenmatige impact heeft op het erf van een andere partij. Ook in dat geval doen het hinder-verwekkende feit en de hinder zich voor op een en hetzelfde erf. Er kan dan even-tueel sprake zijn van een eigendomsinbreuk en dus van een onrechtmatige daad, maar hoe dan ook niet van hinder uit nabuurschap.

Anders geformuleerd: wie andermans eigendom onrechtmatig betreedt, be-gaat een onrechtmatige daad. Het feit dat de inbreukpleger een nabuur is, maakt van deze situatie geen burenhinder.

De vordering op grond van hinder uit nabuurschap is een welafgebakende rechtsfiguur met eigen toepassingsvoorwaarden en met gevolgen die afwijken van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsgronden, o.m. op het vlak van de toere-kenbaarheid van de hinder. Zij kan dan ook niet zomaar een ruimere interpretatie krijgen. Hier kan nuttig worden verwezen naar de conclusie van advocaat-generaal R. MORTIER bij het hierboven reeds vermelde arrest van Uw Hof Cass. 4 juni 2012:

"De verruiming van het leerstuk zou m.i. nopen tot een herformuleren in de zin van verstrengen van de andere toepassingsvoorwaarden van het leerstuk om ongewenste toepassingen uit te sluiten. Dergelijke kunstgrepen zijn allerminst wenselijk ten behoeve van de rechtszekerheid." (concl. adv.-gen. R. MORTIER bij Cass. 4 juni 2012, TBO 2014, 14).

De appelrechters verklaren de vordering van verweerster op grond van bu-renhinder gegrond, terwijl zowel het door de appelrechters vastgestelde hinder-verwekkende feit (verkeerd geparkeerde wagens) als de door de appelrechters vastgestelde hinder (gebrek aan parkeergelegenheid) zich voordoen op een en het-zelfde erf, eigendom van verweerster. Aldus maken de appelrechters een oneigen-lijke toepassing van het leerstuk der burenhinder en schenden zij artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek. Tevens miskennen zij de bewijskracht van de processen-verbaal waaraan zij immers een uitlegging geven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is, nu uit deze processen-verbaal geenszins blijkt dat er sprake is van hinder die ontstaat door het gebruik van het ene erf op een manier die een bo-venmatige impact heeft op het andere erf, maar hoogstens van een dubbel gebruik van een en hetzelfde erf.

Op deze gronden en overwegingen, besluiten ondergetekende advocaten voor eiser dat het U, Hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestreden vonnis te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een andere Recht-bank van Eerste Aanleg en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Antwerpen, 15 april 2016

 

Bijlagen:

1. proces-verbaal van vaststelling van 12 maart 2013;
2. proces-verbaal van vaststelling in multi-data opgesteld voor de periode van 23 mei tot en met 2 juli 2013;
3. proces-verbaal van vaststelling in multi-data opgesteld voor de periode van 5 november tot en met 30 november 2014;
4. exploot van betekening dd. 25 januari 2016 waarin verweerster keuze van woonst heeft gedaan,
5. pro fisco verklaring;
6. het exploot van betekening van deze voorziening aan de verwerende partij.

Noot: 

Thomas De Bie, De gevolgen van het huwelijk op burenhinder. Een toepassing van het toerekenbaarheidsvereiste. T. Vred. 2011, 229

Relevante rechtspraak

• Het schoorsteenarrest: Cass. 6 april 1960, Pas. 1960, I, 915, conclusie Adv. Gen. Mahaux, Arr.Cass. 1960, 722, JT 1960, 339, noot A. De Meulder, RCJB 1960, 257, noot J. Dabin en RGAR 1960, nr. 6.557, noot R.O. dalcq.

Burenhinder veroorzaakt door niet toegestande werken uitgevoerd door een derde

• Rb eerste aanleg Turnhout, 5° kamer, 29 september 2014, RW 2016-2017, 590

Samenvatting

Iemand kan slechts gehouden zijn tot vergoeding van schade ingevolge een abnormale burenhinder, indien die burenhinder is veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging die hem kan worden toegerekend. Het loutere feit dat men eigenaar en bewaarder is van het naastgelegen perceel, volstaat niet om tot de vergoedingsplicht te besluiten.

Wanneer een derde werken uitvoert op het naburige perceel, kan niet tot aansprakelijkheid van de buur worden besloten als de abnormale burenhinder is veroorzaakt door de positieve daad of de persoonlijke gedraging van die derde, die niet behoorde tot de door de buur toegestane werkzaamheden

Tekst vonnis

M.I. K/G.J.L., H.L.M., BVBA C.S. en G.D.

I. Feiten

Eisers en eerste verweerders zijn buren.

Eerste verweerders gaven in het voorjaar van 2014 opdracht aan BVBA C., met als zaakvoerder G.D., om hun dak te ontmossen en proper te maken. Daarbij kwamen volgens eisers op 5 februari 2014 duizenden partikels asbeststof terecht op hun planten en constructies.

Eisers deden aangifte bij hun verzekeraar. De verzekeraar van BVBA C. weigerde dekking.

Blijkbaar klaagden eisers ook bij de gemeente Meerhout. Deze stelde BVBA C. bij brief van 3 maart 2014 in gebreke wegens overtreding van art. 6.4.0.1, § 5 Vlarem II (“Het gebruik van mechanische werktuigen met grote snelheid (schuurschijven, slijpmachines, boormachines, e.d.), hogewaterdrukreinigers en luchtcompressoren, voor het bewerken, snijden of schoonmaken van objecten of ondergronden in asbesthoudend materiaal of voor het verwijderen van asbest is verboden”).

II. Vorderingen

Eisers vragen veroordeling van verweerders, hoofdelijk, in solidum, zo niet de ene bij gebreke aan de andere, (...), tot betaling van één euro provisioneel met schatting van de eis op 30.000 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten sinds 5 februari 2014 en de gerechtelijke interesten.

Voorts vragen zij met toepassing van art. 19, derde lid, Ger.W., de aanstelling van een gerechtsdeskundige.

Eerste verweerders vragen de vordering tegen hen ontvankelijk maar ongegrond te verklaren.

III. In rechte

A. Aansprakelijkheid

Eisers achten eerste verweerders aansprakelijk op grond van art. 544 BW en tweede verweerders op grond van art. 1382 BW en de bepalingen van de Vlarem-wetgeving, onder meer art. 6.4.0.1, § 5 Vlarem II.

Tweede verweerders voeren geen specifiek verweer. Zij betwisten geenszins dat bij de reiniging gebruik werd gemaakt van een toestel verboden door art. 6.4.0.1, § 5 Vlarem II, zodat de vordering tegen hen principieel gegrond is.

Eerste verweerders menen dat zij niet aansprakelijk zijn, omdat de handelingen van tweede verweerders hen niet toerekenbaar zijn.

Iemand kan slechts gehouden zijn tot vergoeding van schade ingevolge een abnormale burenhinder, indien die burenhinder is veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging die hem kan worden toegerekend. Het loutere feit dat men eigenaar en bewaarder is van het naastgelegen perceel, volstaat niet om tot de vergoedingsplicht te besluiten (Cass. 3 april 2009, Arr.Cass. 2009, nr. 239, RABG 2009, 740, TBBR 2009, 469).

Wanneer een derde werken uitvoert op het naburige perceel, kan niet tot aansprakelijkheid van de buur worden besloten als de abnormale burenhinder is veroorzaakt door de positieve daad of de persoonlijke gedraging van die derde, die niet behoorde tot de door de buur toegestane werkzaamheden (Cass. 25 juni 2009, Arr.Cass. 2009, nr. 438, RABG 2009, 742, RW 2010-11, 1645, noot T. De Bie, TBBR 2009, 475).

In deze zaak moet worden vastgesteld dat eerste verweerders opdracht gaven aan tweede verweerders om reinigingswerken uit te voeren, maar tweede verweerders kozen ervoor om daarbij een onwettige (en strafrechtelijk beteugelde) methode aan te wenden waarvan niet blijkt dat eerste verweerders er de opdracht toe gaven.

In deze omstandigheden is de mogelijke burenhinder niet aan eerste verweerders toerekenbaar en is de tegen hen ingestelde vordering ongegrond.

B. Schade van de eisers

Met het oog op begroting van de schade kan, zoals gevraagd, een gerechtsdeskundige worden aangesteld. (...)

• Cass. 28 januari 1965, Pas. 1965, I, 521, conclusie Adv. Gen. Mahaux, RW 1964-65, 2117, noot C.C. en JT 1965, 259, noot M.-A. Flamme.
• Cass. 10 januari 1974, Arr.Cass. 1974, 520 en RCJB 1975, 357, noot C. Renard.
• Concl. F. Dumon bij Cass. 5 maart 1981, Pas. 1981, I, 728 en Arr.Cass. 1980-81, 364.
• Cass. 12 maart 1999, Arr.Cass. 1999, 362 en TBBR 1999, 657.
• Cass. 3 april 1998, Arr.Cass. 1998, 417 en JLMB 1998, 1334, noot P. lecocq.
• Cass. 3 april 2009, TBBR 2009, 469, noot C. Baekeland, TBBR 2009, 477, T.Verz. 2010, 84, noot J. Rogge.
• Cass. 25 juni 2009, TBBR 2009, 475, noot P. Lecocq en S. Boufflette
• Liège 24 april 2002, RGAR 2003, 1378
• Cass., 12 maart 1999, AR C.98.0026.N, A.C., 1999, nr 149

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/06/2018 - 15:21
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 15:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.