-A +A

Burenhinder vergt toerekenbare daad

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Landen
Datum van de uitspraak: 
woe, 28/01/2009

• Een vordering tot burenhinder wegens niet uitvoeren van werken dient ingesteld tegen de eigenaaren niet tegen de echtgenote die geen eigendomsrechten op de woning heeft en dus ook geen verplichting tot herstellingswerken.

• Gemene muur dient hersteld op gemene kosten behoudens indien de kosten veroorzaakt zijn door één van de medeigenaars

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift van de Vrederechters
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2011
Pagina: 
222
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

[...]

II. Bijzonderste feiten en voorwerp van de vorderingen

1. Eerste verweerder is eigenaar van de woning, gelegen op het adres ... 10 te Landen.

Hij betrok deze woning samen met tweede verweerster, die zijn echtgenote is. Momenteel leven verweerders feitelijk gescheiden en wordt de woning alleen door tweede verweerster betrokken.

2. Deze woning paalt aan de (lagere en iets meer naar voor gebouwde) rijwoning van eisers. Eisers verklaren dat zij hun huis in 1999 hebben gekocht van een zekere Guy B., die het in 1987 heeft laten bouwen.



3. Volgens eisers veroorzaken verweerders abnormale burenhinder doordat zij nalaten de schouw in de nok van hun dak en hun kroonlijst aan de straatzijde te herstellen.

Gerechtsdeurwaarder Q. stelde de slechte staat van de schouw en de kroonlijst vast in een proces-verbaal van 4 september 2007. Op de foto’s die de gerechtsdeurwaarder nam is zichtbaar dat de schouw van verweerders scheef en op instorten staat. Er ontbreken her en der bakstenen in de schouw, en ook de zijgevel onder de schouw verkeert in slechte staat. Volgens eisers zijn er al stukken steen uit de schouw en zijgevel gelost en op hun dak en de glazen erker achter hun huis gevallen. Bij hevige windstoten zou de schouw “dansen”. Op de foto’s is ook te zien dat de kroonlijst aan de straatzijde loshangt tegen de aansluiting met de zijgevel van eisers, waardoor het water langs die zijgevel afloopt en er zich een zwarte vochtstreep heeft gevormd.

Mondelinge en schriftelijke aanmaningen door eisers bleven onbeantwoord. Zelfs de tussenkomst van de wijkagent leverde niets op, naar verluidt omdat tweede verweerster hem de toegang tot haar woning verbood.

Ook eerste verweerder zelf beweert dat zijn echtgenote hem niet binnenlaat om zijn woning te onderhouden.

Eisers vorderen dat verweerders samen of één van hen zouden veroordeeld worden om een aannemer die gespecialiseerd is in gevelwerken hun schouw en zijgevel te laten herstellen, alsook hun kroonlijst aan de straatkant en de schade aan de zijgevel van eisers.

Zij erkennen dat verweerders na lang aandringen weliswaar de kroonlijst hebben laten herstellen, maar de zwarte streep op de muur zou nog niet verwijderd zijn.

Zij vorderen de veroordeling van alleen tweede verweerster tot betaling van een dwangsom van 500 euro per dag dat zij deze aannemer de toegang tot het huis zou weigeren.

Zij eisen ook de kosten van de vaststelling door gerechtsdeurwaarder Q. terug, zijnde 151,73 euro, en de betaling van de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 800 euro, in conclusie uitgebreid tot 1.200 euro.

III. Beoordeling door de rechter

4. De vorderingen van eisers zijn gesteund op de theorie van de foutloze burenhinder. Dat blijkt onder meer uit de dagvaarding, waarin eisers uitdrukkelijk artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek aanhalen als rechtsgrond.



5. Vorderingen inzake foutloze burenhinder kunnen enkel gericht worden tegen de personen die een attribuut uitoefenen van het eigendomsrecht over het onroerend goed waarop de hinder wordt veroorzaakt. Bovendien is vereist dat die personen de hinder veroorzaakt hebben door een daad, een verzuim of enige gedraging die hen toerekenbaar is (S. Stijns en H. Vuye, V° Zakenrecht, boek IV, Burenhinder, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, 2000, 251). Het is dus niet voldoende vast te stellen dat de hinder afkomstig is van een bepaald erf: het moet ook vaststaan dat de hinder het gevolg is van de manier waarop de buur gebruikgemaakt heeft van zijn (attribuut van het) eigendomsrecht (Cass. 03/04/1988, TBBR, 1999, 140 en Cass. 12/03/1999, TBBR 1999, 6572). Aansprakelijk is enkel de buur die bij machte was de hinder te voorkomen.

Gesteld dat tweede verweerster de hoedanigheid van buur heeft ten opzichte van eisers, dan is de hinder waarover eisers zich beklagen haar daardoor nog niet toerekenbaar. De hinder is volgens eisers immers te wijten aan het gebrekkig onderhoud van de woning van hun buren. Tweede verweerster heeft echter geen werkelijke macht om die hinder te voorkomen, omdat zij geen plicht tot uitvoering van dergelijk buitengewoon onderhoud van de woning heeft. Iedereen is het er immers over eens dat eerste verweerder zijn woning reeds in eigendom had voordat hij met tweede verweerster in het huwelijk trad. Bij gebrek aan andersluidend huwelijkscontract is deze woning dus uitsluitende eigendom van eerste verweerder (artikel 1399 B.W.).

Eisers kunnen van tweede verweerster, die zelf geen eigendomsrecht over de woning heeft, niet eisen dat zij op haar kosten herstellingswerken zou uitvoeren aan het huis van eerste verweerder. Tweede verweerster heeft geen persoonlijke verplichting om grote herstellingswerken aan de buitengevels, het dak en de kroonlijsten van andermans goed uit te voeren. Haar huwelijk met de eigenaar, of het feit dat zij diens woning nog steeds betrekt, hebben niet tot gevolg dat zij de onderhoudsverplichtingen van de eigenaar deelt of overneemt.

De vordering kan bijgevolg enkel tegen eerste verweerder ingesteld worden, die als eigenaar niet betwist zijn woning te moeten onderhouden, ook al wordt die bewoond door zijn echtgenote alleen.

6. Ook de vordering van eiseres om tweede verweerster op straf van dwangsom te bevelen aannemers in het huis dat zij betrekt binnen te laten om de nodige herstellingen te kunnen uitvoeren is ongegrond, daar de werken noodzakelijk aan de buitenzijde van de woning zullen uitgevoerd moeten worden en het daarvoor niet nodig is de woning te betreden. De voorgevel is perfect bereikbaar vanop straat, en om aan de zijgevel en de schouw te geraken dient noodzakelijk een ladder of stellage geplaatst te worden op het erf van eisers zelf.



7. Tijdens de plaatsopneming stelde de rechtbank vast dat de woningen van eisers en eerste verweerder tegen mekaar aangebouwde rijwoningen zijn, maar dat het oude huis van eerste verweerder een stuk hoger is dan het nieuwe huis van eisers.

Het bovenste stuk van de scheidingsmuur aan de zijde van verweerders en de schouw daarboven verkeren inderdaad in zeer slechte staat, zoals ook uit de foto’s blijkt die gerechtsdeurwaarder Q. aan zijn proces-verbaal van vaststellingen heeft gevoegd. De voegen van de zijgevel zijn uitgehold en tussen de bakstenen van de schouw steekt zelfs zo goed als geen voegmortel meer, zodat op een paar plaatsen dwars door de schouw heen gekeken kan worden.

Niemand betwist dat de zijgevel en de schouw aan herstelling toe zijn. Volgens de deskundige dienen beide volledig opnieuw ingevoegd te worden. De vraag is alleen wie deze werken zal moeten uitvoeren en betalen.

Eisers beweren dat alle herstellingskosten door verweerders dienen gedragen te worden, omdat de zijgevel exclusieve eigendom van eerste verweerder zou zijn. Volgens hen heeft hun rechtsvoorganger Guy B. bij de bouw van hun huis in 1987 immers geen gebruik gemaakt van de zijgevel van eerste verweerder, omdat die toen al in slechte staat verkeerde. In de plaats daarvan zou hij een nieuwe, afzonderlijke muur gezet hebben. Hij zou ook “expliciet geweigerd” hebben om de muur gemeen te maken, maar dergelijke expliciete weigering wordt met geen enkel bewijsmiddel aangetoond.

Volgens verweerders daarentegen is de zijmuur een gemene muur en is de herstelling overigens te wijten aan de eigen nalatigheid van eisers of hun rechtsvoorgangers, zodat alleen eisers zelf de herstelling dienen te bekostigen.

8. Om de rechtbank te overtuigen van het eigen karakter van de muur beweren eisers dat de muur in kwestie een afscheidingsmuur is, en geen gemene muur.

Een scheidingsmuur is iedere muur die twee aan mekaar palende erven scheidt, ongeacht of hij uitsluitend aan één van de naburen toebehoort, dan wel aan beiden. In het eerste geval is het een eigen scheidingsmuur, in het tweede een gemene scheidingsmuur (Dekkers en Dirix, Handboek Burgerlijk Recht, deel II, Intersentia, 2005, 131).

De term ‘scheidingsmuur’ zegt met andere woorden niets over het eigen of mandelige karakter ervan.

9. De muur blijkt in werkelijkheid wel degelijk een gemene scheidingsmuur te zijn.

Immers, zoals ook te zien is op de foto’s in het proces-verbaal van vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder, is in de zijgevel op ongeveer 1 à 1,5 meter onder de nok een rij uitsparingen op dezelfde hoogte en op regelmatige afstand van elkaar waarneembaar. Het is duidelijk dat in die gaten ooit draagbalken hebben gestoken, bestemd voor het huis

dat vroeger op het erf van eisers gestaan heeft, maar dat nu afgebroken is.

Bovendien werd tijdens de plaatsopneming vastgesteld dat de zijgevel 4 rijen bakstenen hoger is dan het dak van eerste verweerder.

Zoals de deskundige terecht opmerkte, bewijzen deze twee vaststellingen dat de muur gediend heeft als zijgevel van een rijwoning die voorheen op de grond van eisers heeft gestaan, die blijkbaar hoger was dan de woning van verweerders en die ondertussen afgebroken is.

Vermits hij kennelijk dienstdeed als scheiding tussen het huis van verweerders en het voormalige huis op de grond van eisers, wordt deze muur vermoed gemeen te zijn tot aan het minst verheven dak (653 B.W), zijnde tot op de hoogte van de woning van eerste verweerder. De 4 rijen baksteen die boven het dak van verweerder uitsteken zijn met andere woorden zelfs exclusieve eigendom van eisers, omdat zij boven het huis van eerste verweerder uitsteken en van geen nut zijn voor zijn eigendom.

9. Eisers blijven erbij dat de muur toch niet gemeen is omdat noch zijzelf, noch hun directe rechtsvoorganger Guy B. gebruikgemaakt hebben van de wettelijke mogelijkheid van artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek om de muur gemeen te maken. Volgens hen heeft iedere “nieuwkomer” (waarmee bedoeld wordt: iedere opeenvolgende eigenaar) het recht te beslissen of hij de muur van de buur al dan niet gemeen zal maken door hem al dan niet aan te kopen en te gebruiken. Artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek is hier echter niet van toepassing, want het veronderstelt dat de scheidingsmuur nog niet gemeen is.

Hier doet zich de omgekeerde situatie voor: er is vastgesteld dat de muur alleszins in het verleden gemeen was, want de zijgevel heeft dienstgedaan als scheidingsmuur tussen de twee gebouwen en een van de rechtsvoorgangers van eisers heeft de muur zelfs gebruikt om er draagbalken van zijn huis op te laten steunen. Het wettelijk vermoeden van mandeligheid is bijgevolg van toepassing. Eisers zouden dat vermoeden enkel kunnen weerleggen door op positieve wijze titels of tekens van niet-gemeenheid aan te tonen die sinds de bouw van de muur hebben (654 B.W.).

Dat bewijs leveren zij echter niet.

Vermits de muur in het verleden gemeen was, hebben de latere “nieuwkomers” niet de mogelijkheid opnieuw te beslissen of zij de gemeenmaking van de muur willen of niet. Immers, eens de mandeligheid vastgesteld is, is zij in principe eeuwigdurend (Vandenberghe, V° Zakenrecht, boek III, Mede- eigendom in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Gent, Story-Scientia, 1997, 320, nr. 131), en blijft zij dus ook voortbestaan wanneer de aanpalende gebouwen van eigenaar veranderen. Een mede-eigenaar van een gemene muur, noch zijn rechtsopvolgers kunnen eisen dat de onverdeeldheid beëindigd wordt (Artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing; zie ook Dekkers en Dirix, o.c., 131, nr. 317) en zij kunnen zelfs niet in alle omstandigheden afstand van de muurgemeenheid doen (Vandenberghe, o.c., 380, nr. 154).

10. Ten overvloede blijkt uit de bewijsstukken van eisers dat het mandelig karakter van de muur zowel door hun rechtsvoorganger als door diens architect erkend werd.

Eisers brengen immers een procesverbaal van plaatsbeschrijving bij, op 12 mei 1987 opgesteld door architect Jan B., teneinde te dienen als bewijs voor eventuele schade die aan de woning van eerste verweerder veroorzaakt zou worden bij de geplande ruwbouwwerken op het aanpalende erf. In dat proces-verbaal wordt de scheidingsmuur herhaaldelijk omschreven als “gemene muur”.

Ook de heer Guy B. zelf bekende het mandelige karakter van de muur in een geschreven verklaring van 11 juni 2008, die eisers in hun bewijsbundel bijbrengen: hij schreef daarin immers dat hij eerste verweerder tot driemaal toe gevraagd had herstellingen uit te voeren “zelfs met gedeelde kosten”.

11. In feite bedoelen eisers met hun bewering dat hun rechtsvoorganger de muurgemeenheid “geweigerd” heeft dat deze rechtsvoorganger bij de sloop van de oude woning en de bouw van de huidige woning in 1987 afstand van de muurgemeenheid heeft gedaan, door geen gebruik meer te maken van de zijgevel en door de nieuwe woning ook lager te bouwen dan het huis van eerste verweerder.

Partijen voeren in hun conclusie een uitgebreide discussie over de vraag of de nieuwe woning van eisers nu al dan niet nog gebruikmaakt van de scheidingsmuur. Deze discussie doet echter niet ter zake. Het is immers niet nodig te onderzoeken of voor de hele muur afstand van muurgemeenheid is gedaan, zoals eisers beweren, want afstand is ook mogelijk voor slechts een gedeelte van de muur, zelfs alleen voor het gedeelte dat herstellingen behoeft. Vaststaat dat de woning van eisers een stuk lager is dan het afgebroken huis en dat eisers bijgevolg geen gebruikmaken van het gedeelte van de scheidsmuur dat uitsteekt boven hun dak. Relevant is dan ook enkel te weten of van dit vrijgekomen bovenste stuk muur afstand van muurgemeenheid is gedaan, want het zijn alleen dit vrijgekomen gedeelte van de scheidsmuur en de schouw daarboven die aan herstelling toe zijn, en niet het lagere gedeelte waartegen het nieuwe huis aangebouwd is.



In steden en voorsteden is geen afstand van muurgemeenheid mogelijk, zeker niet zonder de toestemming van de andere buurman . De afstand is pas geldig wanneer de buurman zich ertoe verbonden heeft de muur voortaan op zijn kosten te onderhouden en te herstellen. Dergelijke overeenkomst met eerste verweerder of zijn rechtsvoorganger is er kennelijk niet, vermits de feiten uitwijzen dat de zijgevel nooit onderhouden werd.

Zelfs indien de afbraak van het aanpalende gebouw de afstand van muurgemeenheid in steden en voorsteden niet zou verhinderen, is dergelijke eenzijdige afstand uiteraard pas mogelijk wanneer na de afbraak van het gebouw de vrijgekomen scheidingsmuur zo nodig hersteld, en alleszins beschermd wordt tegen de weersomstandigheden. Eenvoudig het aanpalende gebouw afbreken zonder zich verder nog om de vrijgekomen scheidingsmuur te bekommeren en deze te beschermen, maakt een afstand van muurgemeenheid ongeoorloofd (Gent 03/06/1964, T. Aann. 1970, 1, noot Ronse; Guffens, De gemene muur, een stand van zaken, TBO 2005, 152, 84).

Tijdens de plaatsopneming werd vastgesteld dat de vrijgekomen binnenmuur na de afbraakwerken inderdaad niet beschermd werd. Er heeft dan ook geen eigendomsoverdracht plaatsgehad.

De zijgevel is bijgevolg – nog steeds – een gemene muur.

12. Vermits deze zijgevel grotendeels gemeenschappelijk is (de bovenste 4 rijen zijn sowieso exclusieve eigendom van eisers), kunnen eisers niet vorderen dat verweerders de muur op hun uitsluitende kosten zouden herstellen. Integendeel dienen de kosten van onderhoud en herstelling van een gemeenschappelijke muur gedragen te worden door de mede-eigenaars, elk ten belope van zijn deel (655 en 663 BW).

Wanneer evenwel blijkt dat de werken noodzakelijk zijn geworden door de schuld van slechts één mede-eigenaar, dan dienen de onderhouds- en herstellingskosten aan de gemene muur zelfs uitsluitend ten laste gelegd te worden van de eigenaar door wiens schuld de werken noodzakelijk zijn geworden (Cass. 12/10/1975, RW 1978-1979, 2107). Aangezien de zijmuur in kwestie een binnenmuur was, is de enige verantwoordelijke voor de degeneratie ervan degene die de omschakeling van binnen- naar buitenmuur bewerkstelligd heeft, zijnde eisers zelf of hun rechtsvoorganger die de oorspronkelijke woning afgebroken heeft zonder de daarbij vrijgekomen binnenmuur af te schermen of te behandelen tegen de nadelige weersomstandigheden (Gent 03/06/1964, T. Aann, 1970,1, met noot). Eisers dienen de onbeschermde zijgevel bijgevolg zelf te onderhouden.

Hun vordering om verweerders te verplichten deze werken op hun kosten te laten uitvoeren is daarom ongegrond.

13. Uit de regel van artikel 653 van het Burgerlijk Wetboek die zegt dat de muurgemeenheid zich slechts uitstrekt tot het minst verheven dak volgt anderzijds dat de schouw zelf uitsluitende eigendom van eerste verweerder is. Deze schouw diende immers alleen voor de rookafvoer vanuit de woning van eerste verweerder, en niets wijst erop dat zij ooit ook gediend heeft voor de aanpalende woning. Om te kunnen werken, stak zij ook boven het aanpalende huis uit. Het uitstekende deel van de muur, dat de schouw vormt, had voor het aanpalende huis met andere woorden geen enkel nut.

Eerste verweerder dient bijgevolg de vervallen schouw te onderhouden en te herstellen, teneinde te voorkomen dat er stenen van op het erf van eisers terechtkomen.

Er is geen reden om eerste verweerder te verplichten deze herstellingswerken door een gespecialiseerd aannemer te laten uitvoeren. Eerste verweerder mag deze werken bv. ook zelf uitvoeren, als zij maar uitgevoerd worden volgens de regels van de kunst.

14. Wat de lekkende afvoer aan de voorzijde van de woningen betreft, kon ten tijde van de plaatsopneming geen schade of zelfs geen defect vastgesteld worden, omdat het droog was.

De deskundige stelde vast dat eerste verweerder de goot ondertussen had laten afdichten met silicone, maar hij benadrukte dat dit het probleem slechts tijdelijk zou verhelpen. Een afdoende oplossing bestond er volgens hem in dat loodslabben zouden geplaatst worden.

Ook stelde de deskundige barsten vast ter hoogte van de aansluiting van het dak op de zijgevel van eisers, langs waar vocht kan binnendringen. Deze dienen eveneens gedicht te worden.

Eerste verweerder dient tot uitvoering van deze werken veroordeeld te worden.

15. De beweerde zwarte streep op de zijgevel van eisers, die erop wees dat er in het verleden ooit water over de goot heen naar beneden is gestroomd, was nog nauwelijks zichtbaar.

Er zijn geen vochtplekken op de gevel van eisers vastgesteld, zodat hun vordering om vochtplekken te verwijderen ongegrond is.

16. De kosten van het proces-verbaal van vaststellingen door de gerechtsdeurwaarder ten bedrage van 151,73 euro zijn kosten van de eigen verdediging van eisers.

Dat deze kosten absoluut noodzakelijk waren ter vrijwaring van de rechten van eisers of als bewijs van hun beweringen is niet aangetoond.

Deze kosten blijven dan ook ten laste van eisers zelf.



17. Er is geen reden om af te wijken van de basisrechtsplegingsvergoedingen, die in dit geval inderdaad 1.200 euro bedragen, vermits de vorderingen niet in geld uitgedrukt zijn.

Gelet op de ongegrondheid van de vorderingen, gericht tegen tweede verweerster, dienen eisers deze rechtsplegingsvergoeding integraal aan tweede verweerster te betalen.

Gelet op de gedeeltelijke ongegrondheid van de vorderingen, gericht tegen de eerste verweerder, dienen eisers en eerste verweerder mekaar de helft van de rechtsplegingsvergoeding te betalen.

IV. Uitspraak

Om alle bovenstaande redenen verklaart de vrederechter de vordering van eisers tegen eerste verweerder ontvankelijk, maar slechts in volgende mate gegrond. Hij verklaart de vorderingen tegen tweede verweerster ontvankelijk, maar ongegrond.

De vrederechter veroordeelt eerste verweerder om aan zijn woning te Landen, ... 10, volgende werken uit te voeren of te laten uitvoeren volgens de regels van de kunst:

- herstelling van de schouw (invoegen, vastzetten en deksteen plaatsen);

- het aanbrengen van loodslabben en het dichten van de barsten ter hoogte van

de aansluiting van het dak op de zijgevel van eisers aan de straatkant.

De vrederechter veroordeelt eisers en eerste verweerders elk tot betaling van de helft van mekaars proceskosten.

De vrederechter veroordeelt eisers tot betaling van de proceskosten van tweede verweerster.

De proceskosten van eisers samen bedragen 188,69 euro voor dagvaarding, 90,75 euro expertisekosten, 23,80 euro kosten van plaatsopneming, en 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding, deze van eerste verweerder 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding en 90,75 euro expertisekosten, en deze van tweede verweerster 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding.

De vrederechter staat de voorlopige tenuitvoerlegging van dit vonnis toe. Hij beslist dat er geen reden is tot uitsluiting van het recht op kantonnement.



Zie ook: Cass. (1re ch.) RG C.16.0115.F, 16 février 2017 (A.C. / G.P., G.B., D.M., e.a.), TBBR 2017-8, 460, juridat

Samenvatting

Iemand is slechts tot vergoeding van een abnormale burenhinder gehouden, indien die hinder is veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging die hem kan worden toegerekend 

Artikel 544 Burgerlijk Wetboek kent elke eigenaar het recht toe om op normale wijze van zijn zaak het genot te hebben.

Iemand is slechts tot vergoeding van een abnormale burenhinder gehouden, indien die hinder is veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging die hem kan worden toegerekend.

In zelfde zin: Cass. 4 mei 2012, AR C.10.0080.F, AC 2012, nr. 276.

 

Noot: 

Thomas De Bie, De gevolgen van het huwelijk op burenhinder. Een toepassing van het toerekenbaarheidsvereiste. T. Vred. 2011, 229

Relevante rechtspraak

• Het schoorsteenarrest: Cass. 6 april 1960, Pas. 1960, I, 915, conclusie Adv. Gen. Mahaux, Arr.Cass. 1960, 722, JT 1960, 339, noot A. De Meulder, RCJB 1960, 257, noot J. Dabin en RGAR 1960, nr. 6.557, noot R.O. dalcq.

Burenhinder veroorzaakt door niet toegestande werken uitgevoerd door een derde

• Rb eerste aanleg Turnhout, 5° kamer, 29 september 2014, RW 2016-2017, 590



Samenvatting



Iemand kan slechts gehouden zijn tot vergoeding van schade ingevolge een abnormale burenhinder, indien die burenhinder is veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging die hem kan worden toegerekend. Het loutere feit dat men eigenaar en bewaarder is van het naastgelegen perceel, volstaat niet om tot de vergoedingsplicht te besluiten.

Wanneer een derde werken uitvoert op het naburige perceel, kan niet tot aansprakelijkheid van de buur worden besloten als de abnormale burenhinder is veroorzaakt door de positieve daad of de persoonlijke gedraging van die derde, die niet behoorde tot de door de buur toegestane werkzaamheden

Tekst vonnis



M.I. K/G.J.L., H.L.M., BVBA C.S. en G.D.

I. Feiten

Eisers en eerste verweerders zijn buren.

Eerste verweerders gaven in het voorjaar van 2014 opdracht aan BVBA C., met als zaakvoerder G.D., om hun dak te ontmossen en proper te maken. Daarbij kwamen volgens eisers op 5 februari 2014 duizenden partikels asbeststof terecht op hun planten en constructies.

Eisers deden aangifte bij hun verzekeraar. De verzekeraar van BVBA C. weigerde dekking.

Blijkbaar klaagden eisers ook bij de gemeente Meerhout. Deze stelde BVBA C. bij brief van 3 maart 2014 in gebreke wegens overtreding van art. 6.4.0.1, § 5 Vlarem II (“Het gebruik van mechanische werktuigen met grote snelheid (schuurschijven, slijpmachines, boormachines, e.d.), hogewaterdrukreinigers en luchtcompressoren, voor het bewerken, snijden of schoonmaken van objecten of ondergronden in asbesthoudend materiaal of voor het verwijderen van asbest is verboden”).

II. Vorderingen

Eisers vragen veroordeling van verweerders, hoofdelijk, in solidum, zo niet de ene bij gebreke aan de andere, (...), tot betaling van één euro provisioneel met schatting van de eis op 30.000 euro, vermeerderd met de vergoedende interesten sinds 5 februari 2014 en de gerechtelijke interesten.

Voorts vragen zij met toepassing van art. 19, derde lid, Ger.W., de aanstelling van een gerechtsdeskundige.

Eerste verweerders vragen de vordering tegen hen ontvankelijk maar ongegrond te verklaren.

III. In rechte

A. Aansprakelijkheid

Eisers achten eerste verweerders aansprakelijk op grond van art. 544 BW en tweede verweerders op grond van art. 1382 BW en de bepalingen van de Vlarem-wetgeving, onder meer art. 6.4.0.1, § 5 Vlarem II.

Tweede verweerders voeren geen specifiek verweer. Zij betwisten geenszins dat bij de reiniging gebruik werd gemaakt van een toestel verboden door art. 6.4.0.1, § 5 Vlarem II, zodat de vordering tegen hen principieel gegrond is.

Eerste verweerders menen dat zij niet aansprakelijk zijn, omdat de handelingen van tweede verweerders hen niet toerekenbaar zijn.

Iemand kan slechts gehouden zijn tot vergoeding van schade ingevolge een abnormale burenhinder, indien die burenhinder is veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging die hem kan worden toegerekend. Het loutere feit dat men eigenaar en bewaarder is van het naastgelegen perceel, volstaat niet om tot de vergoedingsplicht te besluiten (Cass. 3 april 2009, Arr.Cass. 2009, nr. 239, RABG 2009, 740, TBBR 2009, 469).

Wanneer een derde werken uitvoert op het naburige perceel, kan niet tot aansprakelijkheid van de buur worden besloten als de abnormale burenhinder is veroorzaakt door de positieve daad of de persoonlijke gedraging van die derde, die niet behoorde tot de door de buur toegestane werkzaamheden (Cass. 25 juni 2009, Arr.Cass. 2009, nr. 438, RABG 2009, 742, RW 2010-11, 1645, noot T. De Bie, TBBR 2009, 475).

In deze zaak moet worden vastgesteld dat eerste verweerders opdracht gaven aan tweede verweerders om reinigingswerken uit te voeren, maar tweede verweerders kozen ervoor om daarbij een onwettige (en strafrechtelijk beteugelde) methode aan te wenden waarvan niet blijkt dat eerste verweerders er de opdracht toe gaven.

In deze omstandigheden is de mogelijke burenhinder niet aan eerste verweerders toerekenbaar en is de tegen hen ingestelde vordering ongegrond.

B. Schade van de eisers

Met het oog op begroting van de schade kan, zoals gevraagd, een gerechtsdeskundige worden aangesteld. (...)





• Cass. 28 januari 1965, Pas. 1965, I, 521, conclusie Adv. Gen. Mahaux, RW 1964-65, 2117, noot C.C. en JT 1965, 259, noot M.-A. Flamme.

• Cass. 10 januari 1974, Arr.Cass. 1974, 520 en RCJB 1975, 357, noot C. Renard.

• Concl. F. Dumon bij Cass. 5 maart 1981, Pas. 1981, I, 728 en Arr.Cass. 1980-81, 364.

• Cass. 12 maart 1999, Arr.Cass. 1999, 362 en TBBR 1999, 657.

• Cass. 3 april 1998, Arr.Cass. 1998, 417 en JLMB 1998, 1334, noot P. lecocq.

• Cass. 3 april 2009, TBBR 2009, 469, noot C. Baekeland, TBBR 2009, 477, T.Verz. 2010, 84, noot J. Rogge.

• Cass. 25 juni 2009, TBBR 2009, 475, noot P. Lecocq en S. Boufflette

• Liège 24 april 2002, RGAR 2003, 1378

• Cass., 12 maart 1999, AR C.98.0026.N, A.C., 1999, nr 149

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 24/09/2011 - 12:38
Laatst aangepast op: wo, 13/06/2018 - 13:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.