-A +A

Burenhinder vergt gedraging toerekenbaar aan de buur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Plaats van uitspraak: Oostende
Datum van de uitspraak: 
vri, 17/04/2015

Een schadelijder kan tegen een nabuur die het evenwicht heeft verbroken een rechtsvordering instellen op grond van art. 544 BW, zelfs als de schade door de fout van een derde is veroorzaakt (Cass. 25 juni 2009, RW 2010-11, 1645, noot T. De Bie). Hiertoe is wel vereist dat de daad of de gedraging van de derde hoorde bij de werkzaamheden die de nabuur heeft toegestaan, zodat deze hieraan schuld heeft. De fout van de aannemer moet dus inherent zijn aan de door de bouwheer verleende opdracht (V. Sagaert, Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, V, Mechelen, Wolters Kluwer, 2014, 242).

De vraag rijst hoe deze toepassingsvoorwaarde begrepen moet worden. De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat de bouwheer aansprakelijk is voor daden van de aannemer of de onderaannemer die gesteld zijn in het kader van de opdracht die zij rechtstreeks (de hoofdaannemer) of onrechtstreeks (de onderaannemer) van de bouwheer ontvangen hebben. In die zin volgt de rechtbank niet het vonnis van de (toenmalige) Rechtbank van Koophandel te Kortrijk van 30 september 2005. In dit vonnis oordeelde de rechtbank o.m. dat het beschadigen van ondergrondse kabels niet inherent is aan werken in de ondergrond. Voorts oordeelde de rechtbank dat er bezwaarlijk kan worden geoordeeld dat de bouwheer aan de aannemer de opdracht gegeven had tot het verrichten van strafrechtelijke feiten (nl. het beschadigen van ondergrondse kabels). Een dergelijke rechtspraak zou betekenen dat zodra de aannemer een fout heeft begaan, de bouwheer nooit aansprakelijk kan worden gesteld. Een bouwheer wordt immers principieel geacht om nooit de opdracht tot fouten te hebben gegeven. Dit zou de leer van de bovenmatige burenhinder compleet uithollen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
745
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

CBVA I. t/ BVBA W.-P., BVBA I.W.P. en NV de W.

BVBA B.B. t/ NV N.AB. in vereffening

...

2. Relevante feitelijke gegevens en standpunt van de partijen

2.1. I.P. en De W. zijn/waren eigenaar van een perceel gelegen te (...). Bij overeenkomst van 1 juni 2010 hebben zij aan N. een recht tot bouwen verleend.

Op 14 januari 2011 heeft N. een aannemingsovereenkomst gesloten met B. Deze overeenkomst had blijkbaar betrekking op het oprichten van een nieuwbouw, zijnde residentie M.

W.-P. heeft op 1 en 2 september 2010 in onderaanneming van B. paalfunderingen uitgevoerd op het betreffende terrein.

I. voert aan dat er tijdens de bouwwerken voor residentie M. een MS-kabel, LS-kabel en OV-kabel werden beschadigd. Zij voert aan dat zij op drie verschillende data schade heeft vastgesteld:

– Op 2 september 2010. Hiervan werd een proces-verbaal van minnelijke vaststelling opgemaakt. I. heeft de hierdoor veroorzaakte schade op 29 januari 2013 gefactureerd aan W.

– Op 1 februari 2011. I. heeft de hierdoor veroorzaakte schade op 22 juni 2011 gefactureerd aan W.-P.

– Op 30 april 2011. I. heeft de hierdoor veroorzaakte schade op 18 januari 2012 gefactureerd aan W.-P.

Bij aangetekende brief van 29 maart 2013 heeft de advocaat van I. de h. C.P. en De W. in gebreke gesteld om de schade te betalen die I. door de drie schadegevallen beweerde geleden te hebben.

Op 1 augustus 2013 ging I. over tot dagvaarding van W.-P., I.P. en De W. Nadien werden ook nog andere dagvaardingen uitgestuurd (...).

3. De vorderingen

3.1. In haar conclusies van 15 januari 2015, die gelden als syntheseconclusies in de zin van art. 748bis Ger.W., vordert I. de veroordeling in solidum van N., W.-P., I.P. en De W. tot betaling van een bedrag van 11.363,78 euro, te vermeerderen met rente en de kosten van het geding.

3.2. In haar conclusies van 12 september 2014, die gelden als syntheseconclusies in de zin van art. 748bis Ger.W., vordert W.-P. dat B. zou worden veroordeeld om haar te vrijwaren voor iedere veroordeling in hoofdsom, rente en kosten.

3.3. In hun conclusies van 10 oktober 2014, die gelden als syntheseconclusies in de zin van art. 748bis Ger.W., vorderen I.P. en De W. dat W.-P. zou worden veroordeeld om hen te vrijwaren voor iedere veroordeling die t.a.v. hen zou worden uitgesproken.

3.4. In haar conclusies van 16 december 2014, die gelden als syntheseconclusies in de zin van art. 748bis Ger.W., vordert N. dat W.-P. zou worden veroordeeld om haar te vrijwaren voor iedere veroordeling die t.a.v. haar zou worden uitgesproken.

4. Beoordeling

4.1. Vordering I. – W.-P.

4.1.1. Schadegeval 2 september 2010

4.1.1.1. I. voert aan dat W.-P. voor dit schadegeval aansprakelijk is op grond van art. 1382 BW en art. 192 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (hierna «AREI» – KB van 10 maart 1981, BS 29 april 1981).

W.-P. betwist haar aansprakelijkheid. Zij voert hiertoe het volgende verweer:

– Het proces-verbaal van minnelijke vaststelling lokaliseert het schadegeval op het perceel in de (...) 102. W.-P. voert aan dat zij op dat terrein niet gewerkt heeft.

– De beschadigde kabel lag op privéterrein. Zij diende zich bijgevolg niet aan de aanwezigheid van een kabel te verwachten.

– De verplichtingen uit het AREI gelden enkel voor de opdrachtgever, zijnde B.

4.1.1.2. De rechtbank is van oordeel dat W.-P. niet zinvol kan betwisten dat het schadegeval van 2 september 2010 veroorzaakt is door haar werkzaamheden. Eén van haar aangestelden heeft immers het proces-verbaal van minnelijke vaststelling ondertekend. Uit de tekening op dit proces-verbaal blijkt duidelijk dat de schade zich heeft voorgedaan op het terrein rechts van nr. 102. De tekening vermeldt het volgende: «op verschillende plaatsen geboord».

Als antwoord op een e-mail van I. van 14 oktober 2010 heeft W.-P. bij e-mail van 27 oktober 2010 erkend dat er tijdens het boren van een paal een hoogspanningskabel geraakt werd. Als gevolg hiervan kan er geen enkele discussie over bestaan dat de kabel geraakt werd door werken van W.-P.

4.1.1.3. Art. 192.02 van het AREI bepaalt:

«Te nemen voorzorgsmaatregelen bij werken in de nabijheid van ondergrondse elektrische kabels

«a) Principe

«Geen enkel grondwerk, bestrating of ander werk mag in de omgeving van een ondergrondse elektrische kabel uitgevoerd worden zonder voorafgaand de eigenaar van de grond, de overheid die de eventueel gebruikte openbare weg beheert en de beheerder van de kabel te raadplegen. Het al dan niet aanwezig zijn van merktekens, voorzien in artikel 188, geeft geen vrijstelling van deze raadpleging.

«Afgezien van deze raadpleging mag met de uitvoering van een werk slechts begonnen worden na lokalisatie van de kabels.»

Deze verplichting is een concretisering van de algemene zorgvuldigheidsplicht van art. 1382 BW (L. Van Parys, «Ondergrondse kabels en leidingen» in I. De Knijf (ed.), Bouwrecht van A(aneming) tot Z(akenrecht), Brussel, Larcier, 2009, (85) 88).

Op grond van art. 1382 BW en art. 192.02 AREI bestaan de voorzorgsmaatregelen die de aannemer moet nemen uit drie elementen: a) informatiegaring; b) lokalisatie van de leiding; c) plegen van overleg met het nutsbedrijf.

W.-P. toont niet aan dat zij deze verplichtingen is nagekomen. Zij voert dit zelfs niet aan. Dit blijkt ook duidelijk uit haar e-mail van 27 oktober 2010 waarin zij te kennen gaf dat er haar geen fout trof omdat de ligging van de kabel haar nooit werd gemeld. Zij ging er dus ten onrechte van uit dat er op haar geen enkele onderzoeksplicht rustte.

I. lijkt niet te betwisten dat haar kabel zich op privéterrein bevindt, nl. het perceel dat eigendom was van I.P. en De W. Deze ligging op privéterrein kan ook afgeleid worden uit de schets op het proces-verbaal van minnelijke vaststelling van 2 september 2010.

De hierboven vermelde verplichtingen voor de aannemer gelden zowel bij werken op de openbare weg als op privéterrein (Kh. Kortrijk 4 oktober 1999, luvis 2004, 1326; Kh. Antwerpen 27 januari 1993, luvis 1994, 279). De verwijzing naar het vonnis van de (toenmalige) Rechtbank van Koophandel te Veurne van 4 december 2013 is niet dienend. In dit vonnis heeft de rechtbank niet geoordeeld dat er bij werken op privéterrein geen onderzoeks- en voorzorgsplicht geldt voor de aannemer. Zij heeft enkel geoordeeld dat in de specifieke omstandigheden van het schadegeval waarover zij diende te oordelen, niets erop wees dat er zich op het privéterrein kabels bevonden. Nu er zich in de huidige zaak in de hoek van het terrein waarop gewerkt werd een hoogspanningscabine bevond, kon de aannemer wel degelijk vermoeden dat er eventueel ondergrondse kabels aanwezig waren (zie voor een soortgelijk geval: Gent 2 juni 1995, luvis 1997, 635).

W.-P. voert voorts vergeefs aan dat de verplichtingen uit het AREI op de opdrachtgever rusten. De onderaannemer is t.a.v. derden zelf aansprakelijk voor de schade die hij veroorzaakt (Kh. Kortrijk 4 oktober 1999, luvis 2004, 1326; Kh. Brussel 3 juni 1996, T.Aann. 1998, noot B. Louveaux, Kh. Hasselt 16 december 1991, luvis 1998, 892).

Aangezien W.-P. cijfermatig geen verweer voert, kan het bedrag van 5.632,21 euro toegekend worden. I. vordert op dit bedrag moratoire rente vanaf 29 mei 2011 en dit aan de wettelijke rentevoet overeenkomstig de wet van 2 augustus 2002.

Op het moment van het schadegeval definieerde art. 2 van deze wet een handelstransactie als volgt: «een transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en aanbestedende overheden of aanbestedende diensten die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding». De wet is bijgevolg niet van toepassing op de verplichting tot het betalen van een schadevergoeding (V. Sagaert, «Wet betalingsachterstand Handelstransacties» in B. Tilleman en E. Terryn, Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XII, Handels- en economisch recht, Vol. B, Mechelen, Wolters Kluwer, 2011, (1811), p. 1816, nr. 2448).

Dit betekent dat I. op het bedrag van 5.632,21 euro slechts aanspraak zou kunnen maken op compensatoire rente vanaf de datum van het schadegeval tot de definitieve betaling. Aangezien zij evenwel pas rente vordert vanaf 29 mei 2011, kan er haar pas vanaf die datum rente worden toegekend aan de wettelijke intrestvoet bepaald overeenkomstig de wet van 5 mei 1865.

4.1.2. Schadegeval van 1 februari 2011

4.1.2.1. Volgens I. werd er op 1 februari 2011 naar aanleiding van een storingsmelding vastgesteld dat er op de LS-leiding nog een fout zat. Dit sluimerend effect was volgens haar het gevolg van het eerste schadegeval.

W.-P. betwist haar aansprakelijkheid.

Van dit schadegeval werd geen vaststelling op tegenspraak opgemaakt. Het eenzijdig proces-verbaal van minnelijke vaststelling van 1 februari 2011 vermeldt dat de schade veroorzaakt werd door een perforatie op een diepte van 0,60 m. Aangezien dit schadegeval volgens I. veroorzaakt werd door een perforatie, kan dit onmogelijk het gevolg zijn van het eerste schadegeval van 2 september 2010. Een perforatie zou immers onmiddellijk tot schade geleid hebben en niet pas maanden later. Wel is het mogelijk dat een nieuwe perforatie (op 1 februari 2011) deze schade heeft doen ontstaan.

Opdat W.-P. hiervoor aansprakelijk zou zijn, dient I. aan te tonen dat zij op dat moment (op 1 februari 2011) nog op het bouwterrein actief was. Zij levert dit bewijs niet. Zij had dit bewijs nochtans gemakkelijk kunnen leveren door dadelijk na de vaststelling van de perforatie vaststellingen op tegenspraak te laten doen. Tevens had zij onmiddellijk kunnen dagvaarden in kort geding tot aanstelling van een deskundige die de nodige vaststellingen had kunnen doen.

I. kan evenmin enig argument putten uit het gebrek aan protest van haar factuur van 22 juni 2011. Een factuur wordt immers opgesteld voor primaire verbintenissen uit hoofde van levering van goederen en diensten, maar kan niet worden opgesteld voor secundaire verbintenissen uit hoofde van schade, zodat vorderingen tot betaling van een schadevergoeding buiten het toepassingsgebied van de factuur vallen (E. Dirix en G.L. Ballon, De factuur in APR, Mechelen, Wolters Kluwer, 2012, p. 7, nr. 10).

Het klopt dat W.-P. de brieven van I. van 10 februari 2011 en 1 maart 2011 niet geprotesteerd heeft, niettegenstaande op een handelaar de verplichting rust om te reageren op aanspraakbevestigingen indien hij het niet eens is met de inhoud hiervan. Het gebrek aan betwisting van voormelde brieven is evenwel slechts één element dat afdoende ontkracht wordt door de overige elementen.

De vordering tot vergoeding van dit schadegeval is bij gevolg ongegrond.

4.1.3. Schadegeval van 30 april 2011

4.1.3.1. Volgens I. werd er op 2 mei 2011 een proces-verbaal van minnelijke vaststelling opgemaakt n.a.v. een stroomonderbreking. Deze was volgens haar het gevolg van een sluimerend defect op de MS-leiding ten gevolge van werken uitgevoerd door W.-P.

W.-P. betwist haar aansprakelijkheid.

Ook van dit schadegeval werd geen vaststelling op tegenspraak opgemaakt. Het eenzijdig proces-verbaal van minnelijke vaststelling van 30 april 2011 vermeldt dat de schade veroorzaakt werd door een perforatie op een diepte van 0,6 m. Nu dit schadegeval volgens I. veroorzaakt werd door een perforatie, kan dit onmogelijk het gevolg zijn van het eerste schadegeval van 2 september 2010. Een perforatie zou immers onmiddellijk tot schade geleid hebben en niet pas maanden later.

Om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet voor het schadegeval van 1 februari 2011 kan I. evenmin argumenten putten uit het gebrek aan protest van haar brieven van 29 oktober 2011 en 10 november 2011 en van haar factuur van 18 januari 2012.

De vordering tot vergoeding van dit schadegeval is bij gevolg ongegrond.

4.2. Vordering I. – I.P. –De W.

4.2.1. I. baseert haar vordering t.a.v. deze partijen op zowel artt. 1382-1383 BW als op art. 544 BW (bovenmatige burenhinder).

I.P. en De W. betwisten de vordering. Zij voeren aan dat zij geruime tijd vóór het schadegeval van 2 september 2010 aan N. een recht van opstal hebben toegekend en dit bij overeenkomst van 1 juni 2010.

4.2.2. I. kan ten aanzien van I.P. en De W. geen beroep doen op art. 1382 BW. Zij toont immers niet aan dat zij enige fout hebben begaan. Evenmin kunnen zij instaan voor de daden van de aannemer en onderaannemer die betrokken waren bij de bouw van residentie M. Zij zijn immers niet de bouwheren van deze residentie.

4.2.3. Ook de vordering van I. die gebaseerd is op bovenmatige burenhinder is ongegrond. Hiertoe is immers vereist dat die hinder te wijten is aan een daad, verzuim of gedraging die aan de buurman kan worden toegerekend (Cass. 3 april 2009, TBBR 2009, 469). In casu is dit niet het geval. I.P. en De W. zijn immers niet de bouwheren van residentie M. Het gebrek aan overschrijving van de opstalovereenkomst is bijgevolg irrelevant.

4.3. Vordering I. – N.

4.3.1. I. stelt ook een vordering tot schadevergoeding in tegen N. Zij baseert haar vordering enkel op art. 544 BW. N. betwist deze vordering. Zij voert aan dat het perforeren van de hoogspanningskabels in de grond niet inherent is aan de opdracht die zij gaf.

4.3.2. Een schadelijder kan tegen een nabuur die het evenwicht heeft verbroken een rechtsvordering instellen op grond van art. 544 BW, zelfs als de schade door de fout van een derde is veroorzaakt (Cass. 25 juni 2009, RW 2010-11, 1645, noot T. De Bie). Hiertoe is wel vereist dat de daad of de gedraging van de derde hoorde bij de werkzaamheden die de nabuur heeft toegestaan, zodat deze hieraan schuld heeft. De fout van de aannemer moet dus inherent zijn aan de door de bouwheer verleende opdracht (V. Sagaert, Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, V, Mechelen, Wolters Kluwer, 2014, 242).

De vraag rijst hoe deze toepassingsvoorwaarde begrepen moet worden. De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat de bouwheer aansprakelijk is voor daden van de aannemer of de onderaannemer die gesteld zijn in het kader van de opdracht die zij rechtstreeks (de hoofdaannemer) of onrechtstreeks (de onderaannemer) van de bouwheer ontvangen hebben. In die zin volgt de rechtbank niet het vonnis van de (toenmalige) Rechtbank van Koophandel te Kortrijk van 30 september 2005. In dit vonnis oordeelde de rechtbank o.m. dat het beschadigen van ondergrondse kabels niet inherent is aan werken in de ondergrond. Voorts oordeelde de rechtbank dat er bezwaarlijk kan worden geoordeeld dat de bouwheer aan de aannemer de opdracht gegeven had tot het verrichten van strafrechtelijke feiten (nl. het beschadigen van ondergrondse kabels). Een dergelijke rechtspraak zou betekenen dat zodra de aannemer een fout heeft begaan, de bouwheer nooit aansprakelijk kan worden gesteld. Een bouwheer wordt immers principieel geacht om nooit de opdracht tot fouten te hebben gegeven. Dit zou de leer van de bovenmatige burenhinder compleet uithollen.

In het geval dat aanleiding gaf tot het cassatiearrest van 25 juni 2009 was de schade ontstaan doordat de derde-schadeveroorzaker bij het uitvoeren van schilderwerken een brandende sigaret in white spirit had laten vallen. Men kan inderdaad aanvoeren dat een dergelijke handeling niet inherent is aan het uitvoeren van schilderwerken. Het beschadigen van een ondergrondse kabel bij het uitvoeren van paalfunderingen is volgens de rechtbank daarentegen wél inherent aan het uitvoeren van grondwerken (in dezelfde zin: Rb. Hasselt 13 januari 2011, stuk 11 I.).

Nu er op het perceel waarop W.-P. gewerkt heeft een ondergrondse kabel liep van I., moet worden aangenomen dat I. over een recht beschikt om in de ondergrond van dit terrein een kabel te hebben. Zij heeft bijgevolg een recht van gebruik op de ondergrond (zakelijk of persoonlijk recht) en dus een attribuut van het eigendomsrecht (Kh. Kortrijk 4 oktober 1999, luvis 2004, 1326; Gent 4 februari 1994, RW 1995-96, 1236).

N. is bijgevolg op grond van art. 544 BW aansprakelijk voor de schade die haar onderaannemer veroorzaakt heeft. Dat zij met W.-P. als onderaannemer geen rechtstreekse contractuele band heeft, staat hier niet aan in de weg. Deze werken zijn immers het gevolg van de opdracht die zij gegeven heeft aan haar eigen contractuele wederpartij, B. Bovendien heeft N. de werken van W.-P. ook toegestaan (Cass. 5 maart 1981, Arr.Cass. 1980-81, 748).

4.4. Tussenvordering W.-P. – B.

4.4.1. W.-P. stelt een vrijwaringsvordering in tegen B. Zij beroept zich hiertoe zowel op een contractuele als op een wettelijke grondslag.

B. betwist deze vordering.

4.4.2. W.-P. beroept zich allereerst op de bepaling uit haar offerte van 10 augustus 2010 die stelt dat alle ondergrondse hindernissen moeten worden verwijderd en dat de eventueel resterende hindernissen haar vóór de aanvang van de werken gemeld moeten worden. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in art. 3 van haar Algemene Uitvoeringsbepalingen.

B. voert terecht aan dat nergens uit blijkt dat zij deze offerte en de hierin vervatte voorwaarden heeft goedgekeurd. Partijen hebben dus louter een mondelinge overeenkomst gesloten. In die omstandigheden kan W.-P. zich ten aanzien van B. niet op haar contractuele bepalingen beroepen.

4.4.3. Daarnaast beroept W.-P. zich op de gemeenrechtelijke verplichtingen van de opdrachtgever om de aannemer een terrein ter beschikking te stellen waarop het opgedragen werk daadwerkelijk kan worden uitgevoerd.

Het klopt dat de opdrachtgever de aannemer in staat moet stellen om de werken uit te voeren. Op de aannemer rust dezelfde verplichting t.a.v. de onderaannemer.

Wegens de aanwezigheid van een hoogspanningscabine was het voor de uitvoerende onderaannemer evenwel duidelijk dat er zich ondergrondse kabels konden bevinden op het terrein waarop hij moest werken. In die omstandigheden rustte er op de hoofdaannemer-opdrachtgever geen bijzondere informatieplicht. Het aspect waarover de hoofdaannemer informatie moest geven (aanwezigheid van kabels) was immers voor de hand liggend (zie in die zin: W. Goossens, Aanneming van werk: het gemeenrechtelijke dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, p. 781, nr. 870).

Op grond van zijn raadplegingsplicht diende de onderaannemer zelf de nodige informatie in te winnen bij de kabelmaatschappij en de hoofdaannemer. In dat geval kon de hoofdaannemer op zijn beurt verdere informatie inwinnen bij de bouwheer.

Aangezien W.-P. niet aantoont dat zij ooit aan B. informatie gevraagd heeft over eventuele ondergrondse kabels, kan zij deze geen contractuele fout verwijten.

De vrijwaringsvordering van W.-P. tegen B. is ongegrond.

4.5. Vrijwaringsvordering N. – W.-P.

4.5.1. N. stelt tegen W.-P. een vrijwaringsvordering in.

Indien de bouwheer aansprakelijk wordt gesteld op grond van bovenmatige burenhinder, kan hij een regresvordering instellen, indien hij kan aantonen dat de aannemer een fout heeft begaan (V. Sagaert, o.c., p. 242, nr. 280).

Aangezien N. geen contract heeft gesloten met W.-P., maar enkel met B., moet er nagegaan worden of zij tegen W.-P. een vordering op buitencontractuele grondslag kan instellen. Hiertoe is vereist dat de voorwaarden voor coëxistentie vervuld zijn. Dit betekent dat door de contractuele wanprestatie tezelfdertijd en los van de overeenkomst de algemene zorgvuldigheidsverplichting van eenieder wordt miskend (Cass. 25 oktober 2012, RW 2013-14, 934).

Art. 27, tweede lid van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening bevat de volgende strafbepaling: «Zij die, bij gebrek aan voorzorg, zonder opzet machines of inrichtingen voor de voortbrengst, de omzetting, de bezorging en de benuttiging van electrische energie vernielen of beschadigen of die het vervoer daarvan op de wettelijk toegelaten lijnen en netten verhinderen of stremmen, worden gestraft met de bij artikel 563 van het Strafwetboek bepaalde straffen.»

Aangezien de handeling van W.-P. een misdrijf uitmaakt, zijn de voorwaarden voor coëxistentie vervuld.

Daar de rechtbank hierboven reeds heeft geoordeeld dat B. geen fout heeft begaan ten aanzien van W.-P. door haar niet expliciet op de aanwezigheid van een kabel te wijzen, geldt hetzelfde ten aanzien van N.

De vrijwaringsvordering van N. is bijgevolg gegrond.

4.6. Vrijwaringsvordering I.P. en De W. – W.-P.

4.6.1. Aangezien de vordering van I. tegen I.P. en De W. ongegrond is, is de vrijwaringsvordering van deze partijen tegen W.-P. zonder voorwerp.

...

Noot: 

• Maarten SOMERS, Overheid, burenhinder en het algemeen belang –- naar een meer concrete toetsingsnorm?, RABG 2011, 11, 761
• A. Van Hoe, Burenhinder veroorzaakt door een aannemer: de aanhouder wint (volledig), RABG 2011/11
• Emilie De Naere, De toerekenbaarheid in de burenhinder verder verfijnd, RABG 2011/11, 745

zie ook Cass. 24/03/2016, C.15.0308.N, juridat

"...Artikel 544 Burgerlijk Wetboek kent aan elke eigenaar het recht toe om op een normale wijze van zijn zaak het genot te hebben.
De eigenaar van een pand die door een daad, een verzuim of eender welke gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door aan een naburige eige-naar hinder op te leggen die de gewone ongemakken van het nabuurschap over-treft, is een rechtmatige en passende vergoeding tot herstel van het verstoorde evenwicht verschuldigd. "

De abnormale vatbaarheid van het pand van de naburige eigenaar heeft slechts een weerslag op de rechtmatige en passende vergoeding, wanneer de rechter vaststelt dat zonder de daad, het verzuim of het gedrag van de veroorzaker van de hinder die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, die hinder zich niet zou hebben voorgedaan zoals hij in concreto is ontstaan.

2. De appelrechters oordelen dat het verbreken van het evenwicht tussen de er-ven niet het gevolg is geweest van enig voorbeschikt karakter van het goed van de verweerders, maar wel van de op vraag van de eiseres uitgevoerde afbraakwerken.
Zij oordelen aldus dat de hinder zich zonder de afbraakwerken niet zou hebben voorgedaan zoals hij in concreto is ontstaan.
Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing naar recht en laten zij het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.

De appelrechters oordelen dat het verbreken van het evenwicht tussen de er-ven niet het gevolg is geweest van enig voorbeschikt karakter van het goed van de verweerders, maar wel van de op vraag van de eiseres uitgevoerde afbraakwerken.
Zij oordelen aldus dat de hinder zich zonder de afbraakwerken niet zou hebben voorgedaan zoals hij in concreto is ontstaan.
Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing naar recht en laten zij het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

3. Artikel 544 Burgerlijk Wetboek verleent aan iedere eigenaar het recht om op een normale wijze van zijn zaak te genieten.

4. De eigenaar van een onroerend goed die door een daad, een verzuim of een-der welke gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door aan de naburige eigenaar een stoornis op te leggen die de normale lasten uit het nabuur-schap overschrijdt, is hem een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd, tot herstel van het verstoorde evenwicht.

5. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de rechter de compensatie slechts naar billijkheid kan ramen, op voorwaarde dat hij vaststelt dat hij in de onmoge-lijkheid verkeert om de compensatie op een andere wijze te ramen, faalt het naar recht."

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 01/01/2018 - 16:03
Laatst aangepast op: ma, 01/01/2018 - 16:03

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.