-A +A

Burenhinder is hinder die de normale lasten van het nabuurschap overtreft

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 24/03/2016
A.R.: 
C.15.0308.N

De eigenaar van het pand die door een daad, een verzuim of eender welke gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door aan een naburige eigenaar hinder op te leggen die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, es een rechtmatige en passende vergoeding tot herstel van het verstoorde evenwicht verschuldigd (1). (1) Cass. 15 november 2013, AR C.11.0656.F, AC 2013, nr. 605.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
380
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0308.N
VAN DER PERRE nv, met zetel te 1703 Dilbeek (Schepdaal), Ninoofsesteen-weg 1107,
eiseres,

tegen
1. W C,
2. A M G,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 mei 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 544 Burgerlijk Wetboek kent aan elke eigenaar het recht toe om op een normale wijze van zijn zaak het genot te hebben.

De eigenaar van een pand die door een daad, een verzuim of eender welke gedra-ging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door aan een naburige eigenaar hinder op te leggen die de gewone ongemakken van het nabuurschap over-treft, is een rechtmatige en passende vergoeding tot herstel van het verstoorde evenwicht verschuldigd.

De abnormale vatbaarheid van het pand van de naburige eigenaar heeft slechts een weerslag op de rechtmatige en passende vergoeding, wanneer de rechter vaststelt dat zonder de daad, het verzuim of het gedrag van de veroorzaker van de hinder die de gewone ongemakken van het nabuurschap overtreft, die hinder zich niet zou hebben voorgedaan zoals hij in concreto is ontstaan.

2. De appelrechters oordelen dat het verbreken van het evenwicht tussen de er-ven niet het gevolg is geweest van enig voorbeschikt karakter van het goed van de verweerders, maar wel van de op vraag van de eiseres uitgevoerde afbraakwerken.

Zij oordelen aldus dat de hinder zich zonder de afbraakwerken niet zou hebben voorgedaan zoals hij in concreto is ontstaan.

Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing naar recht en laten zij het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

3. Artikel 544 Burgerlijk Wetboek verleent aan iedere eigenaar het recht om op een normale wijze van zijn zaak te genieten.

4. De eigenaar van een onroerend goed die door een daad, een verzuim of een-der welke gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door aan de naburige eigenaar een stoornis op te leggen die de normale lasten uit het nabuur-schap overschrijdt, is hem een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd, tot herstel van het verstoorde evenwicht.

5. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de rechter de compensatie slechts naar billijkheid kan ramen, op voorwaarde dat hij vaststelt dat hij in de onmoge-lijkheid verkeert om de compensatie op een andere wijze te ramen, faalt het naar recht.

6. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet is het afgeleid uit de in het onderdeel tevergeefs aangevoerde schending van artikel 544 Burgerlijk Wetboek en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 776,56 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2016 uitgesproken 

VOORZIENING IN CASSATIE

 

VOOR: De N.V. VAN DER PERRE, met maatschappelijke zetel te 1703 Dilbeek (Schepdaal), Ninoofsesteenweg 1107, en met ondernemingsnummer 0436.312.037,

EISERES TOT CASSATIE,

TEGEN: 1. De heer Walter COLLET, veiligheidsagent, wonende te 1703 Dilbeek (Schepdaal), Ninoofsesteenweg 1105,

2. Mevrouw Anne Marie GITS, bediende, wonende te 1703 Dilbeek (Schepdaal), Ninoofsesteenweg 1105,

VERWEERDERS IN CASSATIE

 

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

 

Eiseres heeft de eer hierbij het op 27 mei 2014 door de 1e kamer van het Hof van Beroep te Brussel gewezen arrest (rol nr. 2011/AR/510; repertori-um nr. 2014/4739) aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

 

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Huidige zaak vindt zijn oorsprong in de stabiliteitsgebreken die verweerders' woning vertoonde nadat de aanpalende woning, eigendom van eiseres, in maart 2000 in haar opdracht werd afgebroken door aannemer NV G&A De Meuter, onder toezicht van architect De Clercq.

Ondanks de op kosten van eiseres uitgevoerde herstellings- en verstevigingswerken, dagvaardden verweerders eiseres op 23 februari 2004 voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De vordering van verweerders, in hoofdorde geënt op 1382 van het Burgerlijk Wetboek en in ondergeschikte orde op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, strekte er meer bepaald toe eiseres te horen veroordelen tot betaling van de som van 33.854 euro , meer de vergoedende intresten vanaf 1 januari 2001 aan de wettelijke rentevoet en meer de gerechtelijke intresten, alsook tot betaling van de (expertise)kosten en van de maximale rechtsplegingsvergoeding (begroot op 4.000 euro ).

Nadat de heer Rutten bij tussenvonnis dd. 22 december 2006 als gerechtsdeskundige werd aangesteld, verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel verweerders' vordering bij vonnis dd. 19 november 2010 toelaatbaar en deels gegrond. Met toepassing van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek werd eiseres veroordeeld in betaling aan verweerders van:

•de som van 31.500 euro , vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van de uitspraak tot de dag van volledige betaling;

•de som van 9.385 euro , vermeerderd met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 5 juni 2009 tot de dag van de uitspraak, en met de gerechtelijke intresten op de aldus verkregen som vanaf de datum van de uitspraak tot de dag van volledige betaling;

•de gerechtskosten, begroot op 235,65 euro (dagvaarding) + 1.500 euro (deskundig onderzoek Leyssens) + 1.731,79 euro (eerste deskundig onderzoek Rutten) + 1.563,85 euro (tweede deskundig onderzoek Rutten) + 2.500 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Eiseres stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. In hoofdorde verzocht zij de appelrechters de oorspronkelijke vordering van verweerders ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde werd verzocht de aan verweerders toegekende vergoeding te herleiden tot 4.385 euro en de vordering voor het overige af te wijzen als ongegrond, met veroordeling van verweerders in alle kosten.

In het thans bestreden arrest dd. 27 mei 2014 verklaart de 1e kamer van het Hof van Beroep te Brussel dit hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt eiseres in betaling aan verweerders van een rechtsplegingsvergoeding van 2.750 euro .

Tegen dit arrest meent eiseres gerechtigd te zijn volgende twee middelen tot cassatie te kunnen inroepen.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

•Artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet (hierna: Grondwet);

•Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: B.W.).

Aangevochten beslissing:

De 1e kamer van het Hof van Beroep te Brussel verklaart het hoger beroep dat eiseres instelde tegen het door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 19 november 2010 gewezen vonnis, ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt eiseres in betaling aan verweerders van een rechtsplegingsvergoeding van 2.750 euro , op grond van onder meer volgende motieven:

"[Eiseres] stelt dat de plaatsbeschrijving opgemaakt voor de uitvoe-ring van de werken aantoont dat de woning van [verweerders] voorbeschikt was voor schade door stabiliteitsproblemen in het ge-bouw. [Eiseres] stelt dat deze woning geen zelfdragende constructie had maar dat zij steunde op de aanpalende (intussen afgebroken) constructie. Ook de gemene muur was onvoldoende verankerd met de woning van [verweerders] en de schade zou dan ook inherent zijn aan de specifieke toestand van het gebouw van [verweerders]. [Eiseres] besluit dat de afbraakwerken niet het stabiliteitsprobleem in het gebouw van [verweerders] hebben veroorzaakt.

De gerechtsdeskundige heeft dit punt al onderzocht en in zijn eind-verslag (p. 68) het volgend advies uitgedrukt:

"[Eiseres] gaat uit van een voorbestemdheid van het gebouw om schade te lijden. Dit sluit ik niet uit, maar de oorzaak van de schade ligt niet in de predisponibiliteit, maar wel in de af-braak van de aanpalende woning, die oorspronkelijk één ge-heel uitmaakte met de woning van [verweerders]"

Het verbreken van het evenwicht tussen de erven is dus niet het gevolg geweest van enig voorbeschikt karakter van het goed van [verweerders] maar wel van de op vraag van [eiseres] uitgevoerde afbraakwerken. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de des-kundige en van de eerste rechter. "

(cf. p. 6, randnummer 9 van het bestreden arrest)

Grief:

1. Overeenkomstig artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek heeft iedere eige-naar het recht om op een normale wijze genot te hebben van zijn zaak.

De in dit artikel wettelijk verankerde evenwichtsleer verplicht de eigenaar van een pand die door enige gedraging of verzuim het evenwicht tussen de eigendommen verstoort door een naburige eigenaar hinder te berokkenen die de gewone ongemakken van het nabuurschap te boven gaat, deze buur passend te com-penseren teneinde het verbroken evenwicht te herstellen.

Alvorens aanspraak te kunnen maken op deze ‘passende compensatie', dient de buur niet enkel aan te tonen (1) dat er nadeel of hinder is, (2) dat deze de grenzen van wat men normaal moet dulden bij een leven in maatschappelijk verband overschrijdt en (3) dat er een aanwending van eigendomsbevoegdheden op het naburig erf heeft plaatsgevonden, maar ook (4) dat tussen dit gebruik en de ge-leden genotstoornis een oorzakelijk verband bestaat.

Dit oorzakelijk verband wordt op eenzelfde wijze ingevuld als bij de beoordeling van de buitencontractuele aansprakelijkheid. Er bestaat aldus slechts grond tot het bieden van een passende compensatie indien de schade, de genotstoornis, zoals ze zich concreet heeft voorgedaan, zich (enkel) heeft voorgedaan omdat het evenwicht tussen de percelen werd verbroken.

Indien het erf van de gestoorde buur abnormaal gevoelig is voor de uitoefening van eigendomsbevoegdheden op het andere erf, moet bij de beoordeling van de omvang van de verschuldigde compensatie rekening worden gehouden met deze gevoeligheid indien deze zakelijke gevoeligheid, naast het gebruik van het erf door de compensatieplichtige buur, ook een oorzaak van de hinder is. Blijkt echter dat de abnormale gevoeligheid van het erf van de gestoorde buur de enige oorzaak was van de hinder, dan kan deze buur geen aanspraak maken op compensatie.

2. Te dezen voerde eiseres op pagina 14 van haar syntheseberoepsconclu-sie aan dat de schade aan de woning van verweerders, zoals deze zich voordeed na afbraak van de aanpalende woning in opdracht van eiseres, niet door deze afbraakwerken werd veroorzaakt, maar wel door de specifieke toestand van verweerders' woning. Eiseres voerde in dat verband meer bepaald aan dat:

"de woning van [verweerders], ook reeds voor de aanvang van de af-braakwerken, voorbeschikt was voor schade door de stabiliteitsgebreken in het gebouw. Zoals aangegeven, was de woning van [verweerders] im-mers deel van een groter geheel dat ooit in twee werd gesplitst zodat het zich letterlijk recht hield door te steunen op de aanpalende woning. De woning van [verweerders] had daardoor geen zelfdragende dakconstruc-tie. Ook de gemene muur, een gewone binnenmuur, die na de afbraak-werken alleen kwam te staan, was daardoor onvoldoende verankerd met de woning."

(cf. p. 14, vijfde alinea van eiseres' syntheseberoepsconclusie).

3. Op pagina 6 van het bestreden arrest verwijzen de appelrechters naar het eindverslag van gerechtsdeskundige Rutten die "dit punt al onderzocht" en op pagina 68 van zijn eindverslag ter zake "het volgend advies (heeft) uitgedrukt":

"[Eiseres] gaat uit van een voorbestemdheid van het gebouw om schade te lijden. Dit sluit ik niet uit, maar de oorzaak van de schade ligt niet in de predisponibiliteit, maar wel in de afbraak van de aan-palende woning, die oorspronkelijk één geheel uitmaakte met de woning van [verweerders]"

Steunend op dit advies besluiten de appelrechters dat het verbreken van het evenwicht tussen de erven ‘dus' niet het gevolg is geweest van enig voorbeschikt karakter van verweerders' woning, maar wel van de op vraag van eiseres uitge-voerde afbraakwerken.

4. In zover de appelrechters, door zich ‘aan te sluiten' bij het advies dat ge-rechtsdeskundige Rutten op pagina 68 van zijn eindverslag uitdrukte, aldus aan-geven dat het niet uitgesloten is dat de woning van verweerders voorbestemd was om schade te lijden, doch vervolgens oordelen dat deze voorbestemdheid niet in oorzakelijk verband staat met de
door verweerders geleden schade, zonder vast te stellen dat deze schade zich ook zou hebben voorgedaan indien verweerders' woning niet met een stabili-teitsprobleem zou zijn behept, en dus niet ‘voorbestemd zou zijn geweest om schade te lijden', verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht en schenden zij artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

Met dit oordeel beletten de appelrechters Uw Hof bovendien om zijn wet-tigheidstoezicht uit te oefenen en is het bestreden arrest ook - hoe dan ook - om die reden niet naar recht verantwoord (schending van artikel 149 Grondwet).

5. In zover de appelrechters aldus oordelen dat het verbreken van het evenwicht tussen de erven niet het gevolg is van enig voorbeschikt ka-rakter van verweerders' woning op grond van de enkele overweging dat de oorzaak van de schade in de afbraak van de aanpalende woning ligt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht en schenden zij artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

Uit de enkele vaststelling dat de oorzaak van de schade in de afbraakwer-ken gelegen is, konden de appelrechters immers niet wettig afleiden dat de voorbestemdheid van de woning van verweerders niet in oorzakelijk verband staat met de schade zoals deze zich in concreto voordeed.

Toelichting

Voor een toepassing van de equivalentieleer inzake burenhinder, zie o.m. Cass. 18 januari 1990, Arr.Cass. 1989-90, p. 659. Zie tevens o.m. S. VEREECKEN, "Burenhinder uit evenwicht bij gebrek aan bewezen verstoring door verweerder als oorzaak van de schade", RABG 2006, afl. 10, p. 772: "Net zoals bij toepassing van artikel 1382 B.W het causaal verband tussen de fout en de schade moet worden bewezen, is het bewijs van het oorzakelijk verband tussen de hinder en de schade overeenkomstig de equivalentieleer vereist bij toepassing van artikel 544 B.W." en, specifiek m.b.t. de zakelijke gevoeligheid van het naburig erf, J. KOKELENBERGH, "Burenhinder? Kan u dat bewijzen en bent u misschien geen overgevoelig type?", RGDC 2007, p. 268:

"De zakelijke gevoeligheid brengt niet mee dat de toepassing van de evenwichtsleer wordt uitgesloten maar bij de beoordeling van de omvang van de verschuldigde compensatie zal met deze gevoelig-heid rekening worden gehouden indien blijkt dat deze zakelijke ge-voeligheid één (dus niet de uitsluitende) der oorzaken van de hinder is. Op dit punt is de situatie dus enigszins vergelijkbaar met de re-denering die in het leerstuk van de onrechtmatige daad wordt toe-gepast indien er een eigen fout van het slachtoffer in het spel was. Was de abnormale gevoeligheid van het erf van de gestoorde buur de enige oorzaak van de hinder, dan kan er uiteraard geen sprake zijn van compensatie."

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

• Artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet (hierna: Grondwet);

• Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: B.W.).

Aangevochten beslissing:

De 1e kamer van het Hof van Beroep te Brussel verklaart het hoger beroep dat eiseres instelde tegen het door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 19 november 2010 gewezen vonnis, ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt eiseres in betaling aan verweerders van een rechtsplegingsvergoeding van 2.750 euro .

De appelrechters verwerpen eiseres' kritiek dat de studie uitgevoerd door beëdigd landmeter-expert Lode Verdoodt aantoont dat de waarde van verweerders' woning ingevolge de uitgevoerde verstevigingswerken is gestegen, op grond van de volgende motieven:

"[Eiseres] betwist wel dat de marktwaarde van de woning van [ver-weerders] een daling tot beloop van 30.000 euro, vergeleken met andere woningen in de streek heeft ondergaan.

De voorliggende foto's illustreren dat de woning van [verweerders] na uitvoering van de verstevigingswerken als het ware ingepakt staat in opvallende metalen U-profielen langs de zijgevels geplaatst.

[Verweerders] besluiten tot de bevestiging van het bestreden vonnis, ook in zover de eerste rechter hen een minderwaarde ten belope van 30.000 euro heeft toegekend.
De deskundige oordeelde : ‘De woning zal niet gemakkelijk ver-koopbaar zijn of enkel verkoopbaar zijn met een aanzienlijke min-derwaarde'.

De eerste rechter oordeelde terecht dat de verkoopwaarde van het goed van geïntimeerden kennelijk negatief wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de beschermende constructie die op de bescha-diging wijst. De passende compensatie werd oordeelkundig in bil-lijkheid begroot op 30.000 euro en het hof bevestigt het bestreden vonnis op dit punt".

(cf. p. 7 van het bestreden arrest)

Grief:

1. Overeenkomstig artikel 544 B.W. is de eigenaar van een onroerend goed die door een daad, een verzuim of een gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door een naburige eigenaar te belasten met een hinder die de gewone ongemakken van het nabuurschap te buiten gaat, aan deze buur een billijke en passende compensatie verschuldigd die het verbroken evenwicht herstelt.

Deze ‘passende compensatie' kan in natura dan wel bij equivalent worden uitgedrukt. Gebeurt de compensatie bij equivalent, dan vermag de feitenrechter de compensatie naar billijkheid te ramen op voorwaarde dat hij aangeeft waarom de door de eisende dan wel verwerende partij voorgestelde berekeningswijze niet kan worden aangenomen en op voorwaarde dat hij bovendien vaststelt dat hij in de onmogelijkheid verkeert om de schade op een andere wijze te ramen.

2. Te dezen voerde eiseres op pagina 18-20 van haar synthesebe-roepsconclusie m.b.t. de schadepost ‘daling van de marktwaarde' aan dat een begroting van de marktwaarde een schatting vereist "door een profes-sionele schatter van de gebouwwaarde, exclusief grond, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de verstevigingswerken aan het pand" (cf. p. 19, vierde alinea van eiseres' syntheseberoepsconclusie).

Dergelijke schatting, die in hoger beroep als stuk werd voorgelegd, werd op verzoek van eiseres door beëdigd landmeter-expert Lode Verdoodt uit-gevoerd en zou aantonen "dat de waarde van de woning ingevolge de verstevigingswerken, en tevens rekening houdend met de moeilijkere ver-koopbaarheid van de woning door de aanwezigheid van de spankabels, niet is gedaald, maar wel integendeel, is gestegen" (cf. p. 19, laatste alinea van de syntheseberoepsconclusie van eiseres).

3. Volgens de appelrechters ‘illustreren' de foto's dat de woning van verweerders na uitvoering van de verstevigingswerken ‘als het ware inge-pakt staat in opvallende metalen U profielen langs de zijgevels geplaatst'.

Omdat ook gerechtsdeskundige Rutten van oordeel was dat ‘de woning niet gemakkelijk verkoopbaar zal zijn of enkel verkoopbaar zal zijn met een minwaarde', oordelen de appelrechters dat de eerste rechter terecht oordeelde dat ‘de verkoopwaarde van het goed kennelijk negatief beïn-vloed wordt door de aanwezigheid van de beschermende constructie die op de beschadiging wijst'.

Zij besluiten dat de ‘passende compensatie' door de eerste rechter oor-deelkundig ‘in billijkheid' werd begroot op 30.000 euro .

4. Door aldus te oordelen dat de compensatie voor de schadepost ‘da-ling marktwaarde' oordeelkundig ‘in billijkheid' werd begroot op 30.000 euro op grond van de enkele overweging dat uit de foto's en uit het deskundigenverslag blijkt dat de verkoopwaarde van het goed van geïntimeerden kennelijk negatief wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de beschermende constructie, zonder bijkomend vast te stellen dat deze schade niet anders dan naar billijkheid kan worden begroot, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht en schenden zij artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek.

Met dit oordeel beletten de appelrechters Uw Hof bovendien zijn wettig-heidstoezicht uit te oefenen en is het bestreden arrest ook - hoe dan ook - om die reden niet naar recht verantwoord (schending van artikel 149 Grondwet).

Toelichting

Voor een toepassing in de rechtspraak van Uw Hof, zie o.m. Cass. 30 maart 1994, Arr.Cass. 1994, p. 340; Cass. 13 januari 1999, Arr.Cass. 1999, p. 40; Cass. 20 februari 2004, Pas. 2004, p. 297; Cass. 3 maart 2008, Pas. 2008, p. 597; Cass. 22 april 2009, Pas. 2009, p. 986; zie tevens J. RONSE, Schade en schadeloosstelling, APR, 1984, p. 255:

"In talrijke gevallen werd de aangevochten beslissing verbroken daar het niet volstond de schade of de schadeloosstelling ex aequo et bono te begroten, zonder aan te duiden waarom de precieze be-rekeningswijze of betwisting van het bedrag, door één van de partij-en aangevoerd, verworpen werd.

(...) De rechter zal in deze gevallen niettemin de schadeloosstelling ex aequo et bono mogen vaststellen, wanneer het onmogelijk is de schade op nauwkeurige wijze te begroten. Deze onmogelijkheid is daartoe dus een materieel vereiste. Ten aanzien

van de formele motiveringsplicht moet, nu er besluiten zijn, deze onmogelijkheid in het vonnis worden vastgesteld."

 

OM DEZE REDENEN

 

Besluit ondertekenende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U behage, hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en over de kosten uitspraak te doen als naar recht.

 

Brussel, 7 juli 2015

 

Voor eiseres,
haar raadsman

Origineel van de "profisco" verklaring van de waarde van de vordering voor het vaststellen van het bedrag van het rolrecht.

 

Verzoekschrift

 

Noot: 

Emilie De Naere, De toerekenbaarheid in de burenhinder verder verfijnd, RABG 2011/11, 745

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 31/10/2017 - 18:50
Laatst aangepast op: di, 31/10/2017 - 18:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.