-A +A

Burenhinder geen wettelijke subrogatie tegenover aanemer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 11/02/2015

Een opdrachtgever kan zijn aannemer niet aansprakelijk stellen op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, wanneer de schade die het voorwerp van de vordering tot schadevergoeding uitmaakt, uitsluitend voortvloeit uit de slechte uitvoering van de overeenkomst.

De opdrachtgever die veroordeeld is tot het betalen van schadevergoeding wegens de bovenmatige overlast die zijn buren lijden ten gevolge van een fout van zijn aannemer, kan niet de wettelijke subrogatie inroepen om zich tegen de aannemer te keren. Hij heeft geen schuld betaald waarvoor hij gehouden was met anderen of voor anderen, maar zijn eigen schuld.

 

Publicatie
tijdschrift: 
TBBH
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017-2
Pagina: 
226
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Antwerpen 11 februari 2015

Inzake van: P.B.NERHOEVEN NV

( ... )

Feiten

1. De betwisting tussen parti jen heeft betrekking op schade (zettingschade) beweerdelijk toegebracht begin 2007 aan de woning van W.V. en K.J. gelegen te( ... ), ingevolge de oprichting van een nieuwbouwwoning op het naastgelegen perceel ( ... ) in opdracht van P.B.

P.G. is m.b.t. deze werken opgetreden als architect, de nv V. was de aannemer van de bronbemaling en de bvba Grondwerken ]R, voerde de grondaanvullingen rond de woning aan en legde ook de bemaling een tijd stil.

De voorafgaande rechtspleging

2. Met de inleidende dagvaarding van 28 augustus 2008 voor de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen hebben W.V. en K.J., P.B. aangesproken in betaling van hun schade. Hun eis is gebaseerd op artikel 1382 B.W. en artikel 544 B.W.

3. P.B. heeft P.G., handelend onder de benaming( ... ), de nv V. en de bvba Grondwerken R. betrokken in deze procedure met een dagvaarding in tussenkomst van 14 september 2009.

4. De tussenvonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 1 december 2008 en 23 november 2009 stelden t.a.v. al deze partijen, gerechtsdeskundige R.D. aan.

5. Deskundige R.D. legde zijn verslag neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 29 december 2010.

Hij besloot tot een technische aansprakelijkheid van de nv V. en wees een te diepe zuiging/bemaling als hoofdoorzaak aan. Geen technische aansprakelijkheid werd geadviseerd t.a.v. de architect en de bouwheer, die, volgens de deskundige voldoende aandacht hadden besteed aan het geheel. De tijdelijke stillegging van de bemaling had volgens de deskundige niets te maken met de zettingen.

De deskundige adviseerde een schade aan de woning van V.-J. van € 3 822,49 excl. btw, een duurtijd van de herstellingswerken van 2 weken, een mindergenot van € 1 000 en geen minderwaarde.

6. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 25 juni 2012 oordeelde als volgt:

Met verwijzing naar het deskundigenverslag besloot de eerste rechter tot een uitsluitende aansprakelijkheid van de nv V. voor de opgetreden zettingen in de woning van oorspronkelijke eisers en aanvaardde geen fout in hoofde van P.B., P.G. en de bvba Grondwerken R. (artikel 1382 B.W.).

Wel werd de vordering t.a.v. P.B. toegekend op basis van artikel 544 B.W. om reden van het verstoren van het evenwicht tussen de aangrenzende eigendommen.

Verder werd geoordeeld dat op grond van een clausule op de voorzijde van de offerte tussen de nv V. en P.B., de nv V. zich had bevrijd van haar aansprakelijkheid ("Bij toewijzing der werken, onder welke dan vorm ook, zal de toewijzer zorg dragen dat onze vennootschap opgenomen wordt in de verzekeringspolis aangaande alle bouwrisico's voor de desbetreffende werken. De toewijzer ontslaat bijgevolg onze vennootschap van alle verantwoordelijkheid die uit de toegewezen werken zou kunnen voortvloeien"}, zodat de eerste rechter besloot "dat de nv V. zich rechtsgeldig heeft bevrijd van haar aansprakelijkheid, die derhalve ten laste van de heer B. blijft".

De schade werd toegekend als volgt:€ 3 822,49 herstellingskosten volgens facturen d.d. 29 februari 2008, btw 6 % en mindergenot € 1 000, hetzij een totaal bedrag van€ 5 051,84, meer de gerechtelijke interesten. De schade aan de klinkers rondom de woning van oorspronkelijke eisers werd niet in oorzakelijk verband gebracht met de bronbemaling en de eerste rechter wees het verzoek tot een bijkomend deskundigenonderzoek af.

Zodoende veroordeelde de eerste rechter P.B. tot betaling aan eisers V.-J. van€ 5 051,84, meer de gerechtelijke interesten. De vrijwaringsvorderingen van P.B. werden afgewezen als ongegrond. De vrijwaringsvordering van nv V. t.a.v. P.G. en grondwerken R. werd zonder voorwerp verklaard.

P.B. werd veroordeeld tot de kosten van eisers en van de door hem in vrijwaring geroepen partijen.

7. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 12 november 2012 heeft P.B. een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 25 juni 2012 en dit ten aanzien van de nv V.

De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 21 januari 2015.

Standpunten van partijen in hoger beroep

8. P.B., hierna kort B. genoemd, verzoekt bij hervorming van het bestreden vonnis, zijn vrijwaringsvordering t.a.v. de nv V. gegrond te verklaren en haar te veroordelen tot betaling van€ 5 051,84 in hoofdsom, meer interesten en kosten die hij verschuldigd was aan de overige partijen o.g.v. het bestreden vonnis.

Hij vraagt de veroordeling van de nv V. tot betaling van zijn proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

B. steunt zijn vrijwaringsvordering ten aanzien van de aannemer V. op artikel 1382 B.W., ondergeschikt baseert hij zich op de wettelijke subrogatie (artikel 1251, derde lid B.W.). Tevens verwijst hij naar de ongeldigheid van het exoneratiebeding, zoals dit is opgenomen in de prijsopgave van de nv V. d.d. 11 december 2006.

9. De nv V. besluit tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep van B.

Zij betwist dat B. zijn vrijwaringsvordering kan stellen op basis van artikel 1382 B.W. en artikel 1251, derde lid B.W. en stelt dat B. enkel t.a.v. haar een contractuele vordering heeft die ten deze niet kan gesteld worden gelet op het exoneratiebeding.

Zij stelt ook dat de werken aanvaard werden door B. gelet op de betaling van haar factuur.

In het motiverend gedeelte besluit zij tot de onontvankelijkheid van de vrijwaringseis en ondergeschikt stelt zij dat zij volgens de regels der kunst heeft gehandeld en dat niet zij, maar B. zelf, foutief zou hebben gehandeld.

Nog meer ondergeschikt betwist zij de omvang van de schade en stelt zij dat de vrijwaringsvordering hoogstens kan worden toegekend voor€ 2 550 excl. 6 % btw en€ 750 voor bijkomend mindergenot, meer de gerechtelijke interesten vanaf de datum van de dagvaarding in vrijwaring d.d. 14 September 2009.

Zij vraagt de veroordeling van B. tot betaling van haar proceskosten.

Beoordeling

Wat de ingeroepen onontvankelijkheid van het hoger beroep van B. betreft

10. Nv V. werpt de ontoelaatbaarheid van het hoger beroep op wegens strijdigheid met art. 1053 Ger.W.

Luidens deze bepaling dient, wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep te worden gericht tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van eiser in hoger beroep. Concreet verwijst Nv V. naar het feit dat B. de andere in eerste aanleg betrokken partijen niet heeft betrokken in haar hoger beroep.

Krachtens artikel 31 Ger. W. is een geschil enkel onsplitsbaar in de zin van art. 1053 Ger. W. wanneer de gezamenlijke uitvoering van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk is.

Het hof oordeelt dat dit in casu niet het geval is.

Vastgesteld wordt dat de eerste rechter de vordering van V.J. gegrond verklaarde t.a.v. B. en de vrijwaringsvorderingen t.a.v. P.G., nv V. en bvba Grondwerken R. van B. ongegrond/ zonder voorwerp verklaarde.

Thans verzoekt B., bij hervorming van het bestreden vonnis, haar vrijwaringsvordering t.a.v. nv V. gegrond te verklaren. Het hof oordeelt dat er geen sprake is van een materiële onmogelijkheid tot gezamenlijke uitvoering van de beslissing in eerste aanleg en de te vellen beslissing van dit hof, indien het hof zou besluiten tot de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vrijwaringsvordering van B. t.a.v. nv V. Deze beslissing kan ten uitvoer gelegd worden en het feit dat de vrijwaringsvordering van B. t.a.v. de architect en aannemer R. ongegrond werden verklaard in eerste aanleg, staat hieraan niet in de weg. Dit geldt ook voor de beslissingen over de gedingkosten.

Het hof verklaart het hoger beroep van B. ontvankelijk.

Wat de ingeroepen onontvankelijkheid van de vrijwaringsvordering van B. betreft

11. Nv V. werpt de laattijdigheid op van de dagvaarding in tussenkomst d.d. 4 september 2009. Zij blijkt daarbij aan te voeren dat de eis niet binnen een redelijke termijn werd gesteld, zodat de vrijwaringsvordering onontvankelijk dient te worden verklaard.

De korte termijn van artikel 1648 B.W. dient niet terzake, vermits partijen gebonden zijn door een aannemingsovereenkomst en niet door een koop-verkoopovereenkomst.

Het hof oordeelt dat het beweerdelijk stilzitten van B. niet kan worden uitgelegd als een aanvaarding van de gebreken. Het hof oordeelt bovendien dat, gelet op de feitelijke omstandigheden van de zaak, er nog tijdig werd gedagvaard door B.

Wat de vordering betreft van B. op basis van artikel 1382 BW.

12. B. steunt zijn vrijwaringsvordering op een foutieve handelwijze van de nv V. waarbij zij verwijst naar artikel 1382 B.W.

De nv V. werpt het verbod van samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid op.

Tussen B. en de nv V. bestaat een contractuele relatie, m.n. een overeenkomst van aanneming van werken. De contractant kan slechts quasi delictueel aansprakelijk worden gesteld indien de hem ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt, niet alleen aan de contractuele verbintenis, maar ook aan de algemene zorgvuldigheidsplicht. Wel moet de fout andere dan aan de slechte uitvoering van het contract te wijten schade hebben veroorzaakt.

Het hof oordeelt dat de schade, voorwerp van de vrijwaringsvordering en die het gevolg zou zijn van beweerde fouten van de nv V., uitsluitende contractuele schade is, te weten schade enkel en alleen voortkomend uit de beweerde gebrekkige nakoming van de contractuele verbintenis die de nv V. t.a.v. B. op zich nam.

De toepassingsvoorwaarden om te besluiten tot een samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid zijn zodoende ten deze niet aanwezig.

Het hof wijst de vordering van B. op grond van artikel 1382 B.W. af als ongegrond.

Wat de vordering betreft van B. op grond van artikel 1251, derde lid B.W.

13. De eerste rechter heeft B. als nabuur op grond van artikel 544 B.W. veroordeeld tot vergoeding van de schade van de naburen, V.-J., zijnde de compensatieplicht van de nabuur bij schade door bovenmatige burenhinder.

Anders dan B. aanvoert, heeft hij zodoende geen schuld betaald die hij met anderen of voor anderen gehouden zou zijn te betalen, maar een eigen schuld.

Het hof wijst ook deze vordering van B. af als ongegrond.

Wat de vordering betreft van B. op grond van de contractuele aansprakelijkheid van de nv V.

14. In het kader van de contractuele vordering, werpt de nv V. het exoneratiebeding tegen dat als volgt luidt:

"Bij toewijzing der werken, onder welke vorm dan ook, zal de toewijzer zorg dragen dat onze vennootschap opgenomen wordt in de verzekeringspolis aangaande alle bouwrisico's voor de desbetreffende werken. De toewijzer ontslaat bijgevolg onze vennootschap van alle verantwoordelijkheid die uit de toegewezen werken zou kunnen voortvloeien"

Dit beding is opgenomen onderaan het document "prijsopgaven" d.d. 11 december 2006 uitgaande van nv V. aan B. en dat betrekking heeft op de kwestieuze werken.

15. B. voert vooreerst aan dat hij dit beding nooit heeft aanvaard.

Er bestaat geen betwisting dat dit beding duidelijk is vermeld op de voorzijde van de prijsopgave d.d. 11 december 2006. B. had zodoende kennis, minstens moest kennis hebben, van deze voorwaarden.

B. stelt verder ten onrechte dat nv V. haar desbetreffend meer toelichting had moeten geven: het beding is immers duidelijk en vereiste geen verdere toelichting van de zijde van nv V.

De werken opgegeven in deze offerte werden uitgevoerd door de nv V. in opdracht van B. Bovendien blijkt B. uitvoering te hebben gegeven aan dit beding zelf, door een ABR-polis ten voordele van de nv V. te hebben afgesloten. Het hof oordeelt dat de aanvaarding van deze voorwaarden, zoals opgenomen op de onderzijde van het document "prijsopgaven" d.d. 11 november 2006 afdoende blijkt, m.n. door de afsluiting van de ABR-polis door B.

Het hof aanvaardt dat tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand kwam op basis van de prijsopgave d.d. 11 november 2006 en de hierin vermelde voorwaarden. Bijgevolg is B. gebonden door deze voorwaarden.

16. Dit beding behoeft ook geen interpretatie want het beding is duidelijk.

Onterecht verwijst B. naar een restrictieve interpretatie op basis van artikel 1162 B.W.

17. Het betreft een geldig exoneratiebeding.

Het beding is niet strijdig met bepalingen van dwingend recht of bepalingen die raken aan de openbare orde en de goede zeden.

Dit beding ontneemt niet iedere zin of betekenis aan de overeenkomst, door het voorwerp van de opgenomen hoofdverbintenis teniet te doen. Er is geen sprake van uitholling van de overeenkomst.

Aannemer V. blijft gehouden tot het uitvoeren van de bronbemaling. Het feit dat de bouwheer B. een verzekeringsdekking dient af te sluiten voor de uit deze werken voor de aannemer voortkomende bouwrisico's, holt dit contract geenszins uit. Het beding betreft geen bevrijding van aansprakelijkheid voor de aannemer, maar een regeling m.b.t. de vergoeding van schade ontstaan ingevolge de aansprakelijkheid van aannemer V.

Nu de bouwrisico's van de nv V. verzekerd zijn onder de ABR-polis, zal de bouwheer B. niet meer rechtstreeks de aannemer nv V. kunnen aanspreken, maar dient hij zich te richten tot de ABR-verzekeraar.

Terecht stelt B. dat een dekking van alle bouwrisico's door een verzekeringspolis niet tot gevolg heeft dat de bouwheer de aannemer niet zou kunnen aanspreken. Maar ten deze zijn partijen specifiek in hun contractuele relatie afgesproken dat dit wel het gevolg is.

Dit betreft een volledig geldige contractuele clausule.

18. Aangevoerd wordt door B. dat ten deze de ABR-verzekeraar Axa niet wenst tussen te komen voor het schadegeval. B. voert in conclusies aan dat "een ABR-verzekeraar niet zal tussenkomen voor elke verantwoordelijkheid die uit de bepaalde werken zou kunnen voortvloeien", waarbij hij specifiek verwijst naar het feit dat een ABR geen dekking zou geven voor zware fouten zoals in casu. Bovendien stelt hij dat de polis ten deze een vrijstelling zou voorzien van € 50 000. Het hof dient vast te stellen dat enkel de algemene voorwaarden van de polis worden voorgebracht door B. en niet de bijzondere voorwaarden. Evenmin wordt correspondentie met de verzekeraar voorgebracht.

19. Aangevoerd wordt dat de polis een franchise voorzag van€ 50 000, zodat om deze reden reeds; huidig schadegeval niet zou gedekt zijn onder de ABR-polis.

Het hof oordeelt in dit verband dat B., op wie de verplichting rustte krachtens de voorwaarden van het document "prijsopgaven" d.d. 11 december 2006 om de nv V. op te nemen in de verzekeringspolis aangaande bouwrisico's, deze verplichting onzorgvuldig heeft uitgevoerd door nv V. niet voorafgaandelijk in te lichten over deze vrijstelling en met haar te bedingen dat schadegevallen onder € 50 000 ten laste van nv V. bleven.

In deze omstandigheden kan B. de door hemzelf bedongen en aanvaarde contractuele franchise bezwaarlijk tegenwerpen t.a.v. nv V.

20. Dat een zware fout "zoals ten deze" onder een ABR-polis niet zou gedekt zijn, wordt van de zijde van B. geenszins bewezen.

Krachtens artikel 8 WLVO (thans artikel 62 wet betreffende de Verzekeringen d.d. 4 april 2014), dekt een verzekeraar ook schade door de schuld, zelfs de grove schuld van de verzekerde. Het is slechts wanneer de gevallen van grove schuld op uitdrukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst zijn bepaald, dat de verzekeraar zich van zijn verplichtingen kan bevrijden.

Het hof oordeelt dat alsdan het aan B. behoorde om bij het afsluiten van de aannemingsovereenkomst nv V. in te lichten over deze specifieke uitsluitingen van zware fout. Het is niet aangevoerd, laat staan bewezen, dat B. zijn aannemer V. voorafgaandelijk aan de werken, in kennis heeft gesteld van de algemene en de bijzondere voorwaarden van de polis en gebeurlijk van uitsluitingsgevallen van zware fout.

Het is zodoende niet aangetoond dat partijen zijn overgekomen, in afwijking van het beding dat een ABR-polis de aansprakelijkheid van nv V. zou dekken, dat de gevallen van zware fout niet zouden worden gedekt in deze ABR-polis en ten laste bleven van nv V.

Het hof oordeelt dat in deze omstandigheden B. bezwaarlijk dit verweer m.b.t. de zware fout kan voeren.

21. Het hof besluit tot de geldigheid van dit beding.

Op grond van dit beding oordeelt het hof dat de contractuele vordering van B. t.a.v. nv V. dient te worden afgewezen als ongegrond.

( ... )

Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak. ( ... )

Het hof verklaart het hoger beroep van P.B. ontvankelijk maar ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis met betrekking tot de vrijwaringsvordering ingesteld door P.B. t.a.v. de nv V.

( ... )

Noot: 

Jadoul , Troubles de voisinage : quand l’entrepreneur joue les trouble-fêtes, TBBR 2017-2, p. 99

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 17/06/2018 - 13:42
Laatst aangepast op: zo, 17/06/2018 - 13:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.