-A +A

Buitengewone termijn in strafzaken aangehouden in buitenland

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 14/04/2015
A.R.: 
P.14.0337.N

De invrijheidstelling in het buitenland van een veroordeelde is slechts een tijdelijke maatregel in afwachting van een beslissing over zijn overlevering; de buitengewone verzetstermijn na de betekening van een Europees aanhoudingsbevel begint pas te lopen vanaf de daadwerkelijke overlevering aan België of vanaf een invrijheidstelling ten gevolge van een definitieve overleveringsbeslissing.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
622
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.14.0337.N

V.K.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 januari 2014.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van art. 187, tweede lid Sv.: het arrest oordeelt dat het verzet van de eiser laattijdig is, aangezien hij kennis heeft gekregen van de betekening van de bij verstek gewezen beslissing door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel en hij niet binnen een termijn van vijftien dagen nadat hij in het buitenland onder voorwaarden in vrijheid werd gesteld, in verzet is gekomen; de invrijheidstelling van de eiser is slechts een tijdelijke maatregel in afwachting van een beslissing over zijn overlevering; de buitengewone verzetstermijn na de betekening van een Europees aanhoudingsbevel begint pas te lopen vanaf de daadwerkelijke overlevering aan België of vanaf een invrijheidstelling ten gevolge van een definitieve overleveringsbeslissing.

2. Art. 4bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: “Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel”) bepaalt:

“1. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:

...

“d) de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:

i) hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing;

en

ii) dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

...”.

3. Art. 187, tweede lid Sv. bepaalt: “Is de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde in persoon gedaan, dan kan deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld.

...”.

4. Uit de ontstaansgeschiedenis van de wet van 30 december 2009 waarbij art. 187, tweede lid Sv. werd gewijzigd in de hier toepasselijke versie, blijkt dat de wetgever de situatie voor ogen had van de bij art. 4bis, § 1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bedoelde weigeringsgrond en een antwoord wilde bieden aan de situatie waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit weigert het door de Belgische rechterlijke autoriteit uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te brengen omdat de buitengewone verzetstermijn reeds is verstreken op het ogenblik van de beslissing over de tenuitvoerlegging.

Indien de betrokkene kennis krijgt van de betekening van de veroordeling door de betekening van het Europees aanhoudingsbevel, de in art. 187, tweede lid Sv. bedoelde termijn een aanvang neemt bij een voorlopige invrijheidstelling en de uitvoerende rechterlijke autoriteit pas beslist over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel na het verstrijken van de buitengewone verzetstermijn, kan zijn recht persoonlijk aanwezig te zijn tijdens de procedure op verzet dat hij overeenkomstig art. 4bis, § 1, d) Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel kan uitoefenen, hem niet worden gewaarborgd.

5. Hieruit volgt dat de omstandigheid dat deze termijn volgens de tekst van het voornoemde wetsartikel een aanvang kan nemen wanneer de betrokkene in het buitenland opnieuw in vrijheid wordt gesteld, slechts betrekking kan hebben op de invrijheidstelling na de eindbeslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.

6. Het arrest dat oordeelt dat deze termijn begint te lopen bij een voorlopige invrijheidstelling van de betrokkene in afwachting van een beslissing over het al dan niet ten uitvoer leggen van het Europees aanhoudingsbevel, is niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Noot: 

• B. De Smet, Het verzet van de beklaagde die in het buitenland is aangehouden (noot onder voormelde publicatie van het aarest in het RW)

• A. Vandeplas, “Over verzet in strafzaken”, RW 1972-73, 1793-1812;

• B. De Smet, “Verstek en verzet in strafzaken” in J. Rozie, S. Rutten en A. Van Oevelen, Verstek en verzet in burgerlijke zaken en strafzaken, nationaal en Europees, Antwerpen, Intersentia, 2012, 53-92.


Hierna wordt het door het Hof van Cassatie (supra) vernietigde arrest van het Hof van Beroep weergegeven:

Hof van Beroep Gent, 28/01/2014, RW 2016-2017, 632 (verbroken!)

V.K.

...

1. Het ten aanzien van de eerste beklaagde V.K. bij verstek gewezen arrest van 5 april 2011 werd door gerechtsdeurwaarder Marino Matthys, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder Luc Santy te Gent, op 4 juli 2011 via aangetekende zending met ontvangstbewijs op zijn adres te Nederland, (...), op regelmatige wijze betekend door afgifte van een afschrift ervan aan de postdienst. De zending werd evenwel door V.K. niet afgehaald en terug overgezonden aan de gerechtsdeurwaarder.

De regelmatigheid van deze betrekking wordt door de raadsman van V.K. niet betwist.

Het wordt evenmin betwist dat V.K., tegen wie op 21 februari 2013 een Europees aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd op grond waarvan hij op 14 april 2013 in Middelburg (Nederland) werd gearresteerd en op 16 april 2013 door de officier van justitie te Amsterdam in detentie werd geplaatst in afwachting van de zitting waarop het Europees aanhoudingsbevel door de rechtbank zou worden behandeld op 25 juni 2013, door de betekening van het Europees aanhoudingsbevel kennis heeft gekregen van de niet aan zijn persoon gedane betekening van het verstekarrest.

Door (de Nederlandse raadsman van) V.K. werd een verzoekschrift tot schorsing van de hechtenis ingediend in afwachting van een beslissing van de Nederlandse rechtbank over de al dan niet uitvoering van de uitlevering.

Op 25 april 2013 werd dit schorsingsverzoek door de raadkamer van de Rechtbank te Amsterdam behandeld en werd het verzoek toegewezen, wat betekende dat de detentie van V.K. werd geschorst en hij in vrijheid werd gesteld in afwachting van de zitting van 25 juni 2013.

2. Art. 187, eerste en tweede lid Sv. bepaalt.

“Hij die bij verstek is veroordeeld, kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend.

“Is de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde in persoon gedaan, dan kan deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld. Indien het niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan de beklaagde in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis”.

Volgens de raadsman van V.K. is het verzet dat door V.K. op 19 juni 2013 werd aangetekend tegen het verstekarrest van 5 april 2011 ontvankelijk, omdat V.K. op de datum van zijn verzet nog niet was overgeleverd en nog niet in vrijheid was gesteld in de zin van art. 187, tweede lid Sv. Onder “in vrijheid gesteld” dient volgens de raadsman van V.K. te worden verstaan “veroordeelden die terug in vrijheid worden gesteld zonder uitgeleverd te worden in België”. Aangezien er over de uitlevering van V.K. nog dient geoordeeld te worden, kan V.K. niet worden beschouwd als opnieuw in vrijheid gesteld, aldus de raadsman van V.K.

Volgens het openbaar ministerie is het verzet van V.K. onontvankelijk, omdat het werd aangetekend buiten de buitengewone termijn van verzet. Aangezien V.K. op 25 april 2013 opnieuw in vrijheid werd gesteld, begon de dag nadien de termijn, bepaald in art. 187, tweede lid Sv., te lopen.

3. Het hof volgt de zienswijze van de (raadsman van) beklaagde V.K. niet.

Art. 187, tweede lid Sv. bepaalt in algemene bewoordingen dat de beklaagde, indien hij kennis heeft gekregen van de betekening van de bij verstek gewezen beslissing door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek, in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland opnieuw in vrijheid werd gesteld. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een definitieve invrijheidstelling of een voorwaardelijke invrijheidstelling, noch bepaalt de wet dat het om een invrijheidstelling moet gaan zonder uitgeleverd te worden aan België. Het is derhalve voldoende dat de bij verstek veroordeelde, die in het buitenland werd aangehouden (in detentie geplaatst), aldaar opnieuw in vrijheid wordt gesteld om de termijn waarbinnen hij in verzet kan komen, te doen lopen. De omstandigheid dat nog geoordeeld dient te worden over zijn uitlevering of dat aan zijn invrijheidstelling bepaalde voorwaarden werden gekoppeld, zoals het land niet verlaten, brengt niet mee dat de beklaagde in het buitenland niet opnieuw in vrijheid werd gesteld in de zin als bedoeld in art. 187, tweede lid Sv.

Dit sluit ook aan bij de ratio legis van de wet, namelijk het toekennen van meer uitgebreide rechten om verzet aan te tekenen aan de bij verstek veroordeelde die in het buitenland is aangehouden en zich door die situatie in een moeilijke positie bevindt om verzet aan te tekenen. Wanneer de veroordeelde in het buitenland opnieuw in vrijheid wordt gesteld, al is dit onder voorwaarden en al moet er nog geoordeeld worden over het verzoek tot overlevering, wordt een einde gemaakt aan deze moeilijke positie en beschikt de veroordeelde, die opnieuw over zijn vrijheid beschikt, wel over voldoende mogelijkheden om verzet aan te tekenen.

Het hof kan dan ook alleen maar vaststellen dat de termijn van vijftien dagen na de dag waarop de beklaagde werd overgeleverd of in het buitenland opnieuw in vrijheid werd gesteld en waarbinnen de beklaagde in verzet kon komen, zelfs met inachtneming van de verlenging overeenkomstig art. 55 Ger.W., reeds verstreken was toen de beklaagde op 19 juni 2013 verzet aantekende tegen het verstekarrest van 5 april 2011, nadat hij op 25 april 2013 in het buitenland opnieuw in vrijheid was gesteld.

Overmacht in de persoon van de beklaagde wordt niet aangetoond, zelfs niet enigszins aannemelijk gemaakt. De beklaagde die, nog steeds in Nederland verblijvende, als een opnieuw in vrijheid gestelde in afwachting van de zitting van 25 juni 2013 waarop het Europees aanhoudingsbevel door de rechtbank zou worden behandeld, nog vór deze zitting, namelijk op 19 juni 2013, verzet heeft aangetekend, laat geen redenen kennen waarom hij, op 25 april 2013 al opnieuw in vrijheid gesteld zijnde, pas op 19 juni 2013 verzet zou hebben kunnen aantekenen.

Het verzet van de beklaagde is derhalve laattijdig en dus onontvankelijk.

NOOT – Bovenstaand arrest werd vernietigd door Cass. 14 april 2015, hiervoren in dit nummer opgenomen

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 04/02/2017 - 13:35
Laatst aangepast op: za, 04/02/2017 - 14:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.