-A +A

Buitengewone termijn in strafzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 06/11/2014
A.R.: 
163/2014

Krachtens art. 187, eerste en derde lid Sv. hebben de veroordeelde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij vijftien dagen de tijd om verzet aan te tekenen tegen een bij verstek uitgesproken strafvonnis. Die termijn loopt vanaf de regelmatige betekening van de bij verstek gewezen beslissing. Het tweede lid van hetzelfde artikel voorziet echter in een bijkomende termijn, uitsluitend voor de veroordeelde beklaagde aan wie het vonnis niet in persoon werd betekend, terwijl de burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij enkel beschikken over de gewone termijn van verzet waarin het eerste lid voorziet.

Let wel het recht op verzet in strafzaken werd grondig beperkt door de Potpourri II wet, waardoor dit arrest relevantie en actualiteit mist. Voor depotpoutti II wet klik hier.

Opmerking: Er bestaat geen buitengewone termijn voor het aantekenen van hoger beroep in strafzaken (niet voor en niet na de Potpourrri II wetgeving).

Wanneer het vonnis niet aan de persoon werd betekend, kan de veroordeelde beklaagde verzet aantekenen, wat de veroordeling tot de straf betreft, binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis kreeg. Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan de beklaagde nog in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf zijn verstreken. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis.

De “buitengewone” termijn van verzet bedoeld in art. 187, tweede lid Sv. eindigt op het ogenblik waarop de straf is verjaard. Als de beklaagde kennis krijgt van de betekening nadat de straf is verjaard, kan hij de verstekbeslissing niet meer op strafgebied aanvechten (Cass. 22 februari 1994, Arr.Cass. 1994, nr. 88).

Volgens art. 185 Sv. moet de beklaagde persoonlijk verschijnen of in de persoon van een advocaat. Indien een beklaagde bij verstek wordt veroordeeld, beschikt hij over het recht op een nieuwe beoordeling in feite en in rechte, waarbij hij wordt gehoord, tenzij hij afstand heeft gedaan van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen of tenzij hij de bedoeling heeft zich aan de justitie te onttrekken.

Het recht om in verzet te komen tegen een verstekvonnis mag weliswaar worden omgeven met procedurele vereisten bij het aanwenden van rechtsmiddelen, maar die vereisten mogen het de beklaagde niet onmogelijk maken de beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden.

De rechter die over de ontvankelijkheid van het verzet moet uitspraak doen, oordeelt op onaantastbare wijze of en wanneer de betrokkene kennis kreeg van de betekening.

Bij betwisting is het niet de beklaagde die de afwezigheid van kennisname moet bewijzen. Het zijn integendeel het openbaar ministerie of de burgerlijke partij die het ogenblik van de kennisname van de betekening moeten aantonen wanneer zij zich op de laattijdigheid van het verzet willen beroepen.

Indien het verzet gedaan binnen de buitengewone termijn ontvankelijk is, gaat de bij verstek genomen beslissing teniet en herleeft de strafvordering. Naarmate er een groter tijdsverloop is tussen het verstekvonnis en de aanwending van het verzet zullen de nieuwe beoordeling van de zaak en de waarheidsvinding meer kunnen worden bemoeilijkt. Bovendien moet het recht van verdediging in een proces niet enkel vanuit het oogpunt van de beklaagde worden beoordeeld, maar ook vanuit het standpunt van de burgerlijke partij en het slachtoffer, wier situatie ten gevolge van het aanwenden van het verzet door de beklaagde eveneens kan worden beïnvloed.

Bovendien kan in geval van bewezen overmacht een buiten de termijn aangetekend verzet toch als ontvankelijk worden aangenomen . In dat geval kan het verstekvonnis niet meer als grondslag dienen voor wettelijke herhaling in geval van een nieuw misdrijf en zal het de gunst van de opschorting of de mogelijkheid van uitstel niet in de weg kunnen staan.

Overmacht die de ontvankelijkheid rechtvaardigt van het verzet dat na het verstrijken van de wettelijke termijn is ingesteld, kan “alleen voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de eiser om en die daardoor voorzien noch vermeden kon worden.

Klik hier voor update hoger beroep strafzaken Potpourri II

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
904
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 163/2014

Onderwerp van de prejudiciële vraag

Bij arrest van 5 november 2013 heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Schendt art. 187, tweede lid Sv. art. 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat een persoon die bij verstek is veroordeeld en geen kennis heeft gekregen van de betekening van het vonnis, slechts in verzet kan komen tegen dit vonnis totdat de termijn van verjaring van de straf is verstreken, terwijl zolang de verjaring van de straf niet is ingetreden, de persoon die kennis heeft gekregen van de betekening van het vonnis, in verzet kan komen binnen vijftien dagen na die kennisneming, en het vonnis bij verstek voor de beide categorieën van personen een strafrechtelijk voorgaande creëert dat aanleiding kan geven tot onder meer een vermelding in het strafregister, de mogelijkheid tot vaststelling van de herhaling met bijkomende strafverzwaring en de onmogelijkheid om nog een straf opgelegd te krijgen waarbij de gunst van de opschorting verleend wordt of de straf met uitstel opgelegd wordt?”.

...

In rechte

...

B.1.1. Art. 187 Sv. bepaalt:

“Hij die bij verstek is veroordeeld, kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend.

“Is de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde in persoon gedaan, dan kan deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld. Indien het niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan de beklaagde in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis.

“De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid.

“Het verzet wordt betekend aan het openbaar ministerie, aan de andere vervolgende partij of aan de andere partijen in de zaak.

“Indien het verzet niet is betekend binnen een termijn van vijftien dagen na de betekening van het vonnis, kunnen de veroordelingen ten uitvoer gelegd worden; ingeval hoger beroep is ingesteld door de vervolgende partijen of door een van hen, kan de behandeling in hoger beroep voortgang vinden.

“Ten gevolge van het verzet wordt de veroordeling voor niet bestaande gehouden; de door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van de betekening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is”.

B.1.2. Krachtens art. 187, eerste en derde lid Sv. hebben de veroordeelde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij vijftien dagen de tijd om verzet aan te tekenen tegen een bij verstek uitgesproken strafvonnis. Die termijn loopt vanaf de regelmatige betekening van de bij verstek gewezen beslissing. Het tweede lid van hetzelfde artikel voorziet echter in een bijkomende termijn, uitsluitend voor de veroordeelde beklaagde aan wie het vonnis niet in persoon werd betekend, terwijl de burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij enkel beschikken over de gewone termijn van verzet waarin het eerste lid voorziet.

Wanneer het vonnis niet aan de persoon werd betekend, kan de veroordeelde beklaagde verzet aantekenen, wat de veroordeling tot de straf betreft, binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis kreeg. Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan de beklaagde nog in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf zijn verstreken. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis.

De “buitengewone” termijn van verzet bedoeld in art. 187, tweede lid Sv. eindigt op het ogenblik waarop de straf is verjaard. Als de beklaagde kennis krijgt van de betekening nadat de straf is verjaard, kan hij de verstekbeslissing niet meer op strafgebied aanvechten (Cass. 22 februari 1994, Arr.Cass. 1994, nr. 88).

B.1.3. De termijnen van verjaring van de straf zijn neergelegd in art. 91 tot 93 Sw., die bepalen:

“Art. 91. Behoudens straffen met betrekking tot misdrijven, zoals bepaald in art. 136bis, 136ter en 136quater, verjaren criminele straffen door verloop van twintig jaren, te rekenen van de dagtekening van de arresten of vonnissen waarbij zij zijn uitgesproken.

“Art. 92. Correctionele straffen verjaren door verloop van vijf jaren, te rekenen van de dagtekening van het arrest of van het in laatste aanleg gewezen vonnis, of te rekenen van de dag waarop het in eerste aanleg gewezen vonnis niet meer kan worden bestreden bij wege van hoger beroep.

“Indien de uitgesproken straf drie jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn tien jaren.

“Art. 93. Politiestraffen verjaren door verloop van een jaar, te rekenen van de tijdstippen, in het vorige artikel vastgesteld”.

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of art. 187, tweede lid Sv. art. 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het bepaalt dat een persoon die bij verstek is veroordeeld en geen kennis heeft gekregen van de betekening van het vonnis, slechts in verzet kan komen tegen dat vonnis totdat de termijn van verjaring van de straf is verstreken, terwijl zolang de verjaring van de straf zich niet heeft voorgedaan, de persoon die kennis heeft gekregen van de betekening van het vonnis, in verzet kan komen binnen vijftien dagen na die kennisneming. Voor de beide categorieën van personen creëert het vonnis dat bij verstek is gewezen nochtans een strafrechtelijk precedent dat aanleiding kan geven tot onder meer een vermelding in het strafregister, de mogelijkheid tot vaststelling van de herhaling met bijkomende strafverzwaring en de onmogelijkheid om nog een straf opgelegd te krijgen waarbij de gunst van de opschorting verleend wordt of de straf met uitstel opgelegd wordt.

B.2.2. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof enkel wordt ondervraagd over art. 187, tweede lid Sv., in zoverre het de buitengewone termijn van verzet regelt op strafgebied en niet op burgerlijk gebied.

B.3. Met de invoering van de in het geding zijnde bepaling beoogde de wetgever een evenwicht te bereiken tussen het maatschappelijk belang dat de schuldige aan een misdrijf zo spoedig mogelijk wordt veroordeeld en het recht van de beklaagde om te worden gehoord (Parl.St. Kamer 1906-07, 15 februari 1907, nr. 73, p. 1 e.v.). De wetgever was zich ervan bewust dat de verjaring van de straf niet tot gevolg heeft dat de overige gevolgen van het verstekvonnis verdwijnen (ibid., p. 17).

B.4. Volgens art. 185 Sv. moet de beklaagde persoonlijk verschijnen of in de persoon van een advocaat. Indien een beklaagde bij verstek wordt veroordeeld, beschikt hij over het recht op een nieuwe beoordeling in feite en in rechte, waarbij hij wordt gehoord, tenzij hij afstand heeft gedaan van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen of tenzij hij de bedoeling heeft zich aan de justitie te onttrekken (EHRM 24 mei 2007, Da Luz Domingues Ferreira t/ België, § 54; EHRM 1 maart 2011, Faniel t/ België, § 26).

Het recht om in verzet te komen tegen een verstekvonnis mag weliswaar worden omgeven met procedurele vereisten bij het aanwenden van rechtsmiddelen, maar die vereisten mogen het de beklaagde niet onmogelijk maken de beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden (EHRM 28 oktober 1998, Pérez de Rada Cavanilles t/ Spanje, §§ 44-45; EHRM 24 mei 2007, Da Luz Domingues Ferreira t/ België, § 57; EHRM 1 maart 2011, Faniel t/ België, § 26). De regels met betrekking tot het naleven van termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden, beogen een behoorlijke rechtsbedeling en inzonderheid ook de rechtszekerheid te waarborgen (EHRM 28 oktober 1998, Pérez de Rada Cavanilles t/ Spanje, § 45).

Teneinde de mogelijkheid van verzet en het recht op toegang tot de rechter te waarborgen, is het niet alleen van belang dat de regels met betrekking tot de mogelijkheden inzake de rechtsmiddelen en de termijnen duidelijk worden gesteld, maar ook dat zij zo expliciet mogelijk aan de rechtzoekenden ter kennis worden gebracht, zodat dezen er gebruik van kunnen maken overeenkomstig de wet (EHRM 1 maart 2011, Faniel t/ België, § 30).

B.5.1. Art. 187, tweede lid Sv. waarborgt de beklaagde die bij verstek werd veroordeeld en aan wie het verstekvonnis niet in persoon kon worden betekend, een bijkomende termijn van verzet, die, zoals uiteengezet in overweging B.1.2, verschilt naargelang de betrokkene al dan niet kennis krijgt van de betekening van het verstekvonnis vóór de verjaring van de straf.

B.5.2. De rechter die over de ontvankelijkheid van het verzet moet uitspraak doen, oordeelt op onaantastbare wijze of en wanneer de betrokkene kennis kreeg van de betekening (Cass. 3 januari 1989, Arr.Cass. 1988-89, nr. 256).

Bij betwisting is het niet de beklaagde die de afwezigheid van kennisname moet bewijzen. Het zijn integendeel het openbaar ministerie of de burgerlijke partij die het ogenblik van de kennisname van de betekening moeten aantonen wanneer zij zich op de laattijdigheid van het verzet willen beroepen (Cass. 19 december 1972, Arr.Cass. 1973, 411). De bewijslast die op hen rust ten aanzien van een dergelijke feitenkwestie zal zwaarder wegen naargelang de tijd verstrijkt.

B.5.3. Indien het verzet gedaan binnen de buitengewone termijn ontvankelijk is, gaat de bij verstek genomen beslissing teniet en herleeft de strafvordering. Naarmate er een groter tijdsverloop is tussen het verstekvonnis en de aanwending van het verzet zullen de nieuwe beoordeling van de zaak en de waarheidsvinding meer kunnen worden bemoeilijkt. Bovendien moet het recht van verdediging in een proces niet enkel vanuit het oogpunt van de beklaagde worden beoordeeld, maar ook vanuit het standpunt van de burgerlijke partij en het slachtoffer, wier situatie ten gevolge van het aanwenden van het verzet door de beklaagde eveneens kan worden beïnvloed.

De wetgever hanteert een objectief en pertinent criterium van onderscheid door het verzet binnen de buitengewone termijn slechts toe te laten zolang de straf niet is verjaard en dus nog kan worden uitgevoerd. Doordat verschillende verjaringstermijnen gelden voor de verschillende soorten straffen, is de duur van de periode tijdens welke de buitengewone termijn van verzet geldt, wanneer de beklaagde veroordeelde geen kennis kreeg van de betekening van het verstekvonnis, aldus ook evenredig met de zwaarte van de straf.

B.5.4. Bovendien kan in geval van bewezen overmacht een buiten de termijn aangetekend verzet toch als ontvankelijk worden aangenomen (Cass. 3 maart 1981, Arr.Cass. 1981, nr. 388). In dat geval kan het verstekvonnis niet meer als grondslag dienen voor wettelijke herhaling in geval van een nieuw misdrijf en zal het de gunst van de opschorting of de mogelijkheid van uitstel niet in de weg kunnen staan. Overmacht die de ontvankelijkheid rechtvaardigt van het verzet dat na het verstrijken van de wettelijke termijn is ingesteld, kan “alleen voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de eiser om en die daardoor voorzien noch vermeden kon worden” (Cass. 8 november 2006, Arr.Cass. 2006, nr. 545).

B.6. Gelet op de voormelde door de wetgever nagestreefde doelstellingen en rekening houdend met het algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht kan worden gemilderd, beginsel waarvan de in het geding zijnde bepaling niet is afgeweken, is het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd niet onverenigbaar met art. 10 en 11 van de Grondwet.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Noot: 

• A. Vandeplas, “Over verzet in strafzaken”, RW 1972-73, 1793-1812;

• B. De Smet, “Verstek en verzet in strafzaken” in J. Rozie, S. Rutten en A. Van Oevelen, Verstek en verzet in burgerlijke zaken en strafzaken, nationaal en Europees, Antwerpen, Intersentia, 2012, 53-92.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 02/02/2015 - 16:09
Laatst aangepast op: zo, 25/02/2018 - 15:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.