-A +A

BTW vrijstelling voor onderwijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 24/03/2015

Op het verlenen van onderwijs, zelfs indien dit met winstoogmerk gebeurt mag geen BTW worden aangerekend.

De btw-richtlijn voorziet in een vrijstelling van beroepsopleidingen georganiseerd door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. 

Artikel 44, § 2, 4° van het (Belgische) Btw-Wetboek bevat de omzetting in het nationaal recht van artikel 13, A., 1., i) van de (oude) zesde richtlijn, dat bepaalt dat van de belastingen zijn vrijgesteld: “het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, en het verrichten van de nauw daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikte handboeken, door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; het geven door leerkrachten van lessen met betrekking tot school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing.”

Artikel 133 van de btw-richtlijn verleent de lidstaten een mogelijkheid om de vrijstelling van btw op beroepsopleidingen afhankelijk te maken van bijkomende voorwaarden:

“De lidstaten kunnen de verlening van (…) in artikel 132, lid 1, punten (…) i) (…) bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden:

a) de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht. (…).”

Het Hof van Cassatie stelde in zijn arrest van 14 januari 2010 vast dat uit de bewoordingen van artikel 44, § 2, 4° van het Btw-Wetboek, blijkt dat de wetgever noch impliciet, noch uitdrukkelijk, de vrijstelling van artikel 13, A., 1., i) van de zesde richtlijn, inzake andere dan publiekrechtelijke lichamen, heeft voorbehouden aan organisaties die niet systematisch het maken van winst beogen. De wetgever heeft aldus niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om de aanvullende voorwaarde op te leggen van artikel 13, A., 2., a), eerste streepje van de zesde richtlijn, dat de instellingen niet systematisch het maken van winst mogen beogen (Cass. 14 januari 2010, F.08.0010.N, vindplaats: jure.juridat.just.fgov.be). Dit arrest van het Hof van Cassatie verbrak het arrest van dit hof van beroep van Gent van 13 februari 2007, waarin dit hof destijds heeft aangenomen dat de vereiste van het ontbreken van het winstoogmerk impliciet kan blijken uit de bepaling nopens de vrijstelling zelf en moet worden aangenomen dat de vrijstelling moet geweigerd worden aan belastingplichtigen die een winstoogmerk hebben (Fiscoloog, 29 augustus 2007, afl. 1080, 12).

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/19
Pagina: 
1409

(Belgische Staat / O.A.C. NV, e.a. - Rolnr.: 2013/AR/2912)

(Advocaten: Mr. L. De Schepper en Mr. M. Zagheden loco Mr. M. Maus, Mr. N. Leys)

1. De procedure
(…)

2. De feitelijke gegevens
De 2de tot en met 29ste geïntimeerden hebben een opleiding tot lijnpiloot gevolgd bij de eerste geïntimeerde O.A.C. NV met het oog op de uitoefening van het beroep van lijnpiloot. Tussen deze partijen werd een opleidingsovereenkomst afgesloten en een prijs overeengekomen met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde (btw). De prijs voor de opleiding werd geregeld door middel van periodieke facturen waarbij telkens btw werd aangerekend. O.A.C. NV steunde de toepassing en aanrekening van de btw op een administratieve aanschrijving nr. 25 van 24 december 1993.

Bij arrest van 30 mei 2005 van de Raad van State werd de aanschrijving nr. 25 van 24 december 1993 met betrekking tot de vrijstelling bepaald in artikel 44, § 2 , 4° WBTW vernietigd.

Bij arrest van 14 januari 2010 oordeelde het Hof van Cassatie met betrekking tot een andere onderwijsinstelling dat pilootopleidingen in toepassing van artikel 44, § 2, 4° WBTW vrijgesteld zijn van btw.

Ingevolge deze arresten hebben de cursisten (2de tot 29ste geïntimeerde), die pilootopleiding bij de eerste geïntimeerde O.A.C. NV hebben gevolgd, deze onderneming aangeschreven teneinde de betaalde btw terug te vorderen.

O.A.C. NV licht toe dat op 29 november 2011 een bijeenkomst werd georganiseerd bij de fiscale administratie (de appellant) tussen de verschillende belanghebbende actoren. Volgens O.A.C. NV zou de appellant begin 2012 een standpunt innemen.

Bij brief van 8 november 2011 werd de O.A.C. NV door de cursisten in gebreke gesteld.

Bij dagvaarding betekend op 30 december 2011 werd O.A.C. NV gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarbij de 2de tot 29ste geïntimeerde de terugbetaling vorderen van de aangerekende btw.

Op 3 augustus 2012 heeft O.A.C. NV de appellant (de Belgische Staat) aangeschreven met het verzoek om vrijwillig tussen te komen in het geding. De Belgische Staat werd bij dagvaarding van 16 oktober 2012 gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring.

De 1ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge heeft in haar tussenvonnis van 26 september 2013, zoals hoger vermeld, de vordering van de 2de tot 29ste geïntimeerde in belangrijke mate gegrond verklaard. O.A.C. NV werd veroordeeld tot betaling aan de 2de tot 29ste geïntimeerde van een totaal bedrag van 340.000 EUR, meer de interesten. Het betreft een provisionele veroordeling waarbij de rechtbank oordeelde dat er geen duidelijke afrekening voorhanden was. In afwachting van een duidelijke afrekening werd de zaak wat betreft hetgeen meer gevorderd werd, naar de bijzondere rol verwezen. De beslissing omtrent de kosten werd aangehouden. De Belgische Staat werd als verweerster in tussenkomst en vrijwaring veroordeeld om O.A.C. NV te vrijwaren voor alle veroordelingen ten opzichte van de 2de tot 29ste geïntimeerde in hoofdsom, interesten en uiteindelijk ook in de kosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant (de Belgische Staat) hoger beroep heeft ingesteld.

Het blijkt niet dat dit vonnis is betekend of dat de appellant er in zou hebben berust. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

3. Met betrekking tot de verjaring
De vordering van de cursisten tot terugbetaling van de betaalde btw is volgens O.A.C. NV verjaard op grond van artikel 2262bis, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 2262bis, § 1 BW bepaalt dat alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 10 jaar.

De partijen zijn het eens over de toepassing van dit artikel, doch niet over het vertrekpunt van de verjaringstermijn van 10 jaar. Het vertrekpunt voor de tienjarige termijn voor persoonlijke rechtsvorderingen is niet expliciet in de wet bepaald. De tienjarige termijn vertrekt vanaf de dag waarop de persoonlijke rechtsvordering door de schuldeiser kan worden uitgeoefend. De 2de tot 29ste geïntimeerde (hierna aangeduid als “de cursisten”) steunen hun vordering tot terugbetaling van de btw op artikel 1376 BW, namelijk de figuur van de onverschuldigde betaling. Het onverschuldigde karakter is aangetoond zodra blijkt dat de betaling zonder oorzaak is. Volgens de cursisten staat het onverschuldigde karakter van de betaling van de btw pas vast op het moment dat het Hof van Cassatie oordeelde dat de pilotenopleiding vrijgesteld is van btw, namelijk bij arrest van 14 januari 2010 (Cass. 14 januari 2010, F.08.0010.N, vindplaats: jure.juridat.just.fgov.be).

Deze redenering kan niet worden gevolgd. Het hof stelt verder in dit arrest vast dat op grond van de tekst van artikel 44, § 2, 4° WBTW de pilotenopleiding van de btw is vrijgesteld (minstens tot 31 december 2013, zie verder). Het onverschuldigde karakter van de betaling van de btw staat vast op het moment van de betaling van de btw. Vanaf dat moment beschikten de cursisten over een termijn van 10 jaar om hun vordering tot terugbetaling van de btw tegen O.A.C. NV uit te oefenen. De cursisten hebben hun recht tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde btw uitgeoefend door de dagvaarding van O.A.C. NV voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 30 december 2011. De betalingen van btw na 30 december 2001 komen in aanmerking voor terugbetaling op grond van artikel 2262bis, § 1, eerste lid BW. De cursisten leggen alle met btw aangerekende facturen voor, doch niet de betalingsbewijzen ervan. De eerste geïntimeerde O.A.C. NV (hierna O.A.C.) betwist niet dat alle facturen betaald zijn, waardoor kan worden aangenomen dat alle facturen die dateren na 30 december 2001 daadwerkelijk na die datum zijn betaald.

Uit het nazicht van de facturen blijkt dat de volgende facturen dateren van vóór 30 december 2001:

(…)

De vordering van geïntimeerden tot terugbetaling van deze bedragen is verjaard.

4. De btw-regeling voor onderwijs
4.1. De btw-regeling voor diensten van onderwijs en opleiding wordt geregeld door de (zesde) Europese richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977, nadien ongewijzigd vervangen door de richtlijn nr. 2006/112/EG van 28 november 2006 (de tekst van art. 13, A., 1., i) van de oude zesde Richtlijn is identiek aan art. 132, 1., i) van de nieuwe btw-richtlijn).

De btw-richtlijn voorziet in een vrijstelling van beroepsopleidingen georganiseerd door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. De vrijstelling is in artikel 132, 1., i) van de (nieuwe) richtlijn als volgt geformuleerd:

“1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

(…), beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend.”

De partijen zijn het erover eens dat de door O.A.C. aangeboden pilotenopleiding een door de richtlijn bedoelde beroepsopleiding is, verstrekt door een daartoe door België erkende organisatie.

Artikel 44, § 2, 4° van het (Belgische) Btw-Wetboek bevat de omzetting in het nationaal recht van artikel 13, A., 1., i) van de (oude) zesde richtlijn, dat bepaalt dat van de belastingen zijn vrijgesteld: “het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, en het verrichten van de nauw daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikte handboeken, door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; het geven door leerkrachten van lessen met betrekking tot school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing.”

Artikel 133 van de btw-richtlijn verleent de lidstaten een mogelijkheid om de vrijstelling van btw op beroepsopleidingen afhankelijk te maken van bijkomende voorwaarden:

“De lidstaten kunnen de verlening van (…) in artikel 132, lid 1, punten (…) i) (…) bedoelde vrijstellingen aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden:

a) de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht. (…).”

Het Hof van Cassatie stelde in zijn arrest van 14 januari 2010 vast dat uit de bewoordingen van artikel 44, § 2, 4° van het Btw-Wetboek, blijkt dat de wetgever noch impliciet, noch uitdrukkelijk, de vrijstelling van artikel 13, A., 1., i) van de zesde richtlijn, inzake andere dan publiekrechtelijke lichamen, heeft voorbehouden aan organisaties die niet systematisch het maken van winst beogen. De wetgever heeft aldus niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om de aanvullende voorwaarde op te leggen van artikel 13, A., 2., a), eerste streepje van de zesde richtlijn, dat de instellingen niet systematisch het maken van winst mogen beogen (Cass. 14 januari 2010, F.08.0010.N, vindplaats: jure.juridat.just.fgov.be). Dit arrest van het Hof van Cassatie verbrak het arrest van dit hof van beroep van Gent van 13 februari 2007, waarin dit hof destijds heeft aangenomen dat de vereiste van het ontbreken van het winstoogmerk impliciet kan blijken uit de bepaling nopens de vrijstelling zelf en moet worden aangenomen dat de vrijstelling moet geweigerd worden aan belastingplichtigen die een winstoogmerk hebben (Fiscoloog, 29 augustus 2007, afl. 1080, 12).

Artikel 46 van de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling heeft artikel 44, § 2, 4° van het Btw-Wetboek gewijzigd (BS 28 juni 2013). Met ingang van 1 januari 2014 zijn beroepsopleidingen verstrekt door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend, vrijgesteld van btw voor zover zij “niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten”. De Belgische Staat heeft sinds 1 januari 2014 gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de vrijstelling op beroepsopleidingen afhankelijk te maken van bijkomende voorwaarden. Het geding heeft betrekking op btw aangerekend vóór 31 december 2013.

4.2. De Belgische Staat (appellant) wijst erop dat de Europese Commissie bij brief van 17 februari 1993 kritiek uitte op de toepassing van de vrijstelling omdat de erkenning te ruim zou zijn (ook opleidingen binnen een bedrijf “intra-entreprises” zouden vrijgesteld zijn) (stuk 2 appellant). De appellant laat verstaan dat deze brief van de Europese Commissie aanleiding gaf tot het uitvaardigen van de aanschrijving nr. 25 van 24 december 1993. In deze aanschrijving heeft de administratie de vrijstelling voor onderwijs beperkt tot instellingen zonder winstoogmerk en uitgesloten voor de handelsondernemingen. De aanschrijving is van toepassing vanaf 1 januari 1994. De voordien geldende aanschrijving nr. 19 van 15 juni 1978 werd ingetrokken.

De eerste geïntimeerde O.A.C. verklaart dat zij op basis van de aanschrijving nr. 25 voor haar beroepsopleidingen als lijnpiloot btw heeft aangerekend.

De Europese Commissie verzet zich in de brief van 17 februari 1993 evenwel niet tegen het gegeven dat op basis van artikel 44, § 2, 4° Btw-Wetboek private ondernemingen met winstoogmerk ook recht hebben op de vrijstelling.

De Raad van State oordeelde bij arrest van 30 mei 2005 dat de in de aanschrijving nr. 25 van 24 december 1993 vermelde beperking van de vrijstellingsgrond, meer bepaald de uitsluiting van de handelsondernemingen, niet in de tekst van de wet is opgenomen. De aanschrijving nr. 25 werd vernietigd door de Raad van State omdat ze een voorwaarde aan de wet toevoegt die geen verduidelijking uitmaakt maar artikel 44, § 2, 4° Btw-Wetboek aanvult.

4.3. Als gevolg van de vernietiging van de aanschrijving nr. 25 argumenteert de Belgische Staat dat de aanschrijving nr. 19 van 15 juni 1978 herleeft. Volgens de Belgische Staat volgt echter uit de voormelde brief van de Europese Commissie dat ook deze aanschrijving nr. 19 van 15 juni 1978 strijdig is met de richtlijn. Door het buiten toepassing laten van ook deze aanschrijving is er volgens de Belgische Staat geen bepaling in het nationaal recht die de erkenning van privaatrechtelijke onderwijsinstellingen regelt waardoor de belastingplichtige, die zich op de rechtstreekse werking van de btw-richtlijn beroept, terugvalt op de algemene regel dat enkel handelingen door publiekrechtelijke onderwijsinstellingen zijn vrijgesteld. Dit leidt volgens de Belgische Staat tot de conclusie dat O.A.C. haar handelingen rechtsgeldig heeft kunnen onderwerpen aan de belasting.

4.4. Het standpunt van de Belgische Staat is in strijd met de btw-richtlijn en met de omzetting ervan in artikel 44, § 2, 4° Btw-Wetboek. Noch uit de btw-richtlijn, noch uit artikel 44, § 2, 4° Btw-Wetboek volgt een algemene regel op grond waarvan enkel publiekrechtelijke onderwijsinstellingen van btw zijn vrijgesteld. Deze bepalingen wijzen daarentegen uit dat nooit btw had mogen worden aangerekend. Ook na de vernietiging van de aanschrijving nr. 25 van 24 december 1993, namelijk bij het voormeld arrest van de Raad van State van 30 mei 2005, kon geen steun gevonden worden in de wet om enige keuzemogelijkheid te verlenen aan de onderwijsinstellingen om al dan niet btw aan te rekenen. De argumenten dienaangaande van de eerste geïntimeerde O.A.C. die zouden moeten verantwoorden waarom ook na de vernietiging van de aanschrijving nr. 25, btw werd aangerekend, vinden geen steun in de richtlijn of wet en kunnen niet worden gevolgd.

4.5. Aangezien artikel 44, § 2, 4° Btw-Wetboek bepaalt dat beroepsopleidingen vrijgesteld zijn van btw, zijn de overeenkomsten dienaangaande die bepalen dat btw wordt aangerekend op de prijs, strijdig met de openbare orde en derhalve nietig. De betaling van de btw door de cursisten is verricht zonder oorzaak. De btw is onverschuldigd betaald. De vordering van de cursisten (2de tot 29ste geïntimeerden) ten aanzien van de eerste geïntimeerde O.A.C. is gegrond in de mate dat die, zoals hoger bepaald, niet verjaard is.

De vordering tot terugbetaling is als volgt gegrond:

(…)

5. De vordering tot vrijwaring
O.A.C. NV herneemt haar vordering tot vrijwaring door de Belgische Staat indien ze tot de terugbetaling van de btw wordt veroordeeld. Hoewel O.A.C. zelf op grond van artikel 44, § 2, 4° Btw-Wetboek diende vast te stellen dat ze van de btw was vrijgesteld, werd ze door de Belgische Staat misleid, enerzijds door de aanschrijving nr. 25, anderzijds, na de vernietiging van deze aanschrijving, door het aannemen van het standpunt dat O.A.C. over een keuzemogelijkheid beschikt om btw aan te rekenen in afwachting van een wijziging van de wet (stuk 8 van O.A.C.). Door deze houding aan te nemen heeft de Belgische Staat gehandeld in strijd met de wet. In deze omstandigheden is de vordering van O.A.C. tot vrijwaring door de Belgische Staat gegrond, namelijk in de mate dat O.A.C. gehouden is tot terugbetaling van de btw aan de cursisten.

6. De vordering tot herziening van het recht op aftrek
6.1. Indien de vordering tot terugbetaling van de btw door O.A.C. aan de cursisten gegrond verklaard wordt en de Belgische Staat daarbij O.A.C. moet vrijwaren, vordert de Belgische Staat de herziening van het recht op aftrek. De vaststelling van (het recht op) de vrijstelling van btw voor het verstrekken van beroepsopleidingen geeft volgens de Belgische Staat aanleiding tot een herziening van het recht op aftrek die door O.A.C. is uitgeoefend.

De Belgische Staat betoogt dat door de vrijstelling O.A.C. niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 45, § 1, 1° Btw-Wetboek, namelijk dat zij de aan haar geleverde goederen en verleende diensten, de door haar ingevoerde goederen en de door haar verrichte intracommunautaire verwervingen moet gebruiken voor het verrichten van belaste handelingen. Anders oordelen zou volgens de Belgische Staat een ernstige verstoring van de concurrentie en aldus een schending van het beginsel van fiscale neutraliteit inhouden. Publiekrechtelijke onderwijsinstellingen hebben immers volgens de Belgische Staat nooit kunnen genieten van het recht op aftrek. Het niet herzien van het recht op aftrek zou volgens de Belgische Staat voor O.A.C. een onrechtmatig voordeel opleveren ten opzichte van de publiekrechtelijke onderwijsinstellingen.

6.2. De eerste geïntimeerde verzet zich tegen de herziening van het recht op aftrek en argumenteert dat ze te goeder trouw handelde in overeenstemming met de geldende Belgische wetgeving en richtlijnen. Volgens de eerste geïntimeerde kan haar geen intentionele fout worden verweten.

Voor zover het hof zou oordelen dat de eerste geïntimeerde gehouden is tot een herziening van haar recht op aftrek, vraagt de geïntimeerde de herziening van de oorspronkelijk verrichte aftrek te beperken tot de nog niet vervreemde lichamelijke roerende goederen en de nog niet gebruikte diensten. Volgens de eerste geïntimeerde kan de herziening geen betrekking hebben op reeds vervreemde lichamelijke roerende goederen of gebruikte goederen.

6.3. Het gegeven dat aan de eerste geïntimeerde voor haar activiteiten van het verstrekken van onderwijsactiviteiten (tot 31 december 2013) de vrijstelling toekomt van de btw op grond van artikel 44, § 2, 4° van het Btw-Wetboek, brengt met zich dat voor de aan haar geleverde goederen en verleende diensten met betrekking tot deze niet belaste handelingen geen recht op aftrek van de btw geldt. De partijen hebben omtrent dit punt slechts een principieel standpunt ingenomen, zonder een concrete invulling te verstrekken omtrent de gevolgen van het recht op herziening. Zo is niet duidelijk welke de omvang is van de herziening, op welke periode deze betrekking heeft en of deze geheel dan wel gedeeltelijk is omdat de eerste geïntimeerde mogelijks andere wel belaste handelingen heeft gesteld.

Hoewel ingevolge de vrijstelling voor de onderwijsactiviteiten, de vordering tot herziening van het recht op aftrek principieel gegrond is, behoedt het hof zich voor het uitspreken bij wege van algemene en als regel geldende beschikking (art. 6 Ger.W.). Bij gebrek aan nadere concrete draagwijdte van de gevorderde herziening en gelet op de formulering van de vordering en het verweer, kan deze vordering gegrond worden verklaard zonder dat het de eerste geïntimeerde in algemene bewoordingen tot “herziening van haar recht op aftrek” veroordeelt. Wat betreft de concrete invulling, draagwijdte en gevolgen van de herziening dient het debat te worden heropend teneinde partijen daarover standpunt in te laten nemen.

(…)

OP DIE GRONDEN

Het hof,

rechtdoende op tegenspraak;

(…)

Noot: 

Van Dorsselaer, L., « De btw-vrijstelling op onderwijsactiviteiten verstrekt door een commerciële organisatie », R.A.B.G., 2015/19, p. 1409-1416

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 21:51
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 21:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.