-A +A

BTW vrijstelling van de intracommunautaire levering - De macht om als eigenaar over een goed te beschikken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 07/02/2017

Artikel 39bis, eerste lid, 1° WBTW bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België, maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belastingen te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4.

Artikel 39bis WBTW onderwerpt het voordeel van de vrijstelling van de belasting dus aan volgende voorwaarden:

de goederen moeten verzonden worden buiten de lidstaat van vertrek en bestemd zijn voor een andere lidstaat;
de levering moet worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreedt in een andere lidstaat dan de lidstaat van waaruit de goederen worden verzonden of vervoerd.
Gelet op de term “verzonden” dient gesteld te worden dat de intracommunautaire verwerving van een goed pas plaatsvindt en de intracommunautaire levering eerst wordt vrijgesteld, wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over het goed op de afnemer is overgegaan en de leverancier aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en het grondgebied van de lidstaat ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten (vgl. HvJ 27 september 2007, C-409/04, Teleos e.a.).

Wat de eerste voorwaarde betreft, namelijk de verzending of het vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap, moet het bewijs van de echtheid van de verzending of van het vervoer buiten België geleverd worden door de leverancier van de goederen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende handelspapieren, zoals bestelbons, facturen van de vervoerder, vervoerdocumenten, betalingsstukken, contracten, ontvangsten van betaling, enz.

Geen enkel stuk, apart beschouwd, is onontbeerlijk of voldoende (perscommuniqué van de minister van Financiën, BS, 20 februari 1993, p. 3.952). Dat er voor het bewijs van het vervoer of de verzending naar een andere lidstaat een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken nodig is, volgt uit de artikelen 1 en 3 van het KB nr. 52 van 29 december 1992.

Het vervoer of de verzending moet gebeuren door de verkoper (in casu NV N. / NV B.C.T.), de koper (in casu de Spaanse klanten) of voor hun rekening. Een vervoer dat geschiedt door of voor rekening van een daaropvolgende klant (in casu Franse klanten) van de koper (in deze de Spaanse klanten van NV N. / NV B.C.T.) laat niet toe de vorige leveringen vrij te stellen. In het geval waar uit de contracten en de handelsstukken in het bezit van de leverancier zou blijken dat een volgende klant het vervoer verricht heeft voor rekening van de eerste koper, kan de Belgische leverancier zijn (eerste) levering vrijstellen; de daaropvolgende leveringen worden dan geacht plaats te vinden in de lidstaat van aankomst van de goederen.

Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling voor intracommunautaire levering beoordeeld worden met inachtneming van de objectiviteitstoets. Ook al mag de bewijslast door de nationale overheden verder ingevuld worden, houdt dit, volgens het Hof, niet in dat zij de vrijstelling mogen weigeren op louter formele gronden als op grond van objectieve elementen vaststaat dat aan de materiële vereisten van de vrijstelling werd voldaan. Men kan dan op basis van vermoedens rond intentie of oogmerk van de handeling mede gebaseerd op bepaalde feitelijke elementen de vrijstelling niet weigeren.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/9
Pagina: 
746
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(N. NV / De Belgische Staat, W.F., M. BVBA - Rolnr.: 2015/AR/612)

1. De feiten
(…)

2. De voorafgaande procedure
(…)

3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep
(…)

4. Beoordeling
4.1. De verjaring
4.1.1. Eiseres in hoger beroep houdt voor dat de btw-navordering met betrekking tot de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2006 verjaard is, tenzij verweerder in hoger beroep zich zou kunnen beroepen op de zevenjarige verjaringstermijn, wat niet het geval is.

Volgens eiseres in hoger beroep kon de uitbreiding van de verjaringstermijn niet rechtsgeldig gebeuren, omdat anders dan wat de administratie in het schrijven van 17 december 2009 liet uitschijnen, op geen enkele wijze werd aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres in hoger beroep zichzelf een voordeel zou hebben toegekend middels verkoop onder vrijstelling van btw aan belastingplichtige Spaanse afnemers. Evenmin werd aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de Belgische schatkist benadeeld werd.

Volgens de Belgische Staat houdt de verplichting om op voorafgaande en nauwkeurige wijze kennis te geven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking niet in dat de fiscus over bekende feiten of vaststellingen zou moeten beschikken die tot het bewijs van fraude aanleiding zouden kunnen geven en dat hij die indicaties aan de belastingplichtige zou moeten meedelen in de voorafgaande kennisgeving. De administratie dient enkel opgave te doen van de “aanwijzingen” inzake belastingontduiking die ten aanzien van de belastingplichtige bestaan.

In het schrijven van 17 december 2009 werd op omstandige wijze omschreven welke tekenen van fiscale fraude bedoeld worden. De administratie heeft dan ook op een correcte manier toepassing gemaakt van artikel 81bis, § 1, tweede lid WBTW.

4.1.2. In principe verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, interesten en administratieve geldboeten na het verstrijken van het 3de kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan (art. 81bis, § 1, eerste lid WBTW).

Overeenkomstig artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° WBTW wordt de verjaring verlengd tot na het verstrijken van het 7de kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Artikel 84ter WBTW bepaalt dat de administratie, indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° WBTW toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis moet geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

In deze werd de in artikel 84ter WBTW bedoelde voorafgaande kennisgeving aan eiseres in hoger beroep verzonden op 17 december 20069, hetzij duidelijk voorafgaand aan de rechtzetting, zodat deze kennisgeving tijdig is gebeurd.

4.1.3. Krachtens artikel 84ter WBTW moet de administratie dus, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de belastingplichtige schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Er wordt aangenomen dat er “bedrieglijk opzet” bestaat wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. Er is sprake van “oogmerk om te schaden” wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt.

De administratie moet niet voorafgaand het bewijs leveren van het bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden.

Het is niet vereist dat de administratie het absoluut bewijs levert van het bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden; het volstaat dat zij beschikt over ernstige vermoedens die toelaten te veronderstellen dat er sprake is van bedrieglijk opzet of van oogmerk om te schaden.

In deze heeft de administratie in de kennisgeving van 17 december 2009 duidelijk vermeld over welke gegevens zij op dat ogenblik beschikte om belastingontduiking in hoofde van eiseres in hoger beroep te vermoeden.

De administratie verwijst naar verklaringen van verantwoordelijken van eiseres in hoger beroep en naar een aantal processen-verbaal, alsook naar vaststellingen die gedaan werden bij het nazicht van de uitgaande facturen naar Spanje van de NV N. en de daarbij horende stukken.

De administratie stelt dat op basis van de gegevens ter haar beschikking duidelijk blijkt dat de NV N. op de hoogte was van het feit dat een groot aantal van de wagens die zij gefactureerd heeft naar Spanje in werkelijkheid niet naar Spanje gingen maar wel rechtstreeks naar Frankrijk. NV N. kon hiervan ook niet onwetend zijn gelet op de vermeldingen in vak 4 van de CMR waarin de bestemmeling moet worden aangeduid. NV N. was op de hoogte (of had ten minste op de hoogte moeten zijn) dat de regeling van het driehoeksverkeer van toepassing was, en dat zij dus geen vrijgestelde leveringen verrichtte op basis van artikel 39bis WBTW, maar daarentegen nationale verkopen in België waarover de btw opeisbaar is.

De administratie stelt dat zij gelet op het vermelde redelijkerwijze mag vermoeden dat de vermelde inbreuken en overtredingen door NV N. begaan werden met het oogmerk zichzelf een voordeel toe te kennen en de belangen van de schatkist te benadelen en dat dus de verjaringstermijn van artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° WBTW zal toegepast worden.

Deze brief bracht eiseres in hoger beroep duidelijk op de hoogte van de vermoedens van belastingontduiking die tegen haar bestaan voor de jaren 2006-2008, namelijk ten onrechte toepassing van artikel 39bis WBTW.

Zoals de eerste rechter terecht geoordeeld heeft is het loutere feit dat eiseres in hoger beroep zichzelf geen voordeel zou hebben toegekend, dat zij niet zou betrokken zijn in enig strafdossier, dat haar documenten ter beweerde staving van de ingeroepen vrijstelling niet van valsheid zouden beticht worden en dat de administratie inconsequent zou geweest zijn door de verjaring te stuiten, niet relevant voor de uitbreiding van de verjaringstermijn vermits het volstaat dat de aanwijzingen inzake belastingontduiking worden vermeld.

Het hof oordeelt dat de brief van 17 december 2009 wel degelijk voldoet aan de vereisten van artikel 84ter WBTW.

De voorwaarden voor de uitbreiding van de verjaringstermijn waren vervuld en er is dus geen sprake van verjaring van de vordering met betrekking tot het jaar 2006.

4.2. Artikel 39bis WBTW
4.2.1. Artikel 39bis, eerste lid, 1° WBTW bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België, maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belastingen te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4.

Artikel 39bis, tweede lid WBTW bepaalt dat de Koning de beperkingen en voorwaarden vaststelt voor de toepassing van deze vrijstelling.

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 (met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde) bepaalt dat de in artikel 39bis van het wetboek bedoelde vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Artikel 2 van dit besluit bepaalt dat de in artikel 39bis, eerste lid, 1° van het wetboek bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk is van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Krachtens artikel 3 van dit besluit moet de verkoper te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt en moet hij ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

Laatstgenoemde bepaling geeft geen limitatieve opsomming van de noodzakelijke bewijsstukken en sluit niet uit dat de verkoper de echtheid van de verzending en het vervoer bewijst aan de hand van andere dan de erin vermelde stukken (Cass. (1ste k.), AR F.08.0088.F, 4 juni 2009, Arr.Cass. 2009, afl. 6-7-8, JLMB 2010, afl. 4, 158).

Artikel 39bis WBTW onderwerpt het voordeel van de vrijstelling van de belasting dus aan volgende voorwaarden:

de goederen moeten verzonden worden buiten de lidstaat van vertrek en bestemd zijn voor een andere lidstaat;
de levering moet worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig optreedt in een andere lidstaat dan de lidstaat van waaruit de goederen worden verzonden of vervoerd.
Gelet op de term “verzonden” dient gesteld te worden dat de intracommunautaire verwerving van een goed pas plaatsvindt en de intracommunautaire levering eerst wordt vrijgesteld, wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over het goed op de afnemer is overgegaan en de leverancier aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en het grondgebied van de lidstaat ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten (vgl. HvJ 27 september 2007, C-409/04, Teleos e.a.).

Wat de eerste voorwaarde betreft, namelijk de verzending of het vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap, moet het bewijs van de echtheid van de verzending of van het vervoer buiten België geleverd worden door de leverancier van de goederen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende handelspapieren, zoals bestelbons, facturen van de vervoerder, vervoerdocumenten, betalingsstukken, contracten, ontvangsten van betaling, enz.

Geen enkel stuk, apart beschouwd, is onontbeerlijk of voldoende (perscommuniqué van de minister van Financiën, BS, 20 februari 1993, p. 3.952). Dat er voor het bewijs van het vervoer of de verzending naar een andere lidstaat een geheel van met elkaar overeenstemmende stukken nodig is, volgt uit de artikelen 1 en 3 van het KB nr. 52 van 29 december 1992.

Het vervoer of de verzending moet gebeuren door de verkoper (in casu NV N. / NV B.C.T.), de koper (in casu de Spaanse klanten) of voor hun rekening. Een vervoer dat geschiedt door of voor rekening van een daaropvolgende klant (in casu Franse klanten) van de koper (in deze de Spaanse klanten van NV N. / NV B.C.T.) laat niet toe de vorige leveringen vrij te stellen. In het geval waar uit de contracten en de handelsstukken in het bezit van de leverancier zou blijken dat een volgende klant het vervoer verricht heeft voor rekening van de eerste koper, kan de Belgische leverancier zijn (eerste) levering vrijstellen; de daaropvolgende leveringen worden dan geacht plaats te vinden in de lidstaat van aankomst van de goederen.

Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling voor intracommunautaire levering beoordeeld worden met inachtneming van de objectiviteitstoets. Ook al mag de bewijslast door de nationale overheden verder ingevuld worden, houdt dit, volgens het Hof, niet in dat zij de vrijstelling mogen weigeren op louter formele gronden als op grond van objectieve elementen vaststaat dat aan de materiële vereisten van de vrijstelling werd voldaan. Men kan dan op basis van vermoedens rond intentie of oogmerk van de handeling mede gebaseerd op bepaalde feitelijke elementen de vrijstelling niet weigeren.

4.2.2. In deze is de administratie van oordeel dat eiseres in hoger beroep ten onrechte toepassing heeft gemaakt van de vrijstelling van artikel 39bis WBTW op de verkopen van auto's aan Spaanse afnemers, meer bepaald betreft het 283 verkopen in de periode 2006-2007 (proces-verbaal van 15 december 2010) en 171 verkopen in de periode 2008-2009 (proces-verbaal van 24 november 2011).

Volgens de administratie blijkt uit de vaststellingen in voormelde processen-verbaal dat eiseres in hoger beroep in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 wagens verkocht heeft aan verschillende Spaanse belastingplichtigen met toepassing van artikel 39bis, § 1, eerste lid WBTW. Uit onderzoek is evenwel gebleken dat de wagens niet naar de Spaanse klanten werden vervoerd. De wagens werden bij eiseres in hoger beroep opgehaald ofwel door Franse particulieren ofwel door derde transporteurs die de wagens op een adres in Frankrijk dienden af te leveren. Evenwel kan op geen enkel moment worden vastgesteld dat deze personen handelden in opdracht van eiseres in hoger beroep of van de Spaanse klanten. De wagens werden dus door eiseres in hoger beroep vrijgegeven zonder opdracht of volmacht van de Spaanse klanten.

Eiseres in hoger beroep stelt dat uit de stukken van het dossier zonder meer blijkt dat de geviseerde wagens buiten België, doch binnen de Gemeenschap werden vervoerd. De administratie betwist niet dat de Spaanse vennootschappen waaraan de wagens verkocht werden effectief Spaanse vennootschappen betroffen. Eiseres in hoger beroep verifieerde steeds het btw-nummer vooraleer zij groen licht gaf voor de verkoop van de wagens. Er is wel degelijk sprake van een levering van de goederen buiten België, doch binnen de Gemeenschap. Uit de bijgevoegde overschrijvingen blijkt dat de gelden werden overgeschreven vanuit de Spaanse vennootschap. Volgens eiseres in hoger beroep beschikt zij over een geheel van stukken ten bewijze van de leveringen aan de Spaanse afnemers.

Eiseres in hoger beroep merkt op dat de administratie de bijgebrachte stukken geenszins van valsheid heeft bericht, wat impliceert dat de stukken correct zijn en geenszins werden uitgeschreven door eiseres in hoger beroep met een bijzonder opzet, nl. het zichzelf verschaffen van enig voordeel.

Eiseres in hoger beroep houdt voor dat tussen NV B.C.T. en NV N. (samen eiseres in hoger beroep) enerzijds en hun in Spanje gevestigde belastingplichtige afnemers anderzijds, overeenkomsten zijn gesloten met als voorwerp de intracommunautaire levering van personenwagens. In de contractuele relatie tussen eiseres in hoger beroep en de in Spanje gevestigde afnemers, dienden deze laatsten in te staan voor de organisatie en de kost van het vervoer. Bij aankoop stelden de Spaanse afnemers eiseres in hoger beroep in kennis van de concrete wijze waarop de aangekochte personenwagens zouden worden vervoerd. Dat vervoer geschiedde ofwel door een gemachtigd natuurlijke persoon van de Spaanse koper, dan wel door tussenkomst van een derde transporteur, aangeduid door de Spaanse koper. Volgens eiseres in hoger beroep is het evident dat het vervoer toe te rekenen was aan de contractuele relatie tussen haar en de in Spanje gevestigde belastingplichtige afnemers. Het vervoer maakt integrerend deel uit van de verkoopovereenkomsten tussen eiseres in hoger beroep en de in Spanje gevestigde belastingplichtige afnemers, die als intracommunautaire leveringen kwalificeren. Er anders over oordelen zou strijdig zijn met en ingaan tegen de door eiseres in hoger beroep gesloten overeenkomsten met de in Spanje gevestigde belastingplichtige afnemers.

4.2.3. Om de vrijstelling voor een gewone intracommunautaire levering te kunnen genieten, moet, zoals hiervoor uiteengezet, worden aangetoond:

dat de goederen voor of voor rekening van de verkoper of de verwerver naar een andere lidstaat wordt vervoerd; en
dat de verwerver een als zodanig handelende belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, die in die andere lidstaat zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw moet onderwerpen (art. 1 en 2 KB nr. 52).
De betwisting in deze heeft betrekking op het bewijs van het vervoer van de kwestieuze wagens naar een andere lidstaat.

Dat het vervoer van de wagens niet is gebeurd door of voor rekening van de verkoper, zijnde eiseres in hoger beroep (NV B.C.T. / NV N.) wordt niet betwist. Er moet dan ook aangetoond worden dat het vervoer gebeurd is door of voor rekening van de kopers, zijnde de Spaanse afnemers.

Uit het onderzoek van de administratie is gebleken dat de wagens niet naar de Spaanse afnemers werden vervoerd, doch dat zij rechtstreeks naar Frankrijk werden vervoerd. De wagens werden in België bij eiseres in hoger beroep afgehaald hetzij door Franse particulieren, hetzij door (al dan niet Franse) transporteurs.

Als bewijs van het vervoer van de door haar aan de Spaanse afnemers verkochte wagens verwijst eiseres in hoger beroep naar volgende documenten:

een afgetekende bestelbon,
een factuur op naam van de Spaanse afnemer,
een kopie van het bankrekeninguittreksel als bewijs van de betaling,
een afdruk van de aanvraag van geldigheid van het btw-nummer van de Spaanse klant,
een afgetekend ontvangstbewijs,
een kopie van de identiteitskaart van de Franse particulier die de wagen ophaalde of een kopie van exemplaar 1 van de CMR indien de wagen vervoerd werd door een transporteur,
soms nog bijkomende documenten of correspondentie.
Na onderzoek van alle door eiseres in hoger beroep voorgelegde stukken oordeelt het hof dat eiseres in hoger beroep aan de hand van deze stukken niet aantoont dat de goederen vervoerd zijn door of in opdracht van haar Spaanse klanten noch dat ze vervoerd zijn in de relatie tussen eiseres in hoger beroep en haar Spaanse klanten.

Noch de bestelbonnen, noch de facturatie aan een Spaanse vennootschap, noch de betaling vanuit Spanje vormen een afdoende bewijs van het vervoer van de goederen buiten België.

Voor een aantal voertuigen wordt een CMR-vrachtbrief bijgebracht waaruit blijkt dat deze voertuigen naar Frankrijk vervoerd werden. Ook al bewijzen deze stukken het vervoer buiten België, bewijzen zij niet dat dit vervoer gebeurde door of voor rekening van de afnemer.

De administratie voert bovendien aan, zonder dat dit door eiseres in hoger beroep wordt betwist, dat uit vaststellingen bij een aantal transporteurs is gebleken dat het vervoer gebeurde op verzoek van en werd betaald door Franse firma's (stukken 13 en 14 administratie). Hieruit blijkt dus met zekerheid dat het vervoer niet gebeurde door of voor rekening van de Spaanse afnemers.

Voor een aantal voertuigen worden afhalingsbewijzen bijgebracht, waaruit blijkt dat de voertuigen werden afgehaald door personen met de Franse nationaliteit en vervolgens naar Frankrijk werden vervoerd. Ook al bewijzen deze stukken dat de wagens buiten België werden vervoerd, bewijst dit nog steeds niet dat het vervoer gebeurde in opdracht van of voor rekening van de Spaanse afnemer.

Eiseres in hoger beroep beroept zich op het vermoeden verwoord in de circulaire nr. AOIF 38/2006 van 28 augustus 2006 (randnr. 32) en stelt dat aangezien de Spaanse klanten telkens hun Spaans btw-nummer hebben meegedeeld, het vervoer moet geacht worden verbonden te zijn aan de relatie tussen eiseres in hoger beroep en de Spaanse kopers.

Deze stelling van eiseres in hoger beroep is in strijd met wat vermeld staat op de documenten (ontvangstbewijzen, leveringsdocumenten, …) die eiseres in hoger beroep aanhaalt en zelf naar voor brengt, waaruit blijkt dat de wagens door Franse particulieren en Franse transporteurs naar Frankrijk werden uitgevoerd en met de verklaringen van de Franse transporteurs, zoals opgenomen in de opgestelde processen-verbaal.

Uit de stukken 13 en 14 van de administratie blijkt duidelijk dat de voertuigen vervoerd werden in opdracht van verschillende Franse afnemers op wiens naam de vervoerfacturen werden opgesteld en die deze facturen ook betaalden.

Een levering in een ander land van de EU dan dat waar de koper is gevestigd en actief is, sluit weliswaar niet uit dat er sprake is van een vervoer in opdracht van de koper, doch in deze zaak komt deze stelling ongeloofwaardig voor. Hoewel de aankopen gebeurden door Spaanse firma's, werden de voertuigen geleverd in Frankrijk. Ofwel betekent dit dat het vervoer ook effectief niet gebeurde in opdracht van de Spaanse firma's en dat deze slechts tussenpersonen waren in een al dan niet frauduleuze constructie, ofwel dat deze firma's in Frankrijk een omvangrijke activiteit uitoefenden zonder hiervoor in het bezit te zijn van een btw-identificatie in dat land. Gelet op deze onduidelijke situatie is hoe dan ook door eiseres in hoger beroep niet het bewijs geleverd dat het vervoer buiten België gebeurde in opdracht van de koper.

Er dient dan ook besloten te worden dat er geen sprake is van vrijgestelde intracommunautaire handelingen en dat de btw terecht wordt nagevorderd.

4.2.4. Eiseres in hoger beroep houdt voor dat indien en in de mate dat de verkoper het bewijs van de intracommunautaire levering enkel kan en mag leveren aan de hand van alle schriftelijke documenten, opgesomd in het KB nr. 52, en dit geheel van bewijselementen dan nog als onvoldoende kan worden aangemerkt, deze bewijsregeling het de verkoper heel moeilijk, zo niet praktisch onmogelijk maakt om zijn aanspraak op de vrijstelling te laten gelden. Dergelijke strenge en formalistische bewijsregeling is volgens eiseres in hoger beroep in strijd met artikel 138 van de richtlijn nr. 2006/112/EG.

Het Hof van Justitie heeft inderdaad geoordeeld dat van de leverancier kan geëist worden dat hij te goeder trouw handelt en alles doet wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt om ervoor te zorgen dat hij door de handelingen die hij verricht niet betrokken raakt bij belastingfraude. Wanneer de leverancier aan zijn verplichtingen inzake het bewijs van een intracommunautaire levering heeft voldaan, terwijl de afnemer zijn contractuele verplichting tot verzending of vervoer van de goederen buiten de lidstaat van levering niet is nagekomen, dient de btw in de lidstaat van de afnemer door deze laatste te worden betaald (HvJ 16 december 2010, C-430/09, Euro-Tyre).

In deze heeft eiseres in hoger beroep niet al het nodige gedaan om ervoor te zorgen dat de vrijstelling terecht werd toegepast en werden meer bepaald de Franse particulieren die de wagens zouden meegenomen hebben niet geïdentificeerd als zijnde gemachtigd door de afnemers en hebben zij enkel een voorgedrukt formulier ondertekend.

Het feit dat eiseres in hoger beroep het bewijs dient te leveren van de intracommunautaire levering om van de vrijstelling te genieten, volgt integraal uit de btw-reglementering die gebaseerd is op Europese regelgeving dienaangaande.

De voorwaarden voor de vrijstelling van de belasting, bedoeld in artikel 39bis WBTW en in de artikelen 1 tot 3 van het KB nr. 52 van 29 december 1992 moeten strikt vervuld zijn, want zij zijn bedoeld om fraude te voorkomen (art. 138, I. van richtlijn nr. 2006/112/EG van 28 november 2006, voordien art. 28quater, A., a) van de zesde richtlijn), zodat de belastingambtenaar een zekere gestrengheid aan de dag mag leggen bij de beoordeling van de bij te brengen bewijzen. Er kan geen sprake zijn van een schending van de zesde richtlijn door artikel 39bis WBTW en door het KB nr. 52 van 29 december 1992, nu deze supranationale regel België als lidstaat precies toelaat om de voorwaarden vast te stellen om een juiste en eenvoudige toepassing te verzekeren van de vrijstellingen inzake de intracommunautaire leveringen. De vereisten die krachtens artikel 39bis WBTW zijn uitgewerkt in het KB nr. 52 zijn geenszins te strikt in verhouding tot het belang van de vrijstelling. De voorwaarden die opgelegd worden zijn essentiële controlevereisten. De opgelegde bewijsvoering is zeker niet onmogelijk.

Het hof kan zich dan ook aansluiten bij het volgende arrest van het Hof van Justitie van 27 september 2012 (C-587/10): “Uit het voorgaande volgt dat de lidstaten de goederenleverancier kunnen verplichten te bewijzen dat de afnemer een belastingplichtige is die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de betrokken goederen, mits de algemene rechtsbeginselen, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel, worden geëerbiedigd.”

Het evenredigheidsbeginsel is geenszins geschonden.

4.3. Het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur
4.3.1. Eiseres in hoger beroep stelt dat de administratie tijdens vorige controles nooit een opmerking heeft gemaakt inzake de toegepaste vrijstelling en dat de administratie bij haar gerechtvaardigde verwachtingen heeft gecreëerd, die zij dient te respecteren.

De administratie stelt dat de voorgaande controles die verricht werden slechts partiële controles waren, terwijl huidig onderzoek plaats vond in het kader van een multilaterale controle, waarbij nieuwe feiten betreffende eiseres in hoger beroep aan het licht zijn gekomen.

Eiseres in hoger beroep verwijst naar een aantal documenten waaruit zou moeten blijken dat de administratie op de hoogte was van haar werkwijze met betrekking tot de verkopen aan haar Spaanse klanten.

Het hof stelt vast dat de inlichtingen die in maart 2006 door de 6de BBI-inspectie Antwerpen werden opgevraagd betrekking hebben op door eiseres in hoger beroep verrichte facturaties aan de Spaanse firma SL N. in de periode 2003-2004, terwijl deze facturen niet het voorwerp uitmaken van onderhavige betwisting.

De correctieopgave van het controlecentrum Turnhout van november 2006 betreft enerzijds de toepassing van artikel 45, § 3 WBTW met betrekking tot een aankoopfactuur 211 van 29 juni 2004 van VZW D. voor VIP-tafel-catering en anderzijds de toepassing van artikel 21, § 2 WBTW met betrekking tot een verkoopfactuur 2058023 van 31 juli 2005 aan E.C.T. BV (Nederland) inzake een bestuursvergoeding voor het jaar 2004. In huidig geding wordt geen betwisting gevoerd over de aftrekregeling noch over de toepassing van de plaatsbepalingsregels voor diensten.

Stuk 34 van eiseres in hoger beroep betreft een stopzettingscontrole van de btw-controle Malle 2.

De correctieopgave van de btw-controle Malle 2 heeft betrekking op het jaar 2008 wegens het vermelden van een ongeldig Frans btw-nummer in de intracommunautaire opgave.

De correctieopgave van 16 februari 2010 van de btw-controle Malle 2 betreft de rechtzetting van een foutieve vermelding in de intracommunautaire opgave van eiseres in hoger beroep met betrekking tot de verkoop van een personenwagen aan een Franse afnemer.

Uit deze stukken kan niet afgeleid worden dat de administratie in het verleden akkoord zou gegaan zijn met de handelwijze van eiseres in hoger beroep met betrekking tot de verkopen aan haar Spaanse klanten.

Het rechtszekerheids- en/of het vertrouwensbeginsel werden niet geschonden.

4.3.2. Volgens eiseres in hoger beroep zijn de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden omdat de administratie een enorme btw-navordering opmaakt zonder dat ze effectief zou zijn overgegaan tot verificatie van een aantal zaken, met name omdat ze bij haar Spaanse zusteradministratie niet zou hebben laten nagaan of de Spaanse afnemers intracommunautaire verwervingen hebben aangegeven in hun Spaanse aangiften.

Het hof sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter dat het voor de beoordeling van onderhavige betwisting niet relevant is of de Spaanse afnemers van eiseres in hoger beroep in hun Spaanse aangiften intracommunautaire verwervingen hebben aangegeven en dat de administratie dit dan ook niet diende te verifiëren.

Ook de beginselen van behoorlijk bestuur werden niet geschonden.

4.4. Goede trouw
Eiseres in hoger beroep voert ook aan dat de Gemeenschapswetgeving toelaat om in geval van intracommunautaire facturaties de goede trouw van de belastingplichtige in aanmerking te nemen en dat in die zin een belastingplichtige te goeder trouw niet gehouden is tot voldoening van de btw op vrijgestelde intracommunautaire leveringen indien naderhand zou blijken dat deze leveringen niet de grens hebben overschreden en bijgevolg niet in een andere lidstaat zijn terecht gekomen.

Het hof oordeelt dat eiseres in hoger beroep zich in deze niet kan beroepen op goede trouw nu zij de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1° WBTW heeft toegepast, terwijl zij niet het minste bewijs kan leveren, ook niet door feitelijke vermoedens, dat de wagens werden verzonden door haarzelf (de verkoper), haar kopers (de Spaanse afnemers) of voor hun rekening.

Uit objectieve gegevens, in het bijzonder vaststellingen van de administratie en overeenstemmende verklaringen van derden (waaronder de transporteurs) en het onderzoek door de administratie, blijkt dat eiseres in hoger beroep op de hoogte was en alleszins op de hoogte moest zijn van het feit dat de kwestieuze voertuigen niet werden afgeleverd in Spanje, maar in Frankrijk en dat zij op die manier heeft meegewerkt aan een (potentieel) fraudesysteem.

4.5. De administratieve geldboeten
4.5.1. Krachtens artikel 70, § 1 WBTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84 WBTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

4.5.2. In de processen-verbaal van 15 december 2010 en 24 november 2011 wordt uitdrukkelijk gesteld dat op grond van artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, geen vermindering van de vermelde geldboeten wordt toegestaan aangezien de overtredingen begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Uit voormelde processen-verbaal, die gevoegd werden bij de dwangbevelen van 16 december 2010 en 30 november 2011, blijkt ook dat de opgelegde boeten gesteund zijn op de vaststelling dat eiseres in hoger beroep ten onrechte de vrijstelling van artikel 39bis WBTW heeft ingeroepen, met name dat zij niet heeft aangetoond dat het vervoer of de verzending van de wagens gebeurde in opdracht van de verkoper, van de koper of voor hun rekening.

De beslissing om een boete van 200% op te leggen is dan ook afdoende gemotiveerd.

4.5.3. De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 WBTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Die toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass. 21 januari 2005, RW 2005-06, 1015).

In deze heeft eiseres in hoger beroep facturen met vrijstelling van btw opgesteld zonder over de nodige bewijzen te beschikken dat de goederen werkelijk werden vervoerd of verzonden naar een andere lidstaat door haarzelf, haar kopers of voor kun rekening, terwijl zij wist/moest weten op die manier mee te werken aan een (optioneel) fraudecircuit.

Rekening houdend met de aard en de ernst van de overtredingen oordeelt het hof dat de boeten evenredig zijn met de feiten en de ernst van de inbreuken en dat er geen redenen zijn om deze boeten kwijt te schelden of te verminderen noch om uitstel toe te staan indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

4.6. Het neutraliteitsbeginsel
De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat aangezien eiseres in hoger beroep niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarde van artikel 39bis, eerste lid, 1° WBTW, er een terbeschikkingstelling is in België waarbij Belgische btw verschuldigd is en dat er dus geen sprake is van een schending van het neutraliteitsbeginsel en dat er dan ook geen reden is tot het stellen van een prejudiciële vraag.

4.7. Het gelijkheidsbeginsel
Eiseres in hoger beroep stelt dat andere belastingplichtigen op identieke wijze gehandeld hebben als zij, doch dat de administratie niet tegen al deze belastingplichtigen een navordering heeft geformuleerd, waardoor - volgens eiseres in hoger beroep - het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie zouden zijn geschonden.

Wanneer de administratie ten onrechte tegen andere belastingplichtigen die op dezelfde wijze zouden gehandeld hebben geen navordering zou hebben geformuleerd, heeft dit, zoals de eerste rechter terecht geoordeeld heeft, niet tot gevolg dat de rechter bevoegd wordt om vrijstelling te verlenen aan eiseres in hoger beroep aan wie de administratie geen vrijstelling heeft verleend (vgl. Cass. 17 maart 2003, RW 2003-04, 1542; Cass. 15 december 2003, RW 2004-05, 979). De rechter dient immers de wet toe te passen.

Het loutere feit dat tegen eiseres in hoger beroep een navordering wordt geformuleerd, terwijl tegen andere belastingplichtigen, die op dezelfde wijze zouden gehandeld hebben, geen navordering wordt geformuleerd, houdt op zich geen schending in van het gelijkheidsbeginsel en/of van het beginsel van non-discriminatie.

(…)

Noot: 

Vetters, W., Bonné, J. en Geeroms, M., « De macht om als eigenaar over een goed te beschikken », R.A.B.G., 2017/9, p. 758-762

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/07/2017 - 18:39
Laatst aangepast op: za, 22/07/2017 - 18:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.