-A +A

BTW bevoegdheid om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 09/10/2014
A.R.: 
F.13.0110.F

Artikel 85, §1, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dat de gewestelijke directeur machtigt zijn bevoegdheid om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren over te dragen, ontslaat de Belgische Staat niet van de verplichting te bewijzen dat het litigieuze dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar aan wie deze bevoegdheid werd overgedragen; wanneer, zoals in dat geval, het bewijs door vermoedens kan worden aangenomen, beoordeelt de rechter in feite de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij zijn beslissing grondt; het Hof gaat enkel na of de rechter het begrip feitelijk vermoeden niet heeft miskend en, met name, of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen heeft gemaakt die enkel op grond van die feiten geenszins kunnen worden verantwoord (1). (1) Het OM had geconcludeerd tot cassatie om twee redenen. Enerzijds werd het argument van de verweerder, volgens hetwelk “de verklaring die de gewestelijke directeur van de btw-administratie te Namen, R.D., die op het ogenblik van de litigieuze feiten in functie was, had afgelegd tijdens zijn verschijning op 3 november 2008 voor de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, betekent dat laatstgenoemde zijn bevoegdheid inzake het viseren en uitvoerbaar verklaren van de dwangbevelen m.n. had overgedragen aan L.D., leidend ambtenaar die tijdelijk het hogere ambt van directeur uitoefende”, afgewezen door het Hof in zijn arrest van 3 maart 2011 (Cass. 3 maart 2011, AR F.08.0082.F, AC 2011, nr. 178) voorafgegaan door de concl. OM). Anderzijds beslist het arrest dat het litigieuze dwangbevel, dat was geviseerd en uitvoerbaar verklaard door “de heer L.D., directeur a.i., aangewezen door de gewestelijke directeur van de btw-administratie” regelmatig is naar vorm, op grond dat “de gewestelijke directeur voor de eerste rechter is verschenen om te bevestigen dat hij zijn bevoegdheid in een dienstnota heeft overgedragen aan L.D., directeur a.i., zoals die overdracht schriftelijk wordt vermeld in het litigieuze dwangbevel”. Volgens het proces-verbaal van persoonlijke verschijning van de gewestelijke directeur voor de eerste rechter van 3 november 2008 had eerstgenoemde evenwel verklaard dat “hij onder zijn naaste medewerkers […] zelf L.D. heeft aangewezen. Die delegatie is niet schriftelijk geschied. Wij meenden dat de gebruikte formule ‘… door x aangewezen door ons, gewestelijk directeur’ de belastingplichtige afdoend informeerde. De aanwijzing van de hoofdcontroleurs, in de gevallen waarin zij eventueel een dwangbevel moeten viseren en uitvoerbaar moeten verklaren, geschiedt met een dienstnota”. Het bestreden arrest geeft van die verklaring, die niet vaststelt dat de dienstnota betrekking had op L.D., wat overigens werd bevestigd in de memorie van antwoord van de verweerder, een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent derhalve de bewijskracht van die akte. Dat arrest, dat belangrijk is omdat het verduidelijkt welke bewijsmiddelen door de rechter kunnen worden aangenomen en welke bevoegdheid hij en het Hof daarover hebben, moet overigens worden vergeleken met het arrest dat het Hof dezelfde dag gewezen heeft in de zaak F.11.0124.F, ook met noot. A.H.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. F.13.0110.F
D & D ASSOCIATION nv,
tegen
BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 11 april 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Krachtens artikel 85, § 1, eerste lid, Btw-wetboek, zoals het op het geschil van toepassing is, wordt het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar.

Die bepaling, die de gewestelijke directeur machtigt zijn bevoegdheid om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren over te dragen, ontslaat de Bel-gische Staat niet van de verplichting te bewijzen dat het litigieuze dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar aan wie deze bevoegdheid werd overgedragen.

Wanneer, zoals in dat geval, het bewijs door vermoedens toegelaten is, beoordeelt de rechter in feite de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij zijn beslissing grondt. Het Hof gaat enkel na of de rechter het begrip feitelijk vermoeden niet heeft miskend en, met name, of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen ge-volgen heeft getrokken die enkel op grond van die feiten geenszins kunnen worden verantwoord.

Het arrest stelt vast dat het dwangbevel "uitdrukkelijk vermeldt dat de directeur ad interim door de gewestelijke directeur wordt aangewezen [...] om het voormelde dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren" en oordeelt dat de eiseres "niet beweert dat die vermelding in het dwangbevel een valsheid zou zijn" en dat zij "niet gewaagt van enig gegeven of enige aanwijzing [...] betreffende de valsheid van de uitdrukkelijk vermelde aanwijzing".

Het arrest stelt daarenboven vast dat "de gewestelijke directeur door de eerste rechter in persoon is verhoord en het volgende heeft verklaard: ‘ik bevestig dat de in het dwangbevel bij naam vermelde persoon door mij is aangewezen" en oordeelt dat "de uitdrukkelijke vermelding [in het dwangbevel] is bevestigd door de gewestelijke directeur, die in persoon voor de eerste rechter is verschenen".

Uit die vermeldingen heeft het arrest, zonder geen van de in het middel bedoelde bepalingen te schenden, kunnen afleiden dat "voor het hof [van beroep] derhalve naar genoegen is aangetoond dat de bevoegde gewestelijke directeur de directeur a.i. [...], die het litigieuze dwangbevel heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard, werkelijk heeft aangewezen en dat die aanwijzing conform het wettelijk bepaalde in artikel 85, § 1, eerste lid, Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde is geschied".

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Voor het overige vormen de voormelde overwegingen een zelfstandige en af-doende grondslag voor de beslissing dat de bevoegdheidsoverdracht is aange-toond.

De reden volgens welke de gewestelijke directeur de aanwijzing van de di-recteur ad interim zou hebben bevestigd in een dienstnota, is derhalve overtollig.
In zoverre het middel de miskenning van de bewijskracht van die verklaring aan-voert, kan het niet leiden tot vernietiging en is het bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 9 oktober 2014 uitgesproken.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 09/07/2017 - 10:13
Laatst aangepast op: zo, 09/07/2017 - 10:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.