-A +A

Brussel I-Verordening – Art. 22, 1° – Zakenrechtelijke betwistingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 07/10/2015

EEX-verordening, meer bepaald van art. 22, 1°, bepaalt dat, ongeacht de woonplaats van partijen, bij uitsluiting bevoegd zijn, voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.

Dit is naar het oordeel van het Hof niet het geval. In essentie vorderde appellante in de gedinginleidende akte de teruggave van een personenwagen (op straffe van verbeurte van een dwangsom), bij gebreke hiervan een geldelijke vergoeding van 25.000 euro.

Art. 22 EEX-Vo, dat slechts betrekking heeft op onroerende goederen (terwijl een deel van de vordering van appellante evenwel ook slaat op een roerend goed), geldt als exclusieve bevoegdheidsbepaling, waarvan de toepasselijkheid niet afhankelijk is van de woonplaats van de partijen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
547
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

D.R.K./G.W.

1. Mevrouw K.D.R., hierna “appellante”, is de dochter en enige erfgenaam van de heer Patrick D.R., abintestaat overleden op 7 augustus 2010.

Mevrouw W.G., hierna “geïntimeerde”, had een relatie met de heer D.R. en woonde samen met hem.

In de nalatenschap van de heer D.R. bevond zich o.a. een vakantiehuis, gelegen in Spanje (...) alsmede een personenwagen (...). De vorderingen van appellante betreffen beide goederen.

Kennelijk rezen er discussies na het overlijden, wat aanleiding gaf tot o.m. onderhavige procedure.

Bij het bestreden vonnis van 19 maart 2013 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, dat blijkbaar niet werd betekend, verklaarde de rechtbank zich onbevoegd, onder verwijzing naar art. 22 van de EEX-verordening van 22 december 2000, die een exclusieve bevoegdheidsregel inhoudt voor de rechter van het land waar het onroerend goed is gelegen, m.b.t. de vorderingen over zakelijke rechten op onroerende goederen. De kosten werden ten laste van de appellante gelegd.

Het hoger beroep van appellante strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, geïntimeerde te veroordelen voornoemd vakantiehuis (dat zij zonder recht noch titel zou bezetten) te verlaten, te ontruimen en ter vrije en volledige beschikking te stellen van appellante, met betaling van een bezettingsvergoeding van 34.250 euro, met voorbehoud voor de nog te vervallen maanden tot aan de volledige ontruiming, vermeerderd met de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding; bij gebreke van ontruiming vraagt zij haar te machtigen tot uitdrijving, met bijstand van de openbare macht indien nodig en al de roerende goederen op de openbare weg te doen stellen, op gevaar en risico van geïntimeerde; tevens vraagt zij een vervangende schadevergoeding van 25.000 euro (zijnde de waarde van het voornoemde voertuig volgens de schatting in de aangifte van nalatenschap) en, subsidiair, de restitutie van het voornoemde voertuig, met betaling van een bijkomende schadevergoeding gelijk aan het verschil tussen de waarde van het voertuig ten tijde van de aangifte nalatenschap (25.000 euro) en de waarde op het ogenblik dat zij hiervan in het bezit zal worden gesteld, vermeerderd met de verwijlinteresten sedert 7 augustus 2010.

Geïntimeerde stelde een tegeneis in, in het raam van onderhavige procedure in hoger beroep. Meer bepaald vordert zij de veroordeling van appellante tot betaling aan haar van een bedrag van 476.552,78 euro, vermeerderd met de interesten vanaf 7 augustus 2010 (datum overlijden van de heer D.R., voormeld).

...

Beoordeling

Het hoger beroep van appellante

4. Vooraf dient het hof zich te buigen over het vraagstuk van de internationale “bevoegdheid”.

4a. Van bevoegdheid is als zodanig evenwel geen sprake, indien de vraag rijst of de Belgische rechter de zaak dient te behandelen, dan wel een buitenlandse rechter. In dat geval rijst de vraag naar de rechtsmacht.

4b. De vraag rijst of de eerste rechter correct toepassing heeft gemaakt van de EEX-verordening, meer bepaald van art. 22, 1o, dat bepaalt dat, ongeacht de woonplaats van partijen, bij uitsluiting bevoegd zijn, voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.

Dit is naar het oordeel van het Hof niet het geval. In essentie vorderde appellante in de gedinginleidende akte de teruggave van een personenwagen (op straffe van verbeurte van een dwangsom), bij gebreke hiervan een geldelijke vergoeding van 25.000 euro, een bezettingsvergoeding van 9.000 euro, vermeerderd met 750 euro per begonnen maand vanaf augustus 2011, alsmede de veroordeling van geïntimeerde om de hierboven omschreven vakantiewoning te verlaten binnen 48 uur na betekening, bij gebreke waarvan zij vroeg gemachtigd te worden geïntimeerde te laten uitdrijven.

In de dagvaarding wordt tevens aangehaald door appellante dat zij door erfopvolging (cf. “enige, wettige en reservataire erfgenaam”) eigenaar is van deze goederen.

Art. 22 EEX-Vo, dat slechts betrekking heeft op onroerende goederen (terwijl een deel van de vordering van appellante evenwel ook slaat op een roerend goed, namelijk de hierboven vermelde personenwagen BMW), geldt als exclusieve bevoegdheidsbepaling, waarvan de toepasselijkheid niet afhankelijk is van de woonplaats van de partijen. Deze exclusieve bevoegdheidsregel is ingegeven door de eisen van een goede rechtsbedeling en beschermt in zekere zin ook de belangen van de Staat van de ligging van het goed, waarvan de rechtsorde gebaat is bij de behandeling van geschillen waarvan de onroerende goederen die gelegen zijn op zijn grondgebied door zijn eigen rechtscolleges.

Het voorwerp van de vordering en niet de woonplaats van de partijen conditioneert de rechtsmacht.

Appellante eist, naast een aantal geldelijke vergoedingen (schadevergoeding, bezettingsvergoeding, ...), het eigendomsrecht op van de personenwagen en het vakantiehuis, waarvan zij de restitutie vraagt. Appellante stelt m.a.w. een eigendoms- of revindicatievordering in, wat een zakelijke rechtsvordering is. Deze vordering strekt ertoe juridische eigendom en feitelijke heerschappij opnieuw te verenigen door de zaak van de derde terug te vorderen en ze (opnieuw) in handen van de eigenaar te brengen.

Bij de vraag of er sprake is van een zakelijke rechtsvordering op een onroerend goed speelt evenwel een autonome interpretatie, in het licht van de EEX-Vo, en niet de interpretatie of uitlegging naar intern recht. Het uitgangspunt is dat de gerechten van de locus rei sitae het best zijn geplaatst, o.a. om redenen van nabijheid, om de bijzondere IPR-regels toe te passen, inclusief die welke zijn gebaseerd op het gewoonterecht. De bevoegdheid wordt m.a.w. grotendeels geconditioneerd door het toepasselijke recht: de lex rei sitae is immers doorgaans het toepasselijke (materiële) recht voor vorderingen in rem. Daarnaast gelden ook meer praktische overwegingen, zoals de noodzaak tot raadpleging van ter plaatse beschikbare openbare registers (vgl. ons hypotheekkantoor), kadasters, e.d.m.

Opdat art. 22 EEX-Vo zou worden toegepast, moet het onroerend goed centraal staan in de betwisting. Het voorwerp van het geding moet betrekking hebben op zakelijke rechten; het is niet voldoende dat zakelijke rechten zijdelings of incidenteel in het geding zijn betrokken en het volstaat bijgevolg ook niet dat de vorderingen slechts in verband staan met een onroerend goed.

Het dient te gaan om een echte zakenrechtelijke betwisting betreffende het onroerend goed, wat restrictief te interpreteren is, gelet op de afwijking van de algemene bevoegdheids- of rechtsmachtvoorschriften. Deze restrictieve interpretatie blijkt o.a. ook uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Zowel uit het rapport-Jenard bij het Executieverdrag (Pb.L. 1979, afl. 59, p. 35) als uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie blijkt dat de voornaamste reden voor de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, is, dat het gerecht van de plaats waar het onroerend goed is gelegen, vanwege zijn nabijheid het best in staat is zich door onderzoeksverrichtingen, getuigenverhoren en deskundigenonderzoeken ter plaatse op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en de ter zake geldende voorschriften en gebruiken toe te passen, in de regel die van de staat waar het onroerend goed is gelegen. Die uitlegging wordt voorts bevestigd doordat volgens het rapport-Jenard (reeds aangehaald, p. 34 en 35) enerzijds de in art. 16 EEX-verdrag opgenomen bevoegdheidsregels zijn gebaseerd op het onderwerp van de eis, en anderzijds de auteurs van het Verdrag, wat meer in het bijzonder de in punt 1 van dat artikel opgenomen exclusieve bevoegdheidsregel ten aanzien van huur en verhuur of pacht en verpachting van onroerende goederen betreft, onder meer geschillen over herstel van door de huurder veroorzaakte schade op het oog hadden (zie in dat verband: HvJ 27 januari 2000, zaak C-8/98).

In het licht van deze ratio legis dient opgemerkt te worden dat geen onderzoekshandelingen worden gevorderd die in Spanje moeten gebeuren. Een onderzoek van het in Spanje gelegen vakantiehuis maakt als zodanig ook geen voorwerp uit van een specifieke of concrete vordering of betwisting.

Voorts merkt het Hof op dat het eigendomsrecht van appellante door geïntimeerde als zodanig niet wordt betwist.

Appellante put haar rechten trouwens ook niet uit een zakenrechtelijke transactie waarbij geïntimeerde was betrokken, maar uit het erfrecht, d.w.z. dat zij in rechte optreedt als eigenaar ingevolge erfenis van haar vader.

Tevens zij opgemerkt dat:

– de rechtsmacht van de Belgische rechter (thans: dit hof) niet wordt betwist voor wat de roerende goederen betreft, c.q. de vorderingen inzake de personenwagen;

– de Belgische rechter (thans: dit hof) onbetwistbaar bevoegd is voor wat betreft de bezettingsvergoeding (i.e. een louter geldelijke vordering) die betrekking heeft op het vakantiehuis, aangezien dit een louter geldelijke vergoeding betreft.

Een verwijzing naar de Spaanse rechter zou de procesgang overigens nodeloos bemoeilijken en vertragen, gelet op het feit dat de Spaanse rechter zich reeds zonder rechtsmacht heeft verklaard voor de aanspraken van geïntimeerde, die thans het voorwerp uitmaken van de tegeneis van geïntimeerde.

In dat verband zij verwezen naar het stuk 5 van het dossier van geïntimeerde, waarvan beide partijen ter zitting van 8 september 2015 hebben bevestigd dat dit de essentie vormt van deze Spaanstalige, c.q. niet-vertaalde stukken.

Wat deze laatste overweging betreft, rijst nog de bedenking dat de samenhang tussen de vordering van appellante en de tegeneis van geïntimeerde (zie ook infra, bij de bespreking van de tegeneis), waarbij de Spaanse rechter reeds definitief heeft geoordeeld dat de Belgische rechter “bevoegd” is voor wat de huidige tegeneis van geïntimeerde betreft, in feite noopt tot het aanvaarden van de rechtsmacht voor de vordering van appellante (voorwerp van het hoger beroep), aangezien in andersluidend geval de tegeneis van geïntimeerde door dit hof zou moeten worden beoordeeld los van de vordering van appellante, wat de goede rechtsbedeling en de vlotte procesgang allesbehalve ten goede zou komen.

Hierbij dient ten slotte opgemerkt te worden dat geïntimeerde, ten tijde van de dagvaarding, haar woonplaats in België had en ook thans, blijkens de procedurestukken, haar wettelijke woonplaats in België heeft. De vraag rijst dan ook of, zonder afbreuk te doen aan het principe dat art. 22 EEX-Vo geldt als exclusieve bevoegdheidsregel, de door geïntimeerde ingeroepen exceptie van gebrek aan rechtsmacht wel ingegeven is door een wettig belang, c.q. het belang van een goede rechtsbedeling, mede in het licht van de doelstellingen van het EEX-Vo dient. Overigens heeft geïntimeerde ter zitting van 8 september 2015 bij monde van haar raadsman te kennen gegeven eigenlijk niet langer aan te dringen op haar exceptie van ontstentenis van rechtsmacht, mede in het licht van haar tegeneis (zie infra).

Het bestreden vonnis wordt, in het licht van alle voorgaande overwegingen, hervormd en het hof verklaart rechtsmacht te hebben, ook voor wat betreft het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op het vakantiehuis gelegen te Spanje.

5. Eerst beoordeelt het hof de vorderingen van appellante inzake het vakantiehuis in Spanje.

5a. Geïntimeerde beroept zich op het feit dat zij deze woning voordien zelf had betaald. Het is evenwel duidelijk dat geïntimeerde aangezien zij niet voorkomt in de eigendomstitel, hooguit verbintenisrechtelijke aanspraken (persoonlijke vorderingsrechten) in dat verband kan laten gelden. Zakenrechtelijke aanspraken als eigenaar van de vakantiewoning heeft zij als zodanig niet.

5b. Anderzijds verwijst geïntimeerde ook naar een handgeschreven document, ondertekend door appellante, waarin deze bevestigt “dat zij (= geïntimeerde) mag blijven wonen in Spanje, zolang als ze leeft”. Het hieruit geputte verweer van geïntimeerde bestaat erin dat zij een recht van bewoning kreeg toegekend van appellante op dit huis.

De handtekening van dit document wordt niet ontkend door appellante. Wel werpt appellante in dit verband op dat:

– dit document niet is gedateerd en bijgevolg waardeloos is, aangezien ook niet kan worden nagegaan of dit dateert van vóór of na het overlijden van de heer D.R., wijlen haar vader;

– geen enkel zakelijk recht wordt gevestigd;

– geen sprake is van een schenking.

5c. Het hof wenst allereerst op te merken dat een datum geen geldigheidsvoorschrift is voor de betreffende verklaring (onderhandse akte). Het ontbreken van een datering tast de intrinsieke rechtsgeldigheid van het bedoelde document niet aan. Een (in de akte of geschrift ontbrekende) datum kan overigens worden bepaald aan de hand van intrinsieke of extrinsieke omstandigheden.

Het hof neemt in dat opzicht aan dat dit document is opgesteld na het overlijden van de heer D.R., zich hierbij baserend op o.a. het principe dat, wanneer een rechtshandeling of een onderdeel ervan (bv. een beding) voor tweeërlei zin vatbaar is, de interpretatie moet gebeuren in overeenstemming met het zgn. “potius ut valeat-

interpretatiebeginsel

”, dat zijn grondslag o.a. vindt in art. 1157 BW. Uitlegging moet gebeuren op een wijze waarop de rechtshandeling zinvol is en uitwerking heeft of kan krijgen.
Er is geen andere logische conclusie mogelijk, aangezien appellante zich in het bewuste document ontegensprekelijk als enige de macht toe-eigende om rechten toe te staan op de litigieuze vakantiewoning; dit levert een gewichtig feitelijk vermoeden op dat appellante alsdan reeds beschikkingsbevoegd was, c.q. dat haar vader/rechtsvoorganger alsdan reeds was overleden. Van haar vader wordt immers geen melding (meer) gemaakt en evenmin wordt de goedkeuring/bekrachtiging van haar vader als voorwaarde vermeld.

In zoverre appellante voorts opwerpt dat door dit document geen enkel zakelijk recht wordt gevestigd, werd naar het oordeel van het hof aan geïntimeerde evenwel een persoonlijk recht van bewoning toegekend door appellante.

Van een louter gedogen kan geen sprake zijn, in weerwil van wat appellante beweert in conclusies, want de tekst van de door appellante ondertekende verklaring (cf. o.a. “zolang ze leeft”) staat haaks op deze stelling.

Het recht van bewoning kan, net zoals het vruchtgebruik (krachtens art. 625 BW), gevestigd worden door een titel. Niets staat eraan in de weg dat dit gebeurt in een eenzijdig ondertekend document (akte); het betreft een verbintenis uit eenzijdige wilsuiting, die verbindende kracht heeft en waaruit geïntimeerde bijgevolg een geldig verweer kan putten tegen de vordering van appellante.

Appellante kan geen rechtsgrond aanvoeren krachtens welke geïntimeerde van de haar toegekende bewoningsrechten vervallen zou moeten worden verklaard. Het loutere feit dat geïntimeerde in de litigieuze vakantiewoning zou samenwonen met haar nieuwe partner/vriend is geen afdoende reden; krachtens art. 632 BW mag diegene die het recht van bewoning in een huis heeft, daar immers met zijn gezin wonen.

Bovendien is het toegekende recht krachtens de termen van de titel niet onderworpen aan enige termijn, voorwaarde, modaliteit of andere beperking. De stelling van appellante dat zij de inhoud te allen tijde zou kunnen herroepen, faalt dan ook naar recht. Rechtshandelingen zijn in de regel onherroepelijk en definitief, behalve in geval van de wettelijke of conventionele gronden van tenietgaan, ontbinding of herroeping, die in casu niet worden aangetoond.

Dit noopt tot de gevolgtrekking dat de vordering van appellante ongegrond is, in zoverre deze de uitdrijving beoogt van geïntimeerde alsook in zoverre zij de betaling beoogt van een bezettingsvergoeding. In de geciteerde verbintenis van appellante werd geen som of vergoeding vermeld of bedongen. Mogelijk gold dit kosteloos bewoningsrecht uit erkentelijkheid of als compensatie voor de investeringen die geïntimeerde destijds had gefinancierd, zowel ten aanzien van appellante zelf als ten aanzien van de vader van appellante.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 03/12/2016 - 07:23
Laatst aangepast op: za, 03/12/2016 - 07:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.