-A +A

Borgstelling vennootschap voor patrimoniumvennootschap strijdig vennootschapsbelang

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
zat, 16/05/2015

Artikel 2.7 NBW bepaalt: “Een door een rechtspersoon verrichte handeling is vernietigbaar, indien daardoor het doel werd overschreden en de wederpartij dit wist of zonder eigen onderzoek moest weten; slechts de rechtspersoon kan een beroep op deze grond tot vernietiging doen.” Deze bepaling dient ter bescherming van de rechtspersoon tegen doeloverschrijdende handelingen van haar vertegenwoordigers jegens derden. Opdat de handeling op deze grond zou worden vernietigd, dient aan twee voorwaarden voldaan te zijn: het doel moet overschreden zijn en de wederpartij moet kennis hebben van deze doelomschrijding.

Onder “doel” in artikel 2.7 NBW moet inderdaad het statutaire doel worden verstaan, met dien verstande evenwel dat bij de beantwoording van de vraag of door een bepaalde rechtshandeling het doel van de rechtspersoon is overschreden, alle omstandigheden daarvoor in aanmerking moeten worden genomen en dat de wijze waarop het doel in de statuten van de rechtspersoon is omschreven daarvoor niet alleen beslissend is (vgl. HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 98).

Met name moet nagegaan worden of het belang van de vennootschap gediend is met de betrokken rechtshandeling Indien vastgesteld wordt dat de zekerheidsverstrekking in strijd is met het vennootschapsbelang, dan is zij daardoor ook in strijd met het statutaire doel, ongeacht de wijze waarop de doelomschrijving in de statuten geformuleerd is.

Het beginsel van de wettelijke specialiteit heeft tot gevolg dat een handelsvennootschap slechts titularis kan zijn van rechten en plichten in zover de aangegane verbintenissen met het wettelijk doel van deze rechtspersonen verenigbaar zijn. Een beschikking om niet is in beginsel niet verenigbaar met het winstoogmerk, dat tot de essentie van de rechtspersoon behoort. De omstandigheid dat het verlenen van een zekerheid tot het statutaire doel van de vennootschap behoort, sluit niet uit dat zij doeloverschrijdend kan handelen door zich kosteloos borg te stellen. Dit is met name het geval indien de handeling tegen het belang van de vennootschap ingaat.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/16
Pagina: 
1137
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(R.Z.H. BV / Fortis Bank NV)

Velt het hof het volgende arrest
De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien.

Antecedenten
1. In het tussenarrest van 8 december 2010 werden de feitelijke gegevens uiteengezet, die aanleiding gaven tot het geschil. Het voorwerp van het geding voor de eerste rechter werd vermeld, evenals de standpunten van de partijen. De uitspraak van de eerste rechter werd weergegeven en de overwegingen waarop hij steunde beknopt samengevat. Verder vermeldde het arrest het voorwerp van het hoger beroep en de door de partijen ingeroepen middelen. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

1.1. Het hof besloot tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep en van de door de NV Fortis Bank (hierna “Fortis” genoemd) gedane eisuitbreiding in hoger beroep.

1.2. Het hof achtte bewezen dat de twee handtekeningen, die voorkomen op de borgtochtakte, gedateerd 27 mei 1998, met daaronder telkens in handschrift de vermelding: “Dhr. W.B., Algemeen Directeur”, van de heer W.B. (hierna “B.” genoemd), directeur van de vennootschap naar Nederlands recht R.Z.H. (hierna “RZH” genoemd) zijn.

1.3. In verband met het verweer van RZH dat zij niet verbonden is door de handtekening van B., omdat hij zijn bevoegdheid overschreden heeft en Fortis daarvan op de hoogte was, overwoog het hof dat deze vraag diende beantwoord te worden volgens het Nederlands recht.

Het hof stelde dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders van de BV onbeperkt en onvoorwaardelijk is voor zover uit de wet niets anders voortvloeit en dat de statutaire bepaling, op grond waarvan het bestuursorgaan van de vennootschap voor het verbinden van de vennootschap voor schulden van anderen, de machtiging of goedkeuring nodig heeft van de raad van commissarissen, slechts interne werking heeft en niet jegens derden kan worden ingeroepen. Het hof overwoog dat op deze regel een uitzondering wordt gemaakt ten aanzien van derden te kwader trouw.

1.4. Het hof overwoog dat RZH voor het eerst in haar laatste conclusie opwierp dat de borgstelling verleend werd in strijd met het beginsel van “de wettelijke specialiteit”, op grond waarvan een vennootschap alleen verbintenissen kan aangaan die met haar wettelijk doel, namelijk het winstoogmerk, verenigbaar zijn. In dezelfde conclusie wierp RZH - eveneens voor het eerst - op dat het verlenen van de borgtocht een doeloverschrijdende handeling uitmaakte. Het hof wees erop dat ook deze vragen dienden beantwoord te worden met toepassing van het Nederlands recht.

Er werd vastgesteld dat RZH volgens artikel 2 van haar statuten onder meer het geven van zekerheden tot doel heeft. De vraag was of het verlenen van een borgstelling door RZH, die kadert in haar statutair doel, niettemin ongeoorloofd kan zijn, indien zou blijken dat zij niet verenigbaar is met het vennootschapsbelang van RZH of met haar rechtspersoonlijkheid.

1.5. Het hof stelde vast dat Fortis opgave deed van 14 betalingen die RZH aan haar heeft gedaan tussen 22 januari 2002 en 29 april 2003.

In haar afrekening bracht Fortis aanvankelijk 7 betalingen in mindering van de door RZH op grond van haar borgstelling verschuldigde som. Zij putte daaruit een argument om te stellen dat er minstens sprake was van bekrachtiging door RZH van de namens haar door B. aangehaalde borgstellingverbintenis. RZH betwistte dat deze betalingen werden verricht in uitvoering van haar borgstelling voor de schulden van de NV S.B. (hierna “S.” genoemd). Zij stelde dat de 26 betalingen, door haar verricht tussen 16 november 2000 en 22 april 2003, gebeurden voor rekening van B., op wiens rekening-courant zij geboekt werden.

1.6. Vooraleer verder recht te doen achtte het hof het noodzakelijk de debatten te heropenen teneinde Fortis toe te laten het in de laatste conclusie van RZH voor het eerst ontwikkelde middel te beantwoorden en aan beide partijen om standpunt in te nemen over de concrete omstandigheden van de toekenning van de borgstelling, rekening houdend met de gebeurlijke juridische, economische of feitelijke verbanden tussen S. en RZH, evenals over de verenigbaarheid daarvan met het “wettelijk doel” of vennootschapsbelang van RZH en haar rechtspersoonlijkheid.

In het kader van de bevolen heropening der debatten werden de partijen bovendien uitgenodigd verder standpunt in te nemen over de door RZH opgeworpen bevoegdheidsoverschrijding, rekening houdend met de daaromtrent uiteengezette principes, evenals over het door RZH - eveneens voor het eerst in haar laatste conclusie - opgeworpen middel, dat zij niet gebonden is door de borgstelling, ondertekend door de heer B., omdat daaruit niet blijkt dat hij handelde voor haar rekening. Ten slotte nodigde het hof de partijen uit om, met betrekking tot elk van de door hen aangehaalde gedane, respectievelijk ontvangen, betalingen, de precieze oorzaak te vermelden en te verantwoorden en alle daarop betrekking hebbende stavingstukken voor te leggen.

2. De partijen hebben in conclusies na het tussenarrest hun standpunt uiteengezet in verband met de aangelegenheden waarvoor het debat heropend werd.

2.1. Fortis vraagt uiteindelijk dat het hoger beroep wordt afgewezen als ongegrond en dat het bestreden vonnis wordt bevestigd, met dien verstande dat de (nieuwe) cijfermatige uitbreiding van de oorspronkelijke vordering wordt geacteerd en toegekend, wegens onterechte toerekening van betalingen die thans door RZH worden ontkend, of minstens volgens haar zelf niet op haar schuld mogen worden toegerekend. Fortis vordert de veroordeling van RZH tot betaling van 235.498,85 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de verwijlinteresten vanaf 8 januari 2002 (zijnde de datum van de aanmaning) en te verminderen (overeenkomstig art. 1254 BW) met een betaling van 6.721,11 EUR, uitgevoerd op 15 mei 2002. Zij vraagt dat de gelopen en verschuldigde interesten op 30 juni 2009 gekapitaliseerd worden overeenkomstig artikel 1154 BW, nu zij daartoe bij conclusie van die datum gerechtelijk aanmaande, en dat de interesten op 31 maart 2011 andermaal gekapitaliseerd worden, waartoe haar conclusie, neergelegd op 31 maart 2011 geldt als aanmaning. Ten slotte vordert Fortis dat RZH veroordeeld wordt tot de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep begroot op 7.700 EUR rechtsplegingsvergoeding.

2.2. RZH vordert uiteindelijk dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en, opnieuw wijzende, in hoofdorde de zogenaamde borgtochtakte van 27 mei 1998 nietig verklaart, gelet op het feit dat met deze akte haar wettelijke specialiteit en maatschappelijk doel werden miskend en B. zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft overschreden, terwijl Fortis daarvan niet onkundig kon zijn. In ondergeschikte orde, indien het hof zou oordelen dat zij gehouden is door de borgtochtakte, vraagt RZH de gevorderde rente te herleiden tot de wettelijke interestvoet, aangezien de verwijlrente in combinatie met de gevorderde toepassing van artikel 1154 BW kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven gaat. Ten slotte vordert zij dat Fortis verwezen wordt in de kosten van het geding, met inbegrip van het rolrecht van 186 EUR en de rechtsplegingsvergoeding, per aanleg begroot op 7.000 EUR.

2.3. De door de partijen ingeroepen middelen zullen hierna besproken worden in zover zij dienstig zijn voor de beslechting van het geschil.

Beoordeling
1. De partijen verklaarden zich akkoord dat de conclusies, neergelegd na het verstrijken van de conclusietermijnen, tot het debat behoren.

Daartegen bestaat geen bezwaar.

2. Fortis stelt haar vordering op grond van een onderhandse “borgtochtakte” van 27 mei 1998, waarbij RZH en de BV M.B. (hierna “M.” genoemd) verklaarden hoofdelijk en ondeelbaar te waarborgen, zowel onder elkaar als met S., de betaling van alle bedragen van welke aard ook die S. aan de Generale Bank (rechtsvoorganger van Fortis Bank) verschuldigd was of zou kunnen zijn ingevolge alle bankverrichtingen van welke aard ook, tot beloop van 9.500.000 BEF of 235.498,85 EUR. Onderaan deze borgtochtakte komt tweemaal de handtekening voor van B., gevolgd door zijn naam en de vermelding “Algemeen Directeur”.

Bij brief van 26 mei 1998 stond Fortis een kredietverhoging toe aan S. voor hetzelfde bedrag van 9.500.000 BEF. Deze kredietbrief werd op 27 mei 1998 ondertekend door B., met onder de handtekening zijn naam en de vermelding “ged. bestuurder”. In de kredietbrief was bedongen dat de kredietverhoging gewaarborgd was door reeds bestaande zekerheden - een hypotheek op een onroerend goed en borgstellingen van M. en van B. en zijn toenmalige echtgenote - en dat zij slechts bruikbaar zou zijn na de vestiging van de hoofdelijke borgstelling van 9.500.000 BEF, te ondertekenen door RZH en M.

Verder bepaalde deze kredietbrief dat het krediet bestemd was “voor de financiering van de aankoop van een yacht”.

3. S. werd op 14 november 2003 in staat van faillissement verklaard. RZH, die aangesproken werd om haar verbintenissen als hoofdelijke borg na te komen, betwistte aanvankelijk dat de daarop voorkomende handtekening van haar directeur B. was. Het hof heeft in het arrest van 8 december 2010 dit verweer afgewezen.

Ter staving van haar stelling dat zij niet tot betaling gehouden is, volhardt RZH in haar overige verweermiddelen: zij houdt voor dat B. niet bevoegd was om de borgtochtakte te ondertekenen zonder de machtiging of goedkeuring van de commissaris of de raad van commissarissen van de vennootschap en dat zij deze bevoegdheidsoverschrijding kan inroepen ten aanzien van Fortis, die te kwader trouw was; bovendien kan Fortis volgens haar geen rechten putten uit de verleende borgstelling, omdat deze niet verenigbaar was met haar wettelijk doel of haar vennootschapsbelang en haar rechtspersoonlijkheid; verder roept RZH in dat de borgtochtakte niet vermeldt voor wie B. ondertekende, zodat daaruit niet tot haar gehoudenheid kan besloten worden; ten slotte werpt zij een nieuw middel op, dat zij put uit de niet-naleving van de wettelijke en statutaire regeling inzake tegenstrijdig belang tussen de vennootschap en haar bestuurder.

4. Uit de uiteenzetting van de partijen en de voorliggende stukken komen de hierna vermelde, voor de beoordeling van het geschil relevante feitelijke gegevens naar voor.

4.1. RZH is, zoals haar naam het aangeeft, een holding, die belangen heeft in andere vennootschappen. Volgens een schema, getiteld “Vennootschapsstructuur per 29 november 2000”, opgesteld door Deloitte & Touche en voorgelegd door Fortis, had RZH op de aangegeven datum een belang van 100% in RZP BV, DMP BV en RZI BV. RZH spreekt dit niet tegen. Het doel van RZH wordt in haar statuten als volgt omschreven:

“a. het verwerven, bezitten en vervreemden van aandelen in andere vennootschappen, alsmede het verwerven, houden en afstoten van deelnemingen in of op andere wijze deelnemen in andere ondernemingen en het verwerven, bezitten en vervreemden van andere effecten;

b. het voeren van het beheer en het bestuur over- of het geven van adviezen aan andere vennootschappen of ondernemingen;

c. het ter leen opnemen of verstrekken van gelden, alsmede het geven van zekerheden (waaronder garanties) en het uitgeven, verkrijgen en vervreemden van waardepapieren ter belichaming van rechten en/of verplichtingen en van andere vermogenswaarden en het verkrijgen, vervreemden, verhuren, huren, beheren, administreren, (doen) stichten en exploiteren van onroerende zaken in de ruimste zin des woords;

d. zomede al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.”

Fortis legt een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel voor, waaruit blijkt dat RZH opgericht werd op 3 maart 1977 onder de naam R.Z. BV. Sedert 2007 is de enige aandeelhouder van de vennootschap S.S. BV, die vanaf dat ogenblik ook directeur werd van de vennootschap, naast B., die deze functie uitoefent sedert 1 juli 1987. Van 15 maart 1995 tot 14 juni 2000 en dus ook ten tijde van het aangaan van de litigieuze borgstelling op 27 mei 1998, was M. de enige aandeelhouder van RZH.

4.2. M. werd blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel opgericht op 28 januari 1991. B. was, van bij de oprichting, enig aandeelhouder en directeur van deze vennootschap. Uit de publicatie in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1997 van het uittreksel van een akte waarbij de statuten in overeenstemming gebracht werden met het Belgisch recht, blijkt dat M. tot doel heeft “het voor eigen rekening beleggen van vermogen in onroerende goederen, effecten, schuldvorderingen en andere vermogensbestanddelen en voorts al hetgeen met het vorenstaande in de meest ruime zin genomen in verband staat of daartoe bevorderlijk kan zijn. Onder het doel van de vennootschap is mede begrepen: het oprichten, besturen en financieren van, het deelnemen in, het samenwerken met, het verlenen van diensten en het stellen van zekerheid in welke vorm ook voor verplichtingen van andere (rechts)personen en ondernemingen”.

4.3. De inventaris, opgesteld door de curator van S. na haar faillissement, vermeldt dat deze vennootschap in 1993 was opgericht door B. en door zijn toenmalige echtgenote D.v.L. Volgens de curator was S., die als maatschappelijk doel had studie-, organisatie- en raadgevend bureau inzake financiële-, handels-, fiscale- en sociale aangelegenheden, in werkelijkheid de patrimoniumvennootschap van de familie B. De gedelegeerd bestuurder van S. was B., wiens hoofdinkomsten volgens de curator afkomstig waren van RZH. Volgens het hoger vermelde document van Deloitte & Touche was B. voor 100% eigenaar van S.

5. De litigieuze borgstelling door RZH werd verleend tot waarborg van een krediet(verhoging) die aan S. was toegestaan ter financiering van de aankoop van een “yacht” of pleziervaartuig.

5.1. Artikel 2.7 NBW bepaalt: “Een door een rechtspersoon verrichte handeling is vernietigbaar, indien daardoor het doel werd overschreden en de wederpartij dit wist of zonder eigen onderzoek moest weten; slechts de rechtspersoon kan een beroep op deze grond tot vernietiging doen.” Deze bepaling dient ter bescherming van de rechtspersoon tegen doeloverschrijdende handelingen van haar vertegenwoordigers jegens derden. Opdat de handeling op deze grond zou worden vernietigd, dient aan twee voorwaarden voldaan te zijn: het doel moet overschreden zijn en de wederpartij moet kennis hebben van deze doelomschrijding.

5.2. Fortis stelt dat een rechtshandeling, die voor rekening van een handelsvennootschap wordt gesteld, niet kan nietig verklaard worden op grond van het wettelijk specialiteitsbeginsel, indien deze rechtshandeling onmiskenbaar onder het statutaire doel van de vennootschap valt. In het voorliggende geval kon RZH zich, op grond van haar statuten, borg stellen voor de schuld van S.

Onder “doel” in artikel 2.7 NBW moet inderdaad het statutaire doel worden verstaan, met dien verstande evenwel dat bij de beantwoording van de vraag of door een bepaalde rechtshandeling het doel van de rechtspersoon is overschreden, alle omstandigheden daarvoor in aanmerking moeten worden genomen en dat de wijze waarop het doel in de statuten van de rechtspersoon is omschreven daarvoor niet alleen beslissend is (vgl. HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 98).

Met name moet nagegaan worden of het belang van de vennootschap gediend is met de betrokken rechtshandeling (vgl. HR 20 september 1996, NJ 1997, 149; A.A. Van Velten, “De problematiek van tegenstrijdig belang en doeloverschrijding in het Nederlands vennootschapsrecht bij grensoverschrijdende rechtshandelingen” in Vennootschapsrechtelijke Clausules voor het Notariaat, Liber Amicorum Luc Weyts, Larcier, 2011, 1029). Indien vastgesteld wordt dat de zekerheidsverstrekking in strijd is met het vennootschapsbelang, dan is zij daardoor ook in strijd met het statutaire doel, ongeacht de wijze waarop de doelomschrijving in de statuten geformuleerd is (vgl. E.C. Stienstra, “Vennootschappelijk belang” in V&O, februari 2005, p. 24).

5.3. Het beginsel van de wettelijke specialiteit heeft tot gevolg dat een handelsvennootschap slechts titularis kan zijn van rechten en plichten in zover de aangegane verbintenissen met het wettelijk doel van deze rechtspersonen verenigbaar zijn. Een beschikking om niet is in beginsel niet verenigbaar met het winstoogmerk, dat tot de essentie van de rechtspersoon behoort. De omstandigheid dat het verlenen van een zekerheid tot het statutaire doel van de vennootschap behoort, sluit niet uit dat zij doeloverschrijdend kan handelen door zich kosteloos borg te stellen. Dit is met name het geval indien de handeling tegen het belang van de vennootschap ingaat.

De vraag moet gesteld worden of de borgstelling door RZH in het voordeel van Fortis voor de schulden van S. in redelijkheid kan worden geacht dienstbaar te zijn aan de in de statuten genoemde werkzaamheden, dan wel gericht te zijn op het belang van RZH.

5.4. Volgens Fortis was het gewaarborgde krediet nuttig voor RZH, die handel drijft in navigatie- en maritieme automatiseringsystemen, dienstig voor jachten. Het aangekochte pleziervoertuig kon volgens haar door B., die “manager” was van S., gebruikt worden om de door RZH geconcipieerde en gecommercialiseerde systemen te gebruiken en aan te prijzen.

Zoals uit de hoger aangehaalde doelomschrijving blijkt, dreef RZH geen handel in automatiseringsystemen, maar was zij een holding.

Wel blijkt een dochtervennootschap van RZH, namelijk R.Z. DMP BV actief te zijn in de sector van navigatie- en maritieme automatiseringsystemen voor “super yachts”. Dit zijn grote pleziervaartuigen, meestal met een professionele bemanning. Uit publiciteit, foto's en een referentielijst die RZH voorlegt blijkt dat de apparatuur en de consoles die R.Z. DMP BV vervaardigt en commercialiseert, bestemd zijn voor grote luxejachten en een totaal andere markt betreffen dan het pleziervaartuig waarvan de financiering door Fortis gewaarborgd werd door RZH.

RZH wijst erop dat het jacht, waarvoor de gewaarborgde financiering moest dienen, een pleziervaartuig was van 250.000 EUR met een lengte van ongeveer 16,80 meter en een cockpit van 60 tot 70 cm, terwijl de activiteit van R.Z. DMP BV - zoals blijkt uit de voorgelegde foto's - betrekking heeft op consoles met een omvang van 5 tot 6 meter voor “luxemegajachten” met een lengte van 50 tot 115 meter.

RZH stelt dat de kostprijs van deze consoles tussen 150.000 EUR en 1.000.000 EUR bedraagt en dat zij geïnstalleerd worden in jachten die tussen 20.000.000 EUR en 300.000.000 EUR kosten. RZH besluit daaruit dat het plezierjacht dat aangekocht werd voor de familie B. niet dienstig kon zijn voor het promoten en aanprijzen van haar activiteiten. Fortis spreekt dit niet concreet tegen.

Uit de voorliggende stukken en de niet weerlegde feitelijke gegevens blijkt aldus dat dit jacht helemaal niet dienstig kon zijn voor het commercialiseren en aanprijzen van de producten van de dochtervennootschap van RZH.

Indien het te financieren jacht een demonstratievaartuig was, dienstig om de activiteiten van R.Z. DMP BV te promoten, ziet men overigens niet in waarom het aangekocht werd door S., die een patrimoniumvennootschap van B. was. Fortis, die aan S. eerder ook reeds krediet verleend had voor de aanschaf van een villa, bestemd voor B., wist dat deze financiering in werkelijkheid de aanschaf van een jacht voor privégebruik tot doel had.

5.5. Volgens Fortis blijkt het vennootschapsbelang van RZH ook uit het feit dat zij een zakenrelatie onderhield met S., die haar inkomsten haalde uit het management voor RZH. Fortis stelt dat S. een belangrijke toeleverancier van managementdiensten van RZH was en dat RZH er belang bij had de borgstelling te onderschrijven teneinde de leveranties van S. veilig te stellen. Zij verklaart dat RZH volledig afhankelijk was van de managementprestaties die S. (in de persoon van B.) leverde.

Deze beweringen vinden geen steun in het dossier. Het was B. die als directeur van RZH de vennootschap bestuurde en in die hoedanigheid haar management waarnam. S. was niets anders dan een management- en patrimoniumvennootschap, die B. had opgericht om redenen die hem eigen waren. Uit niets blijkt dat S. zelf leveringen van goederen of diensten verrichtte aan RZH of om een andere reden een al dan niet belangrijke zaken partner was. Alleszins wordt niet aannemelijk gemaakt dat het in het vennootschapsbelang was van RZH dat S. in stand gehouden werd, laat staan in de mogelijkheid gesteld werd een plezierjacht te kopen.

5.6. Fortis stelt dat, in een groepsverhouding, het belang van de groep mede als belang van iedere vennootschap van de groep kan worden aangemerkt en het winstoogmerk ruimer dient beschouwd te worden.

Waar RZH argumenteert dat er geen volkomen verbondenheid, dan wel groeps- of concernverhouding bestond tussen haar en S., omdat S. geen bestuurder was van haar, maar B., blijkt uit de hoger aangehaalde stukken dat RZH en S., op het ogenblik van de borgstelling, beiden door B. bestuurd werden.

Volgens Fortis was het in het belang van RZH om S., de managementvennootschap van B., via de borgstelling in staat te stellen de aankoop van het jacht te financieren, omdat B., ten tijde van de borgstelling, via M. Beheer, waarvan hij 100% van de aandelen bezat, ook 100% van de aandelen bezat van RZH en fungeerde als manager en bestuurder van RZH. Er was volgens Fortis (via B. en M. Beheer) een volkomen verbondenheid tussen S. en RZH en de borgstelling strekte er tevens toe faciliteiten en materiële voordelen toe te staan aan de manager (en 100% eigenaar) van RZH.

Fortis geeft hiermee te kennen dat zij de borgstelling door RZH ziet als de toekenning van een voordeel aan haar bestuurder B. (via diens patrimoniumvennootschap).

Wanneer bij de beoordeling van de vraag of een handeling doeloverschrijdend is, alle omstandigheden in acht moeten genomen worden, dan is de concernverhouding één van deze omstandigheden (vgl. HR 7 februari 1992, NJ 1992, 438). Tussen verbonden vennootschappen of in groepen mag veelal aangenomen worden dat het geven van een zekerheid door een groepsvennootschap voor een schuld van een andere vennootschap van de groep niet in strijd is met het belang van de zekerheidsverstrekkende vennootschap. Dit sluit evenwel niet uit dat deze handeling doeloverschrijdend kan zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de vennootschap die de zekerheid verstrekt haar eigen continuïteit daardoor in gevaar brengt (vgl. J.C. Beloer, “Vennootschap & Onderneming. Concernfinanciering en doeloverschrijding”, V&O, maart 2004, 45, met verwijzing naar HR 18 april 2003, JOR 2003, 160), of wanneer de zekerheid strekt tot de waarborg van een schuld, die uitsluitend voor de privébehoeften van haar directeur wordt aangegaan (vgl. A.A. Van Velten, o.c.).

5.7. De in het geding zijnde borgstelling werd door RZH verleend tot zekerheid voor een schuld, aangegaan door S. met het oog op het verwerven van een pleziervaartuig, dat bestemd was voor B. en zijn gezin. Fortis, die daarvan op de hoogte was en naar eigen zeggen ook reeds instond voor de financiering van de woning van B. (via dezelfde patrimoniumvennootschap), maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat RZH er enig rechtstreeks of onrechtstreeks belang bij kon hebben zich bloot te stellen aan de aanspraken op terugbetaling van dit aan S. toegekende krediet. In zover zou kunnen aangenomen worden dat het geven van zekerheid voor bepaalde schulden van bestuurders van de vennootschap in het vennootschapsbelang kan kaderen, waarbij dan als voorbeeld gegeven wordt dat de vennootschap zich borg stelt voor de schuld die (een patrimoniumvennootschap van) de bestuurder aangaat, teneinde over een passende huisvesting voor deze bestuurder te zorgen, kan dit hoegenaamd niet ingeroepen worden waar het de financiering van een plezierjacht betreft. Deze zekerstelling was dan ook kennelijk in strijd met het vennootschapsbelang van RZH.

5.8. Zelfs indien men het vennootschapsbelang en de wettelijke specialiteit in de meest ruime zin interpreteert, rekening houdend met het feit dat het winstbegrip niet alleen rechtstreekse, maar ook onrechtstreekse vermogensvoordelen omvat, en het dynamisch en toekomstgericht opvat, waardoor ook handelingen die niet onmiddellijk met winstbejag zijn gesteld, zich inschakelen in een ruimer perspectief dat winst beoogt, kan het waarborgen van de financiering van een pleziervaartuig van een patrimoniumvennootschap van haar directeur, in alle redelijkheid niet als een handeling beschouwd worden, die kaderde in het vennootschapsbelang van RZH.

Fortis besefte of had redelijkerwijze moeten beseffen dat de verleende borgstelling helemaal niet paste binnen de doelomschrijving van RZH, dat haar belang daarmee geenszins gediend was, doch dat deze handeling integendeel alleen maar nadelig voor RZH was, nu zij zich blootstelde aan de aanspraak op betaling van een aanzienlijk bedrag, zonder dat daar enig rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel tegenover stond.

6. Fortis houdt voor dat RZH de borgtochtakte bekrachtigd heeft door afbetalingen te verrichten. RZH beweert dat de door haar uitgevoerde betalingen niet strekten tot het honoreren van de borgstelling, maar werden uitgevoerd voor rekening van B., die eveneens een schuld had ten aanzien van Fortis.

Zonder zich uit te spreken over de betwisting over de toerekening van deze betalingen, kan de thesis van de bekrachtiging niet bijgetreden worden. Zowel de bevestiging van een handeling die in strijd is met het vennootschapsbelang als de afstand van het recht om de vernietiging daarvan te vorderen, veronderstellen zelf weer een rechtshandeling die in strijd is met het vennootschapsbelang (vgl. Th. Groenewald, Doeloverschrijding bij NV en BV, Deventer, Kluwer, 2001, p. 136, randnr. 8.10.5; M. Keijzer, “Ultra vires in de Nederlandse financieringspraktijk”, V&O, mei 2002, 85).

7. De sanctie wegens het feit dat de borgstelling kennelijk in strijd met het vennootschapsbelang van RZH werd toegestaan, maar integendeel bijzonder nadelig was, zoals uit de onderhavige vordering van Fortis blijkt, is dat zij nietig dient verklaard te worden. Een beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan te allen tijde worden gedaan als verweer tegen een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel (art. 3.51.3 NBW).

8. Aangezien de vordering van Fortis ongegrond is, enkel reeds omdat zij steunt op een borgtocht die werd toegestaan in strijd met het vennootschapsbelang van RZH en bijgevolg nietig is, dienen de andere door RZH ingeroepen verweermiddelen niet onderzocht te worden.

9. Rekening gehouden met de ongegrondheid van de vordering van Fortis en met de gegrondheid van het hoger beroep, zijn de kosten van het geding in beide aanleggen ten laste van Fortis.

RZH begroot de rechtsplegingsvergoeding op 7.000 EUR per aanleg. Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, bepaalt dat de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat in werking zijn getreden op 1 januari 2008.

De artikelen 1 tot en met 12 van deze wet zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden (art. 13 van deze wet). Hetzelfde koninklijk besluit van 26 oktober 2007 heeft het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 Ger.W. opgeheven (art. 9 van het KB van 26 oktober 2007). Het heeft nieuwe tarieven voor de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld (art. 2 van hetzelfde KB). Deze nieuwe tarieven zijn toepasselijk op de procedure in hoger beroep voor dit hof. Gelet op de waarde van de vordering bedraagt het (geïndexeerde) basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 7.700 EUR. De rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg dient begroot te worden volgens het op het ogenblik van de uitspraak (9 januari 2007) geldende KB van 30 november 1970, aangezien de nieuwe regeling en bedragen slechts gelden per aanleg.

De nieuwe wet is enkel van toepassing op hangende zaken en niet op reeds in eerdere aanleggen beslechte zaken.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van RZH BV gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende;

Verklaart de borgtocht, door RZH BV verleend bij akte van 27 mei 1998 en waarbij zij de betaling waarborgde van de sommen, verschuldigd door de NV S. Beheer aan de Generale Bank tot beloop van 9.500.000 BEF, meer interesten, provisies en kosten, nietig en dienvolgens de vordering van de NV Fortis Bank, zoals uitgebreid in hoger beroep, ontvankelijk, doch ongegrond;

Veroordeelt de NV Fortis Bank tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet te begroten, aangezien zij te haren laste zijn, en aan de zijde van RZH BV begroot op 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 186 EUR rolrecht hoger beroep en 7.700 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Noot: 

Demeester, B., « De borgstelling en het vennootschappelijk belang naar Nederlands recht », R.A.B.G., 2014/16, p. 1147-1151

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 08/07/2017 - 11:55
Laatst aangepast op: za, 08/07/2017 - 11:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.