-A +A

Boekhouder is steeds aansprakelijk voor zijn fouten in de boekhouding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Oostende
Datum van de uitspraak: 
don, 06/10/2016

Om erkend te worden en te blijven als boekhouder of als boekhouder-fiscalist, moet deze instaan, voor de uitvoering van de professionele opdrachten die hij vervult en zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid verzekeren door een verzekeringsovereenkomst goedgekeurd door de Nationale Raad van het Beroepsinstituut

Het is een boekhouder verboden, zich aan deze aansprakelijkheid te onttrekken, zelfs gedeeltelijk, door een bijzondere overeenkomst in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Telkens als een boekhoudopdracht wordt gegeven aan een door het instituut erkende rechtspersoon, moet die onder haar vennoten, zaakvoerders of bestuurders een door het instituut erkende vertegenwoordiger-natuurlijke persoon aanduiden die instaat voor de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van deze vennootschap.

Voor die vertegenwoordiger gelden dezelfde voorwaarden en dezelfde tuchtrechtelijke aansprakelijkheid als wanneer hij die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen.

Een exoneratiebeding in een overeenkomst met een boekhouder zou dus theoretisch de boekhouder kunnen vrijstellen van aansprakelijkheid in geval van nalatigheid, hetgeen zelfs niet in strijd zou zijn met art. 50, § 1 van de wet van 22 april 1999. Dit artikel verbiedt immers enkel de vrijstelling van aansprakelijkheid in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet. 

Maar bij een beoordeling van de rechtsgeldigheid vaneen exoneratieclausule rijst de vraag rijst evenwel of deze clausule ook geldig is in het kader van het gemene recht.

Een contractspartij kan zich exonereren voor haar eigen zware fout.

In die omstandigheden moet er geoordeeld worden dat een contractspartij zich a fortiori principieel kan exonereren voor haar nalatigheid.

Dit is evenwel anders indien het exoneratiebeding aan de overeenkomst iedere zin of betekenis ontneemt omdat het betrekking heeft op een verbintenis die een wezenlijke prestatie van de overeenkomst vormt.

Indien een dergelijk beding toegelaten zou zijn, zou een erkend boekhouder bijvoorbeeld bij het indienen van een belastingaangifte kunnen aanvoeren dat hij door de enkele indiening van de aangifte zijn verplichtingen is nagekomen, maar dat hij voor eventuele fouten die te wijten zijn aan zijn nalatigheid, geen enkele aansprakelijkheid kan dragen. Dit gaat niet op en zou ieder vertrouwen van de klanten in erkende beroepsbeoefenaren ontnemen.

Een boekhouder moet bij het opstellen van een exoneratiebeding erover moet waken dat die beperking geen zuivere en eenvoudige vrijstelling van aansprakelijkheid wordt 

Niets belet dat de aansprakelijkheid beperkt wordt tot het bedrag dat gedekt is door de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of tot een plafond gelijk aan x maal het ereloon of tot een forfaitair bedrag.

Weliswaar kan de verplichting van de boekhouder aanzien worden als "slechts" een inspanningsverbintenis om het cijfermateriaal zo goed mogelijk te verwerken.

Dit behelst en laat de rechtbank toe of de boekhoudr zich van dze inspanningsverbintenis heeft gekweten zoals van een normaal en zorgvuldig boekhouder mag worden verwacht.

Het foutief ingeven van gegevens voldoet niet aan de inspanningsverbintenis van de boekhouder die beroepsfouten uitmaken aan de zijde de boekkhouder en dus een contractuele wanprestatie zijn.

De boekhouder die de belastingsaangifte ingedient, neemt hiermee en hierdoor de juridische verantwoordelijkheid op zich om deze zo correct mogelijk in te vullen.

Indien een boekhouder hierbij zijn opdracht wenst te beperken tot het louter materiële werk van het ingeven van cijfers die zouden opgesteld zijn door de vorige boekhouder van de klant, dan zal de boekhouder hier uitdrukkelijk op moeten wijzen. 

De aansprakelijkheid van de boekhouder verdwijnt niet doordat een algemene vergadering van de klant de door de boekhouder opgestelde jaarrekening heeft goedgekeurd. Hieruit kunnen enkel bepaalde gevolgen afgeleid worden voor o.m. de wijze waarop de aandeelhouders de winst hebben willen bestemmen.

De aandeelhouders mogen er evenwel van uitgaan dat de boekhouder van de vennootschap de boekhoudkundige gegevens op een correcte wijze verwerkt heeft. Er anders over oordelen zou betekenen dat zij vooraleer de jaarrekening goed te keuren, deze eerst nog eens zouden moeten laten nazien door een andere boekhouder ...

De vergelijking kan worden gemaakt met een advocaat die zijn ontwerp van conclusie ter goedkeuring voorlegt aan zijn cliënt. Door de goedkeuring van het ontwerp bevestigt de cliënt dat de feitelijke uiteenzetting in deze conclusie correct is. Het blijft evenwel de taak van de advocaat als specialist om alle nuttige juridische argumenten in te roepen die de stelling van zijn cliënt kunnen ondersteunen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1151
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA L.V. t/ BVBA F.B.D.-C.

...

2. Relevante feitelijke gegevens en standpunt van de partijen

2.1. L. zet uiteen dat zij een beroep deed op D. voor het leveren van boekhoudkundige prestaties en in het bijzonder voor de aangifte van de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2014.

Volgens L. heeft D. de aangifte voor het aanslagjaar 2014 ingediend, waarna er op 12 december 2014 een aanslagbiljet volgde op grond waarvan zij een bedrag verschuldigd was van 27.410,03 euro aan belastingen.

2.2. Bij e-mail van 17 december 2014 schreef D. aan de fiscus dat zij bij het invullen van de vennootschapsbelasting een materiële vergissing had begaan in die zin dat de vennootschap aanspraak kon maken op het verlaagd tarief.

De fiscus antwoordde bij e-mail van 7 januari 2015 dat de interne jaarrekening voor 2014 niet gevoegd was. Zij vroeg om deze door te sturen.

2.3. Als gevolg hiervan heeft de fiscus een rechtzetting doorgevoerd.

Bij aanslagbiljet van 20 april 2015 werd de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2014 bepaald op 24.010,69 euro i.p.v. op 27.410,03 euro. Dit was dus een vermindering met 3.399,34 euro.

2.4. L. voert aan dat zij het toch vreemd vond dat zij zoveel belastingen moest betalen. Om die reden zou zij een fiscalist geraadpleegd hebben. Dit was het fiscaal kantoor V. Dit kantoor heeft volgens L. heel wat boekhoudkundige vergissingen vastgesteld.

2.5. Volgens L. heeft zij D. hierop gewezen met als gevolg dat deze eenzijdig een einde heeft gemaakt aan de samenwerkingsovereenkomst. D. zou aanvankelijk tevens geweigerd hebben om de boekhoudkundige stukken terug te geven.

2.6. Bij aangetekende brief van 25 februari 2015 heeft de advocaat van L.C., de zaakvoerder van L., D in gebreke gesteld om een aantal boekhoudkundige stukken af te geven.

Bij e-mail van 25 februari 2015 heeft D. deze ingebrekestelling betwist.

L. erkent dat haar advocaat op 5 maart 2015 de resterende stukken heeft ontvangen.

2.7. L. voert aan dat V. op 2 april 2015 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2014. Hierin schreef V. dat er na de door hem doorgevoerde rechtzetting van «fouten» nog een winst was (vóór belastingen) van 28.758,64 euro i.p.v. een belastbare winst van 77.567,21 euro zoals berekend door D.

Volgens V. moest er op de door hem berekende winst van 28.758,64 euro nog een bedrag aan belastingen van 8.719,11 euro betaald worden.

2.8. Volgens L. heeft haar advocaat bij e-mail van 7 april 2015 de bevindingen van V. bezorgd aan D. en heeft zij voorbehoud gemaakt om een schadevergoeding van haar te vorderen.

2.9. Bij aangetekende brief van 2 april 2015 heeft de fiscus beslist tot een ontheffing voor een bedrag van 15.095,40 euro. In deze brief schreef de fiscus o.m. dat zij de belastbare grondslag van de vennootschapsbelasting van het aanslagjaar 2014 bepaalde zoals vastgesteld in het bezwaarschrift en dat er een belastingverhoging van 10% werd toegepast.

2.10. Bij e-mail van 6 oktober 2015 schreef de advocaat van L. aan D. dat zijn cliënte «om kort proces te maken» bereid was om haar schadevergoedingsaanspraak te beperken tot de kosten van V. (drie facturen), op voorwaarde dat D. binnen tien dagen haar akkoord gaf.

2.11. Bij e-mail van 21 oktober 2015 heeft de advocaat van L. aan D. een herinnering gestuurd van dit minnelijk voorstel.

2.12. Bij e-mail van 21 oktober 2015 heeft D. deze e-mail betwist.

2.13. De advocaat van L. heeft deze e-mail bij brief van 28 oktober 2015 betwist. Tevens herhaalde hij nog eens het minnelijk voorstel van zijn cliënte.

2.14. Bij e-mail van 20 november 2015 heeft de advocaat van L. nog eens een herinnering gestuurd naar D.

Bij e-mail van dezelfde dag antwoordde D. Dat zij geen weet had van de bijlagen waarnaar de advocaat van L. verwees.

...

2.18. Bij brief van 18 december 2015 heeft de advocaat van D. iedere aansprakelijkheid van zijn cliënte betwist.

2.19. Bij e-mail van dezelfde dag heeft de advocaat van L. hierop gereageerd en heeft hij aangekondigd dat er zou worden gedagvaard.

2.20. Op 29 december 2015 heeft L. D. laten dagvaarden.

2.21. D. betwist de vordering. Zij voert hiertoe o.m. de volgende argumenten aan:

– er is een exoneratiebeding dat haar aansprakelijkheid beperkt;

– zij heeft enkel de cijfers van de vorige boekhouder ingeboekt;

– zij heeft slechts een inspanningsverbintenis.

3. De vorderingen

3.1. In haar conclusies van 9 mei 2016, die gelden als syntheseconclusies in de zin van art. 748bis Ger.W., vordert L. de veroordeling van D. tot betaling van een bedrag van 2.060 euro, te vermeerderen met rente en de kosten van het geding.

4. Beoordeling

4.1. Als eerste verweermiddel beroept D. zich op het exoneratiebeding dat is opgenomen in art. 5 van de volmacht die L. haar op 10 maart 2014 heeft gegeven. Dit artikel luidt als volgt: «Exoneratiebeding. Nalatigheid van de volmachtdrager zal nooit, om gelijk welke redenen, kunnen worden ingeroepen. De gegeven volmacht houdt niet in dat de volmachtdrager aansprakelijk kan worden gesteld, zowel burgerlijk als strafrechtelijk, voor belastingfraude, -ontduiking of -ontwijking.»

4.2. L. voert aan dat dit exoneratiebeding niet rechtsgeldig is.

Volgens D. is een dergelijk beding evenwel perfect rechtsgeldig op grond van art. 33 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.

D. verwijst evenwel ten onrechte naar art. 33 van deze wet. Dit artikel heeft immers betrekking op de accountants en de belastingconsulenten.

De rechtbank stelt evenwel vast dat D. een inschrijving heeft onder (...) bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (hierna «BIBF»). Zij is bijgevolg geen accountant of een belastingconsulent, maar wel een erkend boekhouder.

De rechtsgeldigheid van exoneratiebedingen die een erkend boekhouder sluit, wordt geregeld door o.m. art. 50 (en niet art. 33) van de wet van 22 april 1999. Art. 50, § 1 van deze wet bepaalt:

Ǥ 1. Om erkend te worden en te blijven als boekhouder of als boekhouder-fiscalist, moet de betrokkene aan volgende voorwaarden voldoen:

«1o instaan, in overeenstemming met het gemeen recht, voor de uitvoering van de professionele opdrachten die hij vervult en zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid verzekeren door een verzekeringsovereenkomst goedgekeurd door de Nationale Raad van het Beroepsinstituut

«Het is hem verboden, zich aan deze aansprakelijkheid te onttrekken, zelfs gedeeltelijk, door een bijzondere overeenkomst in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

«Telkens als een opdracht bedoeld in artikel 49 wordt gegeven aan een door het instituut erkende rechtspersoon, moet die onder haar vennoten, zaakvoerders of bestuurders een door het instituut erkende vertegenwoordiger-natuurlijke persoon aanduiden die instaat voor de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van deze vennootschap. Voor die vertegenwoordiger gelden dezelfde voorwaarden en dezelfde tuchtrechtelijke aansprakelijkheid als wanneer hij die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen.»

4.3. In zoverre het exoneratiebeding uit art. 5 van de volmacht D. enkel vrijstelt van aansprakelijkheid in geval van nalatigheid, is dit artikel niet in strijd met art. 50, § 1 van de wet van 22 april 1999. Dit artikel verbiedt immers enkel de vrijstelling van aansprakelijkheid in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet. L. voert niet aan dat de fouten die D. zou hebben begaan, met bedrieglijk opzet zijn gepleegd.

4.4. De vraag rijst evenwel of deze clausule geldig is in het kader van het gemene recht.

Een contractspartij kan zich exonereren voor haar eigen zware fout (Cass. 25 september 1959, RW 1959-60, 1255).

In die omstandigheden moet er geoordeeld worden dat een contractspartij zich a fortiori principieel kan exonereren voor haar nalatigheid.

Dit is evenwel anders indien het exoneratiebeding aan de overeenkomst iedere zin of betekenis ontneemt omdat het betrekking heeft op een verbintenis die een wezenlijke prestatie van de overeenkomst vormt (W. Van Gerven en S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 181).

De rechtbank is van oordeel dat het exoneratiebeding uit art. 5 van de overeenkomst inderdaad iedere zin of betekenis aan deze overeenkomst zou ontnemen. Indien een dergelijk beding toegelaten zou zijn, zou een erkend boekhouder bijvoorbeeld bij het indienen van een belastingaangifte kunnen aanvoeren dat hij door de enkele indiening van de aangifte zijn verplichtingen is nagekomen, maar dat hij voor eventuele fouten die te wijten zijn aan zijn nalatigheid, geen enkele aansprakelijkheid kan dragen. Dit gaat niet op en zou ieder vertrouwen van de klanten in erkende beroepsbeoefenaren zoals D. ontnemen.

De rechtbank verwijst naar een auteur die erop wijst dat een boekhouder bij het opstellen van een exoneratiebeding erover moet waken dat die beperking geen zuivere en eenvoudige vrijstelling van aansprakelijkheid wordt (S. Moris, «Nieuwe regels inzake aansprakelijkheid van de beoefenaars van cijferberoepen: de wet van 18 januari 2010 betreffende de uitoefening van een vrij en gereglementeerd cijferberoep door een rechtspersoon» in Instituut van de Bedrijfsrevisoren, IAB-IEC, BIBF, De nieuwe aansprakelijkheidsregeling voor economische beroepen: rechtspersonen en natuurlijke personen, Antwerpen, Intersentia, 2013, (83) 93).

Deze auteur lijkt de rechtbank een onverdachte bron, aangezien zij op het ogenblik van de redactie van voormelde bijdrage blijkbaar juriste was bij het BIBF.

In voormelde bijdrage raadt Moris aan om de aansprakelijkheid bijvoorbeeld te beperken tot het bedrag dat gedekt is door de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of tot een plafond gelijk aan x maal het ereloon of tot een forfaitair bedrag.

De exoneratieclausule uit art. 5 houdt geen rekening met deze richtlijnen. Zij ontneemt, zoals gesteld, iedere zin en betekenis aan de verbintenissen van D. en is bijgevolg nietig.

4.5. De rechtbank erkent dat D. als boekhouder slechts een inspanningsverbintenis had om de aangifte voor het M. zo correct mogelijk in te vullen.

Op grond van de stukken van het dossier en in het bijzonder van het bezwaarschrift van V. van 2 april 2015, is de rechtbank evenwel van oordeel dat D. haar opdracht niet heeft uitgevoerd zoals van een normaal en zorgvuldig boekhouder mag worden verwacht. In dit bezwaarschrift worden diverse verrichtingen vermeld die D. volgens L. foutief heeft uitgevoerd. L. heeft deze beweerde fouten herhaald in haar conclusie van 9 mei 2016. De rechtbank stelt vast dat D. over deze verrichtingen in haar conclusie geen enkel inhoudelijk verweer voert.

Voorts heeft de fiscus de belastbare grondslag voor het aanslagjaar 2014 in haar bericht van ontheffing van 25 september 2015 bepaald zoals vastgesteld in het bezwaarschrift V. (nl. op een bedrag van 32.750,53 euro).

In die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verrichtingen die V. heeft opgesomd in het bezwaarschrift van 2 april 2015 inderdaad beroepsfouten uitmaken aan de zijde van D. Zij heeft bijgevolg een contractuele wanprestatie begaan.

4.6. D. toont voor het overige niet aan dat zij slechts «beperkt gemandateerd» was en dat zij gewoon de gegevens heeft overgenomen die door de vorige boekhouder van L. (...) waren ingegeven. L. betwist dit overigens.

D. heeft de aangifte voor het aanslagjaar 2014 ingediend. Hierdoor heeft zij de juridische verantwoordelijkheid op zich genomen om deze zo correct mogelijk in te vullen. Indien zij haar opdracht wenste te beperken tot het louter materiële werk van het ingeven van cijfers die zouden opgesteld zijn door de vorige boekhouder van L., had zij L. hier uitdrukkelijk op moeten wijzen. Zij heeft dit niet gedaan.

4.7. Aan het bovenstaande wordt evenmin afbreuk gedaan doordat de algemene vergadering van L. op 20 september 2014 de door D. opgestelde jaarrekening heeft goedgekeurd. Hieruit kunnen enkel bepaalde gevolgen afgeleid worden voor o.m. de wijze waarop de aandeelhouders de winst hebben willen bestemmen.

De aandeelhouders mogen er evenwel van uitgaan dat de boekhouder van de vennootschap de boekhoudkundige gegevens op een correcte wijze verwerkt heeft. Er anders over oordelen zou betekenen dat zij vooraleer de jaarrekening goed te keuren, deze eerst nog eens zouden moeten laten nazien door een andere boekhouder ...

De vergelijking kan worden gemaakt met een advocaat die zijn ontwerp van conclusie ter goedkeuring voorlegt aan zijn cliënt. Door de goedkeuring van het ontwerp bevestigt de cliënt dat de feitelijke uiteenzetting in deze conclusie correct is. Het blijft evenwel de taak van de advocaat als specialist om alle nuttige juridische argumenten in te roepen die de stelling van zijn cliënt kunnen ondersteunen.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat zij overigens vaststelt dat L. op 2 april 2015 een «verbeterde jaarrekening» heeft neergelegd (www.nbb.be).

4.8. Ook het vragen van afbetalingstermijnen aan de fiscus kan niet worden gezien als een bevestiging door L. dat D. haar opdracht correct heeft uitgevoerd.

4.9. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat D. geen bewijs levert van de door haar aangevoerde «frauduleuze intenties» van L.

...

4.11. Als schadevergoeding vordert L. de betaling van de drie facturen die V. aan haar heeft gericht voor een bedrag van 2.060 euro, exclusief BTW.

4.12. Bij contractuele aansprakelijkheid ligt de maat met behulp waarvan de schadevergoeding wordt berekend in een vergelijking van de situatie waarin de schuldeiser zich zou bevonden hebben zo het contract naar behoren zou zijn uitgevoerd met de situatie waarin de schuldeiser zich nu bevindt ingevolge de niet- of slechts gedeeltelijke nakoming van de verbintenis (W. Van Gerven en S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2006, 186).

4.13. De rechtbank erkent dat D. aan L. slechts een beperkt bedrag gefactureerd heeft, nl. 950 euro, exclusief btw. Dit neemt evenwel geenszins weg dat D. wel degelijk aansprakelijk blijft voor haar fouten. Dit gegeven kan dan ook enkel een impact hebben op de omvang van de schadevergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat indien D. haar werk naar behoren had uitgevoerd, dit aanleiding zou hebben gegeven tot meer prestaties die zij aan L. zou aangerekend hebben. Wel is het volgens de rechtbank zo dat als een boekhouder het werk van een collega moet controleren en rechtzetten, hij hier doorgaans meer werk mee heeft dan wanneer deze collega zijn werk van meet af aan correct zou hebben uitgevoerd.

Om die reden kent de rechtbank slechts de helft toe van de factuur van V. van 28 februari 2015. Deze factuur heeft integraal betrekking op het nazicht van de boekhouding en het herwerken van het resultaat voor het aanslagjaar 2014.

In zijn factuur van 31 maart 2015 rekent V. voor het nazicht van de boekhouding voor het boekjaar 1 oktober 2012-31 maart 2014 een bedrag van 508,75 euro aan. Ook hiervan kent de rechtbank slechts de helft toe.

De overige posten uit deze factuur kunnen wel integraal worden toegekend. Zonder de contractuele fout van D. zouden er immers geen bezwaarschrift, verbeterde jaarrekening, enz. vereist geweest zijn.

Het bedrag van de factuur van V. van 21 september 2015 kan daarentegen wél integraal worden toegekend. Ook deze factuur heeft immers betrekking op de bezwaarprocedure.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/03/2018 - 21:12
Laatst aangepast op: za, 10/03/2018 - 21:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.