-A +A

Bodemsanering - Onteigening - Bepaling van de vergoeding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 30/06/2016
A.R.: 
103/2016

De onteigeningsvergoeding stemt in beginsel overeen met de marktwaarde van het onroerend goed. Die marktwaarde wordt beïnvloed door de op het onteigende goed rustende saneringsverplichting. Bij het bepalen van de venale waarde van een onroerend goed moet immers rekening worden gehouden met alle elementen die deze waarde beïnvloeden, in gunstige of in ongunstige zin.

Indien de onteigende de vervuiling heeft veroorzaakt, kan de rechtbank blijkens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling rekening houden met de behandelingskosten van de bodemverontreiniging bij het bepalen van de voorlopige onteigeningsvergoeding (Parl.St. Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2008-09, A-533/1, p. 57). Mocht dit niet het geval zijn, dan zou de onteigende zich op onrechtmatige wijze verrijken.

B.5.4. Indien de onteigende de vervuiling niet heeft veroorzaakt en niet saneringsplichtig is, vereist art. 16 Gw. daarentegen dat de rechtbank de behandelingskosten van de bodemverontreiniging niet in mindering brengt bij het bepalen van de voorlopige onteigeningsvergoeding. Mocht zij dat wel doen, dan zou dat tot gevolg hebben dat de onteigende de kosten verbonden aan de behandeling definitief dient te dragen en mogelijkerwijze een te lage onteigeningsvergoeding ontvangt, aangezien hij niet beschikt over de regresvordering bedoeld in art. 24 van de ordonnantie van 5 maart 2009.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 30 juli 2015 in zake de nv « Immo W » tegen de nv « Infrabel », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 augustus 2015, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 58 van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, in de interpretatie dat hieruit volgt dat het de rechter niet is toegestaan om bij de bepaling van de onteigeningsvergoeding de te verwachten saneringskosten in mindering te brengen, de artikelen 10, 11 en/of 16 van de Grondwet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 58 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems bepaalt :

« § 1. De overheid die een terrein wenst te onteigenen, verzoekt het Instituut per aangetekend schrijven of via elektronische weg om een bodemattest voor elk betrokken perceel, en dit vóór het voorlopig vonnis dat wordt uitgesproken door de vrederechter in het kader van de onteigeningsprocedure. Het attest of de attesten worden verstrekt in overeenstemming met de modaliteiten bedoeld in artikel 12, § 3 en § 4.

§ 2. Voor een terrein dat is opgenomen in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0, moet er op dit terrein een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd worden ten laste van de onteigenende overheid, vóór het voorlopig vonnis betreffende de onteigening.

De onteigenende overheid laat ambtshalve een verkennend bodemonderzoek uitvoeren en kan ambtshalve een gedetailleerd onderzoek op het betreffende terrein laten uitvoeren.

De bepalingen van deze ordonnantie zijn naar analogie van toepassing, doordat de onteigenende overheid de verplichtingen van de houder van zakelijke rechten vervult ».

B.2.1. Artikel 3 van de voormelde ordonnantie definieert de voornaamste in die ordonnantie gehanteerde begrippen.

Bodemverontreiniging is « elke bodemaantasting die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk is of schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid of de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologische potentieel van de bodem en de watermassa's, doordat er rechtstreeks of onrechtstreeks stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen zijn aangebracht aan de oppervlakte of zijn binnengedrongen in de bodem » (artikel 3, 2°).

Afhankelijk van de oorzaak wordt de bodemverontreiniging gekwalificeerd als een eenmalige verontreiniging, een gemengde verontreiniging of een weesverontreiniging. Een « eenmalige verontreiniging » is een apart identificeerbare bodemverontreiniging, veroorzaakt door een exploitant, door een houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein of, indien de verontreiniging is veroorzaakt na 20 januari 2005, door een eenduidig geïdentificeerde persoon (artikel 3, 16°). Een « gemengde verontreiniging » is een bodemverontreiniging veroorzaakt door verschillende personen in niet afzonderlijk identificeerbare proporties, onder wie een exploitant, een houder van zakelijke rechten op het betreffende terrein, of, indien de verontreiniging is veroorzaakt na 20 januari 2005, een eenduidig geïdentificeerde persoon (artikel 3, 17°). Een « weesverontreiniging » is elke bodemverontreiniging die geen eenmalige verontreiniging of gemengde verontreiniging is (artikel 3, 18°).

De behandeling van een bodemverontreiniging kan bestaan in maatregelen van risicobeheer of een sanering. Een maatregel van risicobeheer is een behandeling van de bodemverontreiniging om de risico's voor de volksgezondheid en het milieu te beoordelen en die te handhaven of aanvaardbaar te maken (artikel 3, 21°). Een sanering is de behandeling van de bodemverontreiniging om aan de saneringsnormen te voldoen of om een toename van de verontreiniging uit te sluiten (artikel 3, 22°).

B.2.2. Artikel 13 van de ordonnantie van 5 maart 2009 somt de feiten op die aanleiding geven tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. Een dergelijk onderzoek is, onder bepaalde omstandigheden, vereist vóór de vervreemding van een zakelijk recht op een terrein dat in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0 is opgenomen, in het kader van risicoactiviteiten, in het kader van de aanvraag voor of verlenging van een milieuvergunning voor een risicoactiviteit, vóór de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning voor een terrein dat in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0 is opgenomen, in het kader van uitgravingswerken of indien op het terrein een gebeurtenis plaatsvindt die bodemverontreiniging veroorzaakt. Een bodemtoestand van categorie 0 betreft « mogelijk verontreinigde percelen, d.w.z. percelen waarvoor een vermoeden van bodemverontreiniging bestaat, met inbegrip van de percelen waarop een risicoactiviteit wordt uitgeoefend » (artikel 3, 15°).

Een verkennend bodemonderzoek dat wordt uitgevoerd vóór de vervreemding van een zakelijk recht op een terrein dat in de inventaris van de bodemtoestand in categorie 0 is opgenomen, valt ten laste van de houder van het zakelijk recht.

Krachtens artikel 14 van de ordonnantie van 5 maart 2009 bepaalt het verkennend bodemonderzoek de toestand van de bodem door een eventuele bodemverontreiniging aan het licht te brengen. Het houdt een beperkte monsterneming in, rekening houdend met onder andere de vermoedelijke locatie van de verontreiniging, waarvan de analyseresultaten met de interventie- en saneringsnormen worden vergeleken. Het wordt uitgevoerd op een zone waarvan de grenzen overeenstemmen met de grenzen van één of meer percelen. Het formuleert met redenen omklede conclusies per perceel wat betreft de raming van de omvang en de aard van de verontreiniging, de noodzaak om al dan niet een gedetailleerd onderzoek uit te voeren en in voorkomend geval de termijn waarbinnen een dergelijk onderzoek aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer moet worden betekend. Het bepaalt indien mogelijk of er sprake is van een eenmalige verontreiniging, een gemengde verontreiniging of een weesverontreiniging, alsook, in voorkomend geval, de te nemen veiligheidsmaatregelen.

B.2.3. Wanneer een verkennend bodemonderzoek wijst op ofwel een overschrijding van de interventienormen, ofwel een overschrijding van de saneringsnormen en een toename van de verontreiniging, moet krachtens artikel 19 van de ordonnantie van 5 maart 2009 een gedetailleerd onderzoek naar de verontreiniging worden gevoerd. Indien het verkennend bodemonderzoek het mogelijk maakt het type verontreiniging te bepalen, is het gedetailleerd onderzoek ten laste van de houder van de verplichting inzake behandeling van de verontreiniging. Zo niet is het ten laste van de persoon die het verkennend bodemonderzoek moet uitvoeren.

B.2.4. De artikelen 20 tot 22 van de ordonnantie van 5 maart 2009 bepalen wie de houder van de verplichtingen is voor wat betreft de sanering, het risicobeheer en de veiligheidsmaatregelen.

Indien uit het gedetailleerd onderzoek een weesverontreiniging blijkt, moet een risico-onderzoek worden uitgevoerd ten laste van de exploitant van de site betrokken bij de verontreiniging, indien zij is veroorzaakt na 20 januari 2005, of ten laste van de houder van zakelijke rechten op het terrein getroffen door de verontreiniging, indien zij is veroorzaakt vóór 20 januari 2005, of indien zij is veroorzaakt na 20 januari 2005, bij ontstentenis van een exploitant van het terrein (artikel 20, § 1).

Indien uit het gedetailleerd onderzoek een gemengde verontreiniging blijkt, moet een risico-onderzoek worden uitgevoerd ten laste van de exploitant die een deel ervan heeft veroorzaakt, de houder van zakelijke rechten die een deel ervan heeft veroorzaakt, of de geïdentificeerde persoon die een deel ervan heeft veroorzaakt (artikel 20, § 2).

Indien dat risico-onderzoek wijst op een overschrijding van de risicowaarden, moeten de risico's aanvaardbaar voor de volksgezondheid en het milieu worden gemaakt door het opstellen van een risicobeheersvoorstel en de uitvoering van risicobeheersmaatregelen, of eventueel door de uitvoering van een saneringsvoorstel of saneringswerken ten laste van de persoon die het risico-onderzoek dient uit te voeren (artikel 20, § 3).

Indien uit het gedetailleerd onderzoek een eenmalige verontreiniging blijkt, moeten een saneringsvoorstel en saneringswerken met betrekking tot die verontreiniging worden uitgevoerd ten laste van de exploitant die haar heeft veroorzaakt, de houder van zakelijke rechten die haar heeft veroorzaakt of de geïdentificeerde persoon die haar heeft veroorzaakt. De saneringswerken hebben tot doel te voldoen aan de saneringsnormen (artikel 21).
Indien uit het gedetailleerde onderzoek blijkt dat de gemengde verontreiniging volledig werd veroorzaakt door de personen bedoeld in artikel 20, § 2, van de ordonnantie van 5 maart 2009, moeten de saneringswerken van de verontreiniging solidair worden uitgevoerd door de personen die haar hebben veroorzaakt (artikel 22, § 1).

Indien uit het gedetailleerd onderzoek blijkt dat de verontreiniging volledig werd veroorzaakt vóór 1 januari 1993, moet een behandeling van de verontreiniging door risicobeheer worden uitgevoerd ten laste van de exploitant of de houder van zakelijke rechten die de verontreiniging heeft veroorzaakt (artikel 22, § 2).

B.2.5. Artikel 24 van de ordonnantie van 5 maart 2009 bepaalt wie aansprakelijk is voor de kosten gemaakt voor de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek en voor de behandeling van de verontreiniging door de houders van die verplichtingen, alsmede voor de schade die door die onderzoeken, maatregelen of werken wordt teweeggebracht.

Krachtens artikel 24, § 1, is de aansprakelijke hij die de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt. Krachtens artikel 24, § 2, is de exploitant van een inrichting onderworpen aan een milieuvergunning aansprakelijk indien de bodemverontreiniging werd veroorzaakt door de uitbating van die inrichting, tenzij indien hij kan bewijzen dat hij geen fout of nalatigheid heeft begaan en dat de verontreiniging te wijten is aan een emissie die of een voorval dat uitdrukkelijk is toegestaan.

Wanneer verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde verontreiniging, zijn zij krachtens artikel 24, § 3, solidair aansprakelijk.

De bepalingen van de ordonnantie van 5 maart 2009 doen krachtens artikel 24, § 4, ervan geen afbreuk aan het recht van de aansprakelijke persoon om andere rechtsmiddelen aan te wenden om verhaal te zoeken. Zij doen krachtens artikel 24, § 5, evenmin afbreuk aan de andere rechten die de benadeelde personen of personen die kosten aangaan, doen gelden tegen de aansprakelijke of andere personen.

Artikel 24 van de ordonnantie van 5 maart 2009 waarborgt dat de houder van de verplichtingen om een maatregel van risicobeheer te nemen of om de saneringswerken te doen uitvoeren, de oorspronkelijke vervuiler kan aanspreken voor alle door hem opgelopen kosten (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2008-2009, A-533/1, p. 33), althans indien de aansprakelijke kan worden geïdentificeerd en solvabel is en indien die vordering nog niet is verjaard. Die bepaling is ingegeven door het beginsel « de vervuiler betaalt » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2008-2009, A-533/1, p. 9).

B.2.6. De in het geding zijnde bepaling regelt wie de houder van voormelde verplichtingen is indien de verontreinigde percelen niet het voorwerp uitmaken van een consensuele overdracht van zakelijke rechten, maar worden onteigend. De ordonnantiegever beoogde rekening te houden met het specifieke karakter van een onteigening, met name het onvrijwillige karakter ervan (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2008-2009, A-533/2, p. 12).

Hieromtrent werd in de parlementaire voorbereiding het volgende vermeld :

« De artikels 58 en 59 organiseren de procedure voor twee specifieke schadeverwekkende feiten. Vanwege hun specificiteit worden de kalender en de houder van de verplichtingen voorzien in artikel 13 enigszins aangepast.

Artikel 58 stipuleert dat in geval van onteigening de onteigenende autoriteit - en niet de houder van de zakelijke rechten - het verkennend bodemonderzoek eventueel automatisch moet uitvoeren. Deze studie dient te worden uitgevoerd alvorens het vonnis tot vaststelling van de tijdelijke vergoedingen wordt uitgesproken.

Rekening houdend met het onvrijwillig karakter van de onteigening, is de onteigende inderdaad niet gehouden tot het uitvoeren van de eerste onderzoeken.

Daarenboven is het zo dat de autoriteit die wenst te onteigenen, opdat zij over informatie zou kunnen beschikken betreffende de bodemtoestand voor de onteigening, eventueel een gedetailleerde studie, een risicostudie, een risicobeheerontwerp of een saneringsontwerp kan uitvoeren. Door deze informatie zal de rechtbank rekening kunnen houden met de behandelingskosten van de verontreiniging bij het bepalen van de tijdelijke onteigeningsvergoeding.

Om te verzekeren dat de onteigenende autoriteit de juiste informatie ontvangt inzake de toepassing van deze bepaling, moet ze bij het Instituut een bodemattest aanvragen dat onder andere bevestigt dat de bodem van alle percelen betrokken bij het te onteigenen terrein deel uitmaakt van de categorie 0 van de inventaris van de bodemtoestand.

De bepalingen van de ordonnantie, voortvloeiend uit het verkennend bodemonderzoek, zijn daarna naar analogie van toepassing, door middel van het opnemen door de onteigenende autoriteit van de verbintenissen van de eigenaar van de zakelijke rechten » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2008-2009, A-533/1, pp. 56-57).

B.2.7. Krachtens de in het geding zijnde bepaling zijn de bepalingen van de ordonnantie van 5 maart 2009 naar analogie van toepassing op een eigendomsoverdracht die het gevolg is van een onteigening, doordat de onteigenende overheid de verplichtingen van de houder van zakelijke rechten vervult.

In zoverre de onteigende als houder van zakelijke rechten de houder van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 19 tot 22 van de ordonnantie van 5 maart 2009 was, neemt de onteigenende overheid krachtens de in het geding zijnde bepaling tevens de in artikel 24 van de ordonnantie van 5 maart 2009 bedoelde regresvordering ten aanzien van de aansprakelijke voor de vervuiling over.

B.3. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie dat het de rechter niet is toegestaan om bij de bepaling van de onteigeningsvergoeding de te verwachten saneringskosten in mindering te brengen, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet.

B.4.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering betwist de relevantie van de prejudiciële vraag voor de beslechting van het geschil voor de verwijzende rechter, aangezien in casu sprake zou zijn van een « weesverontreiniging ».

B.4.2. Het staat in de regel aan het rechtscollege dat een prejudiciële vraag aan het Hof stelt, om te oordelen of het antwoord op die vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil dat het moet beslechten. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.4.3. Uit het verwijzingsvonnis kan niet worden afgeleid of in casu sprake is van een « eenmalige verontreiniging », een « gemengde verontreiniging » of een « weesverontreiniging ». Overigens maken noch de in het geding zijnde bepaling, noch artikel 24 van de ordonnantie van 5 maart 2009 een onderscheid naar gelang van het type verontreiniging of de identiteit van de veroorzaker ervan.

Het blijkt derhalve niet dat het antwoord op de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet nuttig zou zijn voor het bodemgeschil.

B.5.1. De in het geding zijnde bepaling draagt het verkennend bodemonderzoek en de verdere stappen in de behandeling van de eventueel vastgestelde vervuiling op het onteigende terrein op aan de onteigenende overheid.

Aldus behandelt zij de eigenaars van vervuilde terreinen die worden onteigend anders dan de eigenaars van vervuilde gronden die niet worden onteigend, aangezien die laatsten onder bepaalde omstandigheden, en met name indien zij het terrein willen verkopen, dienen in te staan voor het verkennend bodemonderzoek en in voorkomend geval voor de verdere stappen in de behandeling van de vastgestelde vervuiling. Tevens behandelt zij de eigenaars van vervuilde terreinen anders dan de eigenaars van terreinen die zijn behept met een ander gebrek.

B.5.2. Die onderscheiden behandelingen zijn pertinent om de met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doelstelling te bereiken. De ordonnantiegever beoogde immers om in het kader van het onderzoek naar en de behandeling van de bodemvervuiling rekening te houden met het specifieke karakter van een onteigening, met name het onvrijwillige karakter ervan (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2008-2009, A-533/2, p. 12).

B.5.3. De onteigeningsvergoeding stemt in beginsel overeen met de marktwaarde van het onroerend goed. Die marktwaarde wordt beïnvloed door de op het onteigende goed rustende saneringsverplichting. Bij het bepalen van de venale waarde van een onroerend goed moet immers rekening gehouden worden met alle elementen die deze waarde beïnvloeden, in gunstige of in ongunstige zin.

Indien de onteigende de vervuiling heeft veroorzaakt, kan de rechtbank blijkens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling rekening houden met de behandelingskosten van de bodemverontreiniging bij het bepalen van de voorlopige onteigeningsvergoeding (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2008-2009, A-533/1, p. 57). Mocht dit niet het geval zijn, zou de onteigende zich op onrechtmatige wijze verrijken.

B.5.4. Indien de onteigende de vervuiling niet heeft veroorzaakt en niet saneringsplichtig is, vereist artikel 16 van de Grondwet daarentegen dat de rechtbank de behandelingskosten van de bodemverontreiniging niet in mindering brengt bij het bepalen van de voorlopige onteigeningsvergoeding. Mocht zij dat wel doen, zou dat als gevolg hebben dat de onteigende de kosten verbonden aan de behandeling definitief dient te dragen en mogelijkerwijze een te lage onteigeningsvergoeding ontvangt, aangezien hij niet over de regresvordering bedoeld in artikel 24 van de ordonnantie van 5 maart 2009 beschikt.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

Artikel 58 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems schendt de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet in zoverre de geraamde behandelingskosten in mindering worden gebracht van de onteigeningsvergoeding wanneer de onteigende de bodemverontreiniging niet heeft veroorzaakt en niet saneringsplichtig is.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 juni 2016.
 

Noot: 

noot van J. del Corral gepubliceerd in het RW onder dit arrest

lees het volledig arrest via deze link op juridat

zie ook

• Cassatie 25 maart 2011, RW 2012-2013, 218

6. Het hier toepasselijke art. 36 Bodemsaneringsdecreet 1995 bepaalt:

“§ 1. Vóór het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van grond, moet de overdrager bij OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver. Dat attest wordt afgeleverd uiterlijk een maand na de ontvankelijke aanvraag. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een grond waarop een inrichting gevestigd is of was of een activiteit wordt of werd uitgevoerd die opgenomen is in de lijst bedoeld in artikel 3, § 1, wordt het attest afgeleverd uiterlijk twee maanden na de ontvankelijke aanvraag.

§ 2. De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, bevat de inhoud van het bodemattest.

§ 3. In alle akten betreffende de overdracht van gronden, neemt de instrumenterende ambtenaar de verklaring van de overdrager op dat de verwerver vÓÓr het sluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest. De instrumenterende ambtenaar neemt tevens de inhoud van het bodemattest in de akte op.

§ 4. De verwerver van de grond of OVAM kan de nietigheid van de overdracht die plaatsvond in strijd met de bepalingen van dit artikel vorderen. De nietigheid kan niet meer worden ingeroepen indien voor het verlijden van de authentieke akte met betrekking tot de overdracht, de verwerver in het bezit is gesteld van het meest recent afgeleverde bodemattest of van een bodemattest waarvan de inhoud identiek is aan de inhoud van het meest recent afgeleverde bodemattest en hij zijn verzaking aan de nietigheidsvordering uitdrukkelijk in de authentieke akte laat vaststellen”.

7. Uit deze bepaling volgt dat de verwerver van een onroerend goed reeds in de fase van de voorafgaande onderhandelingen op de hoogte moet worden gebracht van de al dan niet verontreiniging van de gronden en dat de onderhandse akte van overdracht de inhoud van het door de overdrager bij OVAM aangevraagde bodemattest moet bevatten.

De niet-naleving van deze verplichtingen kan op vordering van de verwerver of van OVAM worden beteugeld door een nietigverklaring van de overdracht.

Het betreft een betrekkelijke en derhalve voor bevestiging vatbare nietigheid. Een dergelijke bevestiging kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden.

Een afstand van de nietigheidsvordering buiten het geval en de vorm bepaald door voormeld art. 36, § 4 Bodemsaneringsdecreet 1995 is derhalve niet uitgesloten.

Het onderdeel dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde middel

Eerste onderdeel

12. Krachtens art. 199, § 2, eerste en tweede lid Stedenbouwdecreet 1999 zijn de bepalingen met betrekking tot de informatieverplichtingen, zoals bepaald in de artikelen 137, 141 en 142, slechts van toepassing ten vroegste 31 dagen nadat in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is dat de gemeente, waar het onroerend goed gelegen is, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister, en zijn deze bepalingen niet van toepassing op overeenkomsten die zijn gesloten en op openbare verkoopverrichtingen die zijn aangevat vóór dit tijdstip.

Krachtens art. 199, § 2, vierde lid Stedenbouwdecreet 1999 zijn, zolang deze publicatie niet is gebeurd, de benamingen die moeten worden gebruikt in de akten, overeenkomsten en publiciteit, de benamingen zoals gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen.

13. Volgens deze bepalingen gelden de in art. 137, 141 en 142 bepaalde informatieverplichtingen niet voor de overeenkomsten gesloten voordat 31 dagen zijn verlopen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad dat de gemeente, waar het onroerend goed gelegen is, beschikt over een goedgekeurd plannenregister en vergunningenregister.

Wat de voor dit tijdstip gesloten overeenkomsten betreft, moeten, krachtens voormeld art. 199, § 2, vierde lid Stedenbouwdecreet 1999 in de akten, overeenkomsten en publiciteit wel de benamingen worden gebruikt die worden gebruikt in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Deze verplichting om, in geval van vermelding van benamingen, die vermeld in de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen te gebruiken, houdt niet de informatieverplichtingen in bepaald door de artikelen 137, 141 en 142.

Aldus dienen wat deze overeenkomsten betreft de benamingen gebruikt in de genoemde plannen, niet verplicht te worden vermeld.

14. De appelrechters die vaststellen dat niet is aangetoond dat in de litigieuze periode reeds een plannenregister of een vergunningenregister aanwezig was op de gemeente, verantwoorden naar recht hun beslissing inzake de afwezigheid van schending van de informatieverplichtingen bepaald in voormeld decreet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.


• Burgerlijke Rechtbank te Gent, 14e Kamer – 26 juni 2012, RW 2014-2015, 949

De rechtbank ziet geen reden om de verkoopovereenkomst van 10 oktober 2010 nietig te verklaren. De verkoopovereenkomst is aangegaan onder de opschortende voorwaarde van de aflevering van een gunstig OVAM-bodemattest, dat nadien is bezorgd. Blijkens het attest van 29 november 2010 beschikt OVAM niet over informatie met betrekking tot de bodemkwaliteit. Het gaat hoe dan ook niet om een risicogrond.

De verweerders kunnen zich dienaangaande bezwaarlijk op een miskenning van (art. 101 en art. 116, § 1 van) het Bodemdecreet (van 27 oktober 2006) beroepen; en dit nog los van een discussie betreffende het rechtsgeldig karakter van de bedoelde opschortende voorwaarde (D. Cottenie, “Is de afwezigheid van een bodemattest opvangbaar via een opschortende voorwaarde in de compromis?”, NNK 2009, p. 182-184, nrs. 5-10; F. Haentjes, “Overdracht van gronden zonder voorafgaandelijk bodemattest: nietig zonder rechtsmisbruik? En hoe moet het nu verder met de koop-verkoop onder opschortende voorwaarde?” (noot onder Cass. 24 juni 2010), TMR 2011, p. 27-28, nrs. 10-12; T. Malfait, “Nietige koopovereenkomst wegens ontbrekend bodemattest”, NjW 2009, p. 309, nr. 14). Een dergelijk volkomen a posteriori gebracht verweer getuigt in de gegeven omstandigheden (waarbij, gelet op het attest niet de minste belangenkrenking aan de zijde van de verweerders voorligt), hoe dan ook van rechtsmisbruik.

Hoewel het cassatiearrest van 24 juni 2010 leert dat het in beginsel niet uit den boze is om zich bij gebrek aan een (tijdig) bodemattest op een miskenning van het Bodemdecreet te beroepen, sluit het niet uit dat wie zich in een concrete casus, zoals deze, zonder enig belang op deze miskenning beroept, van rechtsmisbruik kan getuigen (C. De Wulf, “De draagwijdte van het recente cassatiearrest in verband met de mededeling van het bodemattest”, T.Not. 2010, 578; F. Haentjes, o.c., TMR 2011, p. 26-27, nr. 9 en p. 28, nr. 12; A. Lemmerling, “Het laattijdig blanco bodemattest: een vrijbrief voor de misnoegde koper?” (noot onder Cass. 24 juni 2010), NFM 2011, 55-57; vgl.: J. Del Corral, “Nietigheid als sanctie wegens miskenning van de informatieplicht van art. 101 Bodemdecreet: te pas en te onpas” (noot onder Cass. 24 juni 2010), RW 2010-11, p. 1524-1525, nrs. 10-12).

Dat notaris M. gebeurlijk nalatig is geweest bij de aanvraag dan wel de mededeling van het bedoelde attest, verandert hieraan niets.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 16/10/2016 - 09:48
Laatst aangepast op: di, 25/10/2016 - 11:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.