-A +A

Bijzonder mandaat van een advocaat kan mondeling of stilzwijgend zijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 21/04/2016
A.R.: 
2014/AR/ 1650

Een brief van advocaat waarin een betaling wordt erkend betreft een uitdrukkelijke (schriftelijke) buitengerechtelijke bekentenis van het niet-complexe rechtsfeit van de betaling. Het voorwerp van de bekentenis betreft de waarachtigheid van het virtueel betwiste rechtsfeit van de betaling. Dat nog geen daadwerkelijke betwisting omtrent de betaling aan de orde was, doet daaraan niet af. Dat de bekentenis als zodanig niet was bestemd om als bewijs te dienen voor, doet daaraan evenmin af. De voldoende duidelijke, vrijwillige en geloofwaardige bekentenis (van een daartoe zo nodig bijzonder gemandateerde advocaat) is toerekenbaar aan de cliënt.

Een dergelijk bijzondere mandaat hoeft niet schriftelijk te zijn. Het evengoed mondeling zijn dan wel stilzwijgend inbegrepen te zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1504
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V. t/ V.

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. M.L.V. is de ex-echtgenote van Désiré V.

Zij zijn gehuwd op 20 december 1986 maar blijkbaar korte tijd nadien feitelijk gescheiden en uiteindelijk bij vonnis van 2 mei 1996 uit de echt gescheiden (op grond van vijf jaar feitelijke scheiding in de zin van het oude art. 232 BW).

2. Eliane V. (hierna: «V.») is de enige (juridische) dochter van Désiré V. uit een eerdere (huwelijks)relatie.

3. Désiré V. is overleden op 22 maart 2010 op 89-jarige leeftijd.

M.L.V. beweert dat ze (over de echtscheiding heen) gedurende jaren en tot aan zijn overlijden allerhande praktische zorgen en diensten is blijven verlenen ten behoeve van haar ex-echtgenoot.

V. betwist de duur en de omvang van de bedoelde zorgen en diensten in die zin dat (1) het hooguit kan gaan om de laatste levensjaren en geenszins om de beweerde «dertig jaar»; (2) in die optiek Désiré V. blijkbaar sinds medio 2009 maandelijks een bedrag van 125 euro betaalde (door overschrijving op een bankrekening) van M.L.V. ten titel van «mantelzorg», met dien verstande dat een zakagenda van Désiré V. leert dat ook in voorafgaande jaren systematisch betalingen plaatsvonden; (3) V. zelf (zeker tot 2003) evengoed zorgen toediende los van bepaalde OCMW-diensten op het stuk van voeding en schoonmaak en (4) Désiré V. gratis een woning bewoonde van een bvba in handen van V. en haar echtgenoot.

4. Désiré V. is overleden in een ziekenhuis te Kortrijk, waar hij sinds begin 2010 was opgenomen.

Vlak vóór zijn overlijden worden door toedoen van notaris F.O. (met standplaats te Kortrijk) (1) een notariële algemene en bijzondere volmacht van 23 februari 2010 en (2) een onderhandse zorgovereenkomst van 25 februari 2010 onderschreven door enerzijds Désiré V. en anderzijds M.L.V.

Blijkens de zorgovereenkomst (1) zal M.L.V. verder de bedoelde praktische zorgen en diensten blijven verlenen ten behoeve van Désiré V. tegen (door)betaling van een mantelzorgpremie en (2) betaalt Désiré V. aan M.L.V. voor het verleden en meer precies voor gewezen zorgen en diensten gedurende bijna dertig jaar een forfaitair bedrag van 50.000 euro.

5. Bij brief van 25 maart 2010 (vlak na het overlijden van Désiré V.) richt V. zich tot M.L.V. met het oog op rekening en verantwoording als gewezen volmachthouder. V. stelt vast dat de bij het overlijden van Désiré V. beschikbare tegoeden (mede op rekening) bijzonder pover zijn (want in totaal nog geen 400 euro bedragen).

M.L.V. reageert bij brief van 7 april 2010 (van haar advocaat) dat de beschikbare gelden beperkt waren en telkenmale zijn besteed ten behoeve van Désiré V., terwijl zij aanneemt dat voor de korte duur van de formele volmacht geen detail moet worden bezorgd.

V. repliceert bij brief van 12 april 2010. Zij werpt op dat volgens haar (nazicht) door M.L.V. méér gelden zijn geïncasseerd dan is opgegeven.

M.L.V. reageert eens te meer bij brief van 11 mei 2010 (van haar advocaat) waarbij zij (1) bevestigt geen andere gelden van Désiré V. te hebben geïncasseerd dan die opgegeven bij brief van 7 april 2010; (2) een kopie van voormeld zorgcontract van 25 februari 2010 meedeelt en (3) aangeeft dat Désiré V. op 25 februari 2010 haar een forfaitair bedrag van 50.000 euro heeft betaald.

6. Niettegenstaande voormelde opgave richt M.L.V. zich bij brief van 16 juni 2010 (van haar opvolgende advocaat) tot V. met het oog op betaling van voormeld bedrag van 50.000 euro.

Er volgt briefwisseling van respectievelijk 8 en 13 juli 2010, zij het tevergeefs.

Bij gebrek aan betaling start M.L.V. onderhavige procedure.

7. Op 31 mei/1 juni 2011 legt V. een strafklacht neer in handen van de onderzoeksrechter te Kortrijk en dit ten laste van zowel M.L.V. als notaris O. wegens vermeende «oplichting, valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken».

Bij beschikking van 4 december 2012 stelt de raadkamer te Kortrijk zowel M.L.V. als notaris O. buiten vervolging.

Hierop wordt de (ingevolge het gerechtelijk strafonderzoek geschorste) burgerlijke procedure hernomen.

II. Beroepen vonnis

1. Bij dagvaarding van 1 december 2010 stelt M.L.V. onderhavige procedure in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. De hoofdvordering van M.L.V. strekt ertoe V. te veroordelen tot betaling van een bedrag van 50.000 euro, vermeerderd met de interesten (...).

2. V. neemt conclusie tot afwijzing van de hoofdvordering van M.L.V.

In die optiek wil V. doen zeggen voor recht (1) primair dat zij de nalatenschap van Désiré V. heeft verworpen en (2) subsidiair dat M.L.V. het bedrag van 50.000 euro reeds heeft ontvangen.

Voorts en nog steeds subsidiair (voor zover V. als aanvaardende erfgenaam van Désiré V. wordt beschouwd), beoogt V. (als reservataire erfgenaam) bij wijze van tegenvordering de inkorting van de beweerde (bij wijze van zorgovereenkomst vermomde) gift (van Désiré V. aan M.L.V.) ten bedrage van 50.000/2 = 25.000 euro, vermeerderd met de interesten.

Voorts en nog meer subsidiair (voor zover V. als aanvaardende erfgenaam van Désiré V. wordt beschouwd en bovendien wordt aangenomen dat M.L.V. het bedrag van 50.000 euro nog niet heeft ontvangen) streeft V. de nietigverklaring van de zorgovereenkomst na.

...

3. Bij vonnis van 7 oktober 2013 (...) wijst de rechtbank (1) de hoofdvordering van M.L.V. en (2) de tegenvordering van V. af als (telkens) ontvankelijk maar ongegrond. De rechtbank beschouwt V. als een (zuivere) erfgenaam van de nalatenschap van Désiré V. met de gevolgen vandien. Inzonderheid, gelet op voormelde brief van 11 mei 2010 van de toenmalige advocaat van M.L.V., die als een buitengerechtelijke bekentenis wordt beschouwd, neemt de rechtbank aan dat M.L.V. het bedrag van 50.000 euro reeds heeft ontvangen.

De door V. (als reservataire erfgenaam) (subsidiair) beoogde inkorting van de beweerde (bij wijze van zorgovereenkomst vermomde) gift (van Désiré V. aan M.L.V.) (ten bedrage van 50.000/2 = 25.000 euro vermeerderd met de interesten) acht de rechtbank voorbarig (in afwachting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap van Désiré V.).

Aangezien wordt aangenomen dat M.L.V. het bedrag van 50.000 euro reeds heeft ontvangen, is de rechtbank niet meer ingegaan op de door V. (nog meer subsidiair) nagestreefde nietigverklaring van de zorgovereenkomst.

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 13 juni 2014 stelt M.L.V. hoger beroep in tegen het vonnis van 7 oktober 2013. Met haar hoger beroep beoogt M.L.V., met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van haar oorspronkelijke hoofdvordering.

Voorts neemt M.L.V. mede in overeenstemming met het beroepen vonnis, conclusie tot afwijzing van de oorspronkelijke tegenvordering van V. Maar M.L.V. acht de door V. (als reservataire erfgenaam) (subsidiair) gevraagde inkorting van de beweerde (bij wijze van zorgovereenkomst vermomde) gift (van Désiré V. aan M.L.V.) niet voorbarig (zoals de eerste rechter oordeelt), maar zonder meer ongegrond.

...

2. V. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van M.L.V. en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

4. Ter terechtzitting van 14 april 2016 beaamt V. dat zij niet langer aandringt op haar oorspronkelijke tegenvordering in zoverre zij (1) wilde doen zeggen voor recht dat zij de nalatenschap van Désiré V. heeft verworpen; (2) (als reservataire erfgenaam) de inkorting van de beweerde (bij wijze van zorgovereenkomst vermomde) gift (van Désiré V. aan M.L.V.) vroeg en (3) de nietigverklaring van de zorgovereenkomst vorderde.

Wat de eerder gevraagde inkorting betreft richt V. zich thans naar de zienswijze van de eerste rechter, die ze voorbarig acht.

IV. Beoordeling

...

2. Ten gronde is het hof met de eerste rechter van oordeel dat V. als een (zuivere) erfgenaam van de nalatenschap van Désiré V. moet worden beschouwd.

Zoals reeds aangegeven, richt V. zich bij brief van 25 maart 2010 en voorts bij brief van 12 april 2010 tot M.L.V. met het oog op rekening en verantwoording als gewezen volmachthouder.

Met een (notariële) akte van erfopvolging in de zin van art. 1240bis BW (waarin zij als enige erfgenaam wordt aangewezen) van 30 maart 2010 heeft zij de (weliswaar beperkte) beschikbare banktegoeden doen vrijgeven. Op grond van die akte heeft zij zich later en meer precies op 20 april 2010 gericht tot de bank C.

Het blijkt geenszins dat zij een en andere houding heeft aangenomen loutere «bewaring, toezicht of beheer» in de zin van art. 779 BW.

V. heeft de nalatenschap van Désiré V. uitdrukkelijk en minstens stilzwijgend aanvaard (art. 778 BW). Haar a posteriori en meer precies op 1 december 2010 gedane verklaring ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk kan niet meer dienen tot verwerping van de nalatenschap.

3. Voorts is het hof met de eerste rechter van oordeel dat voormelde brief van 11 mei 2010 van de toenmalige advocaat van M.L.V. als een buitengerechtelijke bekentenis (in de zin van de artt. 1354-1355 BW) moet worden beschouwd, die meebrengt dat wordt aangenomen dat M.L.V. het bedrag van 50.000 euro reeds heeft ontvangen (zie: B. Allemeersch, I. Samoy en W. Vandenbussche, «Overzicht van rechtspraak (2000-2013): het burgerlijk bewijsrecht», TPR 2015, (867), nrs. 331 e.v.; B. Cattoir, Burgerlijk bewijsrecht in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, p. 185-186, nrs. 340-341; B. Cattoir en A. Colpaert, «De bewijsrechtelijke bekentenis van de uitvoering van de overeenkomst in burgerlijke zaken», RW 2009-10, 949-950).

Zoals reeds aangegeven, (1) bevestigt M.L.V. in deze brief geen andere gelden van Désiré V. te hebben geïncasseerd dan die welke zijn opgegeven in haar eerdere brief van 7 april 2010; (2) deelt M.L.V. een kopie van voormeld zorgcontract van 25 februari 2010 mee en (3) geeft M.L.V. aan dat Désiré V. op 25 februari 2010 haar een forfaitair bedrag van 50.000 euro heeft betaald.

Het betreft een uitdrukkelijke (schriftelijke) buitengerechtelijke bekentenis van het niet-complexe rechtsfeit van de betaling van 50.000 euro. Het voorwerp van de bekentenis betreft de waarachtigheid van het virtueel betwiste rechtsfeit van de betaling. Dat nog geen daadwerkelijke betwisting omtrent de betaling aan de orde was, doet daaraan niet af. Dat de bekentenis als zodanig niet was bestemd om als bewijs te dienen voor V., doet daaraan evenmin af. De voldoende duidelijke, vrijwillige en geloofwaardige bekentenis (van haar daartoe zo nodig bijzonder gemandateerde advocaat) is toerekenbaar aan M.L.V., ten aanzien van wie V. ze inroept. M.L.V. kan ze niet zonder meer herroepen (vgl. art. 1356 BW).

M.L.V. kan de bekentenis bezwaarlijk afdoen als hetzij een «materiële misslag» hetzij een «bekentenis» via een daartoe niet-gemandateerde advocaat.

In zoverre zij haar toenmalige advocaat een (beroeps)fout verwijt, blijkt dienaangaande geen aanspraak (deontologisch, tuchtrechtelijk of anderszins) te zijn geformuleerd, laat staan een aansprakelijkheidsvordering ingesteld.

Een «materiële misslag» blijkt evenmin. Het zorgcontract is (na voorgaande briefwisseling van 25 maart, 7 april en 12 april 2010) voor het eerst bij de brief van 11 mei 2010 ter sprake gekomen en meegedeeld. Bijkomend is spontaan aangegeven dat het forfaitaire bedrag van 50.000 euro is betaald. Aangenomen mag worden dat M.L.V. en haar toenmalige advocaat een en ander hebben besproken en doorgenomen. Voorts mag worden aangenomen dat, indien in de brief van 11 mei 2010 een vergissing of materiële misslag was geslopen, die kort nadien zou zijn rechtgezet. Een rechtzetting is er niet gekomen.

Het beweerde gebrek aan (bijzonder) mandaat aan de zijde van de toenmalige advocaat van M.L.V. verhelpt niet.

Anders dan M.L.V. aanvoert, moet worden aangenomen dat de toenmalige advocaat van M.L.V. de brief van 11 mei 2010 wel degelijk op basis van een afdoende (zo nodig bijzonder) mandaat heeft geschreven. Anders dan M.L.V. beweert, gaat het dus niet om een schrijven buiten mandaat. Los van art. 440, tweede lid Ger.W. (aangaande het zogeheten mandaat ad litem) mag hiervan in casu worden uitgegaan, mede omdat het tegendeel geenszins blijkt. V. betoogt terecht (mede in het licht van de artt. 1348 en 1353 BW) dat zij als derde ten aanzien van de contractuele (mandaat)verhouding tussen M.L.V. en haar toenmalige advocaat kon en mocht aannemen dat deze mandaatverhouding (in het licht van een voorafgaande consultatie) mede sloeg op (1) het spontaan ter sprake brengen van de zorgovereenkomst (bij wijze van verweer op de gevraagde rekening en verantwoording); (2) de mededeling van die zorgovereenkomst en (3) de mededeling/erkenning dat Désiré V. op 25 februari 2010 een forfaitair bedrag van 50.000 euro heeft betaald. Een bijzonder mandaat hoeft niet schriftelijk te zijn. Het kan evengoed mondeling dan wel stilzwijgend inbegrepen zijn. Minstens vertoonde de toenmalige advocaat van M.L.V. een schijnmandaat dat meebrengt dat V. als geadresseerde een en ander aan M.L.V. kon en mocht toerekenen.

Weliswaar geldt een (in feite onaantastbare) rechterlijke appreciatiebevoegdheid, mede gelet op de (feitelijke) context van de bedoelde bekentenis. De in casu voorliggende context brengt echter mee dat de bedoelde bekentenis aannemelijk is en een afdoende feitelijke grondslag heeft.

Mede blijkens de verklaring van notaris O. (die voor de redactie van de zorgovereenkomst heeft ingestaan en voorts zou hebben toegezien op het onderschrijven ervan) in het raam van het strafonderzoek (op 8 maart 2012) was het wel degelijk de bedoeling om het bedrag van 50.000 euro meteen te vereffenen en in zoverre geen schuld te laten openstaan. Notaris O. laat ook verstaan dat dit bedrag voorhanden was.

Dat Désiré V. (opgenomen in het ziekenhuis) dit bedrag niet ter beschikking had, blijkt niet, terwijl de beperkte beschikbare tegoeden bij zijn overlijden evengoed kunnen wijzen op het tegendeel. Omtrent het tegendeel, namelijk dat Désiré V. dit bedrag eerder wel ter beschikking had, geeft V. aan dat Désiré V. eerder verschillende vermogenselementen had, zoals de verkoopopbrengst van vastgoed en de verkoopopbrengst van aandelen in de bvba van V. en haar echtgenoot.

De terminologie van de zorgovereenkomst wijst bovendien op een betaling in de tegenwoordige tijd en niet op een uitgestelde betaling of een schuld(vordering). Zoals reeds aangegeven, is het punt van (de betaling overeenkomstig) de zorgovereenkomst bij brief van 11 mei 2010 (bij wijze van verweer) spontaan ter sprake gekomen, na voorafgaande briefwisseling van 25 maart, 7 april en 12 april 2010, terwijl de erkenning van de betaling pas bij brief van 16 juni 2010 wordt tegengesproken.

4. Blijft zodoende de door V. (als reservataire erfgenaam) beoogde inkorting van de beweerde (bij wijze van zorgovereenkomst vermomde) gift (van Désiré V. aan M.L.V.) ten bedrage van 50.000/2 = 25.000 euro, vermeerderd met interesten.

De eerste rechter acht de beoogde inkorting voorbarig, omdat zij afhangt van de vereffening-verdeling van de nalatenschap van Désiré V., die nog moet gebeuren.

V. geeft thans aan zich in deze beoordeling van de eerste rechter te kunnen vinden.

M.L.V. betoogt thans evenwel terecht dat een dergelijke vordering tot inkorting sowieso niet aan de orde is, aangezien de zorgovereenkomst als (volwaardige) rechtshandeling om baat moet worden beschouwd en geenszins als rechtshandeling om niet. Een bij wijze van zorgovereenkomst vermomde gift is immers niet aan de orde.

Enig gebrek bij de toestemming tot de (door toedoen van notaris O. onderschreven) zorgovereenkomst dat wel wilsgebrek is niet bewezen. Een gebeurlijke ongezondheid van geest (in de zin van art. 901 BW) is bij deze rechtshandeling om baat sowieso niet aan de orde. M.L.V. is immers, over de echtscheiding met Désiré V. heen, gedurende jaren en tot aan zijn overlijden allerhande praktische zorgen en diensten blijven verlenen ten behoeve van haar ex-echtgenoot. Ofschoon V., zoals reeds aangegeven, de duur en de omvang van de bedoelde zorgen en diensten betwist, kan zij moeilijk ontkennen dat tegen systematische betaling gedurende vele jaren zorgen en diensten zijn verleend.

De zorgovereenkomst ligt in die lijn. Het gaat effectief om een rechtshandeling om baat en geenszins om een rechtshandeling om niet, mede bij gebrek aan een (bewezen) animus donandi aan de zijde van Désiré V.

De vordering tot inkorting is derhalve ongegrond.

5. Voormelde redengeving brengt mee dat het hoger beroep van M.L.V. slechts in beperkte mate slaagt.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/06/2018 - 21:02
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 21:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.