-A +A

Bijkomend onderzoek -Regeling van de rechtspleging na de onttrekking van de zaak aan de onderzoeksrechter wegens territoriale onbevoegdheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 12/02/2015
A.R.: 
19/2015

Het Hof zegt voor recht :
- Artikel 127 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de rechtspleging die volgt op de beschikking van de raadkamer waarmee de zaak wegens territoriale onbevoegdheid is onttrokken aan de oorspronkelijk aangewezen onderzoeksrechter.
- Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet indien zij zo wordt geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op de rechtspleging die volgt op de beschikking van de raadkamer waarmee de zaak wegens territoriale onbevoegdheid is onttrokken aan de oorspronkelijk aangewezen onderzoeksrechter.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Het Grondwettelijk Hof,
wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 17 januari 2014 in zake het openbaar ministerie tegen J.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 februari 2014, heeft de Correctionele Rechtbank te Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 127 van het Wetboek van strafvordering betreffende de regeling van de rechtspleging door de raadkamer, in die zin geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op een gerechtelijk onderzoek dat aanleiding heeft gegeven tot een beschikking van onttrekking van de zaak aan de onderzoeksrechter wegens territoriale onbevoegdheid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het zowel de inverdenkinggestelde of de beklaagde als de burgerlijke partij het recht ontzegt aan het eind van het gerechtelijk onderzoek bijkomende onderzoekshandelingen te vorderen en in zoverre het een onderzoeksgerecht niet de mogelijkheid biedt uitspraak te doen over de regeling van de rechtspleging, in het geval dat het openbaar ministerie ervoor kiest de zaak niet bij een nieuwe onderzoeksrechter aanhangig te maken ? ».
(...)

III. In rechte
(...)

B.1.1. Artikel 127 van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« § 1. Wanneer de onderzoeksrechter oordeelt dat zijn onderzoek voltooid is, zendt hij het dossier over aan de procureur des Konings.
Indien de procureur des Konings geen andere onderzoekshandelingen vordert, vordert hij de regeling van de rechtspleging door de raadkamer.

§ 2. De raadkamer laat ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij, degene die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd en hun advocaten in kennis per faxpost of bij een ter post aangetekende brief dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt, dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen.

§ 3. Binnen de in § 2 bepaalde termijn kunnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig de in § 2 bepaalde vormen en termijnen.

§ 4. De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde gehoord te hebben.

De partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat. De raadkamer kan evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen.

Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open. De beschikking wordt betekend aan de desbetreffende partij op vordering van de procureur des Konings en brengt dagvaarding mee om te verschijnen op de vastgestelde datum. Als deze partij niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan en geldt de beschikking als op tegenspraak gewezen.

Wanneer de raadkamer de zaak in beraad houdt om haar beschikking uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak ».

Het betreft de in het geding zijnde bepaling.

B.1.2. Artikel 61quinquies van hetzelfde Wetboek bepaalt :

« § 1. De inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onderzoeksrechter verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten.

§ 2. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft; het beschrijft nauwkeurig de gevraagde onderzoekshandeling, dit op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier zendt hiervan onverwijld een kopie aan de procureur des Konings. Deze doet de vorderingen die hij nuttig acht.

De onderzoeksrechter doet uitspraak op straffe van nietigheid van zijn beschikking uiterlijk binnen een maand na de inschrijving van het verzoekschrift in het register. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt.

De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. De onderzoeksrechter kan dit verzoek afwijzen indien hij de maatregel niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen of indien hij deze maatregel op dat ogenblik nadelig acht voor het onderzoek.

§ 4. Tegen de beschikking van de onderzoeksrechter kan hoger beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 61quater, § 5.

§ 5. Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich tot de kamer van inbeschuldigingstelling wenden overeenkomstig artikel 61quater, § 6.

§ 6. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp ».

B.2.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zo geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing is op het geval waarin, nadat de onderzoeksrechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt het voorwerp heeft uitgemaakt van een beschikking tot onttrekking wegens territoriale onbevoegdheid, het openbaar ministerie de zaak niet aanhangig heeft gemaakt bij een nieuwe onderzoeksrechter.

Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt.

B.2.2. De verwijzende rechter merkt op dat, in een dergelijke hypothese, de ontstentenis van elke regeling van de rechtspleging voor de raadkamer met name de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij belet de onderzoeksrechter te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten vóór de beslissing van de raadkamer, overeenkomstig artikel 127, § 3, van het Wetboek van strafvordering.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter de situatie van een inverdenkinggestelde, met betrekking tot wie het gerechtelijk onderzoek het voorwerp uitmaakt van een regeling van de rechtspleging, alsook de eventuele persoon die zich in de loop van dat gerechtelijk onderzoek burgerlijke partij heeft gesteld, vergelijkt met de situatie van de inverdenkinggestelde die rechtstreeks door het openbaar ministerie voor de feitenrechter is gedagvaard zonder regeling van de rechtspleging na de onttrekking van de zaak aan de onderzoeksrechter wegens territoriale onbevoegdheid, alsook de eventuele persoon die zich in de loop van dat gerechtelijk onderzoek burgerlijke partij heeft gesteld.

B.3. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 maart 1998 « tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek » is in verband met artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering gepreciseerd :
« Het ontwerp maakt van het verzoek tot bijkomende onderzoeksmaatregelen een recht [...].
[...]

Met deze bepaling worden niet alleen de rechten van de verdediging uitgebreid, ze is ook in het belang van het onderzoek zelf. [...] Alhoewel in theorie het dossier voor de vonnisgerechten aan een volstrekt tegensprekelijke rechtspleging zou moeten worden onderworpen, blijkt dit thans in de praktijk lang niet altijd het geval.

Zeker wanneer het een omvangrijk dossier betreft, blijft de mogelijkheid voor de verdediging om bepaalde elementen daaruit te betwisten eerder beperkt. Het dossier is zodoende veel meer dan vroeger in staat de beslissing ten gronde te beïnvloeden. [...] Vandaar de noodzaak om tijdens het gerechtelijk onderzoek het dossier op een meer evenwichtige wijze samen te stellen dan nu het geval is. De mogelijkheid voor de verdediging om bijkomende onderzoeken te doen stellen die eventueel elementen à décharge aan het licht kunnen brengen, moet dan ook in deze context begrepen worden » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, pp. 51-52).

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling is ook onderstreept :

« Het ontwerp beoogt de partijen de mogelijkheid te verlenen, vóór de verschijning voor de raadkamer, de onderzoeksrechter te verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te stellen. Zo vermijdt men tijdverlies, daar het dossier het onderzoeksgerecht bij de regeling der rechtspleging, in principe, in staat zal stellen uitspraak te doen met volledige kennis van zaken.
[...]

Indien de raadkamer oordeelt dat het dossier niet volledig is, is het niet de raadkamer die de onderzoeksrechter gelast om het onderzoek voort te zetten. Als de raadkamer een leemte in het onderzoek vaststelt, geeft zij ten aanzien van de verwijzing een negatieve beschikking. Het is dan aan het openbaar ministerie om eventueel de onderzoeksrechter opnieuw te adiëren met het oog op bijkomende onderzoeksdaden. Deze gang van zaken volgt logisch uit het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie en de bestaande systematiek van de regeling van de rechtspleging » (Parl. St., 1996-1997, nr. 857/1, pp. 57 en 59).

De Franse versie van die laatste passage bepaalt van haar kant :

« Si la chambre du conseil estime que le dossier est incomplet, elle ne pourra pas ordonner au juge d'instruction de poursuivre l'instruction. Comme la chambre du conseil constate les lacunes de l'instruction, elle rend, s'agissant du renvoi, une ordonnance négative. Il appartient au Ministère public de décider, à la lumière des actes d'instruction complémentaires, de saisir à nouveau le juge d'instruction ».

Tijdens de debatten heeft de minister ook gepreciseerd :

« Wanneer uit de feiten van een dossier blijkt dat een gerechtelijk onderzoek noodzakelijk zal zijn, dan moet het parket zo snel mogelijk een gerechtelijk onderzoek vorderen om te voorkomen dat het onderzoek in een ver gevorderd stadium nog in andere handen moet overgaan » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/17, p. 104).

B.4.1. Artikel 55 van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Het gerechtelijk onderzoek is het geheel van de handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen.

Het wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de onderzoeksrechter ».

B.4.2. Het instellen van een gerechtelijk onderzoek vormt een specifieke stap in de fase die voorafgaat aan het strafproces. Het impliceert, enerzijds, de aanhangigmaking van de zaak bij een onderzoeksrechter die beschikt over ruimere onderzoeksbevoegdheden dan het openbaar ministerie en die het gerechtelijk onderzoek à charge en à décharge voert, en, anderzijds, de erkenning van bijzondere procedurele rechten ten behoeve van de in verdenking gestelde persoon of de persoon die daarmee wordt gelijkgesteld en de eventuele burgerlijke partij.

De aanhangigmaking, door de procureur des Konings, van een zaak bij een onderzoeksrechter belet, in beginsel, het openbaar ministerie zijn opdracht van gerechtelijke opsporing voort te zetten (artikel 28quater, derde lid, van het Wetboek van strafvordering). Bovendien is de procureur des Konings niet in staat om de opdracht te onttrekken aan de onderzoeksrechter, waarbij die onttrekking in beginsel pas mogelijk is na een beslissing van de onderzoeksgerechten, noch om, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, over te gaan tot een rechtstreekse dagvaarding voor het vonnisgerecht.

Een minnelijke schikking in strafzaken tussen het openbaar ministerie en de dader van het misdrijf maakt het weliswaar mogelijk het gerechtelijk onderzoek te beëindigen, maar in een dergelijke hypothese is de instemming van de dader van het misdrijf vereist en is de strafvordering definitief vervallen door de inachtneming van de voorwaarden van die minnelijke schikking.

B.4.3. De onderzoeksrechter is ertoe gehouden een persoon in verdenking te stellen zodra tegen hem « ernstige aanwijzingen van schuld » bestaan (artikel 61bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering). De inverdenkinggestelde, de daarmee gelijkgestelde persoon en de burgerlijke partij kunnen tot de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek verzoeken om onderzoekshandelingen te verrichten (artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering).

B.4.4. De beschikking waarmee de zaak wegens territoriale onbevoegdheid aan een onderzoeksrechter wordt onttrokken, vormt in de regel slechts een ordemaatregel die geen einde maakt aan de rechtspleging (vgl. Cass., 10 december 2002, Arr. Cass., 2002, nr. 664). Bovendien worden de door de territoriaal onbevoegde onderzoeksrechter verrichte handelingen per hypothese niet aangetast door nietigheid. Integendeel, uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt dat « buiten het geval waarin de inverdenkinggestelde moedwillig wordt onttrokken aan zijn natuurlijke rechter en zijn recht van verdediging aldus zou zijn miskend, de onderzoekshandelingen die verricht worden door een ratione loci niet-bevoegde onderzoeksrechter, niet nietig zijn en een geldige grondslag voor latere vervolgingen kunnen vormen » (Cass., 11 september 2002, Arr. Cass., 2002, nr. 439).

Ten slotte maakt de regeling van de rechtspleging het een rechtscollege dat zich nog niet heeft uitgesproken over het dossier, mogelijk om de resultaten en de regelmatigheid van het gevoerde gerechtelijk onderzoek na te gaan. De raadkamer kan aldus met name de eventuele nietigheden van het onderzoek zuiveren of oordelen dat het onderzoek onvolledig is. De kamer van inbeschuldigingstelling kan daarnaast de onderzoeksrechter gelasten nieuwe onderzoekshandelingen te verrichten.

Het onderzoeksgerecht verwijst de inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht overigens alleen wanneer er voldoende bezwaren bestaan, namelijk « bezwaren die onderzocht zijn en dermate ernstig zijn dat hun veroordeling, vanaf [dat ogenblik], waarschijnlijk lijkt, waarbij men onder bezwaren het geheel van de na afloop van het onderzoek vergaarde gegevens moet verstaan » (Cass., 27 juni 2007, Arr. Cass., 2007, nr. 360).

B.5.1. Het is zowel in het belang van het openbaar ministerie en van de burgerlijke partij als in dat van de inverdenkinggestelde om iedereen in staat te stellen, vanaf het stadium van het gerechtelijk onderzoek, de noodzaak van bijkomende onderzoekshandelingen aan te voeren die het met name mogelijk kunnen maken sommige onregelmatigheden aan te tonen die de beslissing tot buitenvervolgingstelling of de verwijzingsbeslissing zouden kunnen aantasten. Zoals de raadpleging van het strafdossier kan het vorderen van bijkomende onderzoekshandelingen het algemeen belang dienen in zoverre de burgerlijke partij, de inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie aldus in het dossier elementen kan laten opnemen die anders zouden ontbreken.

De rechtspleging voor de raadkamer verschilt overigens fundamenteel van de rechtspleging voor het vonnisgerecht. Te dezen is het van kapitaal belang dat de rechtspleging voor het onderzoeksgerecht met gesloten deuren verloopt.

B.5.2. De mogelijkheid waarover de procureur des Konings beschikt om een persoon die in verdenking is gesteld rechtstreeks te dagvaarden voor de feitenrechter door in voorkomend geval te steunen op onderzoekshandelingen die zijn verricht door een territoriaal onbevoegde onderzoeksrechter, terwijl geen enkele regeling van de rechtspleging heeft plaatsgehad en de persoon die in verdenking is gesteld en de eventuele burgerlijke partij bijgevolg het recht is ontnomen om, bij de onderzoeksrechter, te verzoeken om nieuwe onderzoekshandelingen te verrichten in het kader van de regeling van rechtspleging, is niet redelijk verantwoord.

Zij ontzegt de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij immers een procedureel recht, dat de wetgever essentieel acht, in een stadium van de rechtspleging dat nog niet openbaar is en dat een onderzoek veronderstelt van de regelmatigheid van de handelingen die zijn verricht tijdens het gerechtelijk onderzoek en van de resultaten waartoe dat laatste heeft geleid, waarbij een zuivering wordt toegelaten van de nietigheden die zijn gepleegd tijdens het gerechtelijk onderzoek dat wordt afgesloten.

Bovendien onderscheidt de mogelijkheid waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, zich van de mogelijkheid om te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten op grond van artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering, in zoverre zij plaatsheeft op een ogenblik dat de onderzoeksrechter oordeelt dat zijn gerechtelijk onderzoek voltooid is of dat het openbaar ministerie zijn vorderingen heeft genomen in verband met het gevolg dat aan de strafvordering moet worden gegeven.

B.5.3. Om diezelfde redenen kan het gegeven dat de beklaagde beschikt over het recht om voor de feitenrechter te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, geen redelijke verantwoording vormen voor het verschil in behandeling dat bestaat tussen de inverdenkinggestelde die is opgeroepen voor de strafrechter zonder voorafgaande regeling van de rechtspleging na de onttrekking van de zaak aan de onderzoeksrechter wegens territoriale onbevoegdheid, en de inverdenkinggestelde ten aanzien van wie het gerechtelijk onderzoek wordt afgesloten door een regeling van de rechtspleging.

Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de burgerlijke partij die, hoewel zij eveneens beschikt over de mogelijkheid om voor de feitenrechter te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, zonder redelijke verantwoording verschillend wordt behandeld naargelang het in het kader van dat strafdossier aangevatte gerechtelijk onderzoek al dan niet is afgesloten door een regeling van de rechtspleging.

B.5.4. Ten slotte verantwoordt de doeltreffendheid van de strafrechtspleging evenmin het in het geding zijnde verschil in behandeling. Enerzijds, vormt de regeling van de rechtspleging een essentiële stap die het mogelijk maakt het aangevatte gerechtelijk onderzoek wettelijk af te sluiten. Anderzijds, draagt de mogelijkheid die aan de inverdenkinggestelde en aan de burgerlijke partij wordt geboden om bij de onderzoeksrechter te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten naar aanleiding van de regeling van de rechtspleging, bij tot de doeltreffendheid van de strafvordering en bovendien kan van die mogelijkheid in principe slechts één keer gebruik worden gemaakt.

B.6. In die interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.7. Het Hof merkt evenwel op dat de in het geding zijnde bepaling het voorwerp kan uitmaken van een andere interpretatie volgens welke, wanneer de onttrekking van de zaak aan de onderzoeksrechter wegens territoriale onbevoegdheid slechts een maatregel van orde is, daaruit voortvloeit dat die onttrekking de procureur des Konings, naar wie het dossier wordt verwezen, niet kan toestaan na te laten de zaak aanhangig te maken bij de territoriaal bevoegde onderzoeksrechter.
In die interpretatie bestaat het verschil in behandeling niet en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :

- Artikel 127 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de rechtspleging die volgt op de beschikking van de raadkamer waarmee de zaak wegens territoriale onbevoegdheid is onttrokken aan de oorspronkelijk aangewezen onderzoeksrechter.

- Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet indien zij zo wordt geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op de rechtspleging die volgt op de beschikking van de raadkamer waarmee de zaak wegens territoriale onbevoegdheid is onttrokken aan de oorspronkelijk aangewezen onderzoeksrechter.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 februari 2015.
 

Noot: 

Wendy Michiels, Barbara Huylebroek, Arrest Grondwettelijk Hof legt wettelijk hiaat bloot bij regeling van rechtspleging

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 07/08/2017 - 09:39
Laatst aangepast op: ma, 18/09/2017 - 16:01

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.