-A +A

Bezit te goeder trouw van roerende goederen doet het eigendomsrecht enkel ontstaan wanneer het bezit deugdelijk is

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 19/06/2009
A.R.: 
C.08.0183.N

Het bezit te goeder trouw van roerende goederen doet het eigendomsrecht enkel ontstaan wanneer het bezit deugdelijk is, dit wil zeggen een voortdurend,onafgebroken, ongestoord,openbaar en niet dubbelzinnig bezit als eigenaar (1). (1) Cass., 20 dec. 1974, A.C., 1975, 478.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van Cassatie van België
Arrest Nr. C.08.0183.N
B. M.,
eiser,

STAATLICHE KUNSTSAMMLUNGEN DRESDEN, met zetel te D-01067 Dresden (Duitsland), Postfach 120551, voor wie optreedt de Freistaat Sachsen, vertegenwoordigd door het ministerie van Wetenschap en Kunst, met kantoor te D-01097 Dresden (Duitsland), Wigardstrasse 17,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;
- de artikelen 2229 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Bij het bestreden arrest van 3 december 2007 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen eisers hoger beroep en het incidenteel beroep van de Staatliche Kunstsammlungen Dresden ontvankelijk, wijst eisers hoger beroep af als ongegrond, verklaart het incidenteel beroep van de Staatliche Kunstsammlungen Dresden gegrond, hervormt het bestreden vonnis, verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van de eiser ontvankelijk, maar ongegrond, bevestigt het vonnis voor het overige in zoverre eiser werd veroordeeld tot de teruggave van het litigieuze schilderij en veroordeelt hem tot de kosten van beide aanleggen. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen:
"5.4. Aangaande de beweerde verjaring van de vordering van (de verweerster)

5.4.1. Het (hof van beroep) merkt vooreerst op dat, aangezien (de eiser) terzake de bescherming van artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, niet geniet (daarover onder nummer 5.5 verder meer), de revindicatievordering van de (verweerster) al evenmin onderworpen is aan de termijn van drie jaar bedoeld bij artikel 2279, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

5.4.2. (De eiser) beroept zich dienaangaande verder op artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek dat voorschrijft dat alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van dertig jaar.

5.4.3. Eigendomsverkrijging door verjaring veronderstelt gedurende dertig jaar een bezit van het goed dat vrij is van gebreken, dat dus voortdurend, ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig is.

5.4.4. Hierna (onder nummer 5.5) zal worden toegelicht dat het bezit van (de eiser) een heimelijk karakter heeft en dus gebrekkig is. Bijgevolg kan ook artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek (de eiser) geen soelaas brengen.

5.4.5. In de gegeven omstandigheden kan (de eiser) zich niet beroepen op de verjaring van de eigendomsvordering van (de verweerster). Of het betrokken schilderij behoort tot het privaat of tot het openbaar domein en bijgevolg al dan niet vatbaar is voor verkrijgende verjaring, heeft verder geen belang.

5.5. Aangaande de toepassing van artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

5.5.1. Als verweer tegen de revindicatievordering van (de verweerster) beroept (de eiser) zich op de bepaling van artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld als volgt:

‘Met betrekking tot roerende goederen geldt het bezit als titel'.

5.5.2. Onterecht laat (de verweerster) gelden dat (de eiser) zou hebben verzaakt aan de toepassing van artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Het tegendeel vloeit niet voort uit het feit dat (de eiser) in zijn verweer ook verwijst naar de schenking van het schilderij hem in 1983 door zijn vader gedaan en naar de aankoop van het schilderij door zijn vader in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw.

5.5.3. Opdat (de eiser) de bescherming van artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek zou kunnen inroepen, moet aan drie vereisten zijn voldaan:
- zijn bezit moet werkelijk zijn, zijn bezit moet deugdelijk zijn en zijn bezit moet te goeder trouw zijn.
Aan (de verweerster), die beweert dat terzake niet aan de toepassingsvoorwaarden van de hierboven bedoelde wetsbepaling is voldaan, behoort het daarvan een afdoende bewijsvoering te doen.

5.5.4. Het wordt niet betwist dat (de eiser) te bestempelen is als de werkelijke bezitter van het betrokken schilderij in de zin van artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Het tegendeel vloeit niet voort uit de omstandigheid dat het schilderij in 2001 door de bevoegde overheid in beslag genomen werd. Voor zover aan de andere toepassingsvoorwaarden daarvan voldaan is, kan degene die op het ogenblik van de inbeslagname de feitelijke heerschappij had over de zaak zich blijven beroepen op de toepassing van de hierboven bedoelde wets¬bepaling.

5.5.5. (De verweerster) betwist wel dat het bezit van (de eiser) deugdelijk of vrij van gebreken zou zijn. Om de bescherming van artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek te genieten, moet het bezit voortdurend, vreedzaam, openbaar en ondubbelzinnig zijn.

Er wordt niet beweerd, laat staan bewezen, dat het bezit van (de eiser) zou behept zijn met discontinuïteit, geweld of dubbelzinnigheid.
Met (de verweerster) is het (hof van beroep) evenwel van oordeel dat het bezit van (de eiser) heimelijk is. Dat blijkt in alle duidelijkheid uit de verklaring die op 5 juli 2001 werd afgelegd door N.V.D. , uitbater van de juwelenzaak TG, Vestingstraat 1, te Antwerpen (bladzijde 28 van het strafdossier):
‘(...)

U geeft me kennis van uw onderzoek en ik, kan u bevestigen dat gistermiddag om 14.00 uur een zekere M. (bedoeld wordt: (de eiser)) bij mij in de zaak is geweest.

Hij bood een schilderij aan waarvan hij beweerde dat het van de hand van Breughel was. Hij beweerde dat hij dit werk geërfd had van zijn vader. Deze had het op zijn beurt gekocht van een professor van een universiteit in de Oekraïne. M. vertelde me verder dat het schilderij in kwestie afkomstig was van het museum te Dresden alwaar het waarschijnlijk was aangeboden aan Rusland als betaling voor de restauratie van een aantal beschadigde werken uit het museum in Dresden.

Deze werken waren tijdens de oorlog verborgen geworden en hadden hierbij waterschade opgelopen.

Dit verhaal was me ongeveer een zestal maanden eerder verteld door een oude vriend van me met name J.M. die in Los Angeles vertoeft. J.M. is violist, bouwer en handelaar in violen. Hij is het die M., een collega - violist van hem, geïntroduceerd heeft. Hij vroeg me of ik voor die M. geen koper kon vinden voor deze Breughel.
M., de man van de carwash wat verder in de straat gelegen, hoorde van dit verhaal een paar maanden geleden en zei me een aantal weken later dat hij misschien iemand wist die hierin geïnteresseerd was.

Een week voordien is M. hier geweest met zijn schilderij. Er was hier eveneens een expert uit Brussel en wiens naam ik niet ken en A., een vriend van me die hier in de buurt woont. Het schilderij werd bekeken en de expert kwam tot de conclusie dat het om een werk van de hand van Breughel ging. Het werk was een 15-tal jaren geleden gerestaureerd. Er is geen prijs vernoemd geworden.

Gisteren is hier in mijn bureau een nieuwe ontmoeting geweest met M., M. en diens potentiële koper die mij voorgesteld werd als L. en mij verder onbekend is. M. wou 500.000 US-dollar voor het werk.

L. ging nog een expert raadplegen en hierop zijn de partijen uit elkaar gegaan. (...)'.

Het te koop stellen van het betrokken schilderij via de uitbaters van een juwelenzaak en van een carwash (en niet door een gespecialiseerd veilinghuis of door een schilderijengalerij) en tegen een prijs (500.000 US-dollar) merkelijk lager dan de waarde die (de eiser) thans zelf aan het schilderij toeschrijft (1.250.000,00 euro), laat geen twijfel toe omtrent het heimelijk karakter van het bezit van (de eiser). De onderscheiden documenten waarnaar (de eiser) in dit verband verwijst (op 20 juli 2007 ter griffie neergelegde tweede conclusie, bladzijde 4), bewijzen het tegendeel niet. Tot getuigenverhoor van de zuster (B.) van (de eiser) bestaat geen aanleiding, omdat de objectiviteit van de betrokkene minstens twijfelachtig is.

5.5.6. Aangezien het bezit van (de eiser) een heimelijk karakter heeft en dus ondeugdelijk is, moet in dit verband niet verder worden onderzocht of het bezit van (de eiser) al dan niet te goeder trouw is (daarover verder wel meer). Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is terzake niet voldaan, zodat (de eiser) ook niet de bescherming kan genieten van die wetsbepaling'.
(...)

5.8. Aangaande de tegenvordering van (de eiser).
(...)

5.8.3. Uit hetgeen hierboven reeds uiteengezet werd, volgt dat het bezit van (de eiser) te kwader trouw is. Terzake zijn er immers wel degelijk omstandigheden van aard om het argwaan van (de eiser) op te wekken betreffende de wettelijkheid van het bezit van de persoon (zijn vader) die hem het goed geleverd heeft. Het heimelijk karakter van het bezit van (de eiser) illustreert dat perfect. In zijn verklaring van 4.7.2001 aan de verbalisanten bevestigt (de eiser) trouwens uitdrukkelijk (strafdossier, bladzijde 14):

‘(...) Ik was er van op de hoogte dat dit schilderij tijdens de tweede wereldoorlog verdwenen is uit het museum van Dresden. (...)'

Bovendien is het oude etiket van het museum van Dresden op de achterzijde van het schilderij nog aanwezig (strafdossier, bladzijde 4).

Zijn kwade trouw ontneemt (de eiser) ieder recht op vergoeding, zowel op grond van artikel 2280 van het Burgerlijk Wetboek, als op grond van de hierboven bedoelde Wet van 28 oktober 1996, als op grond van de billijkheid.
(...)

5.8.5. In de gegeven omstandigheden wordt de oorspronkelijke tegenvordering van (de eiser) als ongegrond afgewezen. Het incidenteel beroep van (de verweerster) wordt toegekend. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd".

Grieven

Eerste onderdeel

De eiser voerde in zijn conclusie op pagina 4 aan dat het vast staat dat zijn vader begin van de jaren 1960 het schilderij door aankoop verworven had van de rector van de universiteit van Lvov, dat het ononderbroken in het bezit van zijn vader was en daarna in zijn bezit, dat zowel zijn vader als hijzelf zich steeds openlijk, ondubbelzinning als eigenaar hebben gedragen, gedurende meer dan 40 jaar, tot het schilderij medio 2001 ten onrechte strafrechtelijk in beslag genomen werd.

Hij verwees met betrekking tot dat meer dan 40 jaar openlijk bezit als eigenaar naar diverse stukken, waaronder de brief van 18 mei 1983 van het veilinghuis Christie's te New York en de brief van 8 mei 2001 van The Art Loss Register, bevestigende dat het schilderij niet opgenomen is in het ALR als zijnde gestolen of als zijnde het voorwerp van enigerlei claim specifiek met betrekking tot Wereldoorlog II.

Bovendien verwees hij naar het feit dat het schilderij steeds open en bloot thuis tegen de muur gehangen had bij zijn vader en nadien bij hem en het door bezoekers onafgeschermd kon gezien worden.

Indien het hof van beroep met betrekking tot de stukken, waarnaar de eiser op pagina 4 van zijn tweede conclusie verwijst, oordeelt dat zij het te¬gendeel (met name de afwezigheid van heimelijkheid) niet bewijzen, antwoordt het evenwel niet op de aanvoering dat het openlijk bezit bleek uit het feit dat het schilderij jarenlang open en bloot aan de muur had gehangen, verweer waarmee eiser duidelijk maakte dat het schilderij niet was weggeborgen in een kluis of aan het oog van de bezoeker werd onttrokken.

Besluit

Het hof van beroep dat niet antwoordt op eisers verweer, gestoeld op een objectief verifieerbaar gegeven, met name het feit dat het schilderij jaren lang open en bloot aan de muur in de woning van vader en zoon had gehangen, waar het door bezoekers onafgeschermd kon worden gezien, omkleedt zijn beslissing niet regelmatig met redenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

Tweede onderdeel

Te dezen volgt uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen dat door de verweerster tegen de eiser een vordering in revindicatie van het schilderij van Jan Breughel de Oude, gekend als "Ebene mit Windmühle of Vlakte met Windmolen", dat zich in het bezit van de eiser bevond, werd ingesteld.
Naar luid van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek geldt met betrekking tot roerende goederen het bezit als titel.
Blijkens de vaststellingen van het bestreden arrest dient het ingeroepen bezit, om van de bescherming van artikel 2279, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek te kunnen genieten, deugdelijk te zijn.

Uit artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat een deug¬delijk bezit een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar veronderstelt, met dien verstande dat de bewijslast van het ondeugdelijk bezit toekomt aan degene die het goed revindiceert.

Een niet openbaar of heimelijk bezit houdt in dat de bezitter de materiële bezitsdaden verborgen houdt of tracht te houden en veronderstelt bovendien een intentioneel handelen. Het heimelijk karakter veronderstelt m.a.w. dat de bezitter door bepaalde kunstgrepen zijn bezitsdaden verbergt.

De enkele omstandigheid dat het bezit niet gekend is door derden, inzonderheid door de revindicerende persoon, volstaat bijgevolg niet om tot de heimelijkheid van het bezit te besluiten, te meer daar, gelet op de aard van roerende goederen, het bezit ervan doorgaans een vertrouwelijk karakter heeft, overeenkomstig artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens eenieder recht heeft op de bescherming van zijn privé-leven en huis en, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, onder meer naar aanleiding van de bekleding van bepaalde politieke mandaten of de inning van bepaalde belastingen, niemand kan worden verplicht zijn bezittingen aan de buitenwereld kenbaar te maken.

Te dezen blijkt trouwens uit de door het hof van beroep gedane vaststellingen dat eisers bezit van voornoemd schilderij door meerdere personen, onder wie de persoon die ten aanzien van de gerechtelijke politie de verklaring aangehaald in het bestreden arrest aflegde, de genaamde J.M. die in Los Angeles vertoefde en de eiser met de juwelier in verbinding bracht, de expert uit Brussel die het schilderij onderzocht, de genaamde A., M., de man van de Carwash, en de kandidaat-koper, genaamd L., gekend was.

Besluit

In het licht van de feitelijke vaststellingen van het bestreden arrest, inzonderheid de verklaring afgelegd door N.V.D. , uitbater van de juwelenzaak TG, waaruit blijkt dat meerdere personen op de hoogte waren van eisers bezit van het schilderij, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen, zonder aldus het begrip "openbaar" bezit te miskennen, dat eisers bezit als heimelijk en derhalve ondeugdelijk diende te worden gekwalificeerd (schending van de artikelen 2229 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek). Minstens vermocht het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt dat eiser het schilderij via de uitbaters van een juwelenzaak en van een carwash had aangeboden met de bedoeling om zijn bezit van het schilderij verborgen te houden, niet wettig te beslissen dat zijn bezit heimelijk was (schending van de artikelen 2229 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek).

Derde onderdeel

Uit artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat een deug¬delijk bezit een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dub¬belzinnig bezit, als eigenaar veronderstelt, met dien verstande dat de be¬wijslast van het ondeugdelijk bezit toekomt aan degene die het goed revin¬diceert.

De heimelijkheid maakt het bezit zodoende ondeugdelijk.
Indien het hof van beroep te dezen vaststelt dat het bezit heimelijk was, blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest weliswaar niet dat eisers bezit permanent heimelijk zou zijn geweest.

Integendeel blijkt uit de vaststellingen van het hof van beroep dat het bewuste schilderij in 2001 door de eiser in Antwerpen te koop werd aangeboden, het weze door tussenkomst van een juwelier, die bevestigde eisers verhaal over de herkomst van het schilderij reeds zes maanden eerder te hebben vernomen van een vriend die in Los Angeles vertoefde. Het schilderij werd onderzocht door een expert uit Brussel in aanwezigheid van een derde. Bovendien behield eiser na de inbeslagname van het schilderij de feitelijke heerschappij over dat schilderij, zulks met medeweten van de verweerster.

Overigens erkende de verweerster zelf in de gedinginleidende dagvaarding dat het schilderij reeds in 1979 door een West-Berlijnse kunstgalerij te koop werd aangeboden en dat het in 1989 in de Verenigde Staten was opgedoken.

Besluit

Het hof van beroep vermocht op grond van de gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt dat de eiser zijn bezit van het schilderij permanent geheim zou hebben gehouden, niet wettig te beslissen dat eisers bezit niet deugdelijk was (schending van de artikelen 2229 en 2279, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 16 en 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, artikel 1 van het Aanvullend protocol bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 20 maart 1952 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955;

- artikel 17 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948;
- de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van de ‘Stalingrondwet' van 5 december 1936, zoals van kracht tot aan de goedkeuring van de Grondwet van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken van 7 oktober 1977;
- artikel 25 van de USSR-Beginselen van Burgerlijke Wetgeving;
- de artikelen 3, zoals van toepassing vóór diens opheffing bij wet van 16 juli 2004, 6, 544, 1315, 1316 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 5, 570, 1°, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 16 juli 2004, 774, 870, 876 en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 21 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht;
- algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verplicht om op de hem voorgelegde feiten, desnoods ambtshalve, de juiste rechtsregel toe te passen, dat onder meer ligt besloten in artikelen 774 en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek;
- de Belgische internationale openbare orde.

Aangevochten beslissingen

Bij het bestreden arrest van 3 december 2007 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen eisers hoger beroep en het incidenteel beroep van de Staatliche Kunstsammlungen Dresden ontvankelijk, wijst eisers hoger beroep af als ongegrond, verklaart het incidenteel beroep van de Staatliche Kunstsammlungen Dresden gegrond, hervormt het bestreden vonnis, verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van eiser ontvankelijk, maar ongegrond, bevestigt het vonnis voor het overige in zoverre eiser werd veroordeeld tot de teruggave van het litigieuze schilderij en veroordeelt hem tot de kosten van beide aanleggen. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen:

"5.6. Aangaande de door (de eiser) ingeroepen eigendomstitels

5.6.1. (De eiser) laat verder gelden dat hij het schilderij heeft verwor¬ven ingevolge twee onderscheiden, opeenvolgende rechtshandelingen: een aankoop door zijn vader en een schenking waarvan hij de begunstigde was.

5.6.2. Naar (de eiser) beweert, zou het schilderij in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw door zijn vader aangekocht zijn van de rector van de universiteit van Lvov (Oekraïne, voormalige Sovjet-Unie). Nog afgezien van het feit dat van die verkoopovereenkomst helemaal geen bewijzen worden voorgelegd, is het hoe dan ook zo dat een dergelijke overeenkomst onder het daarop indertijd toepasselijke Sovjetrecht absoluut verboden was: krachtens de artikelen 4 tot 10 van de ‘Stalin grondwet' van 1936 (artikel 25 van de latere USSR-Beginselen van Burgerlijke Wetgeving) waren slechts consumptiegoederen vatbaar voor privé-eigendom, cultuurgoederen zoals het schilderij in kwestie niet, dit ongeacht de wijze van eigendomsverkrijging. Er is geen sprake van strijdigheid van die communistische wetgeving inzake eigendomsrecht met de Belgische nationale of internationale openbare orde. De vader van (de eiser) heeft derhalve op onrechtmatige wijze het schilderij verworven. Zijn beweerd daaropvolgend ononderbroken bezit gedurende meer dan twintig jaar van het schilderij in het buitenland is verder irrelevant.

5.6.3. (De eiser) beweert vervolgens dat het schilderij hem in 1983 door zijn vader zou zijn geschonken. Op het ogenblik van de schenking waren (de eiser) en zijn vader woonachtig in Queens, New York (Verenigde Staten van Amerika). Overeenkomstig het toepasselijke Amerikaanse recht (het ‘common law') kan men in principe niet meer rechten overdragen dan men zelf heeft. Zoals hierboven reeds gezegd, was de vader van (de eiser) geen titularis geworden van het eigendomsrecht op het schilderij, zodat ook de schenking daarvan aan (de eiser) niet rechtsgeldig was, zodat (de eiser) aldus geen eigenaar is geworden van dat schilderij. Eigendomsverkrijgende verjaring kent het Amerikaans recht niet.

5.6.4. Slotsom is derhalve dat (de eiser) in gebreke blijft een rechtmatige eigendomstitel voor te leggen. Noch de beweerde aankoop door zijn vader, noch de daaropvolgende schenking aan (de eiser), noch het bezit van het schilderij dat voorafgaat aan het tijdstip waarop het naar België werd overgebracht, kunnen daaraan iets veranderen.

5.8. Aangaande de tegenvordering van (de eiser).

5.8.3. Uit hetgeen hierboven reeds uiteengezet werd, volgt dat het bezit van (de eiser) te kwader trouw is. Terzake zijn er immers wel degelijk omstandigheden van aard om het argwaan van (de eiser) op te wekken betreffende de wettelijkheid van het bezit van de persoon (zijn vader) die hem het goed geleverd heeft. Het heimelijk karakter van het bezit van (de eiser) illustreert dat perfect. In zijn verklaring van 4 juli 2001 aan de verbalisanten bevestigt (de eiser) trouwens uitdrukkelijk (strafdossier, bladzijde 14):
‘(...)

Ik was er van op de hoogte dat dit schilderij tijdens de tweede wereldoorlog verdwenen is uit het museum van Dresden. (...)

Bovendien is het oude etiket van het museum van Dresden op de achterzijde van het schilderij nog aanwezig (strafdossier, bladzijde 4).
Zijn kwade trouw ontneemt (eiser) ieder recht op vergoeding, zowel op grond van artikel 2280 van het Burgerlijk Wetboek, als op grond van de hierboven bedoelde wet van 28 oktober 1996, als op grond van de billijkheid (...).
(...)

5.8.5. In de gegeven omstandigheden wordt de oorspronkelijke tegenvordering van (de eiser) als ongegrond afgewezen. Het incidenteel beroep van (de verweerster) wordt toegekend. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd".

Grieven

Eerste onderdeel

Naar luid van artikel 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij wet van 16 juli 2004, worden onroerende goederen, ook die welke in het bezit zijn van vreemdelingen, beheerst door de Belgische wet. Deze regel geldt evenzeer ten aanzien van roerende goederen.

De toepassing van deze regel kan weliswaar geen afbreuk doen aan reeds definitief verworven rechten in het buitenland met betrekking tot deze roerende goederen.

Te dezen voerde de eiser aan dat zijn vader het schilderij begin de jaren 1960 had aangekocht van de rector van de universiteit van Lvov, koop waarvan het hof van beroep vaststelt dat deze onrechtmatig was, gelet op de ‘Stalingrondwet' van 1936.

Daartoe verwijst het hof van beroep naar de artikelen 4 tot 10 van de Stalingrondwet en 25 van de latere USSR - Beginselen van Burgerlijke Wetgeving.

Bij artikel 4 van de Grondwet van 5 december 1936, door het hof van beroep de ‘Stalingrondwet' van 1936 genoemd, die van toepassing was tot haar opheffing bij de Constitutie van de Unie van Socialistische Sovjetrepu¬blieken, goedgekeurd door de Opperste Sovjet van de USSR op 7 oktober 1977, werd bevestigd dat het socialistische systeem van de economie en de socialistische eigendom van de grondstoffen en productiemiddelen, volgend uit de afschaffing van het kapitalistisch economisch systeem, de afschaffing van de private eigendom van de grondstoffen en productiemiddelen en de af¬schaffing van de exploitatie van de mens door de mens de economische grondslag van de USSR vormen.

Blijkens artikel 5 van deze grondwet bestaat de socialistische eigendom in de USSR onder de vorm van staatseigendom (het bezit van het ganse volk) of onder de vorm van coöperatieve of collectieve landbouweigendom (eigendom van een collectieve boerderij of eigendom van een coöpera¬tieve associatie).

Artikel 6 van voornoemde grondwet bepaalt dat de bodem, de on¬dergrond, de wateren, de bossen, de bedrijven, de fabrieken, de mijnen, de spoorwegen, de scheep- en luchtvaart, de banken, de communicatiemiddelen, de door de staat opgerichte grote landbouwbedrijven (sovkhozen, machine- en tractorenstations en dergelijke), de gemeentelijke ondernemingen en de sociale woningen in de steden en industriële nederzettingen staatseigendom zijn, d.i. eigendom van gans het volk.

Blijkens artikel 7 van deze grondwet maken de publieke onderne¬mingen in collectieve boerderijen en coöperatieve organisaties, met hun vee en machines, de producten van de collectieve boerderijen en coöperatieve or¬ganisaties, hun gemeenschappelijke gebouwen de gemeenschappelijke socia¬listische eigendom van de collectieve boerderijen en coöperatieve organisaties uit. Bij zijn basisinkomen uit de publieke collectieve landbouwonderneming, bezit ieder huishouden in een collectieve boerderij, voor zijn persoonlijk ge¬bruik een klein terrein, verbonden aan het woonhuis, en, ten titel van persoon¬lijke eigendom, een gebouw gevestigd op dat terrein, een woonhuis, vee, kippen en kleine landbouwmachines in overeenstemming met de statuten van het landbouwbedrijf.

Artikel 8 van voornoemde grondwet bepaalde dat het land, waarop de collectieve boerderij is gevestigd bestemd is voor hun gebruik, zonder enige last en voor onbeperkte tijd.

Naar luid van artikel 9 van deze grondwet laat de wet naast het socialistische systeem dat de dominante economische vorm in de USSR is, een kleine private economie van individuele landbouwers en ambachtslui toe, gestoeld op hun persoonlijke arbeid en met uitsluiting van de exploitatie van de arbeid van anderen.

Artikel 10 van voornoemde grondwet bepaalt ten slotte dat de wet het recht van de burgers op persoonlijke eigendom over de inkomsten van hun arbeid, hun spaargelden, hun woonhuis en huishouding, de voorwerpen die daarmee verband houden, de voorwerpen bestemd voor persoonlijk gebruik en comfort, alsmede het recht om al deze voorwerpen door nalatenschap te verwerven waarborgt.

Artikel 25 van de latere USSR-Beginselen van Burgerlijke Wetgeving hernam deze principes blijkens de eigen vaststellingen van het hof van beroep.

Geen enkele van de door het hof van beroep aangehaalde bepalingen verbiedt weliswaar de verwerving door particulieren van de eigendom van een schilderij.

Niet alleen werd in de ‘Stalingrondwet' niet bepaald dat alleen consumptie- of verbruiksgoederen persoonlijke eigendom konden zijn en dat iedere privé-eigendom van schilderijen uitgesloten is, doch bovendien behoort een dergelijk voorwerp per definitie tot het huisraad, waarvan sprake in artikel 10 van de ‘Stalingrondwet' in de mate dat het is bestemd om de woning te ver¬fraaien, zoals trouwens naar Belgisch recht uitdrukkelijk wordt bevestigd door artikel 534, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Echter, zelfs zo schilderijen onder het Sovjetrecht niet het voorwerp zouden hebben kunnen uitmaken van persoonlijk bezit - quod non - , diende nog te worden onderzocht welke gevolgen door het sovjetrecht werden gekoppeld aan een overeenkomst die, niettegenstaande het aangehaalde verbod, tussen twee particulieren tot stand kwam en diende m.a.w. te worden onderzocht of een dergelijke overeenkomst als onbestaande diende te worden aangezien dan wel of zij, naar analogie met het Belgische recht, gevolgen te¬weegbracht zolang zij niet werd tenietgedaan.

Besluit

Waar het hof van beroep in het bestreden arrest oordeelt dat het "hoe dan ook zo (is) dat een dergelijke overeenkomst onder het daarop indertijd toepasselijke Sovjetrecht absoluut verboden was: krachtens de artikel 4 tot 10 van de ‘Stalingrondwet' van 1936 (artikel 25 van de latere USSR - Beginselen van Burgerlijke Wetgeving) waren slechts consumptiegoederen vatbaar voor privé-eigendom, cultuurgoederen zoals het schilderij in kwestie niet, dit ongeacht de wijze van eigendomsverkrijging", daar waar uit de aangehaalde grondwetsbepalingen blijkt, enerzijds, dat nergens wordt bepaald dat schilderijen, die vandaag als cultuurgoederen worden bestempeld, enkel staatseigendom of collectieve eigendom konden uitmaken, anderzijds, expliciet de persoonlijke eigendom over de inkomsten van hun arbeid, hun spaargelden, hun woonhuis en huishouding, de voorwerpen die daarmee verband houden, de voorwerpen bestemd voor persoonlijk gebruik en comfort, alsmede het recht om al deze voorwerpen door nalatenschap te verwerven door de grondwet werd erkend, zonder dat uit deze tekst blijkt dat daarmee anno 1936 enkel consumptiegoederen, zijnde goederen bestemd om verbruikt te worden, werden bedoeld, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van de ‘Stalingrondwet' van 5 december 1936, zoals van kracht tot aan de goedkeuring van de Constitutie van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken van 7 oktober 1977 en 25 van de latere USSR-Beginselen van Burgerlijke Wetgeving evenals, voor zoveel als nodig, artikel 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor diens opheffing bij wet van 16 juli 2004). In ieder geval kwam het hof van beroep dat de verkrijging van het schilderij door de vader van eiser als onrechtmatig bestempelt en derhalve geen gevolgen kon teweegbrengen, zonder evenwel vooreerst te onderzoeken welke gevolgen door het toenmalige Sovjetrecht werden verbonden aan een verkoopovereenkomst die andere dan consumptiegoederen, inzonderheid schilderijen, tot voorwerp had, tekort aan de op de rechter rustende taak om op de hem voorgelegde feiten de juiste rechtsregel toe te passen en is het bestreden arrest derhalve om die reden niet naar recht verantwoord (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verplicht om op de hem voorgelegde feiten, desnoods ambtshalve, de juiste rechtsregel toe te passen, dat besloten ligt in de artikelen 774 en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 5, 774 en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Uit de door het bestreden arrest gedane vaststellingen blijkt dat de eiser ter rechtvaardiging van zijn eigendomsrecht aanvoerde dat het schilderij door zijn vader begin de jaren 1960 werd aangekocht van de rector van de universiteit van Lvov, waarna zijn vader hem het schilderij in 1983 had geschonken.

Het hof van beroep werpt terloops op dat van de aangevoerde verkoopovereenkomst geen bewijzen worden voorgebracht, zonder weliswaar te preciseren volgens welk recht het bewijs van die koopovereenkomst diende te worden geleverd.

Naar Belgisch recht kunnen rechtsfeiten en rechtshandelingen door derden alleszins door alle middelen van recht worden geleverd.
Besluit

In zoverre het hof van beroep in het ongewisse laat of het bewijs van de aangevoerde koopovereenkomst diende te worden geleverd overeenkomstig het Belgische dan wel volgens het destijds in de Sovjet-Unie geldende recht, laat het het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen aangaande de bewijsregels die het hof van beroep ter zake weerhield om te stellen dat er geen bewijs van de verkoopovereenkomst voorlag en is het bestreden arrest derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 7 februari 1994). In zoverre het bestreden arrest evenwel aldus zou moeten worden gelezen dat het hof van beroep van oordeel was dat het bewijs van de door eiser aangevoerde verkoopovereenkomst naar Belgisch recht diende te worden geleverd en laat uitschijnen dat zulks bovendien bij geschrift diende te gebeuren, daar waar de eiser een derde was ten aanzien van de aangevoerde koopovereenkomst, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 1315, 1316 van het Burgerlijk Wetboek, 870 en 876 van het Gerechtelijk Wetboek).

Derde onderdeel

Uit artikelen 6 van het Burgerlijk Wetboek, 570, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij wet van 16 juli 2004, en voor zover als nodig artikel 21 van het Wetboek van internationaal privaatrecht, volgt dat van het vreemde recht in België slechts toepassing wordt gemaakt voor zover dat recht niet strijdig is met de Belgische internatio¬nale openbare orde.

Een wet is van privaat internationale openbare orde voor zover de wetgever door de bepalingen van die wet een principe heeft willen huldigen dat hij als hoofdzakelijk voor de gevestigde zedelijke, politieke of economische orde beschouwt en dat om deze reden, naar zijn mening, noodzakelijk in België de toepassing van elke regel moet uitsluiten die ermee in strijd is of ervan verschilt.

Niet alleen de interne wetten van openbare orde, doch tevens internationale bepalingen die in de Belgische rechtsorde werden opgenomen kunnen regelen van Belgische internationale openbare orde uitmaken.

Vormt één van de pijlers van de Belgische economische orde het eigendomsrecht, zoals vastgelegd in artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, waarvan niemand kan worden beroofd, althans zonder een billijke vergoeding, zoals volgt uit artikel 16 van de Grondwet, dat uitdrukkelijk bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemene nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling, artikel 1 van het

Aanvullend protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 20 maart 1952 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, dat stelt dat alle natuurlijke of rechtspersonen recht hebben op het ongestoord genot van hun eigendom en dat niemand van zijn eigendom zal worden beroofd, behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht en artikel 17 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948 dat stelt dat ieder persoon, hetzij alleenstaand of tot een collectiviteit behorend, recht heeft op eigendom.

Voornoemde regels verzetten zich aldus tegen de toepassing in België van een vreemd recht, in casu de ‘Stalingrondwet van 1936', waardoor meer dan veertig jaar na de totstandkoming van de verkoopovereenkomst waarbij een persoon aan een ander persoon de eigendom heeft overgedragen van een welbepaalde zaak, in casu een schilderij, het eigendomsoverdragend karakter van die overeenkomst nog in vraag zou kunnen worden gesteld omwille van de specifieke aard van de zaak die er het voorwerp van uitmaakte en de koper of zijn rechtsopvolgers derhalve meer dan veertig jaar later nog de eigendom van de overgedragen zaak zou kunnen worden ontzegd, en dit zonder enige vorm van compensatie.

Besluit

Waar het hof van beroep te dezen oordeelt dat de com¬munistische wetgeving inzake het eigendomsrecht niet strijdig kan worden geacht met de Belgische nationale of internationale openbare orde, zonder verdere motivering, en alleszins zonder dat uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat het acht sloeg op de principes van het EVRM, inzonderheid op artikel 1 van het aanvullend protocol bij het EVRM, dat deel uitmaakt van de Belgische rechtsorde en derhalve zonder dat blijkt of het van oordeel was dat het ontzeggen op grond van de voormalige communistische wetgeving, meer dan veertig jaar na haar totstandkoming, van ieder gevolg aan een verkoopovereenkomst met betrekking tot een schilderij al dan niet verenigbaar is met de Belgische principes inzake het recht op eigendom en zijn compensatie, maakt het de wettigheidscontrole van het Hof onmogelijk en is het derhalve niet regelmatig met de redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). In zoverre het bestreden arrest aldus zou moeten worden gelezen dat het hof van beroep heeft geoordeeld dat de communistische wetgeving inzake het eigendomsrecht niet strijdig is met de Belgische wetgeving waar deze wetgeving tot gevolg heeft dat een persoon nooit andere goederen kan bezitten dan goederen, bestemd om verbruikt te worden, met dien verstande dat de verkoopovereenkomsten die tussen twee particulieren met betrekking tot andere dan verbruiksgoederen zouden worden gesloten geen gevolgen kunnen teweegbrengen, en dit zelfs zo aan de overeenkomst door partijen daadwerkelijk uitvoering werd gegeven en zelfs zo inmiddels meer dan veertig jaar zijn verstreken zonder dat deze overeenkomst tot enig optreden van die overheid wegens de beweerde onwettigheid van de overeenkomst heeft geleid, doet het hof van beroep uitspraak in miskenning van artikelen 1 van het Aanvullend protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 20 maart 1952 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, 17 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 10 december 1948, 16 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 en 544 van het Burgerlijk Wetboek en kon het niet wettig beslissen dat te dezen de communistische wetgeving niet strijdig was met de Belgische internationale openbare orde (schending van artikelen 6 van het Burgerlijk Wetboek, 570, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 16 juli 2004, en voor zoveel als nodig 21 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht evenals van de Belgische internationale openbare orde).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters oordelen dat het bezit van de eiser heimelijk was op basis van het feit van het te koop stellen van het betrokken schilderij via de uitbaters van een juwelenzaak en van een carwash en niet door een gespecialiseerd veilinghuis of door een schilderijengalerij en tegen een prijs merkelijk lager dan de waarde die de eiser thans zelf aan het schilderij toeschrijft.

Ze geven aldus de feitelijke gegevens aan waarop zij hun beslissing laten steunen en verwerpen zodoende de door de eiser bij conclusie aangevoerde daarmee strijdige en andere feitelijke gegevens en beantwoorden mitsdien het in het onderdeel bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

2. Overeenkomstig de artikelen 2229 en 2279 van het Burgerlijk Wetboek doet het bezit te goeder trouw van roerende goederen het eigendomsrecht enkel ontstaan wanneer het bezit deugdelijk is, dit wil zeggen een voortdurend, onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit als eigenaar.

3. Opdat er sprake is van een openbaar bezit in de zin van voormelde wetsbepalingen is vereist dat, al wie er belang bij heeft, het bezit of de bezitsdaden kan zien en vaststellen, en, desgevallend, de nodige maatregelen kan treffen om zich tegen de verjaring te verzetten.

Het feit dat het bezit openbaar is voor sommigen, sluit evenwel niet uit dat het bezit ten opzichte van andere personen die belang hebben het bezit of de bezitsdaden te zien en vast te stellen, een heimelijk karakter heeft.

Het komt de feitenrechter toe in feite te beoordelen of zulks het geval is.

4. De appelrechters oordelen dat het te koop stellen van het betrokken schilderij via de uitbaters van een juwelenzaak en van een carwash en niet door een gespecialiseerd veilinghuis of door een schilderijengalerij, tegen een prijs merkelijk lager dan de waarde die de eiser zelf aan het schilderij toeschreef, geen twijfel toelaat omtrent het heimelijk karakter van het bezit van de eiser.

5. Door te oordelen dat het bezit van het kwestieuze schilderij in hoofde van de eiser heimelijk was en deze zich niet als verweer tegen de revindicatievordering van de verweerster op artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek kan beroepen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

6. De vaststelling dat het bezit in hoofde van de eiser van het kwestieuze schilderij uiteindelijk bekend werd door het te koop aan te bieden via tussenkomst van een juwelier, sluit niet uit dat het bezit van het schilderij ten aanzien van de verweerster heimelijk bleef.

Het onderdeel dat van een andere opvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede middel

Tweede onderdeel

7. Gelet op de feitelijke vaststelling dat van de kwestieuze verkoopovereenkomst "helemaal geen bewijzen worden voorgelegd", diende het bestreden arrest zich niet uit te spreken over de vraag of het bewijs van de aangevoerde overeenkomst diende te worden geleverd overeenkomstig het Belgische dan wel volgens het destijds in de Sovjet-Unie geldende recht.

Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat, kan in zoverre niet worden aangenomen.

8. Voor het overige laat het bestreden arrest, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, niet uitschijnen dat het bewijs van de verkoopovereenkomst bij geschrift diende te gebeuren.

Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag.

Eerste en derde onderdeel

9. Het eerste onderdeel is gericht tegen de overweging van het bestreden arrest dat het hoe dan ook zo was dat een dergelijke overeenkomst, onder het daarop indertijd toepasselijke Sovjet-recht, absoluut verboden was.

Het derde onderdeel is gericht tegen de overweging van het bestreden arrest dat de toepassing van de communistische wetgeving, op grond waarvan ieder gevolg zou moeten worden ontzegd aan een verkoopovereenkomst en de eigendom van het goed dat er het voorwerp van uitmaakte aan de koper zou moeten worden ontzegd, niet verenigbaar is met de Belgische openbare orde.

Gelet op de in het tweede onderdeel vergeefs bekritiseerde reden die de beslissing draagt dat door de eiser van de aangevoerde overeenkomst helemaal geen bewijzen worden overgelegd, kunnen het eerste en het derde onderdeel, al waren zij gegrond, niet tot cassatie leiden.
De onderdelen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
De kosten zijn begroot op de som van 771,60 euro jegens de eisende partij en op de som van 165,79 euro jegens de verwerende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot: 

Julie del Coral, Belang van openbaar bezit voor de toepassing van artikel 2279 lid 1BW, NJW 2014/305, p. 563

Besproken principes, wettelijk bepalingen en bronnen van deze noot::

•ongewilde buitenbezitstelling van titels aan toonde

• 2279 en 2280 BW
• 2279 BW en de vereiste van bezit te goeder trouw
• 2279 BW en de vereiste van deugdelijk bezit
• 2230 BW voor de materiële bezitter: vermoeden van intentionele element (Cass. 4 december 1986, RW 1986-87, 2147 en Gent 25 april 1995, RW 1996-97, (569) 570; Brussel 4 januari 2011, T.Not. 2011, 91; Brussel 25 januari 2011, T.Not. 2011, 95; H. DE PAGE en R. DEKKERS, Traité élémentaire de droit civil beige, V, Brussel, Bruylant, 1975, 765, nr. 856;

Rechtsleer

• A. Heyvert, “Bezit geeft verscheidene titels, TPR, 1983, (169)179;
• P. Heurterre “De beijslast van (on)deugdelijk bezit”, noot onder Cass. 16 februari 1998, Not. Fisc.M. 1999, (69)74;
• S. Bouflette, “La possesion en matière mobilière et l’article 2279 du Code Civil” TBBR 2007, (79);
• J. Kokelenberg, V. Sagaert e.a., “Overzicht van rechtspraak Zakenrecht (2000-2008)”TPR 2009(1113) 1665, nr. 567
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/07/2016 - 11:51
Laatst aangepast op: ma, 18/07/2016 - 11:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.