-A +A

Bewijswaarde tot bewijs van tegendeel – betrokkenheid van verbalisant - subjectiviteit - begrip betrokken verbalisant

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
vri, 18/11/2016

Niets belet dat een politieagent die betrokken is in een ongeval een proces-verbaal kan opstellen.

Dit proces verbaal heeft slechts relatieve bewijswaarde bij gebrek aan gegarandeerde objectiviteit van de vaststelling.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
471
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

G.D. t/ Openbaar ministerie

...

De feiten hadden plaats op 3 april 2015, omstreeks 18u44, langs de Aalterstraat te Ruiselede.

Volgens de vaststellingen van inspecteur van politie V. De B., zoals weergegeven in zijn proces-verbaal van 14 april 2015, reed hij in zijn persoonlijk voertuig en buiten zijn diensturen te Ruiselede langs de Aalterstraat richting Aalter en werd hij gevolgd door appellant die zijn voertuig (...) bestuurde en daarbij niet de nodige veiligheidsafstand tussen liet; het zogenaamde «bumperkleven».

De verbalisant noteerde dat, op een bepaald ogenblik, appellant zijn voertuig inhaalde terwijl de tegenliggers te dicht genaderd waren om dit inhaalmanoeuvre te kunnen uitvoeren zonder de andere weggebruikers in gevaar te brengen. De verbalisant verklaarde dat hij zelf snelheid minderde, zodat appellant tijdig weer rechts kon invoegen, waardoor er geen aanrijding plaatshad.

De verbalisant volgde appellant tot aan zijn woning en daar interpelleerde hij hem over zijn inhaalmanoeuvre.

Appellant liet weten het oneens te zijn met de verbalisant en merkte op dat inhalen daar toegelaten is.

Een afschrift van het proces-verbaal werd aan appellant toegestuurd op 14 april 2015.

Appellant vulde het hem toegestuurde antwoordformulier in en verwees naar een bijgevoegde brief waarin hij zijn versie van de feiten chronologisch uiteenzette. Hij betwistte daarin de vaststelling van inspecteur De B. en verklaarde o.m. dat niet hij had beslist om een roekeloos inhaalmanoeuvre uit te voeren, maar dat de inspecteur zelf te dicht achter een vrachtwagen reed en daardoor plots diende af te remmen, waardoor appellant verplicht was naar links uit te wijken en de verbalisant en de vrachtwagen in te halen. Hij beklemtoonde ook dat hij daarbij de tegenliggers geenszins in gevaar bracht en er geen enkele tegenligger diende te remmen, noch met de lichten knipperde, noch claxonneerde.

Voorts zette hij uiteen dat, toen hij door de inspecteur aan zijn woning werd ondervraagd, deze het had over een inhaalmanoeuvre, waarna appellant zich verontschuldigde en vervolgens heeft gevraagd over welke situatie het precies ging.

Appellant merkte ook op dat inspecteur De B. in zijn proces-verbaal steeds sprak over «wij», maar dat hij wel degelijk alleen was in zijn voertuig en ten slotte betwistte hij de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal, omdat het werd opgesteld door een verbalisant die de vaststellingen buiten zijn diensturen deed en die bij de feiten betrokken was.

In zijn antwoord van 26 april 2015 sprak de verbalisant de opwerpingen van appellant tegen en bleef hij bij zijn uiteenzetting van de feiten die hij als volgt samenvatte: «De feiten zijn dat de bestuurder van de BMW achter ons rijdt zonder voldoende veiligheidsafstand te bewaren, dat wij door het heen en weer gaan van de BMW vermoeden dat de bestuurder de intentie heeft om ons in te halen. Betrokkene haalt ons in op een moment dat hij zijn inhaalbeweging niet meer kan uitvoeren zonder gevaar voor andere weggebruikers, omdat de weg niet meer over voldoende afstand vrij is om alle gevaar voor ongevallen te vermijden. Terwijl betrokkene links naast ons reed en wij onmiddellijk het gevaar inzagen, hebben wij het gaspedaal gelost om zo snelheid te minderen en de bestuurder van de BMW in de mogelijkheid te stellen om zich zo snel mogelijk naar rechts te begeven en zo een fataal ongeval te vermijden.»

Appellant heeft ook in hoger beroep conclusies neergelegd waarin hij zijn argumenten en middelen ter betwisting van de tenlasteleggingen uiteenzet.

...

Nergens in de conclusies van appellant wordt aangetoond dat de vaststellingen van de verbalisant, zoals verwoord in het proces-verbaal, niet correct kùnnen zijn. De rechtbank kan enkel vaststellen dat appellant het op diverse punten oneens is met wat is vastgesteld door de verbalisant. De versie van de feiten zoals weergegeven door appellant, wijkt sterk af van de feiten zoals weergegeven door de verbalisant.

Het argument van appellant dat het proces-verbaal niet de bijzondere bewijskracht kan hebben zoals bepaald in art. 62 Wegverkeerswet, omdat het werd opgemaakt door een politie-inspecteur, buiten zijn diensturen en die zelf bij de feiten betrokken was, kan door deze rechtbank worden gevolgd.

Een verbalisant dient als een bij de feiten betrokken partij te worden beschouwd wanneer hij niet als een onafhankelijke derde kan worden beschouwd doordat hij persoonlijk betrokken is bij de feiten die hij beschrijft en bijgevolg zelf een invloed kon hebben op de feiten, dan wel persoonlijke schade leed of kon lijden ingevolge die feiten. Als betrokken partij kan zijn relaas van de feiten niet zwaarder wegen dan het relaas van andere betrokken partijen, zoals in casu appellant, en dienen beide verklaringen tegen elkaar te worden gesteld.

In dat verband maakte de politierechter een onderscheid tussen de fase waarbij appellant te dicht achter het voertuig van de verbalisant zou hebben gereden (feiten voorwerp van tenlastelegging A) en van welke fase de politierechter oordeelde dat de verbalisant daarbij persoonlijk was betrokken, en anderzijds de fase van het inhalen, waarbij de politierechter de verbalisant als niet persoonlijk betrokken beschouwde.

Deze rechtbank is evenwel van oordeel dat niet alleen in de fase van het «bumperkleven» de verbalisant persoonlijk betrokken was, maar evenzeer tijdens het inhaalmanoeuvre, in acht genomen het feit dat de verbalisant verklaarde dat het inhalen gebeurde met gevaar voor de tegenliggers en dat hij zelf heeft afgeremd om appellant in staat te stellen weer rechts in te voegen, en zo het gevaar voor de tegenliggers weg te nemen. De verbalisant heeft bijgevolg, tijdens het door hem als gevaarlijk beoordeelde manoeuvre, actief ingegrepen en zo niet alleen voor de tegenliggers, maar ook voor zichzelf het gevaar beperkt of vermeden. In een dergelijk geval is de objectiviteit van de vaststellingen zoals in het proces-verbaal weergegeven niet gegarandeerd, omdat deze de weerslag zijn van waarnemingen van een betrokken weggebruiker die zegt zelf actief te hebben ingegrepen om appellant in staat te stellen zijn manoeuvre af te breken, en niet van een verbalisant die louter als buitenstaander feiten heeft waargenomen. Er kan bijgevolg aan de verklaringen van de h. De B. geen bijzondere bewijswaarde worden toegekend.

Aangezien de verklaringen van de h. De B. en van appellant elkaar tegenspreken, ligt geen bewijs van de tenlasteleggingen voor. De rechtbank acht bijgevolg beide tenlasteleggingen niet bewezen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 26/11/2017 - 10:30
Laatst aangepast op: zo, 26/11/2017 - 10:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.