-A +A

Bewijswaarde schriftelijk getuigenbewijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Westerlo
Datum van de uitspraak: 
woe, 07/12/2016

Het schriftelijk getuigenbewijs heeft een bijzondere bewijswaarde.

Ingevolge de wet van 16 juli 2012 gelden met ingang vanaf 13 augustus 2012 specifieke regels voor de bewijsvoering door overlegging van schriftelijke verklaringen van derden in burgerlijke procedures. Vastgesteld was immers dat gerechtelijke procedures gepaard gaande met de oproeping van getuigen, overdreven ingewikkeld en traag verliepen.

Om dit te vermijden heeft de wet van 16 juli 2012 in art. 961/1 tot 961/3 Ger.W. een wettelijk kader gecreëerd waarbinnen meer waarde toekwam aan eenvoudige schriftelijke verklaringen van derden teneinde op die wijze de rechter sneller, eenvoudiger en goedkoper te kunnen inlichten over betwiste feiten waarvan die derden persoonlijk weet hebben.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
956
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C. De J. t/ M.J.

...

Overwegende dat de initiële vordering van M.J. ertoe strekte C. De J. te horen veroordelen tot betaling aan haar van 590 euro hoofdsom uit hoofde van “een geldschuld”. Daaromtrent legt partij M.J. een door C. De J. ondertekend document voor met volgende inhoud: “Ik ondergetekende C. De J. verklaar de som van 750 euro nog te betalen aan J.M. en dit vóór 1 januari 2014.” Voormelde vordering werd gegrond verklaard bij vonnis van 2 maart 2016, gewezen bij verstek.

Overwegende dat C. De J. tegen voormeld vonnis verzet aantekende ertoe strekkende de initiële vordering van M.J. “te horen afwijzen” en waarbij tevens een tegeneis werd geformuleerd ertoe strekkende laatstgenoemde te horen veroordelen tot de betaling aan C. De J. van 4.410 euro hoofdsom.

Overwegende dat C. De J. en M.J. nicht/tante van elkaar zijn.

Overwegende dat uit de feitelijke gegevens van het dossier en uit het verhoor van elk van de gedingvoerende partijen op 9 november 2016 is gebleken, enerzijds dat de geldschuld van 750 euro twee maanden achterstallige huishuur vertegenwoordigde, door C. De J. te betalen aan M.J. uit hoofde van de huur van een chalet, gelegen te H. en anderzijds dat het bedrag van 4.410 euro het saldo is van 5.000 euro verminderd met de thans initieel opgevorderde 590 euro, waarbij voormelde 5.000 euro het bedrag is dat C. De J. in contanten aan M.J. heeft overhandigd/betaald als bijdrage teneinde deze laatste in staat te stellen de kwestieuze chalet aan te kopen, in het vooruitzicht deze dan verder van haar tante (zijnde M.J.) te kunnen huren.

Overwegende dat uit de persoonlijke verschijning op 9 november 2016 is gebleken dat het hiervoor geciteerde document (“schuldbekentenis”) werd handgeschreven door M.J. C. De J. ontkent niet dat zij haar handtekening heeft geplaatst onder de kwestieuze tekst. Door deze handtekening heeft zij aangeduid dat zij de er bovenstaande inhoud onderschrijft en dat zij zich wenste te binden aan de inhoud vervat in dit geschrift (animus signandi). De ondertekenaar kan achteraf niet stellen dat hij zich niet tot de inhoud van het document wilde binden. Het is daarbij geen bezwaar dat, zoals in casu, het geschrift door een andere persoon (partij M.J.) is geschreven. Slechts bij uitzondering mag het geschrift niet door een derde geschreven zijn (zoals bij een eigenhandig testament) en in dit geval behoort dit vereiste expliciet door de wetgever gesteld te zijn. Evenmin dient in zo’n geval (tekst geschreven door een derde) de handtekening te worden voorafgegaan door de vermelding “gelezen en goedgekeurd”. Zo’n vermelding is geenszins juridisch voorgeschreven en een gebrek eraan (zoals in casu) brengt de rechtsgeldigheid van de akte zeker niet in het gedrang.

Gelet op wat voorafgaat, dient het bedrag van 590 euro derhalve toegekend te blijven, te vermeerderen met de verwijlinteresten zoals bepaald in het verstekvonnis.

Overwegende dat ons ambt bevoegd is om kennis te nemen van de tegeneis.

Overwegende dat C. De J. m.b.t. het materiële feit van de overhandiging/betaling van het bedrag van 5.000 euro aan M.J. vijf schriftelijke getuigenverklaringen voorlegt die eensluidend zijn. Ingevolge de wet van 16 juli 2012 gelden met ingang vanaf 13 augustus 2012 specifieke regels voor de bewijsvoering door overlegging van schriftelijke verklaringen van derden in burgerlijke procedures. Vastgesteld was immers dat gerechtelijke procedures gepaard gaande met de oproeping van getuigen, overdreven ingewikkeld en traag verliepen. Om dit te vermijden heeft de wet van 16 juli 2012 in art. 961/1 tot 961/3 Ger.W. een wettelijk kader gecreëerd waarbinnen meer waarde toekwam aan eenvoudige schriftelijke verklaringen van derden teneinde op die wijze de rechter sneller, eenvoudiger en goedkoper te kunnen inlichten over betwiste feiten waarvan die derden persoonlijk weet hebben. In casu neemt ons ambt op grond van voormelde bepalingen aan dat C. De J. het bewijs levert van het materiële feit van de overhandiging/betaling door haar van het bedrag van 5.000 euro aan M.J. Wat evenwel niet wordt bewezen, is het juridische gegeven dat M.J. verplicht was dit bedrag aan C. De J. terug te betalen noch op welke juridische grond dit het geval zou zijn. De tegeneis dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 19/03/2017 - 11:42
Laatst aangepast op: zo, 19/03/2017 - 11:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.