-A +A

Bewijslast fiscus strafdossier dient niet aangifte uitwijzen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 08/11/2016
A.R.: 
2015/AR/1426
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/19
Pagina: 
1480
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Belgische Staat/Federale Overheidsdiensten Financiën / W. NV - Rolnr.: 2015/AR/1426)

(…)

2. Mevrouw A.V. was ten tijde van de besproken inkomstenjaren afgevaardigd bestuurder van de NV X vennootschap die tijdens de besproken inkomenstenjaren een brasserie/tearoom uitbaatte te Knokke onder de benaming X.

Uit een strafdossier ten laste van zekere D.D. e.a. (strafonderzoek ingesteld bij vordering van de onderzoeksrechter door de procureur des Konings te Brugge d.d. 11 september 2001) is gebleken dat de persoonlijke spaarrekening van Mevrouw A.V. voor 3.711.000 BEF (91.993,29 EUR) crediteringen vertoonde over de periode 26 februari 2001 tot 15 april 2002.

De administratie heeft aangenomen dat het ging om niet-aangegeven ontvangsten van de brasserie/tearoom te Knokke. Deze veronderstelde meerwinsten werden bij toepassing van artikel 219 WIB 1992 onderworpen aan de bijzondere aanslag geheime commissielonen in hoofde van de geïntimeerde. Meer bepaald werd voor het aanslagjaar 2001 een bedrag van 60.114,18 EUR aldus belast en voor het aanslagjaar 2002 een bedrag van 19.743,03 EUR.

Krachtens het artikel 358, § 1, 3° WIB 1992 mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde termijn is verstreken ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld.

Er dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de rechtsvordering heeft “uitgewezen” dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Dit betekent dat het niet aangeven van belastbare inkomsten “aan het licht wordt gebracht” door de rechtsvordering.

Te dezen is komen vast te staan met het strafdossier dat op de spaarrekening van Mevrouw A.V. in de periode 2 febrari 2001 tot 15 april 2002 voor een totaal van circa 3.711.000 BEF (91.993,29 EUR) aan periodieke cashstortingen ten bedrage van 20.000 BEF (495,79 EUR) tot 15.000 BEF (371,84 EUR) zijn gebeurd (zie onder meer het proces-verbaal d.d. 22 mei 2002, stuk 11/16 van de appellant, p. 2). De herkomst van die gelden kon tijdens het strafonderzoek niet worden achterhaald. Deze stortingen blijken verder niet voort te komen van verrichtingen tussen bankrekeningen van de geintimeerde of van Mevrouw A.V. of haar echtgenoot W.C. (zie het proces-verbaal d.d. 25 febrauri 2003, stuk II/22 van de appellant, p. 6).

Nu de herkomst van de gelden gebruikt voor de periodieke cashstortingen tijdens het strafonderzoek niet is komen vast te staan, kan niet zo maar aangenomen worden dat het gaat om gelden voortkomend van de uitbating van de brasserie/tearoom van de NV W./Mevrouw A.V. Deze gelden kunnen nog tal van andere oorsprongen hebben.

In het strafdossier - althans de uittreksels ervan die de appellant voorbrengt - zijn geen gegevens terug te vinden waaruit de herkomst van die gelden blijkt, en dus ook niet dat ze afkomstig zouden zijn van opbrengsten van de brasserie/tearoom.

Weliswaar opperen de verbalisanten impliciet dat de gelden op de spaarrekening van Mevrouw A.V. voortkomen van kasinkomsten van het verlieslatende restaurant (zie het proces-verbaal d.d. 25 februari 2003, stuk II/22 van de appellant, p. 7):

“W.C. en A.V. verklaarden allebei dat ze voor dat restaurant X 8.500.000 BEF betaalden. A.V. verklaarde dat ze daartoe een lening aangingen bij KBC ter waarde van 6.000.000 BEF terwijl W.C. zei dat ze een lening aangingen van 7.900.000 BEF. Mogelijk hebben de cashopnames ter waarde van 3.150.035 BEF te maken met de betaling van de aankoop van het restaurant. Indien dit zo is, werd de aankoop van het restaurant eigenlijk gedeeltelijk gefinancierd met de kasinkomsten van het verlieslatende restaurant X.”

Dit is echter een pure veronderstelling van de verbalisanten. Op welke gegevens gesteund wordt om aan te nemen dat de gelden op de spaarrekening van Mevrouw A.V. kasinkomsten zijn van het restaurant X blijkt immers niet uit de uittreksels uit het strafdossier door de appellant voorgelegd.

Andere gegevens uit het strafdossier waaruit het eventueel niet aangeven van belastbare inkomsten zou kunnen blijken, zijn niet voorhanden.

Men komt dan ook noodzakelijkerwijze tot het besluit dat te dezen de rechtsvordering niet uitwijst (in de zin van het art. 358, § 1, 3° WIB 1992) dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld.

In deze omstandigheden kon de appellant niet gebruikmaken van de aanslagtermijn voorzien bij het artikel 358, § 1, 3° WIB 1992, en dienen de aanslagen om die reden te worden vernietigd, nu gevestigd buiten de gewone aanslagtermijnen.

Voor zoveel als nodig moet worden gepreciseerd dat het niet aan de geïntimeerde is om te bewijzen dat de gelden gestort op de rekening van Mevrouw A.V. niet afkomstig zijn van de opbrengsten van de brasserie/tearoom of andere belastbare inkomsten zijn, en onder meer te bewijzen welke de oorsprong van die gelden is. Het is aan de appellant om in de eerste plaats aan te tonen dat de rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld.

Eenmaal dit bewijs geleverd, is het de appellant mogelijk nadien te bewijzen, aan de hand van de bewijsmiddelen hem door de wet ter beschikking gesteld, welke de belastbare handelingen zijn en welke belasting verschuldigd is.

Volledigheidshalve, in zoverre de appellant aanvoert dat hij door vermoedens bewijst dat een deel van de omzet van de X uit de brasserie/tearoom op de spaarrekening van de tweede geïntimeerde A.V. werd gestort, moet worden vastgesteld dat de appellant die vermoedens steunt op volgende gegevens:

“* Mevrouw A.V. is afgevaardigd bestuurder van de NV X. Zij staat in voor de dagelijkse leiding van deze vennootschap, zijnde de uitbating van een drank- en eetgelegenheid te Knokke, De vennootschap realiseert haar omzet enkel door middel van contante betalingen van haar klanten.

* De enige inkomsten die Mevr. A.V. behaalt zijn inkomsten als bestuurder uit de NV X.

* Op de persoonlijke bankrekening van Mevr. A.V. werden tijdens het jaar 2001 en 2002 diverse stortingen in contanten verricht waarvan de oorsprong niet bekend is.

* Via de persoonlijke bankrekening van Mevr. A.V. werden belangrijke bedragen afgehaald waarvan de uiteindelijke bestemming eveneens onbekend is.

* Uit het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat betrokkenen geen verklaring kunnen geven omtrent de oorsprong van deze gelden.”

Deze gegevens zijn ontoereikend om er de gevolgtrekking uit af te leiden dat de op de spaarrekening van de tweede appellante A.V. gestorte gelden belastbare opbrengsten zijn van de NV X.

(…)

Noot: 

Bellens, A., « De bijzondere aanslagtermijn inzake de rechtsvordering en het begrip “uitwijzen” », R.A.B.G., 2017/19, p. 1483-1485

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/12/2017 - 12:14
Laatst aangepast op: ma, 25/12/2017 - 12:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.