-A +A

Bewijslast fiscus niet aangifte

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 20/06/2017
A.R.: 
2015/AR/2666
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/19
Pagina: 
1478
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

G.R. / Belgische Staat - Rolnr.: 2015/AR/2666)

(…)

4.2. In toepassing van artikel 263, § 1, 3° WIB 1964 mag de belasting worden gevestigd na het verstrijken van de in artikel 259 WIB 1964 bedoelde termijn, ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één van de vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld.

Eiser in hoger beroep stelt dat de administratie in casu niet aantoont dat de rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet zijn aangegeven in één van de vijf jaren voor de instelling van de rechtsvordering. Geen enkele verklaring in het strafdossier zou immers duiden op een belegging en een uitbetaling van interesten en de datum waarop de rechtsvordering werd ingesteld, zou niet zijn bewezen.

Het hof is van oordeel dat uit de stukken van het strafdossier die door de administratie aan het administratief dossier werden toegevoegd, voldoende blijkt dat de rechtsvordering werd ingesteld in 1990. Zulks blijkt uit het notitienummer van het strafdossier evenals uit de processen-verbaal waar als dossiernummer 299/90 is vermeld. In toepassing van artikel 263, § 1, 3° WIB 1964 kon derhalve voor aanslagjaar 1989 een aanslag worden ingekohierd, in zoverre de rechtsvordering het bestaan van niet-aangegeven inkomsten uitwijst.

Voor de toepassing van de bijzondere aanslagtermijn is niet vereist dat uit de rechtsvordering zelf het bestaan van niet-aangegeven inkomsten volgt. Het volstaat dat de rechtsvordering feiten aan het licht brengt, die de administratie toelaten om, met wettelijke bewijsmiddelen waarover zij beschikt, te bewijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven (cf. Cass. 2 mei 1997, FJF, No. 1997/169).

De rechtsvordering lastens X zou in casu, aldus de kennisgeving van aanslag van ambtswege, de volgende feiten aan het licht hebben gebracht:

(1) eiser in hoger beroep zou zijn opgetreden als tussenpersoon voor beleggingen van de heren;

(2) de lening door de heer X aan eiser in hoger beroep van een bedrag van 5.000.000 BEF op 12 oktober 1989;

(3) de terugbetaling van deze lening middels een cheque aan toonder van 9.800.000 BEF getrokken op rekening van X bij de Bank te Genève.

Het hof is van oordeel dat de administratie uit deze feiten niet kon afleiden dat roerende inkomsten ten bedrage van 4.800.000 BEF niet werden aangegeven, in het bijzonder nu zulks niet strookt met de andere concrete elementen die blijken uit de rechtsvordering.

Het hof stelt vooreerst vast dat niet blijkt uit de stukken van het strafdossier, zoals bijgebracht door de administratie, dat eiser in hoger beroep optrad als tussenpersoon voor beleggingen van de heer X bij X. Eiser in hoger beroep is opgetreden als tussenpersoon voor de beleggingen van de heren X en X, aldus commissaris X in proces-verbaal 14934 (A.D. 17). Deze laatste maakt geen melding van de heer X.

De rechtsvordering wijst in casu enkel uit dat een lening werd aangegaan die later werd terugbetaald met aanwending van een cheque voor een groter bedrag. Zulks is niet voldoende om te besluiten tot het bestaan van belastbare roerende inkomsten die niet werden aangegeven.

Er blijkt niet uit de rechtsvordering dat de lening van 5.000.000 BEF de facto een belegging betreft die roerende inkomsten zou hebben opgeleverd. Integendeel, het bedrag van 4.800.000 BEF werd door de vennootschap van de heer X terugbetaald middels twee cheques uitgeschreven aan order van de X, vennootschap van eiser in hoger beroep (A.D. 18). De lening betrof bovendien een renteloze lening indien ze tijdig, i.e. uiterlijk op 22 december 1989, werd terugbetaald, zodat het bedrag van 4.800.000 BEF bezwaarlijk kan worden gekwalificeerd als roerend inkomen verkregen naar aanleiding van de terugbetaling van de lening einde december 1989. Ook op grond van de enkele vaststelling dat eiser in hoger beroep en X het oneens zijn over de reden waarom deze laatste een cheque overhandigde voor een bedrag van 9.800.000 BEF kan niet worden besloten tot het bestaan van roerende inkomsten voor een bedrag van 4.800.000 BEF. X verklaarde in ieder geval niet dat het roerende inkomsten zouden betreffen.

Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtsvordering lastens X niet heeft uitgewezen dat belastbare roerende inkomsten niet werden aangegeven in aanslagjaar 1989, zodat ten onrechte toepassing werd gemaakt van de bijzondere aanslagtermijn als voorzien in artikel 263, § 1, 3° WIB 1964. De bestreden aanslag, ingekohierd op 7 december 1994 en derhalve na het verstrijken van de in artikel 259 WIB 1964 bedoelde termijn, werd dan ook laattijdig gevestigd en dient te worden vernietigd.

Aangezien de nietigheid van de betwiste aanslag werd uitgesproken op grond van de verjaring, dient de heropening van de debatten in toepassing van artikel 356 WIB 1992 niet te worden bevolen.

(…)

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/12/2017 - 12:08
Laatst aangepast op: ma, 25/12/2017 - 12:10

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.