-A +A

Bewijslast dekking verzekering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 07/03/2011

Overeenkomstig artikel 1315, eerste lid BW moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen. Dit impliceert dat de verzekerde die jegens zijn verzekeraar een recht op betaling aanvoert, in de regel niet alleen het bewijs moet leveren van de schade, maar ook van de gebeurtenis die tot die schade heeft geleid en moet bewijzen dat het opgetreden risico in het contract was voorzien en er niet door uitgesloten was (zie ook in die zin: Cass. 7 juni 2001, www.cass.be; Cass. 18 januari 2002, www.cass.be; Cass. 19 mei 2005, www.cass.be).

Overeenkomstig artikel 1315, tweede lid BW moet omgekeerd hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Dit impliceert dat de verzekeraar die beweert bevrijd te zijn van de dekking moet bewijzen dat de verzekerde het voordeel van de verzekering heeft verloren (idem).

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/11
Pagina: 
762
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(TT.Club-T.M.S. Ltd. (vennootschap naar buitenlands recht) / H.L. NV)

1.

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 26 oktober 2009, waarbij het hoger beroep toelaatbaar werd verklaard en waarbij alvorens verder recht te spreken, de heropening der debatten werd bevolen om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of de concrete verzekeringsovereenkomst waarop de vordering gebaseerd is een overeenkomst is die valt onder het toepassingsgebied van de wet op de landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 of onder het toepassingsgebied van de wet van 11 juni 1874, en te verduidelijken welke wettelijke verplichtingen zij dan wel van toepassing achten.

Voor een goed begrip worden de feiten, de procedurele voorgeschiedenis en de actuele vorderingen opnieuw kort geschetst.

2.

Eind 2001 werd vastgesteld dat een aantal werknemers van de NV H.L. (hierna kortweg “H.” genoemd) zich in haar magazijnen in Brussel schuldig had gemaakt aan diefstallen van GSM's, fototoestellen, camera's ten nadele F. en van 240 computerschermen ten nadele P.

De aansprakelijkheid van H. was verzekerd door de buitenlandse vennootschap TT.Club-T.M.S. Ltd. (hierna kortweg “TT.Club” genoemd). Blijkens het verzekeringscertificaat werd de verzekeringsovereenkomst beheerst door Belgisch recht.

Bij brief van 17 december 2001 meldde de NV C., de verzekeringstussenpersoon van H., deze diefstal aan de NV M.C.B. (hierna kortweg “MCB” genoemd), de agent van TT.Club.

Bij de aangifte werd een waarde bij benadering opgegeven t.b.v. 70.800 USD.

P. heeft als benadeelde van deze diefstallen voor 76.816,34 EUR aan facturen ingehouden.

Er werd - kennelijk in functie van de verwachte tegeneis - geen dagvaarding uitgebracht en H. probeerde van haar verzekeraar te bekomen dat deze zou tussenkomen voor het ingehouden bedrag.

Uiteindelijk werd de tussenkomst geweigerd, hetgeen gemeld werd bij fax van MCB aan C. van 3 juni 2005.

H. zag zich bijgevolg genoodzaakt haar verzekeraar te dagvaarden.

3.

De inleidende dagvaarding werd betekend op 30 januari 2007. Met deze dagvaarding vorderde H. de veroordeling van TT.Club tot betaling van het bedrag van 76.816,34 EUR, te vermeerderen met de rente vanaf 11 juni 2002 (datum van aangifte van het schadegeval) en met de gerechts- en invorderingskosten.

4.

Bij het bestreden vonnis van 15 april 2008 werd:

de vordering van H. ontvankelijk en gegrond verklaard voor 76.816,34 EUR, te vermeerderen met de vergoedende rente vanaf 11 juni 2002;
akte verleend van de afstand van vordering inzake de kosten van juridische bijstand en
TT.Club veroordeeld tot de gerechtskosten.
5.

Het hoger beroep, ingesteld bij verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 29 juli 2008, beoogt:

de hervorming van het bestreden vonnis;
de afwijzing van de oorspronkelijke hoofdeis als ongegrond;
ondergeschikt de beperking van de gehoudenheid tot een bedrag van 1.050,28 EUR en
de veroordeling van H. tot de gerechtskosten (waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 4.500 EUR voor de procedure in eerste aanleg en van 5.000 EUR voor de procedure in graad van beroep).
6.

H. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de veroordeling van TT.Club tot de gerechtskosten, waarbij zij de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep begroot op 6.000 EUR.

Verder maakt zij ook aanspraak op de kapitalisatie van de interesten.

7.

Bij tussenarrest van 26 oktober 2009 werd het hoger beroep toelaatbaar verklaard.

Bovendien werden de debatten heropend om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of de concrete verzekeringsovereenkomst waarop de vordering gebaseerd is een overeenkomst is die valt onder het toepassingsgebied van de wet op de landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 of onder het toepassingsgebied van de wet van 11 juni 1874, en te verduidelijken welke wettelijke verplichtingen zij dan wel van toepassing achten.

De verzekeringsovereenkomst waarop de aanspraak van H. gegrond is had immers betrekking op de verzekerde diensten “transportonderneming” en “goederenbehandelingsfaciliteiten” en partijen waren er niet eenduidig over of op die verzekeringsovereenkomst de wet op de landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 (hierna verkort weergegeven als WLVO) van toepassing was, dan wel de verzekeringswet van 11 juni 1874 die eveneens door partijen werd aangehaald.

Toepasselijkheid wet op de landverzekeringsovereenkomst
8.

Beide partijen zijn het er in conclusie na tussenarrest over eens dat het sinister zich heeft voorgedaan toen H. optrad als bewaarnemer en niet als vervoerder en dat het aansprakelijkheidsrisico waarop de vordering gesteund is een landrisico betreft, zodat zij de WLVO van toepassing achten.

Daar partijen daarover akkoord zijn, wordt het geschil beoordeeld in het licht van deze wet.

Bewijslast dekking en bevrijding
9.

Overeenkomstig artikel 1315, eerste lid BW moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen. Dit impliceert dat de verzekerde die jegens zijn verzekeraar een recht op betaling aanvoert, in de regel niet alleen het bewijs moet leveren van de schade, maar ook van de gebeurtenis die tot die schade heeft geleid en moet bewijzen dat het opgetreden risico in het contract was voorzien en er niet door uitgesloten was (zie ook in die zin: Cass. 7 juni 2001, www.cass.be; Cass. 18 januari 2002, www.cass.be; Cass. 19 mei 2005, www.cass.be).

Overeenkomstig artikel 1315, tweede lid BW moet omgekeerd hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Dit impliceert dat de verzekeraar die beweert bevrijd te zijn van de dekking moet bewijzen dat de verzekerde het voordeel van de verzekering heeft verloren (idem).

Leiding van het geschil - Gevolgen regeling door verzekerde zonder akkoord verzekeraar
10.

Zodra het sinister zich heeft voorgedaan, heeft H. aangifte van het schadegeval gedaan.

MCB, de agent van TT.Club, stelde Mr. Poelmans aan als advocaat met het oog op een advies over de aansprakelijkheid van H. t.o.v. P., waarmee de verzekeraar de leiding van het geding op zich nam (zie stuk 5 dossier H.: “(…) Wij noteerden dat u een advocaat (allicht Mtr.Poelmans/diens medewerker) zal aanstellen. Mogen wij u verzoeken de advocaat opdracht te geven spoedig eerste advies te geven (…)”).

Het staat vast dat TT.Club initieel de leiding van het geschil op zich heeft genomen.

Toen H. duldde dat P. op de uitstaande facturen een bedrag van 76.816,34 EUR inhield om zich een vergoeding te verschaffen voor de diefstal waarvan zij het slachtoffer was, en naliet om voor het verstrijken van de verjaringstermijn over te gaan tot dagvaarding met het oog op de invordering van de openstaande facturen, meldde TT.Club uiteindelijk iedere verder tussenkomst te weigeren.

Die weigering van dekking vanwege TT.Club, die ervan uitging dat de zonder haar akkoord tussengekomen regeling een verval van dekking impliceerde, was foutief.

De situatie waarbij H., blijkbaar zonder toestemming van TT.Club en met miskenning van dier recht om het geschil te (blijven) leiden, de compensatie door haar cliënt heeft getolereerd, houdt immers een situatie in waarbij de verzekerde aan het slachtoffer een vergoeding toezegde of toekende zonder akkoord van de verzekeraar, en dus de door artikel 85 WLVO bedoelde situatie.

Wanneer een verzekerde het slachtoffer buiten de verzekeraar om, en derhalve met miskenning van het recht van de verzekeraar om het geschil te (blijven) leiden, een vergoeding toezegt of toekent leidt zulks niet tot een verval van dekking, doch enkel tot de niet-tegenwerpelijkheid aan de verzekeraar van het akkoord tussen de verzekerde en het slachtoffer (art. 85 WLVO).

De algemene voorwaarden voorzien overigens ook helemaal niet in zulk een verval (zie stuk 2 dossier TT.Club, p. 20, art. 4), doch indien de polis wel een verval in die situatie zou bedingen, zou dit verval slechts uitwerking kunnen hebben indien de verzekeraar zou aantonen dat er een oorzakelijk verband is tussen de tekortkoming van de verzekerde en het schadegeval (art. 11 WLVO; zie ook in die zin: Cass. 12 oktober 2007, www.cass.be). Van zulk een oorzakelijk verband ligt niet het geringste bewijs voor.

Het gevolg is dus dat de schaderegeling tussen H. en P. niet tegenwerpelijk is aan TT.Club, en haar op zich dus geen nadeel kan toebrengen. TT.Club wordt er op zich niet door belet om de aansprakelijkheid van H. en de omvang van de schade te betwisten, doch een verval van dekking vloeit er niet uit voort.

11.

Gelet op het voorgaande, heeft de vraag of H. zich doeltreffend tegen de door P. doorgevoerde compensatie had kunnen verzetten, geenszins het belang dat partijen eraan lijken toe te schrijven.

Het uitgangspunt blijft dat de schade door de verzekerde zonder akkoord van de verzekeraar werd vergoed aan het slachtoffer. Het feit dat die regeling met het slachtoffer juridisch en economisch te verantwoorden viel doet daaraan geen afbreuk.

12.

Bijgevolg moet H. alsnog bewijzen dat het ingeroepen risico zich heeft voorgedaan en in het contract was voorzien en er niet door uitgesloten was, alsook de omvang van de schade.

Verzekerd risico
13.

De verzekering dekte o.m. de aansprakelijkheid van H. voor het verlies van of de schade aan lading, haar aansprakelijkheid voor de daaruit voortvloeiende gevolgschade, haar aansprakelijkheid voor financieel verlies ten gevolge van vertraging in de nakoming van contractuele verplichtingen en haar buitencontractuele aansprakelijkheid voor verlies van of schade aan goederen van derden.

Daarover bestaat op zich geen betwisting.

Bewijs sinister en bewijs dekking
14.

H. bewijst ten genoege van recht dat zich in de verzekerde periode een diefstal ten nadele van haar klanten F. en P. heeft voorgedaan die gepleegd werd door haar werknemers. Ten nadele van P. ging het om 240 computerschermen die zij in bewaring had gegeven aan H. Dit blijkt onmiskenbaar uit de overtuigingsstukken, en is niet vatbaar voor doeltreffende betwisting.

15.

Bovendien bewijst H. ten genoege van recht dat zij ten opzichte van haar klanten P. en F. aansprakelijk was voor de diefstal (zie o.m. stukken 16, 18 en 20 dossier H.; art. 1932, eerste lid BW).

Het advies van Mr. Poelmans, die kennelijk is tussengekomen op initiatief van de verzekeraar die daarmee de leiding van het geschil op zich nam, spreekt voor zich: H. was aansprakelijk, en was voor dat “legitieme risico” ook verzekerd.

Er wordt ook thans geen enkele ter zake doend en doeltreffend argument opgeworpen ter betwisting van de aansprakelijkheid van H. voor de diefstal van de aan haar in bewaring gegeven goederen, die begaan werd door haar eigen werknemers in het kader van hun arbeidsactiviteiten. De diefstal door eigen werknemers van de bewaarnemer kan niet als overmacht die de bewaarnemer bevrijdt worden aangemerkt.

De aansprakelijkheid van H. was gelet op de gegevens van het dossier niet voor doeltreffende discussie vatbaar, en komt het hof gelet op de overtuigingsstukken van partijen als een juridische vanzelfsprekendheid voor, waarbij het feit dat de aansprakelijkheid van H. ten overstaan van P. niet in een vonnis of arrest tussen die partijen is vastgesteld, volkomen irrelevant is.

16.

Nooit werd op een onverdacht tijdstip beweerd dat H. zich succesvol op een exoneratieclausule in haar voordeel had moeten kunnen beroepen, en nergens in het dossier is er een spoor van te vinden dat de overeenkomst tussen H. en P. zulk een clausule zou bevat hebben.

Het gegeven dat TT.Club de schade geleden door F. heeft vergoed, geeft ten overvloede aan dat er van een exoneratiebeding in het voordeel van H. hoegenaamd geen sprake was, en dat aanvaard werd dat de aansprakelijkheid van de verzekerde voor de diefstal door haar werknemers betrokken was.

17.

TT.Club, die H. verwijt gehandeld te hebben op een wijze die in conflict komt met het feit dat haar de leiding van het geschil toekwam, kan als verzekeraar overigens niet inroepen dat aan haar die leiding toekwam zonder tegelijk ook te aanvaarden dat zij in principe dekking verschuldigd was. De aansprakelijkheidsverzekeraar heeft immers slechts de leiding van het geschil, wanneer aan 4 cumulatieve voorwaarden is voldaan, nl. dat de verzekeraar dekking verschuldigd is, dat de dekking wordt ingeroepen, dat de verzekeraar en de verzekerde samenvallende belangen hebben en dat het gaat om burgerrechtelijke belangen. Door zich te beroepen op het recht om het geschil te leiden heeft zij aanvaard in principe tot dekking te zijn gehouden (zie ook art. 79 WLVO).

18.

Verder is het afdoende bewezen dat het benadeelde slachtoffer P. effectief aanspraak maakte op de vergoeding van de door haar ingevolge de diefstal geleden schade (zie o.m. stukken 9, 10, 13, 15 dossier H.); blijkens stuk 19 van het dossier van H. bedroeg de inhouding door P., die gegrond was op de aansprakelijkheid van H., de som van 76.816,34 EUR.

De waarachtigheid van het feit dat P., die 76.816,34 EUR inhield om zich een vergoeding te verschaffen voor de diefstal waarvan zij het slachtoffer was, aanspraak maakte op vergoeding van de schade, staat vast. Het is daarbij zonder belang dat P. haar inhouding van 76.816,34 EUR boekhoudkundig niet correct heeft verwerkt: dat is overigens een omstandigheid waar H. geen invloed op kon uitoefenen.

Omvang dekking - Schade
19.

TT.Club beroept zich niet op ter zake doende bepalingen uit de polis waarbij de verzekerde som beperkt werd.

20.

P. had als bewaargever recht op ontvangst van de door haar in bewaring gegeven goederen, bij gebreke waarvan zij recht had op een vergoeding van de waarde ervan.

De waarde van de in bewaring gegeven toestellen blijkt uit stuk 9 van het dossier van H., en bedroeg 72.312 EUR (stukken 9 en 31 dossier H.; stuk 22 dossier TT.Club).

Daar het nieuwe toestellen betrof en de prijs ervan gestaafd is met facturen, is de waarde van de gestolen toestellen afdoende bewezen. De bepaling van de waarde van de nagelnieuwe gestolen toestellen, werd overigens nooit op een onverdacht tijdstip betwist.

Dat H. de goederen diende te leveren aan de eindkoper (GB.U.), maakt geen verschil: door de diefstal kon zij die goederen niet aan haar klant leveren. Het was duidelijk P. die de goederen in bewaring had gegeven en ze niet terugkreeg, die ook de schade had geleden. Hoe TT.Club daaruit meent te kunnen afleiden dat H. geen schade zou hebben geleden, wordt niet ingezien.

21.

Er ligt geen enkel bewijs voor dat P. reeds vergoed zou geweest zijn door een schadeverzekeraar, en indien er effectief ook beroep had kunnen gedaan worden op tussenkomst van een schadeverzekeraar kwam het aan TT.Club toe om zich met deze te verstaan over haar eventuele vergoedingsintenties, doch dit doet in het geheel geen afbreuk aan het gegeven dat P. door de diefstal waarvoor H. aansprakelijk was effectief werd benadeeld voor 72.312 EUR.

Het feit dat achteraf computerschermen uit het gestolen lot werden teruggevonden, heeft geen belang daar zij niet gerecupereerd konden worden omdat ze reeds door derden te goeder trouw waren verworven (zie stukken nr. 2 en 46 dossier H.).

22.

TT.Club meent dat H. zich met succes op de algemene voorwaarden der expediteurs van België had moeten kunnen beroepen, zodat deze een aansprakelijkheidsbeperking t.b.v. 1.239,47 EUR had moeten inroepen.

Er is niet de geringste indicatie dat die voorwaarden ooit zouden zijn overeengekomen met P., waarbij het hof niet eens hoeft te wijzen op de grote terughoudendheid in vaste rechtspraak m.b.t. de aanvaarding van de toepasselijkheid van die voorwaarden. Een loutere verwijzing naar die voorwaarden in de facturen - als die er geweest zou zijn - had geenszins kunnen volstaan om de aanvaarding ervan aan te nemen.

Het kan ook geenszins als foutief worden aangemerkt dat TT.Club haar wedercontractant die voorwaarden niet had opgedrongen. H. was noch op grond van de polis, noch op grond van het gemeen recht verplicht die voorwaarden aan P. op te dringen bij contractsluiting.

23.

Gelet op het voorgaande is de aansprakelijkheid van H. betrokken ten bedrage van 72.312 EUR. Er wordt geen verantwoording of toelichting gegeven die het hof toestaat ook het meer gevorderde toe te kennen.

Subrogatie
24.

Op grond van artikel 86 WLVO had P. een eigen recht op de verzekeraar. Zij bekwam door de compensatie toe te passen een vergoeding vanwege de verzekerde zelf, die mee tot betaling aan het slachtoffer gehouden was.

Aldus heeft H. een betaling gedaan waarbij zij een juridisch (nl. als schuldenaar) en commercieel belang had om deze te verrichten. Deze betaling is gedaan ter bevrijding van TT.Club, op wie P. een rechtstreekse vordering had.

Bijgevolg kan H. zelf, als bij toepassing van artikel 1251, 3° BW van rechtswege in de rechten van P. gesubrogeerde partij, aanspraak maken op het bedrag waarop P. aanspraak had kunnen maken, met name 72.312 EUR in hoofdsom.

Kapitalisatie
25.

In de akte van betekening van 25 juli 2008 en in conclusie, ter griffie neergelegd op 30 januari 2009, werd de kapitalisatie gevorderd van de interesten vanaf 25 juli 2008.

De akte van betekening en de genoemde conclusie gelden als aanmaning zoals bedoeld in artikel 1154 BW. Op 25 juli 2008 waren meer dan één jaar interesten vervallen. De kapitalisatieaanvraag voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 1154 BW.

Hiertegen wordt geen ter zake doend verweer gevoerd, zodat de gevorderde kapitalisatie wordt toegestaan.

Gerechtskosten
Overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. vallen de gerechtskosten ten laste van de in het ongelijk gestelde partij. Gelet op de mate van ongegrondheid van het hoger beroep is dit TT.Club voor wat beide aanleggen betreft.

H. vordert met verwijzing naar het kennelijk onredelijk karakter van de situatie voortspruitend uit de onterechte dekkingsweigering een rechtsplegingsvergoeding van 6.000 EUR, het maximumbedrag overeenkomstig artikel 2 KB 26 oktober 2007. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt 3.000 EUR.

Het hof ziet geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De door TT.Club ingeroepen dekkingsweigering was weliswaar foutief, maar daaruit kan niet meteen ook een kennelijk onredelijk karakter van de situatie worden afgeleid die de toekenning van hogere bedragen verantwoordt.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, na beraad

Rechtsprekend op tegenspraak.

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Het tussenarrest van 26 oktober 2009 verder uitwerkend.

Verklaart het hoger beroep slechts in de navolgende beperkte mate gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis, met die wijziging dat de aan H. toekomende hoofdsom 72.312 EUR bedraagt in plaats van 76.816,34 EUR, en dat de aan haar toekomende rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg 3.000 EUR bedraagt in plaats van 4.500 EUR.

Staat de kapitalisatie van de interesten toe op 25 juli 2008.

Verwijst TT.Club in de kosten van het hoger beroep vereffend aan de zijde van H. op 3.000 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 06/07/2017 - 17:29
Laatst aangepast op: do, 06/07/2017 - 17:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.